Verkeerslessen aan de hand van de maanden van het jaar. Geschreven door: Juf Miriam



Dovnload 360.39 Kb.
Pagina1/7
Datum07.10.2016
Grootte360.39 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7


Verkeerslessen aan de hand van de maanden van het jaar.

Geschreven door: Juf Miriam



Inhoudsopgave.
Voorblad Blz. 1

Inhoudsopgave Blz. 2

Inleiding Blz. 3-4
Lesschetsen Blz. 5

Regels Blz. 6-7

Wegbrengen en ophalen Blz. 8-10

Fietskeuring Blz. 11-14

Weer en verkeer Blz. 15-17

Kruising Blz. 18-20

Rotonde Blz. 21-23

Openbaar vervoer Blz. 24-25

De dode hoek Blz. 26-28

Oversteken Blz. 29-30

Buitenspelen Blz. 31-33

School-thuis route Blz. 34-35

Verkeersspel Blz. 36
Handleiding Blz. 37

Regels Blz. 38-39

Wegbrengen en ophalen Blz. 40-42

Fietskeuring Blz. 43-46

Weer en verkeer Blz. 47-49

Kruising Blz. 50-52

Rotonde Blz. 53-56

Openbaar vervoer Blz. 57-58

De dode hoek Blz. 59-61

Oversteken Blz. 62-63

Buitenspelen Blz. 64-66

School-thuisroute Blz. 67-68

Verkeersspel Blz. 69

Werkbladen en verhalen Blz. 70-90

Inleiding.
Dit project bevat 30 lessen verdeeld onder 12 thema’s die over het schooljaar verdeeld worden. Elke maand wordt een ander thema behandeld.

Ieder thema bestaat uit 2 tot 4 lessen. De volgende thema’s komen aan de orde:

 Regels. Groep 3, 4, 5

 Wegbrengen en ophalen. Groep 4, 5

 Fietskeuring. Groep 4, 5

 Weer en verkeer. Groep 3, 4, 5

 Kruising. Groep 3, 4, 5

 Rotonde. Groep 3, 4, 5

 Openbaar vervoer. Groep 3, 4, 5

 De dode hoek. Groep 4, 5

 Oversteken. Groep 3, 4, 5

 Buiten spelen. Groep 3, 4, 5

 School-thuis route. Groep 3, 4, 5

 En tot slot kan er een verkeersspel gespeeld worden. Groep 4, 5


In het eerste gedeelte van deze methode vind u de korte en overzichtelijke lesschetsen. Verder op kunt u de handleiding van deze lessen vinden.
Verkeersonderwijs in de groepen 3, 4 en 5 is zowel gericht op de individuele redzaamheid als op de sociale redzaamheid. De kinderen delen in het verkeer mee als speler, loper en passagier. Ook steeds meer kinderen komen in de rol van fietser. Er is dan ook een thema opgenomen om aandacht aan deze rol te besteden.
De deelname aan het verkeer wordt steeds groter en complexer. De omvang van de omgeving neemt toe. Hierdoor geldt dat er een groter beroep wordt gedaan op het leren omgaan met het gewenste gedrag in de eigen omgeving van de leerling. Ook hier wordt aandacht aan besteed in de thema’s.
Als ondersteuning van de lessen wordt bij deze lessenserie gebruik gemaakt van werkbladen en verhalen. Deze staan in een aparte map. De verhalen staan in het teken van de belevingswereld van de kinderen. Zodat zij zich met de situaties kunnen identificeren. In de handleiding wordt telkens duidelijk verwezen waar de werkbladen en de verhalen te vinden zijn.
Verkeersonderwijs richt zich op de beïnvloeding van het gedrag in het verkeer. Dit betekent dat praktische oefening van dit gedrag een essentieel onderdeel is van verkeersonderwijs. Praktisch oefenen geeft op die manier een meerwaarde aan verkeersonderwijs. Door middel van die oefening worden kinderen in staat gesteld het geleerde in gedrag om te zetten. De kennis staat in dienst van het gedrag. Praktisch oefenen is voor de leerkracht vooral een organisatieprobleem. Het is daarom wel aan te raden om ouders te regelen.
Om diverse redenen is het schoolplein een geschikte oefenplaats bij het leren van de juiste volgorde van de oversteekhandelingen en bij het aanleren van de juiste volgorde van fietsvaardigheden. Het schoolplein biedt bescherming en is dus een veilige oefenplaats. Bovendien kunnen situaties uit het echte verkeer worden nagebootst. Bij het gebruik van het schoolplein kun je het beste het schoolpleinpakket gebruiken. Hierin worden dagelijkse situaties duidelijk beschreven en is goed uit te voeren. Deze is te vinden in een andere map.
De verkeerskalender, ook wel verkeers-praat-plaat genoemd, heeft een duidelijke rol in deze verkeerslessen. De kalender geeft elke maand het verkeersonderwerp aan. En de eerst les van het onderwerp begint met het bekijken en praten over de kalender. Er is een cd: Boem is Ho ontwikkeld die over elk onderwerp een liedje heeft. Deze kan in die maand worden aangeleerd.

Ook de leerlijn wordt bepaald door de kalender. Er zit een gestructureerde opbouw in de volgorde en onderwerpen. De kalender begint in augustus wanneer de leerlingen na de zomervakantie weer op school komen. En eindigt op de laatste maand van het schooljaar.

De onderwerpen worden bepaald door de maand. Voorbeeld: in November wordt het donker en is het weer slechter, dan wordt er aandacht besteedt aan het onderwerp weer en verkeer. In Mei is het meestal mooi weer en zijn er veel kinderen buiten te vinden, in deze maand wordt dan aandacht besteedt aan het buiten spelen.




Les 1 Regels
Doelen.


  • De leerlingen leren wat regels zijn.

  • De leerlingen leren de functie van de vormen van verkeersborden.

  • De leerlingen leren hun fantasie te uiten door zelf borden te creëren.


Werkvormen.

Het is een klassikale les. De leerlingen gaan individueel met het tekenen van de borden aan het werk.


Materialen.

A4 papier.

Verf.

Kwasten.


Water.

Schorten.

Kranten als placemat.

Verkeerskalender.


Inleiding.

Wie heeft zich wel eens thuis niet aan de regels gehouden? En wat gebeurde er toen?


Kern.

Wat zijn regels eigenlijk?

Welke regels hebben we in de groep?

Wat zou er gebeuren als er geen regels op school zouden zijn? Wie letten er op die regels?

Buiten hebben we ook regels, wie kan mij vertellen hoe doe heten?

Zijn er buiten voor deze school ook regels waar je je aan moet houden?

Wie letten er op die regels?

Waarom zouden verkeersborden bestaan? Wat voor borden zijn er? En welke vormen hebben de borden?

Zouden er ook borden in de klas of school kunnen hangen?
De leerlingen gaan zelf een verkeersbordbord voor in de klas of school maken.
Afsluiting.

De leerkracht of de leerlingen hangen de borden op in de klas of school en laten de andere leerlingen raden wat voor bord ze hebben gemaakt.



Les 2 Regels.
Doelen.

  • De leerlingen leren in bepaalde verkeerssituaties hoe ze moeten handelen.

  • De leerlingen leren goede en foute situaties in het verkeer benoemen.

  • De leerlingen leren kritisch te kijken naar verschillende verkeerssituaties.


Materialen.

De PowerPoint presentatie van verkeersregels.

Een computer en een scherm.
Werkvormen.

De les wordt klassikaal gegeven.


Inleiding.

De leerkracht blikt terug op de vorige les. Wat zijn regels, waarom zijn ze zo belangrijk, welke ken je?


Kern.

De leerkracht laat de PowerPoint presentatie aan de kinderen zien. Het is de bedoeling dat de leerlingen eerst de foute situatie gaan bekijken en na gaan denken wat er mis ging. Als ze hier uit zijn gaan ze de goede situatie bekijken. Er zijn 6 situaties.


Afsluiting.

De leerlingen krijgen een stelopdracht. Ze moeten een verhaaltje schrijven over regels. Dit mag een foute maar ook een goede situatie zijn. naast het verhaaltje mogen ze een mooie tekening maken.



Les 1 wegbrengen en ophalen.
Doelen.

  • De leerlingen bewust maken van de drukte tijdens het wegbrengen en ophalen.

  • De leerlingen leren observeren.

  • De leerlingen leren hoe je goed kunt uitkijken bij het oversteken.


Werkvormen.

De les wordt klassikaal gegeven.


Materialen.

Verhaal mijn vriendje. Te vinden op blz. 4-6 in werkboek.

Schoolbord en krijt.

Vragen voor de observatie.

Verkeerskalender.
Inleiding.

De leerlingen kijken naar de verkeerskalender. Wat is er deze maand allemaal op te zien? En wat is het onderwerp? De leerkracht leest het verhaal Mijn vriendje voor.


Kern.

De leerkracht stelt een aantal vragen na.v. het verhaal:



  • Wie kan mij vertellen wat de beste manier is om over te steken.

  • Waarom was Remco zijn moeder zo geschrokken?

  • Kijken jullie wel altijd uit als jullie naar school lopen?

  • Wie wordt naar school gebracht?

  • De leerkracht maakt hiervan een aantekening op het bord, zodat iedereen kan zien hoeveel er met de auto, fiets of lopend komen.

  • Als jullie op school komen is het dan druk voor de school? De leerkracht doelt hier op de vele auto’s die voor school staan. Kijk eens naar de verkeerskalender, is het bij ons ook altijd zo druk?

  • Wat vinden jullie hiervan? Voelen jullie je veilig als je op school komt?

De leerkracht zoekt een groepje leerlingen uit die gaan observeren tijdens het halen of brengen. Zo wordt er gepolst hoeveel auto’s er staan, of er gevaarlijke situaties kunnen ontstaan, hoe het met de fietsers gaat enzovoort.


De resultaten worden een volgende les besproken.
Afsluiting.

De leerlingen maken een poster/folder om op te hangen in de school dat het rustiger en veiliger moet zijn tijdens het halen en brengen. Minder auto’s, meer fietsen, klaar-overs, zebrapaden, goed uit kijken enzovoort.



Les 2 wegbrengen en ophalen.
Doelen.

  • De leerlingen leren hoe de situatie op hun eigen school tijdens het wegbrengen en ophalen is.

  • De leerlingen leren vragen op te stellen voor een interview.

  • De leerlingen hoe een interview gegeven moet worden.


Werkvormen.

De les wordt klassikaal gegeven. De interviews gebeuren individueel.


Materialen.

Gegevens van de observatie van les 1 wegbrengen en ophalen.

A4 papier + pen.
Inleiding.

De leerkracht bespreekt met de leerlingen, die de vorige les de opdracht hadden gekregen om te observeren, hun gevonden antwoorden. Dit wordt besproken in de klas.


Kern.

We weten nu hoe wij naar school komen maar hoe denken jullie dat het vroeger ging? Zouden de ouders ook gebracht worden met de auto? Wie weet daar iets van?


De kinderen gaan hun ouders of opa en oma interviewen. Het interview moet gaan over de tijd dat hun op de basisschool zaten, hoe gingen hun naar school. En was dit veilig.
De leerkracht bedenkt samen met de leerlingen enkele vragen. In de handleiding staan ook vragen die eventueel gebruikt kunnen worden.
De leerlingen oefenen aan de hand van een rollenspel voor de klas hoe je een interview zou kunnen geven.


    Afsluiting.

    De vragen worden netjes opgeschreven of getypt op een A4 blaadje. En meegenomen naar huis.



Les 3 wegbrengen en ophalen.



Doelen.

  • De leerlingen leren de eigen gegevens over te brengen aan de andere leerlingen.

  • De leerlingen leren in groepsverband hun gegevens te vergelijken.

  • De leerlingen leren de gegevens te ordenen.


Werkvormen.

De les wordt in groepjes van 4 gegeven. De afsluiting wordt klassikaal behandeld.


Materialen.

De uitgewerkte interviews.

A3 papieren + dikke stift per groepje.
Inleiding.

De leerkracht zorgt dat alle leerlingen de interviews mee hebben. En verdeeld de klas in groepjes van 4.


Kern.

De leerlingen gaan bij elkaar aan tafel zitten en elk verteld wat er uit zijn interview is gekomen.


Als de leerlingen hiermee klaar zijn gaan ze de gegevens ordenen op papier. Het A3 papier wordt opgedeeld in twee vakken. Gelijk en verschillend. De antwoorden van de eerste vraag worden opgelezen dan worden de gegevens in de twee vakken geschreven.
Afsluiting.

De gegevens worden vergeleken en de leerlingen vertellen wat ze hebben ontdekt.



Les 1 van de Fietskeuring.
Doelen.

  • Leerlingen kennis laten maken met de eisen die belangrijk zijn voor een fiets.

  • Leerlingen duidelijk maken waarom deze eisen er zijn.

  • Leerlingen samen laten werken.


Werkvormen.

De leerlingen werken individueel en in groepjes van 4.


Materialen.

Stripverhaal. Te vinden op blz. 22 in werkboek.

Werkblad fietsonderdelen. Te vinden op blz. 23-24 in werkboek.

Per groepje van 4 een A3 papier en een stift.

Verkeerskalender.
Inleiding.

De leerlingen kijken naar de verkeerskalender. Wat is er deze maand allemaal op te zien? En wat is het onderwerp? De leerlingen krijgen een stripverhaal. Deze moeten ze bekijken en een verhaal bij de strip bedenken. Een aantal leerlingen vertellen wat ze hebben bedacht.


Kern.

Wat ging er mis in deze strip? En wie is dit ook wel eens overkomen? Wat heb je er toen aan gedaan?

Waarom zou het belangrijk zijn dat je remmen het goed doen?

Zou iemand nog een onderdeel kunnen noemen wat belangrijk op de fiets is?

De leerlingen gaan in groepjes van 4 op een A3 papier onderdelen van een fiets opschrijven die belangrijk zijn voor een fiets.

Na ongeveer tien a vijftien minuten worden de A3 papieren op het bord opgehangen. De leerkracht bespreekt de gevonden onderdelen en vraagt aan de leerlingen waarom deze belangrijk zijn. Uiteindelijk komen de belangrijkste onderdelen uit alle gevonden onderdelen.


De leerkracht schrijft alle belangrijke punten op een nieuw A3 papier. De leerlingen helpen mee de onderdelen te benoemen. Deze komt uiteindelijk in de klas te hangen.
Afsluiting.

De leerlingen maken het werkblad fietsonderdelen. Ze moeten een fiets in elkaar zetten.



Les 2 van de Fietskeuring.
Doelen.

  • De belangrijke onderdelen op een fiets benoemen.

  • Kritisch leren kijken naar 2 verschillende fietsen.

  • Leren wat er mis kan zijn met fietsen.


Werkvormen.

De les wordt klassikaal behandeld. Het kijken naar de fietsen gebeurt in groepjes van 4.


Materialen.

Het A3 vel van les 1.

Twee fietsen, 1 goedgekeurde fiets en 1 afgekeurde fiets.

Papier en pen.

Werkblad fiets. Te vinden op blz. 25 in werkboek.
Inleiding.

De leerkracht bespreekt de belangrijke onderdelen van een fiets die de vorige les opgeschreven zijn.


Kern.

De leerkracht zet twee fietsen in de kring. Een goedgekeurde fiets en een afgekeurde fiets. De leerkracht deelt de leerlingen in groepjes van 4, deze leerlingen gaan de twee fietsen bij langs. Wat is er mis of wat is er juist goed bij de twee fietsen?

Na ongeveer een kwartier tot twintig minuten gaat iedereen weer op zijn plek zitten. Er wordt per groepje besproken wat er is gevonden. De leerkracht vult ontbrekende onderdelen aan.
Afsluiting.

De leerlingen maken een werkblad over de fietsonderdelen. Ze moeten de onderdelen op de goede plaats zetten.



Les 3 van de Fietskeuring.
Doelen.

  • De leerlingen leren hun eigen fiets te beoordelen aan de hand van een controleblad.

  • De leerlingen leren samen te werken.

  • De leerlingen leren kritisch te zijn.


Werkvormen.

De leerlingen gaan in tweetallen aan de slag. Het uitkomsten worden klassikaal besproken.


Materialen.

Controleblad + pen. Te vinden op blz. 26 in werkboek.

De fietsen van de leerlingen.
Inleiding.

De leerkracht bespreekt met de leerlingen het controleblad.


Kern.

De leerlingen worden in tweetallen verdeeld en gaan hun eigen fietsen aan de hand van het controleblad op het plein controleren. Het vakje mag ingekleurd als het onderdeel goed is. Geef de leerlingen de tijd om alles goed te bekijken.


Afsluiting.

De leerkracht bespreekt in de klas wat de uitkomsten zijn. Hoeveel van de leerlingen hadden een perfecte fiets? Hoeveel van de leerlingen had 1 of 2 onderdelen niet goed? Je kunt deze uitslagen op het bord schrijven.



Les 4 van de Fietskeuring.
Doelen.

  • De leerlingen leren verwoorden wat je goed moet kunnen en welke fietsonderdelen je daar voor nodig hebt.

  • De leerlingen leren verwoorden wat ze makkelijk en moeilijk bij het fietsen vinden.

  • De leerlingen leren theoretisch hoe je een correcte bocht naar links maakt.


Werkvormen.

De les is klassikaal. De leerlingen werken individueel aan de opdracht.


Materiaal.

Werkblad Grote tekening. Te vinden op blz. 27 in werkboek.

Verhaal Paprika-chip truuk. Te vinden op blz. 7 in werkboek.

Pen en papier.

Werkblad van Jaap. Te vinden op blz. 28 in werkboek.
Inleiding.

De leerlingen maken de opdracht van het werkblad Grote tekening.


Kern.

De leerkracht bespreekt samen met de leerlingen het werkblad.

De leerkracht leest het verhaal van de Paprika-chip truuk voor, en stelt de volgende vragen:

Waarom vind Tom linksaf slaan moeilijk?

Vinden de leerlingen dit zelf ook moeilijk en waarom?

Wat vinden de leerlingen makkelijk of moeilijk op de fiets?


De leerlingen gaan een toneelstukje fietsen naar links oefenen. Één of twee leerlingen tegelijk gaan voor de klas voordoen hoe je een bocht naar links maakt. De andere leerlingen en de leerkracht letten op of dit goed verloopt.
Afsluiting.

De leerlingen gaan het werkblad over Jaap maken. Hier verwoorden ze wat Jaap gaat doen.



Les 1 weer en verkeer.
Doelen.

  • De leerlingen leren welk gevaar kan spelen bij verschillende weertypen.

  • Leerlingen leren dat het belangrijk is dat je zichtbaar bent in het verkeer.

  • De leerlingen leren samen te werken.


Werkvormen.

De inleiding en afsluiting wordt klassikaal behandeld, de kern wordt in groepjes gedaan.


Materialen.

Verkeerskalender.

Zaklamp en een donkere plek in school.

Pen en papier voor elk groepje.

Schoolbord en krijt.

Verkeerskalender.


Inleiding.

De leerkracht houdt een kringgesprek aan de hand van de verkeerskalender over de maand november:



  • Kun je op de plaat van deze maand iedereen goed zien?

  • Wie zie je goed? En wie een stuk minder?

  • Stel je eens voor: jij rijdt in de auto mee. Wat kun je vertellen over het zicht vanuit de auto?

  • Let eens op jouw kleding of fiets. Vallen die voldoende op, denk je?


Kern.

De leerkracht gaat met de leerlingen naar een donkere plek in de school. En gaat kijken door middel van een zaklamp welke jassen je wel goed kunt zien en welke niet. De leerkracht gaat praten over hoe je slecht ziende kleding ‘zichtbaar’ kunt maken.

De leerlingen worden in groepjes verdeeld, elk groepje krijgt een type weersomstandigheid aangewezen. Aan de hand van de volgende drie vragen praten de groepjes over ‘hun’ type:


  1. wat vinden jullie leuk en wat vinden jullie lastig aan dit soort weer?

  2. hoe gedraag je je in het verkeer bij dit soort weer?

  3. wat trek je bij dit soort weer voor kleding aan? Waarom?

Eventueel kun je nog een vierde vraag er aan toe voegen: wat voor gevolgen heeft dit soort weer voor andere weggebruiker?

De leerkracht geeft de leerlingen voldoende tijd.


Afsluiting.

Na verloop van tijd vertellen de groepjes aan elkaar welke antwoorden zij op de vragen gegeven hebben. De leerkracht schrijft mee op het bord. Zo komt er een inventarisatie. Hiermee kunnen gedrag en kleding tijdens de verschillende weersomstandigheden met elkaar vergeleken worden.



Les 2 weer en verkeer.
Doelen.

  • Leerlingen leren de gevaren van mist kennen.

  • De leerlingen leren afspraken die voor hun gelden als er dichte mist is.

  • De leerlingen ervaren de gevaren in mist.


Werkvormen.

De les wordt klassikaal gegeven. De afsluiting gebeurt individueel.


Materialen.

Het verhaal spoken. Te vinden op blz. 8 in werkboek.

Het werkblad laat je zien. Te vinden op blz. 29-30 in werkboek.

Voor de wandeling een zaklamp en een ouder.


Inleiding.

De leerkracht leest het verhaal spoken voor.


Kern.

De leerkracht praat na over het verhaal en stelt de volgende vragen:



  • Mira doet een gele jas aan en bovendien doet ze haar fietslicht aan. Waarom doet ze dat?

  • In de mist kun je elkaar niet goed zien. Wat moet je daaraan doen? Wie waren in het verhaal de spoken? Hebben jullie wel eens in de mist gelopen of gefietst?

  • Wat vonden jullie hiervan?

  • Kon je toen iedereen goed zien?

Als het weer er naar staat kan de leerkracht een wandeling organiseren in de mist. De nadruk wordt gelegd op het zien.

Wat kun je wel zien en wat niet.

Waar moet je om denken als je oversteekt.

Welke kleding kun je het beste zien, de leerlingen gaan naar elkaar kijken.
Afsluiting.

De wandeling wordt in de klas nabesproken.

Lukt het niet om de wandeling te doen dan mogen de leerlingen het werkblad laat je zien maken.
Les 3 weer en verkeer.
Doelen.


  • De leerlingen leren dat je goed zichtbaar moet zijn voor andere weggebruikers.

  • De leerlingen leren welke kleding het meest zichtbaar is in een bepaald weersoort.

  • De leerlingen leren wat je op je kleding kunt doen om je nog beter zichtbaar te maken voor andere weggebruikers.


Werkvormen.

De les wordt klassikaal gegeven, de opdracht gebeurt in groepjes.


Materialen.

Het verhaal laat je zien. Te vinden op blz. 9 in werkboek.

Papier: Zwart, Grijs en Wit.

Teken papier, kleurpotloden, scharen en lijm


Inleiding.

De leerkracht leest het verhaal laat je zien voor.


Kern.

De leerkracht stelt vragen aan de hand van het verhaal:



  • laat de leerlingen het verhaal navertellen.

  • Wie waren er in het verhaal goed zichtbaar? Annet, Annet haar vader en Hans.

  • Hoe hadden ze daar voor gezorgd? Hun licht deed het goed, en ze hadden een reflecterende jas.

  • Ben jij ook goed voor anderen te zien als je fietst?

  • Moet je ook goed zichtbaar zijn als je loopt? Ja natuurlijk, het is belangrijk dat je gezien wordt.

  • Wanneer? In het donker, met mist regen sneeuw.

  • Hoe doe je dat dan? Net zo’n jas hebben als Annet haar vader. Of lichte kleding dragen. Een lampje aan je jas vast maken.

De leerkracht verdeelt de groep in drie kleinere groepen. Iedere groep krijgt een gekleurd stuk papier.

De eerste groep zwart= duisternis,

de tweede groep grijs= mist

en de derde groep gewoon wit= gewoon weer.

Dit stuk papier dient als ondergrond of juist niet. De fietsers en voetgangers worden op aparte stukjes papier getekend, gekleurd, uitgeknipt en vervolgens op de ondergrond geplakt.



  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina