Vergrijzing en Staatsschuld. Door Prof. Dr. A. H. J. Kolnaar Inleiding



Dovnload 134.91 Kb.
Pagina3/3
Datum22.07.2016
Grootte134.91 Kb.
1   2   3

4. Vergrijzing en Staatsschuld.
Ik beschouw de stagflatie als het belangrijkste gevaar van de vergrijzing. De voorgaande analyses maken duidelijk waarom. Ze illustreren ook dat dit inzicht niet snel valt te verkrijgen aan de hand van hier gebruikelijke modellen voor de kleine open economie binnen een muntunie.

De conclusie van de dreigende stagflatie is gewichtig en ook pijnlijk voor ons land met zijn hoge mate van kapitaaldekking voor de pensioenen. Juist dat stelsel is slecht bestand tegen inflatie. Dat klemt temeer als ook nog eens een relatief veilig beleggingsobject als de staatsschuld wordt afgebouwd. Aannemen dat de beleggers dan wel als maar meer in het buitenland zullen beleggen gaat in tegen een op spreiding van opbrengst en risico gebaseerd rationeel beleggersgedrag.

Een argument om de staatsschuld af te bouwen is zoals bekend het vrijspelen van de rentelasten met het oog op verwachte hogere uitgaven straks. Ik geef die redenering hieronder schematisch weer. Uitgegaan is van een primaire overschotquote in de uitgangssituatie van 0 en een rentelastenquote van 3%. Onder invloed van de vergrijzing loopt de primaire tekortquote op naar laat ons aannemen eveneens 3%. Bij constante rentelasten is de financieringstekortquote dan eerst 3 en straks 6%. Dat is overigens een onderschatting, want alleen al door de hier stijgende schuldquote zal de rentelastenquote verder toenemen.

Nu Straks

Primair overschot in % productie 0 -3

Rentelasten, idem 3 3

--- ---

Financieringsoverschot, idem -3 -6


Neem aan dat het tekort van 6% niet acceptabel is en/of niet duurzaam kan zijn: op lange termijn mag het bijvoorbeeld niet meer zijn dan 3%. Puur tautologisch redenerend kan de zaak weer gezond worden door nu via een primair overschot het financieringstekort om te buigen in een overschot, zodat de staatsschuld kan worden afgebouwd. Stel dat een overschot van 2% voldoende is om straks de schuld en de rentelast volledig tot nul gereduceerd te hebben. Dies moet de primaire overschotquote 5% worden:

Nu Straks

Primaire overschotquote 5 -3

Rentelastenquote 3 0

--- ---

Financieringsoverschotquote 2 -3




In grote lijnen is hiermee de gangbare betoogtrant geschetst, inclusief onderbouwingen op basis van “intergenerational accounting”. De redenering gaat evenwel voorbij aan de kern. De primaire overschotquote mag straks geen -3% bedragen, omdat dat het proces van stagflatie alleen maar zou aanwakkeren in plaats van beteugelen. Hij moet minstens terug naar 0, rentelasten of niet, bij voorkeur zelfs worden omgebogen in een primair overschot. Analyses rond normen voor de budgetpolitiek moeten gemaakt worden tegen de achtergrond van dergelijke reële economische omstandigheden. Vanuit dit gezichtspunt is de operatie “afbouw staatsschuld” thans dus volstrekt zinloos. Als er al schuld afgebouwd moet worden in verband met de vergrijzing, dan straks.

Wat we thans natuurlijk niet moeten doen is de rentelasten en de tekorten onnodig op laten lopen. Aan dergelijke grote tekorten is thans ook geen behoefte gegeven de reële stand van zaken in onze economie. Overigens lopen staatsschuld- en rentelastenquoten ook al bij beperkte financieringstekorten of -evenwichten terug.

Afbouwen met het oog op de vergrijzing is dus overbodig. De implicaties van zo’n afbouw zijn dan nog niet eens meegewogen. Wat dat betreft kan verwezen naar de optimistische visies over de gevolgen van extra overheidsuitgaven in voorbeeld 4 (meer ambtenaren en consumptie en investeringen van de overheid) om een indruk te geven van wat die implicaties zijn volgens de te lande gangbare modellen. Bij minder uitgaven als middel ter afbouw van de schuld, moeten de uitkomsten wel van een tegengesteld teken worden voorzien. Spaaroverschotten worden betaald met minder productie, werk en winst. (Dat geldt ook indien die overschotten tot stand zouden komen middels extra belasting- en premieheffing.)

Men kan tegenwerpen dat bij anders geaarde, meer neoklassiek georiënteerde modellen de uitkomsten veranderen. Rekening houdend met de invloed van met name infrastructurele investeringen, liever productieve uitgaven, op de factorproductiviteit in een economie kan de gemeenschappelijke conclusie desondanks zijn, dat te weinig aan dergelijke overheidstaken uitgeven op de duur inderdaad slecht is voor de groei en de werkgelegenheid in de marktsector. Zo beschouwd is de aanbeveling de staatsschuld thans af te bouwen in het licht van de vergrijzing er zelfs naast. Het vergroot de problemen straks.

Dat afbouw van de schuld nú via extra belasting- en premieheffing niet valt aan te bevelen hoef ik naar ik aanneem niet verder toe te lichten. Het zou van de burger extra offers vergen zonder dat er met dat geld iets goeds wordt gedaan. Het zou bovendien de arbeidskosten maar opjagen. Zie wat er nu gebeurt met de sociale fondsen. Dat heb ik dan ook tegen de door het CPB in “Ageing in the Netherlands” gedane suggestie om uit een oogpunt van een evenwichtiger spreiding van de welvaart over de generaties reeds nu, anticiperend op ontwikkelingen straks, de belasting- en premiedruk omhoog te doen (tax smoothing). Niet valt in te zien dat de huidige of de toekomstige generatie daar beter van wordt. Eerder geldt het omgekeerde. Laat de toekomstige generatie een gezonde economie, met een goede infrastructuur en voorzieningen na. Daar zijn ze wél mee geholpen. Dat kan door nú juist meer in die zaken te steken. De noodzaak daartoe dringt zich overigens ook los van de vergrijzing steeds nadrukkelijker op.


Dit neemt niet weg dat er op het terrein van de belasting- en premiestructuur niet het een en ander moet gebeuren. Met name de armoede- en de werkloosheidsval, meer in het algemeen het euvel van een effectieve marginale druk van meer dan 100 procent, moet eindelijk fundamenteel worden aangepakt. Dit met onder meer het oog op een zo hoog mogelijke vrijwillige arbeidsparticipatie als mogelijk antwoord op de eventuele vergrijzingsproblematiek. Als dat gebeurt is, zie ik overigens niet veel heil meer in nog meer maatregelen op het terrein van de belastingen. Het ook in JADE verwerkte positieve effect van de netto reële loonshoogte op het arbeidsaanbod moet op lange termijn zijn kwantitatieve betekenis verliezen. Als tenminste, mede door een goed uitgavenbeleid van de overheid nu, de productiviteitsontwikkeling blijft zorgen voor ruimte voor stijgende netto lonen. Is die ruimte voldoende om ook de onvermijdelijke lastenverhogingen straks op te vangen dan heeft de huidige generatie het zijne bij gedragen aan de oplossing van de problematiek van de vergrijzing. Aan dat alles doet het bestaan van staatsschuld niets af.

In dit verband zij nog opgemerkt, dat in theorie een ontkoppeling van ambtenarensalarissen en uitkeringen verlichting kan brengen in de te verwachten tekortproblematiek van de overheid. Bovendien kan de arbeidsparticipatie (vooralsnog) worden gestimuleerd via de replacementratio. Het is zeer de vraag of de juist groeiende groep betrokkenen zo’n eenzijdige achterstelling al die jaren zullen slikken, los van de vraagtekens die bij dergelijke ingrepen zijn te plaatsen vanuit de doelstelling van een redelijke inkomensverdeling.

Een verlichting der vergrijzingsdruk kan tevens komen van extra uitbreiding van het actieve arbeidsaanbod via immigratie van arbeid van buiten de EMU. Voorzover na een democratische besluitvorming deze mogelijkheid niet wordt geaccepteerd, blijft het hierboven gestelde van kracht.

Het bovenstaande impliceert niet dat geen verschuivingen in de overheidsuitgaven mogelijk of misschien zelfs wel noodzakelijk zouden zijn. Streven naar efficiëntie even goed als herbezinning op gestelde prioriteiten is altijd geboden, ook in het overheidsapparaat. Maar daarvoor hoeft de staatsschuld niet te worden afgelost. Het moet ook los van de vergrijzing.

De kern van de boodschap is uiteindelijk simpel. Aan de hand van foute diagnosen wordt een overbodig en zelfs misplaatst beleid ten uitvoer gelegd, worden tegelijkertijd onvermijdelijke keuzen ontlopen en blijven noodzakelijke maatregelen dus uit. Het aflossen van de staatsschuld impliceert het verschuiven van lasten naar toekomstige generaties zonder dat de hedengeneratie er baat bij heeft.
5. Slot.
In onderstaande nationale boekhoudingen van bedrijven wordt aan de hand van een voorbeeld nog eens weergegeven hoe de situaties voor en na de vergrijzing er uit kunnen zien als het juiste beleid wordt gevoerd. Het draait om het beslag op de productie (het nationale inkomen) na de voor de groei en volledige werkgelegenheid noodzakelijk investeringen, de te verdelen ruimte.

Voor vergrijzing Na vergrijzing


Loonsom 67 Part. Consumptie 70 Loonsom 67 Part. Consumptie 70

Bruto winst 33 Mat. Overh.uitgaven 10 Bruto winst 33 Mat. Overh.uitgaven 12.5

Investeringen 20 Investeringen 17.5

Exportoverschot 0 Exportoverschot 0

---- ---- ---- ----

Productie 100 Bestedingen 100 Productie 100 Bestedingen 100




Tussen de twee overzichten liggen vele jaren: de boekhouding na vergrijzing moet dus opgehoogd worden met de tussentijdse groei. Die zal door de lagere bevolkingsgroei minder zijn dan voorheen. Voor de te bereiken verhoudingen is dat echter niet relevant. Daarvoor telt eerst en vooral de loonontwikkeling. Aangenomen is dat de reële lonen stegen met het percentage van de arbeidsbesparing (dus geen afwenteling van belasting- en premiedrukmutaties). Dan blijft de loonquote (2/3) en dus ook de winstquote (1/3) constant ondanks de vergrijzing.

Omdat de bevolkingsgroei blijvend lager wordt kan de investeringsquote omlaag. De vrijkomende ruimte ging naar extra overheidsuitgaven. Om dit te financieren kan de winstbelasting worden verhoogd. Er blijft immers na financiering van de noodzakelijke, nu lagere investeringen meer over van de winst en dat wordt aldus aangewend voor de overheidsuitgaven. De eventuele consumptie uit de winsten en bij de genoemde constante verhoudingen uit het totale nationale inkomen blijft zo onveranderd. De eerste macro-herverdeling is hiermee voltooid.

Nu resteert een eveneens constant deel van de totale productie voor consumptie van de loontrekkers en de uitkeringsgerechtigden. Via de tweede herverdeling, binnen de groep werknemers en uitkeringsgerechtigden, (hogere loonbelasting- en premiedruk) gaat hiervan na vergrijzing desgewenst een groter part naar de inactieven, maar dit is zoals gezegd niet afgewenteld op de loonkosten en dus macro-economisch neutraal.

Voor de geschetste uitkomsten doet het er niet toe of er nu sprake is van een kapitaaldekking- dan wel een omslagstelsel. De goede verdeling van de reëel beschikbare ruimte staat immers centraal.

Dat betekent overigens dat mutaties in de spaarsaldi van de pensioenfondsen onder invloed van de vergrijzing geneutraliseerd moeten worden door een daarop afgestemde politiek van tegengestelde overheidssaldi. Hier doet het onderscheid tussen omslag en kapitaaldekking er dus wel toe. Het budgetbeleid is geen doel op zich.

Omdat door de afwezigheid van loonkostenstijgingen ook prijsstijgingen achterwege blijven, impliceert deze budgetpolitiek dat de vergrijzing evenmin betekenis heeft voor het exportoverschot. Het te voeren beleid is in een open of een gesloten economie dus identiek!

Als de jaarlijkse arbeidsproductiviteitsstijgingen annex reële loonstijgingen de noodzakelijke verhogingen van de lastendruk op arbeid overtreffen, kan alles zijn beslag krijgen zonder dat de netto reële lonen dalen. Let wel: de stijging van de dito uitkeringen per gerechtigde kan dan volledig in de pas lopen met de welvaartsstijging van de actieven, zodat er een argument te meer is om dit beleid ook ten uitvoer te leggen. Gegeven de kwantitatieve inzichten zoals we die nu hebben, is dit scenario ook realistisch. Vergrijzing hoeft bij een adequaat beleid geen probleem te zijn. Staatsschuld aflossen is daarbij volstrekt overbodig.

In meerdere publicaties is hierop door ons gewezen. Het onderhavige artikel is geschreven om aan te geven wat er mis kan gaan als op de vergrijzing niet adequaat wordt gereageerd.



1SER: Advies EU en Vergrijzing. Februari 2002. Ik beperk mij tot de EMU, maar de analyse is toepasbaar op meer landen voorzover maar sprake is van vast aan de euro gekoppelde munten.

2 JADE. A model for the Joint Analysis of Dynamics and Equilibrium. CPB Werkdocument nr. 99, Den Haag 1997. Met name een door Dr. J. Donders en Drs. F. Verbakel ontwikkelde gelineariseerde versie van JADE dient in dit artikel als uitgangspunt. Zie ook: Dr. J. Donders, Dr. M. van Tuijl en Dr. R. de Groof: Lonen en werkgelegenheid, ME jaargang 64 aug 2000. Meer uitgebreide beschrijvingen ervan zijn voor geïnteresseerde lezers beschikbaar.

3Er bestaat geen “empirisch getoetst” model van de EMU. Reden te meer om de twee theoretische uitersten te onderzoeken. Zo kan de analyse immers zo breed mogelijk, zonder vooropgezette beperkingen, worden opgezet. De gekozen parameterwaarden sporen met de globale empirie, zijn acceptabel gezien ook het teken der uitkomsten.

4Kern van Tobin’s visie is dat beleggers reageren op mutaties in opbrengstvoeten in hun speurtocht naar een optimum tussen opbrengsten en risico’s binnen de totale portefeuille. Vandaar de Δ’s in de relatie.

5 De rentevoet werkt voor frq door in de kapitaalkosten. Invloeden van variërende afschrijvingskosten en risicopremies zijn verwaarloosd. Dan zijn ook rendementsontwikkelingen voor en na afschrijvingen identiek.

6 In de gegeven omstandigheden is de BTW niet anders dan een alternatieve vorm van loonbelasting: zij is dan ook als zodanig verwerkt. Het tarief van de winstbelasting is constant en daarom niet vermeld. Procentuele mutaties in de winsten, de winstbelasting en de winst na belasting zijn dus aan elkaar gelijk.

7 Primaire overschotten zijn exclusief eventuele rentelasten, inclusief resulteren financieringsoverschotten.

8 In de gekozen specificatie van de kapitaalstromen zijn de te behalen rente-inkomsten grotendeels verdisconteerd.

9 Waar wij uitgingen van zowel een bruto als een netto gelijkheid van de diverse loon- en steuninkomens is het verband tussen drukmutatie en volumeverhoudingen al heel erg eenvoudig, zoals aangegeven in 7a.

10 De kwalitatieve resultaten worden bepaald door de richting, het teken, van de veranderingen.

11 Door de geboortegolf is deze generatie op zich nog eens extra groot.

12 Daarnaast beïnvloedt de toenemende gemiddelde leeftijd in de werkelijkheid de totale bevolkingsomvang.

13 In “De financiering van de vergrijzing”, ME jaargang 64, juni 2000 toont D.B.J. Schouten hoe door een op het ontmoedigings- of liever aanmoedigingseffect afgestemde loon- en budgetpolitiek de gevolgen van de vergrijzing zijn te neutraliseren. De resulterende participatieverhoging verloopt dan ex hypothesi wél synchroon met de demografische veranderingen in de fase van de vergrijzing.

14 Met name de al besproken prijsreactie van de monopolist op de onderbezettingsverliezen speelt een rol. Herhaald zij voort dat aan allerlei andere en al dan niet vertraagde korte termijn reacties is voorbijgegaan.

15 Dat is zo als de noodzakelijke belasting- en premiedrukverhogingen in eerste instantie worden afgewenteld. In de voorbeelden is dat het geval (εt >0). Daarnaast doet de vraaginflatie zich eventueel (overheidsuitgaven) gevoelen. In geval van kapitaaldekking krijgt deze overbesteding extra voeding vanuit de spaartekorten bij de fondsen.

16 Daar kan zeker wat de lange termijn betreft overigens anders over worden gedacht. Ik kom hier op terug.

17 Het inkomenseffect staat voor de invloed van de extra hoeveelheid kapitaalgoederen en productiecapaciteit op de inkomens, bestedingen en langs die weg op de totale productie. Zou de bezettingsgraad invloed hebben gehad op de prijsvorming, dan was de uitkomst wat anders geweest, zij het niet wezenlijk verschillend van nu.

18 Broer, Draper en Huizinga: CPB Onderzoeksmemorandum no 15, Den Haag 1999. Een andere term is NAIRU.

19 Hetzelfde geldt bij een eventuele constante aiq.

20 Dat geldt ook voor “Het Nederlandse groeipotentieel op middellange termijn”, CPB, maart 2001.

21 In “Essays on Interdependent Macro- and Mesoeconomics” hfdst 7 verwerkt Dr. M. van Tuijl een soortgelijke relatie, in navolging van onder meer Schouten en Donders, Stern, Aschauer en Albert








1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina