Vergrijzing en Staatsschuld. Door Prof. Dr. A. H. J. Kolnaar Inleiding



Dovnload 134.91 Kb.
Pagina2/3
Datum22.07.2016
Grootte134.91 Kb.
1   2   3

2. Vergrijzing binnen de EMU

In het kader van de vergrijzing spitst de analyse zich toe op de implicaties van (mutaties in) in drie grootheden. In de eerste plaats is er het arbeidsaanbod (ls ). Dit groeide door een afnemende geboorte-omvang per hoofd weliswaar al langer minder dan op de oorspronkelijke trend het geval was. Als de oude, nog grote generaties jongeren11 van vóór die verlaging van de fertiliteit uiteindelijk met pensioen gaan, begint echter pas de thans voor ons relevante fase der vergrijzing. Het totale aantal mensen (actief en niet actief) dat een inkomen in verband met arbeid (loon, salaris, uitkering of pensioen) krijgt, hoeft dan nog niet merkbaar te zijn teruggelopen. Dat gebeurt wel als in de laatste fase van het proces van de lagere bevolkingsgroei deze generaties zijn overleden12. Voorbeeld 1 betreft daarom een blijvende verlaging van het arbeidsaanbod met 1% bij een vooralsnog niet veranderde totale bevolking. De omvang van die daling hangt af van de gelijktijdige ontwikkeling in de participatiegraad. Als deze reeds vóór de vergrijzingsfase een maximum bereikte, is de invloed van die vergrijzing op het arbeidsaanbod en de ratio actieven/ niet-actieven niet meer met extra participatie te redresseren13, ontstaat er dus een probleem.

De invloed van de vergrijzing zal zich niet tot dit arbeidsaanbodeffect beperken. Zowel de vraag naar arbeid in de collectieve sector (zorg etc.) als de materiële overheidsuitgaven komen onder opwaartse druk te staan van de grote groepen oudere zorgbehoevenden. Met het oog hierop is ook een blijvende toeneming van de werkgelegenheid in de collectieve sector doorgerekend (g=1) naast een dito ontwikkeling in de materiële overheidsuitgaven (g=1).

De cijfervoorbeelden beschrijven in de eerste kolom de kortetermijn uitkomsten voor het monopolie en in de tweede die bij volledige mededinging. Dan volgen aanpassingsprocessen van



de investeringen, de kapitaalgoederen en de internationale beleggingen. Zij laten de gang van zaken in de rest van de economie niet onberoerd. Deze processen zijn in de tabellen niet weergegeven. In de laatste kolom staan wel de blijvende resultaten ervan op de lange termijn. Die worden bereikt als het monopolie (via een adequate investeringsbedrijvigheid) de optimale bedrijfsgrootte heeft verwezenlijkt. Dan is er ook evenwicht op de goederenmarkt: zulks ligt in een optimale bedrijfsomvang besloten. Het langetermijn resultaat bij volledige mededinging vergt evenzeer evenwichtige investeringen. Hier is echter al van meet af aan sprake van een volledige bezetting van het productie-apparaat.

Van cruciaal belang is nu dat de langetermijn uitkomsten in de reële sfeer hetzelfde blijken te zijn, ongeacht de marktvorm.. Dit mogelijk verrassende resultaat is bij het bereikte evenwicht op de goederenmarkt te danken aan de vooronderstellingen rond de betalingsbalans, de kapitaalstromen en de vrije wisselkoersen. De langetermijn resultaten in de monetaire en de financiële sfeer (prijzen en nominale rentevoeten en dus ook financieringstekorten en schuldquoten) verschillen wel, maar dat is niet relevant voor de afloop van het economisch proces. Althans niet zolang de schuldquoten niet zo groot worden dat de beleggers het vertrouwen in de solvabiliteit van de overheid verliezen. Daarmee is hier geen rekening gehouden. Om andere redenen wordt zo dadelijk overigens betoogd dat de zich aandienende primaire tekorten van de collectieve sector niet kunnen en zullen worden geaccepteerd.

Het teruglopende arbeidsaanbod leidt in voorbeeld 1 in beide gevallen al direct tot minder activiteit en ook tot werkloosheid. Waar het aantal niet actieve ouderen relatief toeneemt moet de belasting- en premiedruk al direct omhoog. Deze wordt echter gedeeltelijk afgewenteld op de bruto loonkosten, met resulterende nadelige gevolgen voor de werkgelegenheid. De belasting- en premiedruk stijgt dan staande het omslagstelsel verder.

De neergang in activiteit is het grootst bij het monopolie. Hier verschijnt namelijk naast een teruglopende productiecapaciteit (minder arbeid) nog eens onderbezetting onder invloed van vooral teruglopende exporten. Een zich versterkend proces van rente-, kostprijs- en uiteindelijk verkoopprijsverhogingen is daar debet aan. De op kostenmutaties gebaseerde prijscorrecties schieten te ver door. De onderbezetting sleurt de werkgelegenheid nog verder mee naar beneden. Bij volledige mededinging treedt geen onderbezetting op, dank zij wat dit betreft adequate prijsaanpassingen. De productie volgt onder deze omstandigheden de productiecapaciteit, die op korte termijn minder variabel is dan de bestedingen. Overigens zijn de kortetermijn resultaten sterk afhankelijk van de gekozen parameterwaarden14.

In tweede instantie komt in beide situaties een inflatieproces op gang. De lagere investeringen bewerkstelligen bovendien een verder teruglopende productiecapaciteit. Bij volledige mededinging wordt de productie meegesleept, zodat een stagflatieproces manifest wordt. Bij het monopolie wordt tevens de oorspronkelijke onderbezetting weggewerkt, waardoor de productie in tweede instantie minder snel terugvalt dan de productiecapaciteit. Maar ook hier neemt de productie af, is er dus sprake van stagflatie.


Voorbeeld 1. Vergrijzing en arbeidsaanbod (ls=-1)

Korte termijn Lange termijn

Monopolie Voll. mededinging



Marktsector, aanbodzijde:

Kapitaalgoederen (k-1) 0.0 0.0 -1.53

Arbeid, marktsector (l) -1.26 -0.69 -1.44

Productiecapaciteit (y’) -0.84 -0.46 -1.47

Productie (y) -1.25 -0.46 -1.47

Reële beloningsvoeten:

Reële loonvoet (w) 0.43 0.83 0.32

Kapitaalrendement (rb) -0.92 -1.22 0.61

Ruilvoet (P) 0.38 0.15 0.42



Arbeidsmarkt:

Werkgelegenheid (ld ) -1.01 -0.55 -1.15

Aanbod van arbeid (ls ) -1.0 -1.0 -1.0

Belasting- en premiedruk (t’l ) 1.26 0.69 1.44



Bestedingen:

Particuliere consumptie (c ) -0.84 0.15 -1.11

Materiële overheidsuitgaven (xg ) 0.0 0.0 0.0

Bedrijfsinvesteringen (i) -1.22 -1.84 -1.53

Volume handelsoverschot (sb ) -0.45 -0.19 -0.42

Primaire spaar- en inkomensoverschotten:

Saldo collectieve sector (Sg) -0.13 -0.16 -0.12

Saldo particuliere sector (Sp) 0.06 0.12 0.12

Saldo lopende rekening (Sb) -0.06 -0.04 0.00

Saldo kapitaalstromen (SK) 0.06 0.04 0.00

Nominale sfeer: Monop. VM

Prijs toegevoegde waarde (py ) 2.45 0.41 3.92 2.08

Nominale rentevoet (prq ) 3.27 1.54 5.95 2.27

Wisselkoers (pw ) 1.49 0.71 2.87 1.03


Op lange termijn komen de twee systemen zoals gezegd reëel gesproken op hetzelfde neer. De overheid wordt in beide gevallen van meet af aan geconfronteerd met primaire tekorten. Staande het omslagstelsel zijn die bij onveranderde materiële uitgaven te wijten aan de dalende winsten annex opbrengsten van de vennootschapsbelasting. De tekorten leiden tot een oplopende schuld en mogelijk tot hogere rentevoeten daarop om de beleggers te verleiden de hogere schuld ook te financieren. Met de mogelijke gevolgen van zo’n hogere rentevoet is in het model niet afzonderlijk rekening gehouden. De rentevoet stijgt er toch al, op de korte en nog meer op de lange termijn, bij beide marktvormen. De optredende verschillen in de nominale sfeer op lange termijn zijn niet relevant voor de reële uitkomsten.
De vergrijzing zal waarschijnlijk ook leiden tot extra overheidsuitgaven. In voorbeeld 2 is met het oog daarop een toeneming van de materiële overheidsuitgaven uitgewerkt.

Voorbeeld 2. Vergrijzing: extra ongedekte overheidsuitgaven (xg=1)

Korte termijn Lange termijn

Monopolie Voll. mededinging



Marktsector, aanbodzijde:

Kapitaalgoederen (k-1) 0.0 0.0 -0.48

Arbeid, marktsector (l) -0.02 0.01 -0.23

Productiecapaciteit (y’) -0.01 0.01 -0.32

Productie (y) -0.05 0.01 -0.32

Reële beloningsvoeten:

Reële loonvoet (w) -0.03 0.00 -0.16

Kapitaalrendement (rb ) 0.11 0.04 0.59

Ruilvoet (P) 0.05 0.01 0.09



Arbeidsmarkt:

Werkgelegenheid (ld ) -0.01 0.01 -0.19

Aanbod van arbeid (ls ) 0.0 0.0 0.0

Belasting- en premiedruk (t’l ) 0.02 -0.01 0.23



Bestedingen:

Particuliere consumptie (c ) -0.06 0.01 -0.40

Materiële overheidsuitgaven (xg ) 1.0 1.0 1.0

Bedrijfsinvesteringen (i) -0.10 -0.39 -0.48

Volume handelsoverschot (sb ) -0.12 -0.06 -0.09

Primaire spaar- en inkomensoverschotten:

Saldo collectieve sector (Sg) -0.12 -0.13 -0.12

Saldo particuliere sector (Sp) 0.04 0.09 0.12

Saldo lopende rekening (Sb) -0.08 -0.04 0.00

Saldo kapitaalstromen (SK) 0.08 0.04 0.00

Nominale sfeer: Monop. VM

Prijs toegevoegde waarde (py ) 0.89 0.42 2.69 0.91

Nominale rentevoet (prq ) 1.68 0.87 4.97 1.41

Wisselkoers (pw ) 0.77 0.38 2.46 0.68


Natuurlijk wordt de overheid als gevolg van de extra (ex hypothesi niet door dito inkomsten gedekte) materiële uitgaven opnieuw geconfronteerd met tekorten. Voorts neemt de activiteit ook nu op lange termijn af. Ingeval van volledige mededinging is dat zo omdat de extra overheidsaanslagen op het nationale inkomen andere bestedingen en met name de bedrijfsinvesteringen verdringen. Bij het monopolie loopt de verklaring via de wederom in eerste instantie overtrokken reactie van de prijzen op de (kapitaal)kosten. Daarop werd al gewezen.

Het algemene beeld van ook deze met de vergrijzing samenhangende impuls is inflatie, met zeker op de duur minder werk en minder productie, zoals in de tabel weergegeven. Stagflatie dus. De ‘Wet van Kalecki’ is nadrukkelijk aanwezig: extra ongedekte overheidsuitgaven leiden tot hogere bedrijfsrendementen!


In het derde voorbeeld is de kwestie van de extra arbeid in de collectieve sector aan de orde.

Voorbeeld 3. Vergrijzing: extra vraag naar arbeid in de collectieve sector (lg=1)

Korte termijn Lange termijn

Monopolie Voll. mededinging



Marktsector, aanbodzijde:

Kapitaalgoederen (k-1) 0.0 0.0 -0.31

Arbeid, marktsector (l) -0.25 -0.14 -0.29

Productiecapaciteit (y’) -0.17 -0.09 -0.29

Productie (y) -0.25 -0.09 -0.29

Reële beloningsvoeten:

Reële loonvoet (w) 0.09 0.17 0.06

Kapitaalrendement (rb ) -0.18 -0.24 0.12

Ruilvoet (P) 0.08 0.03 0.08



Arbeidsmarkt:

Werkgelegenheid (ld ) -0.00 0.09 -0.03

Aanbod van arbeid (ls ) 0.0 0.0 0.0

Belasting- en premiedruk (t’l ) 0.25 0.14 0.29



Bestedingen:

Particuliere consumptie (c ) -0.17 0.03 -0.22

Materiële overheidsuitgaven (xg ) 0.0 0.0 0.0

Bedrijfsinvesteringen (i) -0.24 -0.37 -0.31

Volume handelsoverschot (sb ) -0.09 -0.04 -0.08

Primaire spaar- en inkomensoverschotten:

Saldo collectieve sector (Sg) -0.02 -0.03 -0.02

Saldo particuliere sector (Sp) 0.01 0.02 0.02

Saldo lopende rekening (Sb) -0.01 -0.01 0.00

Saldo kapitaalstromen (SK) 0.01 0.01 0.00

Nominale sfeer: Monop. VM

Prijs toegevoegde waarde (py ) 0.49 0.21 0.78 0.42

Nominale rentevoet (prq ) 0.65 0.31 1.19 0.62

Wisselkoers (pw ) 0.30 0.14 0.57 0.21


Het betreft een grotere tewerkstelling in bijvoorbeeld de zorgsector. Dat gaat bij een nu onveranderd totaalaanbod ten koste van de voor de marktsector beschikbare arbeid. Ook dit

derde effect van de vergrijzing leidt tot stagflatie en overheidstekorten. Voorzover een eventuele extra arbeidsparticipatie wordt geabsorbeerd door de collectieve sector, lost dat de met vergijzing samenhangende problematiek dus niet op.


Conclusies op EMU-niveau.

Samenvattend leiden de analyses op basis van twee verschillende theorieën toch steeds tot een gemeenschappelijke beeld op de langere termijn. Vergrijzing zal op het niveau van de totale EMU leiden tot minder economische activiteit, minder werkgelegenheid, minder consumptie per hoofd van de bevolking en ook een lager reëel beschikbaar loon (w- t’l ) bij een hogere belasting- en premiedruk op arbeid. De verschillende ingangen -arbeidsaanbod, overheidsuitgaven en werk in de collectieve sector- roepen alle drie primaire tekorten op bij de overheid en bovendien inflatie met op de duur een verzwakkende euro. Die tekorten treden op hoewel al een groot deel door de overheid werd opgevangen middels de genoemde aanpassingen van de belasting- en premiedruk op arbeid! De in de drie voorbeelden gegeven impulsen komen in het kader van de vergrijzing daarbij boven op elkaar. Zij versterken elkaar anders gezegd. Hiermee is mijn centrale stelling met betrekking tot de mogelijke gevolgen van de vergrijzing voldoende toegelicht. De belangrijkste dreiging die vergrijzing in zich bergt heet stagflatie.

Bedacht zij voorts, dat in de voorbeelden steeds slechts één keer een impuls werd gegeven: zo ging het arbeidsaanbod 1% omlaag om vervolgens duurzaam op dat lagere groeipad door te groeien. In de werkelijkheid beperkt het proces van lagere bevolkingsgroei en vergrijzing zich allicht niet tot maar één keer zo’n impuls, maar brengt het vele in achtereenvolgende jaren (de vergrijzing tot pakweg 2040 toe) herhaalde impulsen. Dat wil zeggen dat de uitkomsten van de impulsen uit de voorbeelden ook afzonderlijk weer meerdere malen moeten worden gecumuleerd. De tekorten zullen dus steeds verder oplopen, productie en werkgelegenheid steeds verder teruglopen, de inflatie zal steeds meer aantrekken, de euro steeds verder wegzakken.

Natuurlijk zal dit niet worden getolereerd. Hoe de beschreven ontwikkeling moet worden gekeerd, is intussen zonneklaar. Als vergrijzing inderdaad een probleem wordt15 zal vanaf het moment dat dit zich manifesteert

- er loonkostenmatiging moeten komen om de druk op de kosten, de prijzen en de bestedingen weg te nemen (de afwenteling van noodzakelijke belasting- en premiedrukverhogingen aldus in tweede instantie corrigerend) en een ontwikkeling van toenemende werkloosheid te keren

- er een op prijs- en dus ook wisselkoersstabilisatie gericht monetair beleid moeten komen

- er (verdere) belastingverhoging nodig zijn om primaire overschotten bij de overheid te realiseren, zodat de druk op de prijzen, de wisselkoersen en de bestedingen ook langs die weg wordt geneutraliseerd. Los daarvan zullen oplopende tekorten op de duur mogelijk niet worden gefinancierd door de beleggers, omdat zij het vertrouwen in de overheid gaan verliezen. Dat zal eveneens ooit dwingen tot het kweken van primaire overschotten. De winstbelasting zal hiertoe naast de loonbelasting en de premieheffing een bijdrage moeten leveren. Op het eind van dit artikel wordt aangegeven wat resulteert bij een van meet af aan adequaat beleid.


3. Vergrijzing en de kleine open economie binnen de EMU
De analyse van de implicaties van de vergrijzing voor Nederland moet starten met de analyse van het zelfde fenomeen op het niveau van onze belangrijkste handelspartners. Het gaat immers niet om een geïsoleerd Nederlands probleem, maar om een bij al die partners spelende ontwikkeling. Gegeven de alsdan op het EMU-niveau resulterende problemen van overheidstekorten, stagflatie en een verzwakkende euro en gegeven ook het verdrag van Maastricht en het Stabiliteitspact is een afzonderlijke analyse op het Nederlandse niveau daarna nauwelijks nog relevant. De politieke speelruimte voor een eigen beleid, als dat al anders zou moeten zijn, is immers nihil.

Om inzicht te krijgen in de verschillen in conclusies die afhankelijk van het analyseniveau kunnen optreden, is toch de onderhavige paragraaf opgevoerd. Daarin wordt de analyse herhaald op een meer Nederlands niveau en onder de vooronderstelling dat er bij de handelspartners niets aan de hand is. Dan zijn enkele ingrepen in het gebruikte model nodig. In vergelijking met de positie uit de vorige paragraaf wordt de rentevoet volgens JADE in ons land bepaald door die in het buitenland. De kapitaalkosten volgen bij deze gegeven nominale rente de bestedingsprijs. In vergelijking 4a wordt θ dus gelijk aan 0. Ook de wisselkoers is constant (gemeenschappelijke munt). Er hoeft geen evenwicht te zijn op de betalingsbalans16. De relatie voor de internationale kapitaalstromen is niet langer bruikbaar omdat de basis voor de onderbouwing ervan aldus is verdwenen. Dit komt neer op Kpw=0 in vergelijking 7b, en op vr=vpw=0 in vergelijking 6e. Met betrekking tot de goederenmarkt mag de keuze voor het monopolie aanvechtbaar zijn, om aansluiting te krijgen met CPB-analyses is ze noodzakelijk. Dit noopt tot Ky=0 in relatie 7c.

Ten slotte is steeds weer verondersteld dat het deelsaldo van de collectieve sector in verband met arbeid in evenwicht is via een dienovereenkomstige aanpassing van de belasting- en premiedruk. De vergelijkbaarheid met de vorige exercities is daarmee allicht gediend.

De karakteristieken van dit model zijn het snelst te doorgronden door op de ontwikkelingen ten opzichte van het (zich dus onveranderlijk op het oude groeipad bevindende en niet door vergrijzing en/of fout beleid geplaagd) buitenland te letten. De effecten via de lopende rekening zijn namelijk doorslaggevend. Een extra reële loonstijging mag in het binnenland tot meer bestedingen, productie en werkgelegenheid leiden in deze Keynesiaanse wereld, de negatieve gevolgen ervan voor die productie en werkgelegenheid via een verslechterde concurrentiepositie en de terugval in de export (juister het exportoverschot qua volume) overheersen.

In voorbeeld 4 zijn de gevolgen van de drie met vergrijzing samenhangende impulsen opnieuw in kaart gebracht, voor de korte en de lange termijn. De verschillen met de uitkomsten van de voorgaande beschouwingen zijn opvallend. Met uitzondering van drie grootheden zijn de resultaten op de korte en de lange termijn steeds identiek. Dat geldt bijvoorbeeld voor de productie, de werkgelegenheid en de prijzen. Er treden geen langere termijn processen van inflatie en groeivertraging aan de dag. De analyse op het onderhavige niveau komt de dreiging van de stagflatie dus niet of nauwelijks op het spoor.

De resultaten, met name ten aanzien van de extra materiële overheidsuitgaven en de extra arbeid in de collectieve sector, zijn veel gunstiger dan zojuist. Extra materiële uitgaven mogen dan wederom tekorten veroorzaken, de gevolgen voor de productie, de werkgelegenheid en de consumptie zijn van meet af aan positief in plaats van als hiervoor negatief. De kwalitatieve conclusies veranderen al met al ingrijpend!

Slechts de kapitaalgoederenvoorraad met in het verlengde de productiecapaciteit en de kapitaalrendementen verschillen tussen de korte en de lange termijn. Gegeven de totale productie vanaf de beginperiode is hier het aanpassingsproces richting optimale bedrijfsgrootte manifest, waarbij het aanbod zich geheel aanpast aan de vraag. De andere kapitaalinzet die daarvoor nodig is verloopt volledig tegengesteld aan de bedrijfsrendementen bij een onveranderde totale winstgevendheid. Dit merkwaardige en wat mij betreft weinig overtuigende afruilproces heeft geen nevengevolgen voor de rest van de economie, omdat in deze analyse het “inkomenseffect” van de kapitaalgoederen naar goed Keynesiaans gebruik nul is17.




Voorbeeld 3. Vergrijzing in de kleine open economie

lS=-1 lg=1 lg=1

Korte Lange Korte Lange Korte Lange



Marktsector, aanbodzijde:

Kapitaalgoederen (k-1) 0.0 -0.92 0.0 0.11 0.0 -0.18

Arbeid, marktsector (l) -1.10 -1.10 0.09 0.09 -0.22 -0.22

Productiecapaciteit (y’) -0.73 -1.04 0.06 0.10 -0.15 -0.21

Productie (y) -1.04 -1.04 0.10 0.10 -0.21 -0.21

Reële beloningsvoeten:

Reële loonvoet (w) 0.52 0.52 0.04 0.04 0.11 0.11

Kapitaalrendement (rb ) -0.92 0.00 0.11 0.00 -0.18 0.00

Ruilvoet (P) 0.35 0.35 0.02 0.02 0.07 0.07



Arbeidsmarkt:

Werkgelegenheid (ld ) -0.88 -0.88 0.07 0.07 0.02 0.02

Aanbod van arbeid (ls ) -1.0 -1.0 0.0 0.0 .0 0.0

Bel.- en premiedruk (t’l ) 1.10 1.10 -0.09 -0.09 0.22 0.22



Bestedingen:

Particuliere consumptie (c ) -0.57 -0.57 0.13 0.13 -0.11 -0.11

Mat. overheidsuitgaven (xg ) 0.0 0.00 1.0 1.0 0.0 0.0

Bedrijfsinvesteringen (i) -0.92 -0.92 0.11 0.11 -0.18 -0.18

Volume handelsoverschot (sb ) -0.47 -0.47 -0.14 -0.14 -0.09 -0.09

Primaire spaar- en inkomensoverschotten:

Saldo collectieve sector (Sg) -0.12 -0.12 -0.12 -0.12 -0.02 -0.02

Saldo particuliere sector (Sp) 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00

Saldo lopende rekening (Sb) -0.12 -0.12 -0.12 -0.12 -0.02 -0.02

Saldo kapitaalstromen (SK) ? ? ? ? ? ?

Nominale sfeer:

Prijs toegevoegde waarde (py ) 0.88 0.88 0.06 0.06 0.17 0.17

Nominale rentevoet (prq ) 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00

Wisselkoers (pw ) 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00


De lopende rekening vertoont steeds een duurzaam tekort. Dat lijkt in een muntunie geen punt. Per definitie staan er even grote positieve saldi van de totale kapitaalstromen met het buitenland tegenover. Wil dit automatisme werken, dan dienen buitenlanders echter wel bereid te zijn steeds meer in ons land te beleggen en wij om onze buitenlandse beleggingen van voorheen steeds verder af te bouwen. Of dat zo zal zijn kan worden betwijfeld. Voortdurend meer beleggen in maar één richting, steeds meer op één paard zetten, maakt het beleggingsrisico steeds groter. De kern van onze verklaring voor de internationale kapitaalstromen in de vorige paragraaf was nu juist, dat beleggers dat risico willen spreiden, naar een optimum van opbrengst en risico zoeken. Zelfs bij duurzame rentevoetverschillen houdt de kapitaalstroom dan ooit op. Dat geldt eens te meer als er, zoals in JADE, geen verschillen in opbrengstvoeten zouden bestaan. Overigens zijn de resultaten van onze buitenlandse beleggingen als bekend slecht. Ook dat voedt de twijfels rond het veronderstelde noodzakelijke automatisme en dus de duurzaamheid van handelstekorten.

Voorbeeld 4 kent voorts in alle gevallen van meet af een onveranderlijk werkloosheidspercentage, bij vaste prijzen. Deze werkloosheid wordt aangeduid met de term “evenwichtswerkloosheid”18. Het is een voor Keynesiaanse modellen (beperkt) bruikbaar analytisch begrip. De evenwichts-werkloosheid kan ook bij de hier gegeven rentevoet19 echter geweldig variëren in omvang, al naar gelang onder meer de relatieve uitkeringshoogte, de wig op de arbeidsmarkt en de omvang van de gegeven impulsen. De kwestie van de reacties der monopolisten op de bezettingsgraad roept extra vraagtekens op over de precisering van dit concept. Bij additionele invloeden op de prijzen vanuit de wisselkoersen, de rentevoet en de bezettingsgraad vergt een inflatievrije ontwikkeling meer dan alleen een bepaald werkloosheidspercentage. Of de samenleving de berekende werkloosheid ook als evenwichtig zal beschouwen is tenslotte maar zeer de vraag. Ik koester al met al enig wantrouwen jegens analyses die zijn gewrocht met dit begrip als uitgangspunt20.

Een derde kanttekening bij voorbeeld 4 en de daarop gebaseerde conclusies betreft de overheidsuitgaven. Volgens de Keynesiaanse traditie van JADE stimuleren extra ongedekte overheidsuitgaven de productie en de werkgelegenheid. Bezuinigingen daarentegen zijn slecht voor dezelfde economische kernvariabelen. Zou de analyse langs neoklassieke weg zijn opgezet dan had het tegendeel gegolden. Het oordeel over een wijs langetermijn beleid in de economie loopt op basis hiervan dus sterk uiteen. Er is evenwel een aanvullende gedachtegang mogelijk over die uitgaven, die de afstand tussen deze twee hoofdtheorieën in de economie aanmerkelijk kan doen slinken. De gebezigde functie voor de productiecapaciteit kan op langere termijn niet goed zijn. Wat bedrijven kunnen produceren hangt niet alleen van hun eigen inspanning en inzicht af. Als er te weinig wegen zijn loopt het verkeer, de aan- en afvoer, vast. Dat geldt ook voor andere soorten infrastructuur. Uiteindelijk is dit een zaak van overheidsinvesteringen. In het model kan dit worden verwerkt. De functie voor de productiecapaciteit wordt dan bijvoorbeeld21:


1d. y= ζ(kg-1 - k-1 ) + λl +(1- λ)k-1 Productiecapaciteit bedrijven
De eerste term geeft aan dat de productie, beter de algemene factorproductiviteit, minder wordt als de infrastructuur (kg ) onvoldoende in de pas loopt met de kapitaalgoederenvoorraad in de bedrijven. Ik bedoel dit niet als een aanhankelijkheidsbetuiging aan de endogene groeitheorie. De functie suggereert dat als de infrastructuur verder toeneemt de productiviteit voortdurend steeds hoger wordt. Dat gaat wel erg ver. De parameter ζ moet echt kleiner zijn dan 1. Naarmate de infrastructuur verder achterop raakt zal de productiviteit wel steeds minder worden. Dat staat buiten kijf. De infrastructuur wordt opgebouwd middels infrastructurele investeringen van de overheid (ig ). De desbetreffende accumulatiefunctie is vergelijkbaar met 1a:
1f. kg-1= (1-gbg ) kg-2 + gbg ig-1 Infrastructuur
De vertraging in de opbouw van de infrastructuur en de al gememoreerde waarschijnlijk beperkte waarde van ζ impliceren terecht dat het achterblijven eerst na verloop van tijd voelbaar wordt.

De analyse van dit geamendeerde model blijft hier achterwege. Het is apert duidelijk dat achterblijvende overheidsinvesteringen langs deze weg altijd, in elk model, nadelig zijn voor de productie etc. en vroeger of later juist tot een extra druk op die overheidsuitgaven moeten leiden om de achterstanden weer in te lopen.

Soortgelijke beschouwingen kunnen gewijd worden aan het onderwijs en de zorg. Ook een duurzame ontwikkeling verdraagt geen uitstel van investeringen. In een verstandig economisch beleid wordt hier rekening mee gehouden door er met behulp van de belasting- en uitgavenpolitiek de nodige ruimte voor te maken. De begroting is geen doel op zich.



1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina