Verkenningen



Dovnload 246.85 Kb.
Pagina6/7
Datum24.08.2016
Grootte246.85 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

DE WANHOPIGE VRAAG: ‘WAAROM?’

Overdag vroeg de patiënt me : ‘Broeder, mag ik een tabletje?’ en ’s avonds vroeg hij mij: ‘Waar heb ik dit aan verdiend?”44














    1. De waarom-vraag in de beleving van het lijden

Van psychiater J.H.VAN DEN BERG45 is onderstaand schema bekend. Hij geeft een interessante beschrijving van het dooreenlopen van de verschillende facetten van het lijden. Daarbij laat hij zien hoe gezond zijn, ziekte en genezing totaalmenselijke belevingen zijn en dus veel meer dan puur medische verschijnselen.

Als mensen lijden gaan een aantal vanzelfsprekendheden wankelen. Bij ziekte wordt een aantal voorheen beleefde verhoudingen conflictueus. In verhouding tot de eigen eindigheid duikt de waarom-vraag op.




GEZOND



ZIEK


GENEZEN

vanzelfsprekende

verhoudingen


conflictueuze

belevingen

groeiend naar

nieuwe harmonie

lichaam-instrument



LICHAAM

lichaam-hinder


lichaam-partner



Groot territorium



DINGWERELD

klein territorium


waarde van het alledaagse



begrip


organisatie rond ego

MENSENWERELD

onbegrip


isolement

begrip om onbegrip

solidarieit

theoretische vraag

weinig waaroms


EINDIGHEID

ervaring


te veel waaroms

kern-leven

op weg naar aanvaarding


De waarom-vraag kan vele bedoelingen hebben. De protestantse pastoraaltheoloog W.TER HORST situeert haar op een continuüm tussen twee uitersten. Hij illustreert de uitersten met een voorbeeld 46 :
“We zullen haar Ans noemen, één van die luxe bungalow-vrouwtjes. Alles prima voor elkaar en nooit iets ergers meegemaakt dan een gescheurde enkelband tijdens een wintersportvakantie. Ze zit op de bank naar de televisie te kijken en schakelt met de afstandsbediening het toestel uit, omdat die hongerkindertjes in de Soedan haar hinderen. ‘Waarom toch al dat lijden?’, vraagt ze verwonderd. ‘Dat zou ik wel eens willen weten? Waarom?’

Dat is de ene uiterste positie op mijn waarom-continuüm : nog net geïnteresseerd, enigszins verwonderd.

Van hieruit is veel denken begonnen en eindeloos veel en vrijblijvend geredeneerd.(…) Vanuit deze uiterste positie is – met de bedoeling de interesse te bevredigen en de verwondering te stillen – ook door theologen wel het één en ander bedacht, met de afstandsbediening naast zich op de salontafel.
Twee maanden na dit voorval bevindt Ans zich op het andere uiterste van mijn waarom-continuüm. Ze heeft na afloop van een tennistornooi een paar glazen wijn teveel gedronken en is met haar auto in een slip geraakt en over de kop geslagen. Haar enige dochtertje is dood. Zelf heeft ze een gemene dwarslaesie die haar levenslang aan een rolstoel kluistert. Haar man heeft de bui niet afgewacht en is al bij een goede vriendin ingetrokken terwijl zij nog in het ziekenhuis ligt.

Ans gebruikt nu dezelfde woorden als toen bij de televisie: ‘Waarom toch al dat lijden? Dat zou ik wel eens willen weten? Waarom?’

Nu echter geen verwondering of interesse, maar diepe wanhoop en radeloosheid.

TER HORST brengt van hieruit volgende stellingen aan:




  • Alles wat als mogelijk antwoord bedacht of gevonden is in de buurt van het interesse-uiterste van het waarom-continuüm, is ongeldig in de buurt van het wanhoop-uiterste.“




  • In de buurt van het wanhoop-uiterste van het continuüm wordt de waarom-vraag in toenemende mate een hulp-vraag.”

“Als we ons bewegen van het interesse-uiterste naar het wanhoop-uiterste, komen we in een gebied waarin de waarom-vrager niet meer vooral iets wil weten, maar geholpen wil worden. Hans Küng gebruikt in dit verband een fraai beeld als hij het heeft over de befaamde theodicee van Leibniz. Hij zegt dat de waarde hiervan voor de lijdende mens ongeveer dezelfde is als een lezing over levensmiddelentechnologie voor mensen die omkomen van honger en dorst.”


  • Gespecialiseerde hulpdiensten en therapeuten zijn niet bij machte naar behoren in te gaan op de hulpvraag die verborgen zit achter de uiterste waarom-vraag.”

“Het leed waarover het hier gaat is te overweldigend om aan te pakken met gesprekstechnieken, programma’s, trainingen, interventies en al het andere middel-doel-effect-werk dat ter beschikking staat van de hulpverlener. Hier is iets anders nodig, namelijk de geborgenheid en het uitzicht van een gemeenschap – het met elkaar leven, medeleven, van mensen die om elkaar geven. (…) De christelijke gemeente zou zo’n gemeente kunnen zijn. Beter dan welke andere ook. Maar ze is het bij ons in afnemende mate.(…)

Er moet een gemeenschap zijn die wanhopige waarom-vragers aan den lijve laat ervaren dat ze er niet alleen voor staan, dat ze belangrijk zijn, dat er dwars door alles heen – ook door de dood – voor hen een toekomst is weggelegd die de moeite van het leedgevecht waard is. Zoiets zeggen is godslasterlijk en misdadig als het niet wordt geloofd, dat is : als het niet gebeurt in het leven van alle dag binnen de gemeenschap. Als het gebeurt, wordt het waarheid. Niet de interessante waarheid van de theoria-theologie. Wel de waarheid van de betrouwbare weg.

Onze samenlevingsverbanden zitten echter in een soort ruilverkavelingsperiode. De oude bedeling, die ook verre van ideaal was, voldoet niet meer. De nieuwe heeft nog geen vaste vorm gekregen. Het is daardoor een zeer schrale tijd voor mensen aan het wanhoop-uiterste van het waarom-continuüm. Als we als kerk niet goed ons best doen, zou het er zelfs toe kunnen leiden dat de waarom-vraag meer en meer verstomt. Dat zou heel erg zijn. Dan zouden we terug zijn bij het onversneden heidendom, dat het ‘zijnde’ wijs apathisch aanvaardt en niet meer protesteert, omdat toch alles eindeloos weerkeert. (…)

Ondertussen kan – nogmaals en tenslotte – in dat gebied van het waarom-continuüm waar de theoria-antwoorden niet geldig zijn, alleen geloven uitkomst brengen.”


Persoonlijk kunnen we ons herkennen in wat Jan VAN BAVEL schrijft over de waarom-vraag als een vraag naar de zin van het lijden 47:
“De waarom-vraag mag men ook zien als een vraag naar de zin van het lijden. Kan men er een doel en betekenis in ontdekken of een zin aan geven? Deze vraag zomaar onderdrukken zou niet menselijk zijn, want dan dreigt steeds het gevaar dat men apathisch of fatalistisch tegenover het lijden wordt. Maar wanneer iemand de waarom-vraag stelt, gebeurt dit lang niet altijd om een theoretisch antwoord te krijgen. Vaak is het een uitdrukking van pijn, wanhoop of verlatenheid of een schreeuw om hulp. Hebben theoretische antwoorden dan wel zin? Ik meen van wel, omdat ze richtinggevend kunnen zijn bij de verwerking van lijden en kunnen voorkomen dat men zijn lijden nog verzwaart door er een verkeerde zin aan te geven, ook al kan geen enkel antwoord ons ontslaan van de taak om het lijden persoonlijk te verwerken. Ik huldig niet de stelling ‘lijden om te lijden’; volgens mij wordt daar niemand beter van. Maar ik aanvaard evenmin de stelling dat alle lijden zinloos is; er zijn vormen van lijden waaraan wij zin kunnen geven. Die zin zal echter van buiten af moeten komen, d.w.z. van iets goeds buiten het lijden zelf, en wel van een goed dat het lijden overtreft. Dit laatste is nodig om te kunnen spreken van verantwoorde zinvolheid.”



    1. De waarom-vraag in de psalmen

Het is frappant, hoe vaak in de psalmen van Israël de waarom-vraag gesteld wordt door de lijdende mens. Het is de “cri de coeur” van de mens die zijn onmacht uitschreeuwt en de ervaring van Gods afwezigheid verwoordt. De vraag naar God is in de Schrift een echte vraag en geen retorische inleiding tot een dogmatische zekerheid, zoals in de oude catechismusvraag: “Waar is God?” .


In een indrukwekkend artikel met als titel Laat God het kwaad toe?, schrijft de Waalse theoloog Adolphe GESCHE (1928-2003)48 :
“Hebben wij het voldoende aangedurfd de vraag te stellen als een probleem van gelovigen – hetgeen erop neerkomt dat wij ze werkelijk voor onze God brengen? (…)

Het kwaad voor Gods aanschijn recht in de ogen kijken, dat is de durf van een echt geloof. (…) Soms schreeuwt een mens het dan uit, tot godslastering toe – maar is de gelovige niet juist diegene die elke vraag ‘voor het altaar van God’ brengt? (…)

Sluit een al te theoretische verdediging van God onze vraag niet op in een impasse, in plaats van ze open te trekken naar de hoop? (…)

God wil aansluiting vinden bij de kreet van de mens. Allereerst gunt Hij de mens het recht om Hem in het gezicht te schreeuwen. De manier waarop heeft alsnog weinig belang – het mag met volle geweld. Men moet niet trachten te verhinderen dat God het roepen van zijn volk hoort (Ex 6,5). Heel de geschiedenis van de ware God met zijn volk verbiedt het ons. Het kwaad is te monsterachtig om er anders dan geschandaliseerd tegenaan te kijken. Of toch op z’n minst verbaasd en verrast. Wij hebben het recht niet om die verbijstering en aanstoot meteen uit te wissen. De kreet van de mens naar God geeft trouwens blijk van een groot vertrouwen in Hem.


Voor de protestantse theoloog H.BERKHOF gaat het in het bijbelse geloof precies over een geloof “dat zich voltrekt op de rand van het ongeloof.” “De vertellers uit Genesis,” aldus Berkhof, “laten geen gelegenheid onbenut om ons duidelijk te maken hoe ‘moeilijk’ dit Godsgeloof voor Abraham en zijn volgelingen is geweest. Tijdenlang konden ze door het leven gaan zonder enig teken van de reddende nabijheid van hun God te ontvangen. Hun leven zou daarom ‘a-theïstisch’ kunnen worden genoemd, ware het niet dat deze ervaring van de leegte als ervaring van de verborgenheid Gods voor hen een zwaar lijden moet zijn geweest, dat de gestalte kon aannemen van een ‘twisten met God’ en dat alleen te dragen was vanuit de herinnering aan vroegere reddende ontmoetingen en de daarop gebouwde verwachting van toekomstige hulp. Het leven van Abraham wordt geheel in dit perspectief gezien, als een tastend gaan van belofte naar vervulling en vandaar weer naar nieuwe beloften, in een geloof dat zich voltrekt op de rand van het ongeloof. Dit is wezenlijk gebleven voor het geloof van Israël, zoals vooral de Psalmen te zien hebben gegeven.” 49
Op de volgende bladzijde geven we een overzicht van de voornaamste vindplaatsen in de psalmen van de ’waarom-vraag’:




Ps 10,1

Waarom, HEER, blijft U zo ver weg?

Waarom zo verborgen in bittere tijden,…


Ps 13,2


Hoe lang nog, HEER?

Vergeet U mij voorgoed?

Hoe lang nog verbergt U uw gelaat voor mij?


Ps 22,1

Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij in de steek gelaten?

Waarom houdt U zich ver van mijn hulpgeroep, ver van mijn gejammer?


Ps 35,22b


Zwijg niet, HEER, blijf niet bij mij vandaan.


Ps 38,22

HEER, laat mij niet in de steek,

Mijn God, blijf niet weg.


Ps 42,10-11


Zo zeg ik tegen God : ‘Mijn rots,

Waarom vergeet U mij?

Waarom moet ik in zak en as zitten,

door mijn vijanden vernederd?’

Terwijl heimwee mijn hart verteert,

sarren mijn tegenstanders mij,

heel de dag hoor ik almaar zeggen:

‘Waar is die God van jou?’
[in vertaling ‘Vijftig Psalmen’ :

Levende God, waarom hebt Gij mij vergeten,

mijn rots, waarom loop ik er haveloos bij,

gekweld en vernederd.

Mijn vijanden jagen mij de dood op het lijf,

‘waar is die God van jou,’ hoor ik ze roepen.]





Ps 71,12

Blijf niet weg van mij, o God,

mijn God, kom snel en help mij.


Ps 77,8-10


Zal de Heer voor altijd zijn afkeer laten blijken

en zal Hij nooit meer genadig zijn?

Is het gedaan met zijn liefde, voorgoed?

Gedaan met zijn woord voor alle generaties?

Is God het verleerd om medelijden te hebben?

Ligt zijn medelijden in woede gevangen?

Ps 79,10


(= 115,2)

Waarom mogen de volken nog altijd zeggen:

‘Waar blijft hun God?’
[in vertaling ‘Vijftig Psalmen’ :

Hoe kunnen er dan nog zijn die vragen:

Waar is jullie God?]



Ps 89,47

Hoelang nog, HEER? Blijft U verborgen?

Blijft uw woede gloeien als een vuur?




4.3 “U geeft mij antwoord”: psalm 22 en de waarom-vraag
Op de uitvaartplechtigheid van Julie en Melissa, slachtoffers van Marc Dutroux, in augustus 1996 verwees priester-arbeider Gaston Schoonbroodt in zijn openingswoord naar psalm 22:

Is de goede God doof?
“Veertien maanden van pijn en gevecht, de veertien staties van Golgotha die u hebt uitgehouden. Uitgehouden om waar te komen? En alle gebeden, waartoe hebben ze geleid, en alle kaarsen die men heeft gebrand, de gebedsbijeenkomsten, de bedevaarten? Is de goede God doof?
Het is geen godslastering om dit uit te schreeuwen. Een godslastering zou de hypocrisie zijn of de vrome woorden die probeerden de waaroms te verstikken. Het is geen godslastering om onze eerlijkheid te laten ontploffen. De bijbel heeft het ons voorgedaan.
Waarom komen bidden? Waarom niet rechtstreeks naar het kerkhof?
Een volks gezegde zou antwoorden : ‘les prières ne vont pas au bois’ (de gebeden zijn niet nutteloos, ze zijn geen brandhout). Toch gaan de gebeden tot op het hout, tot op het hout van het kruis. Jezus die op het hout werd genageld, neemt onze gebeden en onze ontreddering mee. Op het negende uur vertelt de evangelist, slaakte Jezus een grote schreeuw: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”.
De Zoon van God zelf heeft deze vraag van de psalmist uitgeschreeuwd. Had Jezus daarna nog de fysieke kracht of de tijd om de rest van dat joodse gebed te zeggen? Dezelfde psalm immers, na de beschrijving van de marteling, voert ons naar het vertrouwen, naar de bevrijding en in het leven. Ik weet niet of Jezus louter de verlatenheid heeft gevoeld of verder is gegaan. Ik weet dat we ons mogen zetten op dezelfde gevoelens van de psalm en verder gaan in de bevraging naar het vertrouwen.”

Nacht
Volgens de evangeliën van Marcus en Matteüs is het inderdaad de Zoon van God zelf die deze vraag van de psalmist heeft uitgeschreeuwd (Ps 22,2 in Mc 15,34 en Mt 27,46). De traditie levert ons de woorden over in de oude taal : ,,Eloï, Eloï, lema sabachtani?’’. Bij Marcus, de oudste evangelist, vormen ze het dramatische dieptepunt van een aangrijpende schildering van totale verlatenheid en eenzaamheid. Bij Jezus’ arrestatie noteert Marcus al nuchter : ,,Toen lieten allen hem in de steek en vluchtten weg’’ (Mc 14,50). Aan het kruis zijn het achtereenvolgens de voorbijgangers, de hogepriesters en de schriftgeleerden, ja, zelfs de twee andere gekruisigden die met hem spotten (Mc 15,27-32). ,,Iedereen die mij ziet lacht en spot met mij: ,Hij bouwt toch op de Heer? Laat Die hem dan bevrijden!’’’ (Ps 22,8-9). Vriend en vijand hebben Jezus verlaten. Heeft nu ook de Vader de Zoon verlaten?
Alles wat tot God gericht is, ook het schreeuwen en het vloeken, is bidden. Dag en nacht roept de lijdende mens die in de psalm aan het woord is : ,,Mijn God’’. Letterlijk staat er: ,,God van mij’’. ,,Van de moederschoot af bent U toch mijn God?’’, klinkt het verderop (v.11). Maar: ,,U antwoordt niet’’ (v.3). Vooraleer de psalmist in niet mis te verstane beelden zijn persoonlijke tragiek schetst, brengt hij allereerst de hele heilsgeschiedenis in stelling (v.4-6). ,,Mijn God’’ is namelijk de ,,God van onze vaderen’’. ,,Zij riepen U aan en werden bevrijd, hun vertrouwen in U werd nooit beschaamd’’ (v.6). Des te scherper klinkt dan de aanhef van de volgende strofe : ,,Maar ik ben een worm, ik tel niet mee’’. Zijn tegenstanders worden voorgesteld als beesten : ,,De honden staan al om mij heen’’ (v.17). Hijzelf is ,,als water dat vloeit, als was dat versmelt, als een potscherf die verpulverd is,…’’ (v.15-16). Geweld en onmacht alom. Dan klinkt de eigenlijke smeekbede : ,,Houd u niet ver van mij: mijn kracht, haast u en help mij’’ (v.20-22). Dit vers weerklinkt in het openingsvers van het getijdengebed: ,,God, kom mij te hulp. Heer, haast U mij te helpen’’.
Omslag
Op het einde van vers 22 staat er in het Hebreeuws één woord : ‘nitani’.. Exegeten hebben er de grootste moeite mee. Gerenommeerde vertalingen zoals de psalmbewerkingen van Gerhardt en Van der Zeyde, van Oosterhuis en van der Plas laten het achterwege. De Willibordvertaling van 1995 vertaalt ,,U antwoordt mij!’’ en de Nieuwe Bijbelvertaling zet : ,,U geeft mij antwoord.’’.
Kees Waaijman bouwt op dit versdeel zelfs zijn hele psalmcommentaar en vertaalt vrijelijk, maar wel bijbels treffend : ,,Jij buigt je naar mij!’’ 50. Precies midden de diepste verlatenheid ervaart de psalmist dat God hem reddend nabij is. Volgens Waaijman is dit kern van de psalm, het omslagpunt : ,,God buigt zich naar mij in mijn worsteling om Zijn aanwezigheid. Ik heb mijn leed bij mij toegelaten. En precies dààr voelde ik dat Hij nabij is.’’ In vers 25 horen we het duidelijk: ,,Hij heeft zijn gelaat niet afgewend, nee, Hij luisterde toen om Hem werd geroepen.’’
Deze geloofservaring heeft verstrekkende betekenis. Het klaag- en smeekgebed wordt dank- en loflied. Nacht wordt dag. Golgotha wordt Pasen. Geweld en onmacht hebben niet het laatste woord. Dit moet verteld worden : ,,Ik zal uw naam verkondigen bij mijn broeders en zusters, en U prijzen in de gemeenschap’’ (v.23) De individuele lijdensgeschiedenis van de getormenteerde psalmist is opgenomen in de heilsgeschiedenis. De relatie met God is hersteld, want God antwoordt. Hij heeft het initiatief genomen. De bidder is uit zijn isolement gehaald. Dit is allereerst goed nieuws voor de armen (,,Zo kunnen armen eten en hun honger stillen’’) en voor allen die God zoeken (Houd moed, voor altijd! – v.27). Alle grenzen van de aarde (v.28-30) en alle toekomstige generaties worden gemobiliseerd (v.30-32): ,,Hij is een God van daden’’ (v. 32c in Nieuwe Bijbelvertaling). In het Hebreeuws staat er net als op het einde van het eerste deel in vers 22c, één woord dat krachtiger vertaald kan worden als: ,,Hij doet!’’.
Exegetische tussennota over de vraag of psalm 22 bestaat uit twee teksten die later samengevoegd zijn 51:
Door de razendsnelle overgang in deze psalm van een smeekpsalm naar een dank- en loflied, kan de indruk gewekt worden dat psalm 22 de latere samenvoeging is van twee reeds bestaande teksten. In de huidige exegese vindt men echter nog nauwelijks verdedigers van deze opvatting. De eenheid van psalm 22 stat grotendeels buiten discussie. En zelfs al zou het zo zijn dat psalm 22 in achtereenvolgende stadia tot stand is gekomen, dan staan we nog voor de taak de tekst als geheel te bidden en uit te leggen.
Een dergelijke omslag vinden we trouwens in meerdere psalmen. Zo bijvoorbeeld psalm 13 en psalm 69. Ook andere psalmen bestaan uit verschillende genres. Waarom maakt men er dan in psalm 22 zo’n probleem van?

Dit kan te maken hebben met de speciale status die men aan deze psalm toekent. De psalm heeft geen neutrale ‘Wirkungsgeschichte’ : het is deze psalm die in sterke mate (de compositie) van de kruisingsscènes in de synoptische evangeliën domineert. Daarbij is het zo dat de evangelisten psalm 22 niet in zijn geheel gebruiken, maar alleen uit het eerste deel citeren of er toespelingen aan ontlenen.


Psalm 22 is een uniek gebed. Dat is tot op grote hoogte tevens ook haar tragiek. Nergens anders in het psalmenboek gaat een beschrijving van nood en ellende die een enkeling ondervindt, gepaard met een zo majestueus danklied waarin eerst de eigen geloofsgemeenschap en vervolgens alle grenzen van de aarde worden gemobiliseerd. Men zou de literaire en theologische kwaliteiten van de auteur(s) vvan psalm 22 ernstig miskennen door het smeekgebed van de enkeling en het danklied van de gemeenschap af te doen als twee van elkaar gescheiden fasen. Met name de uitvoerige verwijzing naar de bevrijding van de vaderen (v 4-6), een heel speciaal kenmerk van psalm 22, plaatst van meet af aan het perspectief om op die lofzingende gemeenschap te (willen) behoren op de voorgrond. Is dat niet ook de ultieme reden waarom wij deze tekst nog steeds kunnen bidden?
En tot slot : in zijn geëigende nuchtere stijl merkt Willem BARNARD op over deze kwestie : “Er zullen wie weet wel geleerden geweest zijn die verklaren dat het hier ‘eigenlijk’ om twee liederen gaat, een uit de diepte en een op de hoogte. Maar als die er zijn, dan zijn het druiloren die (a) van po¨zie en (b) van het geloof niets begrijpen.” 52

Heilige afwezigheid
,,Had Jezus na zijn schreeuw aan het kruis nog de fysieke kracht of de tijd om de rest van het joodse gebed te bidden?’’, vroeg Gaston Schoonbroodt zich af in zijn openingswoord op de begrafenis van Julie en Melissa. ,,Dezelfde psalm immers, na de beschrijving van de marteling, voert ons naar het vertrouwen, naar de bevrijding en in het leven. Ik weet niet of Jezus louter de verlatenheid heeft gevoeld of verder is gegaan. Ik weet wel dat we ons mogen zetten op dezelfde gevoelens van de psalm en verder gaan in de bevraging naar het vertrouwen.’’
Het lijden van de psalmist staat model voor elke vorm van lijden en pijn, voor elk gevoel van verlatenheid. Wanneer ik mij zoals de psalmist ten diepste durf te confronteren en in de afwezigheid God niet loslaat, dan ontdek ik in de pijn, de eenzaamheid en de leegte, Gods bevrijdende nabijheid. Dat is de paradox : in de leegte en in wat Simone Weil een ,,heilige afwezigheid’’ noemde, ontdekt de moderne gelovige opnieuw wie de ,,God van onze vaderen’’ is. Niet ,,die God van mij’’, mijn diepste zelf dat mijn verlangens vervult. Ook geen onwrikbaar en vaststaand principe, maar een ,,God van daden’’ die zich buigt naar elke mens, naar de arme en naar de God-zoeker die ik ben.
Verzet en overgave
Psalm 22, smeekgebed én lofzang tegelijk, is een gebed van verzet en overgave, van bevraging tot op het bot en van diep vertrouwen, van uiterste vertwijfeling en van onwrikbaar geloof, van diepe verlatenheid en van bevrijdende aanwezigheid, van nacht en van dag. In het spanningsveld tussen deze polen bevindt zich het gelovige antwoord van de mens aan God. Of beter nog, kan ook de moderne zoekende gelovige ervaren en belijden : ,,U geeft mij antwoord!’’ of ,, Jij buigt je naar mij!’’(v 22c). Onze God is een God van daden : ,,Hij doet!’’ (v. 32c). Wie dit vermoedt kan in groot vertrouwen rustig verder bidden in het psalmenboek. ,,De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets’’, zo begint psalm 23 ...

PSALM 22 (Nieuwe Bijbelvertaling, 2004)


[2]

Mijn God, mijn God,
waarom hebt u mij verlaten?
U blijft ver weg en redt mij niet,
ook al schreeuw ik het uit.

[3]

‘Mijn God!’ roep ik
overdag, en u antwoordt niet,
’s nachts, en ik vind geen rust.


[4]

U bent de Heilige,
die op Israëls lofzangen troont.

[5]

Op u hebben onze voorouders vertrouwd;
zij hebben vertrouwd en u verloste hen,

[6]

tot u geroepen en zij ontkwamen,
op u vertrouwd en zij werden niet beschaamd.


[7]

Maar ik ben een worm en geen mens,
door iedereen versmaad, bij het volk veracht.

[8]

Allen die mij zien, bespotten mij,
ze schudden meewarig het hoofd:

[9]

‘Wend je tot de HEER! Laat hij je verlossen,
laat hij je bevrijden, hij houdt toch van je?’


[10]

U hebt mij uit de buik van mijn moeder gehaald,
mij aan haar borsten toevertrouwd,

[11]

bij mijn geboorte vingen uw handen mij op,
van de moederschoot af bent u mijn God.


[12]

Blijf dan niet ver van mij,
want de nood is nabij
en er is niemand die helpt.

[13]

Een troep stieren staat om mij heen,
buffels van Basan omsingelen mij,

[14]

roofzuchtige, brullende leeuwen
sperren hun muil naar mij open.



[15]

Als water ben ik uitgegoten,
mijn gebeente valt uiteen,
mijn hart is als was,
het smelt in mijn lijf.

[16]

Mijn kracht is droog als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
u legt mij neer in het stof van de dood.


[17]

Honden staan om mij heen,
een woeste bende sluit mij in,
zij hebben mijn handen en voeten doorboord.*

[18]

Ik kan al mijn beenderen tellen.
Zij kijken vol leedvermaak toe,

[19]

verdelen mijn kleren onder elkaar
en werpen het lot om mijn mantel.


[20]

HEER, houd u niet ver van mij,
mijn sterkte, snel mij te hulp.

[21]

Bevrijd mijn ziel van het zwaard,
mijn leven uit de greep van die honden.

[22]

Red mij uit de muil van de leeuw,
bescherm mij tegen de horens van de wilde stier.
U geeft mij antwoord.


[23]

Ik zal uw naam bekendmaken,
u loven in de kring van mijn volk.

[24]

Loof hem, allen die de HEER vrezen,
breng hem eer, kinderen van Jakob,
wees beducht voor hem, volk van Israël.


[25]

Hij veracht de zwakke niet,
verafschuwt niet wie wordt vernederd,
hij wendt zijn blik niet van hem af,
maar hoort zijn hulpgeroep.


[26]

Van u komt mijn lofzang in de kring van het volk,
mijn geloften los ik in bij wie u vrezen.

[27]

De vernederden zullen eten en worden verzadigd.
Zij die hem zoeken, brengen lof aan de HEER.
Voor altijd mogen jullie leven!


[28]

Overal, tot aan de einden der aarde,
zal men de HEER gedenken en zich tot hem wenden.
Voor u zullen zich buigen
alle stammen en volken.

[29]

Want het koningschap is aan de HEER,
hij heerst over de volken.


[30]

Wie op aarde in overvloed leven,
zullen aanzitten en zich voor hem buigen.
Ook zullen voor hem knielen
wie in het graf zijn neergedaald,
wie hun leven niet konden behouden.


[31]

Een nieuw geslacht zal hem dienen
en aan de kinderen vertellen van de Heer;

[32]

aan het volk dat nog geboren moet worden
zal het van zijn gerechtigheid verhalen:
hij is een God van daden.




1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina