Verkenningen



Dovnload 246.85 Kb.
Pagina1/7
Datum24.08.2016
Grootte246.85 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7


VERKENNINGEN
‘Lijdenstheologie’ in historisch
en hedendaags perspectief



  1. De (on)mogelijkheid van een ‘theologie over het lijden’?

1.1 Spreken of zwijgen?



    1. Theologie van het lijden



2 Denken over lijden: beknopt historisch overzicht


    1. Epikouros

    2. De theodicee van Leibniz

    3. De verantwoordelijkheid van de mens : ontisch of moreel kwaad

    4. De lijdende God

    5. Weerloze Overmacht

    6. Het drama van de holocaust

    7. Vijf vormen van ‘lijdenstheologie’


3 Lijdenstheologie in een post-christelijke tijd


    1. Karakteristieken

    2. De onmacht om in God te geloven


4 De wanhopige vraag : ‘Waarom?’


    1. De waarom-vraag in de beleving van het lijden

    2. De waarom-vraag in de Psalmen van Israël

    3. U geeft mij antwoord” : Psalm 22 en de waarom-vraag

  1. De dwaasheid van het kruis




    1. Lijden als bron van alle religie?

    2. De dwaasheid van de verkondiging: een gekruisigde Christus

1.DE (ON)MOGELIJKHEID VAN

EEN ‘THEOLOGIE OVER HET LIJDEN’?



1.1 Spreken of zwijgen?

Het onderwerp van deze cursus confronteert ons allereerst met onze onmacht. Wij zullen theoretiseren over de meest existentiële vraag waarmee een mens geconfronteerd wordt : de vraag naar het lijden. Heeft het wel veel zin om over het lijden te spreken? Is het niet eerder zo dat lijden iets is dat persoonlijk geleefd moet worden? ‘Hét’ lijden bestaat trouwens niet, er bestaan alleen mensen die lijden. Lijden is geen theoretisch probleem : het kan nooit begrepen worden, alleen bestreden! Lijdende mensen worden niet door denkproducten getroost.


Het lijkt dus wel dat elk theologisch betoog over het lijden moet beginnen met uit respect voor de lijdende mens, te zwijgen en de machteloosheid van het denken toe te geven. Het lijden is als een open ligwonde in het theologische denken: het vraagt oneindig veel geduld om deze pijnlijke wonde te helen, en opdat de genezing werkelijk zou zijn en de wonde niet opnieuw zou openbarsten, moet ze van binnen uit dichtgroeien. De gebruikelijke pleisters, grote theorieën en systematische beschouwingen, baten niet veel1. “Hier staat de theologie op de grens van haar kunnen, hier zou de theoloog nederig willen zwijgen en kan hij/zij er niet buiten zijn of haar machteloosheid te bekennen.”2
Nochtans, het is precies de ervaring van het lijden die steeds opnieuw de vraag doet stellen: waarom? Dus kan er niet gezwegen worden. Vragen verlangen een antwoord. Het menselijke leven zelf wordt hier in vraag gesteld en dit roept om verheldering, hoe gebrekkig die ook moge zijn. Want het blijft waar, er zijn geen bevredigende antwoorden :
“Wat is de zin van het lijden? Waarom moet de mens lijden? Op die vragen heeft niemand een bevredigend antwoord gegeven. Het kan eenvoudigweg niet. Een eerlijke bespreking van de zin van het lijden moet beginnen met dit te erkennen. Wat zou immers een bevredigend antwoord zijn, tenzij een bewijsvoering dat het lijden niet meer abnormaal is? Beweren dat het lijden een zin heeft, zou betekenen dat het uit zichzelf een ervaring is die het bestaan verrijkt. En aantonen waarom de mens moet lijden, zou erop neerkomen het in te passen in een ordevol geheel dat door het lijden wetmatig naar zijn voltooiing toegaat. Geprangd door het lijden, verwacht de vragende mens een antwoord dat de ergernis wegneemt, maar in zijn diepste zelf blijft hij geërgerd door de goedmenende en bedrieglijke antwoorden die de ergernis pogen te ontkennen.

Honger, dorst, vermoeidheid kunnen kwellen. Zij ergeren niet, want men weet dat het normale behoeften zijn, die behoren tot het ritme van het biologisch leven. Zij zijn geen kwaad; men spreekt trouwens van een goede appetijt en een gezonde vermoeidheid. Lijden is een kwaad, omdat het de mens in zijn persoonlijk welzijn aantast.”3



Meer nog dan oplossingen vinden of suggereren, heeft het denken over het lijden als eerste plicht “de werkelijkheid van het lijden veilig te stellen”4. Mensen lijden, dat mag niet ontkend of vergeten of verdoezeld worden. “Elke vorm van toedekken dient uiteindelijk ontmaskerd te worden, hoe pijnlijk dat ook moge zijn, en hoe begrijpelijk het ook moge zijn om tijdelijk, uit zorg om de andere mens, te zwijgen of het lijden te verbergen. Immers, lijden dat de kans niet krijgt om erkend te worden, spat tenslotte als een etterbuil in ons gezicht open”5. Er moet dus een forum zijn waar men vragen over het lijden mag stellen, angst en vrees voor het kwaad, verbittering, woede en spijt kan uitdrukken. Is het trouwens ook niet zo dat mensen er in alle tijden vragen zijn blijven over stellen en erover zijn blijven spreken, ook zonder ooit een afdoend antwoord gevonden te hebben?
De vraag ‘spreken of zwijgen?’ is in de laatste jaren vooral gesteld in verband met onuitspreekbaar lijden, lijden dat stom maakt, dat alle begrip, verbeelding, gevoel en woord te boven gaat. Lijden waarvoor men alleen het hoofd kan buigen en waarover ieder spreken als verraad beschouwd moet worden. De joodse auteur en overlevende van de ‘shoah’ Elie Wiesel heeft met dit probleem geworsteld. Volgens hem is een tragedie als die van de holocaust eenvoudigweg “niet mededeelbaar”. Want “Auschwitz betekent de dood – de totale, absolute dood – van de mensheid en de mensen, van het verstand en van het hart, van het gevoel en van het woord. (…) Een theologische beschouwing over Auschwitz is zowel een lastering voor een ongelovige als voor een gelovige.”6 Als mededeling gelijk staat met verraad aan de slachtoffers, wat rest er dan anders dan stilzwijgen? En toch heeft Wiesel na tien jaar zijn stilzwijgen opgegeven. Waarom? Omdat spreken over dit lijden een minder groot verraad van de doden betekent dan erover zwijgen. Het stilzwijgen dreigt immers uit te lopen op onverschilligheid ten aanzien van de slachtoffers én op medeplichtigheid met de beulen. Spreken is noodzakelijk om aan het vergeten te weerstaan, want wie vergeet wordt medeplichtig en berooft de slachtoffers van hun geschiedenis. In Yad Vashem, het indrukwekkende gedenkteken voor de slachtoffers van de holocaust in Jeruzalem, is deze uitspraak te vinden van de stichter van het chassidische jodendom, de Rabbi Israël Baäl Shem-Tov : “Vergetelheid leidt in de ballingschap. Herinnering is het geheim van de verlossing.”
Spreken en nadenken over het lijden is dus onvermijdelijk en noodzakelijk. Het gebeurt bij voorkeur ook niet pas op het ogenblik dat men met lijdenservaringen wordt geconfronteerd :
“De zingevingsvraag stellen mensen zich meestal pas grondig wanneer ze met traumatiserende ervaringen – een verlies, een ziekte, een echtscheiding, de dood van een geliefd iemand – of met het leven bepalende ervaringen - een geboorte, een liefde, een studie- of beroepskeuze – geconfronteerd worden, en dat is om twee redenen een slechte zaak. Vooreerst is de motivatie die aan de zingevingsvraag ten grondslag ligt op zo’n moment vooral geïnspireerd door angst en droefheid of door euforie en intense vreugde en dat zijn niet per definitie de beste motieven om naar zingeving op zoek te gaan, omdat zij dan erg perspectivistisch dreigt te worden ingevuld vanuit dat ene motief. Men zoekt antwoorden op vragen die pas vanuit een veel breder kader zinvol kunnen worden gesitueerd. Vervolgens ontbreekt op dergelijke momenten meestal ook de tijd om grondig op die vragen in te gaan en is het gevaar niet denkbeeldig dat men zich van makkelijke kapstokken bedient, die een zekere rust kunnen bieden. De vraag wordt te sterk door een ‘therapeutische bekommernis’ gestuurd, en dat is eigenlijk het paard achter de kar spannen. Zingeving kàn tot existentiële gemoedsrust – of revolte – inspireren, maar met dit oogmerk om zingeving vragen is de omgekeerde wereld.”7
J.B.Brantschen formuleert in het in de inleiding van zijn opgemerkt boekje “Laat God ons lijden?” aldus:

“Zolang we gezond en ‘gelukkig zijn’ is het niet onbelangrijk om na te denken over het lijden. Het kan ons in de nacht van het existentiële lijden tot steun zijn om ons lijden te verwerken en in ons leven te integreren ; ook al zal in dit pijnlijke levensproces veel van wat we theologisch schijnbaar zo zeker weten onbruikbaar blijken. ‘Het is een overbekend feit,’ schrijft U. Eilbach, psychotherapeut en theoloog, ‘dat in tijden van crisis nauwelijks nieuwe kennis kan opgedaan worden, maar dat wat men zich in het leven eigen heeft gemaakt en wat zich daar als levensbepalend woord heeft bewezen, tot steun is.’” 8


Anderzijds blijft het ook waar wat Jan Van Bavel schrijft:
“Mijn persoonlijke ervaring is dat ik mij het diepst over het lijden bezonnen heb, toen het mijzelf raakte, en niet toen het nog ver weg was.”9



  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina