Verlies je hart niet aan de wereld. Maar zet je zinnen op christus en de genade van de heilige Geest



Dovnload 28.38 Kb.
Datum26.07.2016
Grootte28.38 Kb.
Schriftlezing: Jozua 7; 1 Johannes 2:12-17

Tekst: Zondag 44

Ps. 1:1,2,3

Ps. 19:5,6

Ps. 131:1,2,3

Lb. 479:1,2,3,4

Ps. 86:4,5

Thema :
VERLIES JE HART NIET AAN DE WERELD. MAAR ZET JE ZINNEN OP CHRISTUS EN DE GENADE VAN DE Heilige Geest.

Gemeente van onze Here Jezus Christus,
Hebt u uw hart nog? Of hebt u uw hart verloren? Zo ja, waaraan dan? Dat is niet onverschillig. Het maakt heel wat uit of je je hart verloren hebt aan je eigen vrouw of dat je het verliest aan een ander, heimelijk of openlijk.

Je kunt je hart kwijtraken aan de macht van het geld. Maar je kunt je hart ook overgeven aan de Here. Je hart kan zelfs gestolen worden, weggepikt bij je wettige heer en in beslag genomen door een dief. Absalom b.v. steelt het hart van de mannen van Israël, door zijn innemende en vleiende optreden. Hij pakt Israëls hart van David af. Hartendief in de letterlijke betekenis van het woord. Een zeer kwalijke zaak.

Ons hart verdient dus goede bewaking. De wijsheid geeft ons die aanwijzing. “Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de oorsprongen des levens.” (Spreuken 4:23)

Hebt ú uw hart nog? Of bent u het kwijt? Verloren, gestolen? Of is uw hart veilig in de handen van God, uw Vader? Het gaat de Here om uw hart. Behoort dat aan Hem of aan uzelf of aan de wereld soms? Of aan allemaal een beetje?

Gods opdracht aan ons is:
VERLIES JE HART NIET AAN DE WERELD. MAAR ZET JE ZINNEN OP CHRISTUS EN DE GENADE VAN DE Heilige Geest.
Op deze manier wil ik de boodschap van het 10e gebod en zondag 44 samenvatten. In het licht van de gelezen bijbelgedeelten. Met deze beide zinnen is ook de structuur van de preek aangegeven.
1. Het gaat God in het 10e gebod inderdaad om ons hart. Wanneer de catechismus dit gebod gaat uitleggen, dan peilt ons leerboek de diepten van ons hart. Het wordt twee keer nadrukkelijk ter sprake gebracht.

God eist van ons in het 10e gebod, “dat zelfs de geringste neiging of gedachte die tegen enig gebod van God ingaat, in ons hart nooit meer mag komen, maar dat wij altijd met heel ons hart alle zonden haten en liefde tot alle gerechtigheid hebben.”

Radicaler kan het nauwelijks gezegd worden. Ons hart is verboden terrein voor zelfs het kleinste sprankje overtreding van Gods geboden. Wat ook maar een millimetertje neigt naar ongehoorzaamheid, dat hoort niet thuis in ons hart. Het mag er niet komen. Nog geen vluchtige gedachte. Geen zweem van ongerechtigheid.

Want het hart van Gods volk is alleen voor de Here. Niet part time of voor 33, 75 of 99 procent. Maar volkomen. Onverdeeld voor de Here. “Je kunt niet God dienen en tegelijk de Mammon,” zegt de Here Jezus ergens. Je hart moet uit één stuk zijn. En dus met heel je hart (= voor de volle 100 %) alle zonden haten (niet slechts een aantal ergerlijke zonden, maar ook die aangename zonden die je koestert) en liefde tot alle gerechtigheid hebben.

De vraag is dus: wie heeft het te zeggen over je hart en in je hart? Het hart van de mens is in de Bijbel zijn innerlijk. Het is de directiekamer van ons leven. In de directiekamer worden de plannen gemaakt. Daar komen de ideeën naar boven. Daar wordt het beleid gemaakt en de koers van ons leven uitgezet. Daar, in het zenuwcentrum van ons leven, wordt van alles uitgebroed. Van daar uit lopen de draden, de zenuwbanen, de impulsen naar onze vingertoppen, onze voetzolen en het puntje van onze tong.

Salomo heeft dat door gehad en hij geeft het door aan zijn leerlingen in de wijsheidsschool. De woorden die ik net al aanhaalde. “Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de oorsprongen des levens.” De uitgangen des levens, staat er in de Statenvertaling.

Het hart heeft zoveel uitvalspoorten, waardoor van alles naar buiten komt. En soms ook niet. Niet alles wat we overwegen en uitbroeden komt naar buiten. Gelukkig maar. Zo bedorven is het vaak. Wat wel naar buiten komt, openlijk of via lekken, is al erg genoeg. Een wereld aan zonde en ongerechtigheid.

Onze Meester Jezus zegt tegen zijn leerlingen, dat ze zich niet druk moeten maken om de dingen die de mond ingaan, eten en drinken. Dat maakt een mens uiteindelijk niet onrein. “Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en dat maakt de mens onrein. Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen.” (Matteüs 15:18,19)

Met die boze overleggingen, die slechte gedachten, zit je op het terrein van het 10e gebod. Die zitten in ons hart en die komen er als eerste uit. Boze plannen leiden vaak tot kwade praktijken. “Het komt allemaal uit uw hart,” zegt de Here.

God weet wat er zich allemaal in ons hart beweegt. Hij kent het mensenhart tot in de puntjes en de schuilhoeken. Hij weet wat ons drijft. Hij kent mijn gedachten en mijn begeerten. Hij spreekt daarop in met dit 10e woord van zijn wet. “Gij zult niet begeren…” gebiedt Hij mij.

De Here weet hoe die bewegingen in het hart bij ons gaan. Hoe het opborrelt en naar buiten komt. Hij wijst dat proces ook aan in de Bijbel. Hij weet van de dingen waarop de mensen hun zinnen zetten en waar ze hun ogen niet vanaf kunnen houden. En de Heilige Geest maakt ons er op attent en waarschuwt ons ervoor.

Ik denk nu even aan de woorden die we hebben gelezen in 1 Johannes 2:15,16. “Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld.”

“Met ‘wereld’ bedoelt de evangelist alles waar iemand los van God mee bezig is en zich voor inzet (v. 16). Doordat het van de HERE wordt losgemaakt, wordt het een macht tegenover Hem en trekt het ons van Hem af.” 1

De mensen zetten hun zinnen op heel veel dingen. Ze kunnen hun ogen van heel veel dingen niet afhouden. Het houdt hen vast. Hun begeren gaat er naar uit. Ze worden erdoor geboeid en hun hart gaat er naar uit. En hun handen vaak ook. Terwijl ze Gods vergeten en Hem er niet bij nodig hebben.

Johannes noemt dat de begeerte van de ogen. In de ogen van mensen kun je vaak hun begeerten en hun verlangens aflezen. Wat kijken mensen begerig naar dingen, vooral wat van een ander is. De vrouw van je naaste, het huis van je naaste, de auto van je naaste. Zijn baan, zijn positie, zijn status in de maatschappij. Wat een begerige blikken kom je tegen. Wat een begerige blikken zenden we zelf vaak uit.

Je ogen weerspiegelen je begeerten. Je ogen voeden die ook. En als je niet oppast gaan je handen en je voeten je ogen achterna. Je maakt plannen en je ziet te pakken te krijgen, wat niet van jou is, maar wat je wel graag hebben wil. Zelfs al heeft de Here het nadrukkelijk verboden en voor Zich geheiligd en met de ban geslagen. Zoals Jericho en zijn buit.

Achan brengt in zijn antwoord aan Jozua precies onder woorden hoe het bij hem gegaan is. Ondanks het afschuwelijke drama had Jozua Achan heel vaderlijk gevraagd voor de Here een bekentenis af te leggen.

Mijn zoon, geef toch eer aan de Here, de God van Israël, en doe voor Hem belijdenis; vertel mij toch wat gij gedaan hebt, verberg het niet voor mij. Daarop antwoordde Achan Jozua: Waarlijk, ik ben het, die gezondigd heeft tegen de Here, de God van Israël, want zo en zo heb ik gehandeld: ik zag bij de buit een mantel van Sinear, een mooi stuk, en tweehonderd sikkelen zilver en een staaf goud van vijftig sikkelen gewicht, en uit begeerte ernaar heb ik ze weggenomen; zie, ze zijn in mijn tent in de grond verborgen, en wel het zilver onderaan.” (Jozua 7:19-21)

Ik zag… Ik begeerde… Ik kon er niet afblijven en ik pakte wat ik zo graag wilde hebben… Die mooie mantel uit Sinear, (= Babel), dat zilver en dat goud.

Daar heb je het proces van begeerte precies uitgetekend. Je ziet de beweging van ogen naar hart naar handen. Zonde tegen het 10e gebod in zijn meest duidelijke vorm. Een wat een kwalijke en schadelijke gevolgen heeft die begeerte. Voor Achan zelf, voor zijn gezin, voor heel Israël. Een ramp, omdat Gods ban geschonden is en Gods verbond gebroken.

Je denkt ook: Achan heeft er weinig plezier van gehad. Hij moest wat zijn ogen en zijn hart begeerde verstoppen in de grond. Hij kan er niet van genieten. Want de vloek van de Here lag erop. Dat wist hij van tevoren. En toch was zijn begeerte hem te sterk. De begeerte van zijn ogen, de begeerte in zijn hart.

Wat moet hij ook in de knijp gezeten hebben, toen de kring die het lot trok steeds dichterbij kwam. Tot hij er niet meer onderuit kon en de Here openlijk zijn zonde moest belijden. Of zou zijn hart al zo gesloten geweest zijn voor God, dat hij het heimelijk wilde houden? Had hij de wereld zo lief gekregen, dat Hij met de Here en zijn geboden niet meer rekende?

Maar voor God valt er niets te verbergen. Ook je gedachten en je begeerten niet. God ziet het hart van mensen aan. Hij kent onze bewegingen en motieven. Hij weet wat ons drijft en waar ons hart feitelijk naar uitgaat.

God zegt via Johannes: “Verlies uw hart niet aan de wereld of aan iets dat bij de wereld hoort. Als iemand zijn hart verliest aan de wereld, is er in hem geen plaats voor de liefde van de Vader. Want al het wereldse, alles waarop de mensen hun zinnen zetten en waar ze hun ogen niet vanaf kunnen houden en alle aardse zaken waarvan de mensen zo hoog opgeven, dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld.” (1 Johannes 2:15,16, GNB)

Wie zijn hart verliest aan de wereld, raakt de liefde van de Vader kwijt. Hij ruilt het als het ware in voor wat Johannes noemt: een hovaardig leven. Een leven waar mensen tegenop kijken. Een leven dat bewondering oogst en vervolgens heel wat jaloerse en begerige blikken en gedachten oplevert.

Maar zo’n leven is: zoeken met een waanwijs oog naar wat te groot is en te hoog. Een leven in trots, dat uit is op de bewonderende blikken van anderen. Dat begeerten opwekt. Los van God.

De Here, die zijn volk bevrijdt uit slavernij, wil niet dat ons hart slaaf is en slaaf blijft van de wereld, van de zonde van onze slechte begeerten, waarvan we niet los kunnen komen.

Hij zegt: Gij zult niet begeren het huis, de vrouw van uw naaste of ook maar iets van wat van je naaste is. Loop niet achter je begeerten aan. Maar houd je hart vrij in Christus. Vrij voor God en zijn woord en zijn geboden. Zijn wet is immers de wet van de vrijheid. Daar hoort ook het 10e gebod bij. Een gebod met het oog op onze vrijheid als verloste kinderen van God. Houd dus uw hart van hoogmoed vrij.


Verlies je hart niet aan de wereld. Maar zet je zinnen op Christus en de genade van de Heilige Geest.
2. God zegt tegen ons: “Gij zult niet begeren…” Daarmee bedoelt de Here niet, dat alle begeerten voor ons verboden zijn. En dat wij vervolgens moeten proberen om al die begeerten te overwinnen, totdat we uiteindelijk zover komen dat we elke vorm van begeerte achter ons hebben gelaten. De Here is geen Boeddha en de christen geen boeddhist, van wie het hoogste streven is al mediterend begeerteloos te worden. En zo in gelukzaligheid met de godheid één te worden en in die godheid op te gaan.

God wil niet, dat we mensen zijn met een doodstil, bewegingsloos hart. Want dan zijn we feitelijk geen mensen meer. Zeg nou zelf: wat is een commandocentrale, waarvan alle communicatielijnen geblokkeerd, afgesneden of stil gelegd zijn? Dat is niks. Dat is een dode boel. Daarvan gaat niks uit.

Het komt er alleen wel op aan, wie bemant die commandocentrale. Wie is er de baas? Wie maakt de plannen? En welke plannen? Wie beheert het protocol en zorgt dat het goede draaiboek uitgevoerd wordt? Kortom, wie zit er aan het roer in mijn hart en in mijn leven? Wie is er Heer van mijn hart en naar wie luister ik? Ben ik dat soms zelf? Of is het God de Heilige Geest? Is het Christus, mijn Heer?

Wanneer we zondag 44 op ons laten inwerken, dan treft ons dat ons leerboek heel goed heeft begrepen, dat God met zijn 10e gebod ons hart niet stil legt. En navenant ons leven passief laat zijn. Zonder beweging, zonder drijfveren.

We komen hier veel werkwoorden tegen die gemotiveerde activiteit verraden en aan de dag leggen. De Here laat ons hart bewegen. Hij zet ons hart en leven in beweging voor Zich en voor Christus. Door de Heilige Geest. Maar zonder dat Hij ons opjaagt met de gesel van de wet. Daarvan heeft Hij zijn volk nu juist bevrijdt. We zijn niet meer onder de tuchtmeester, zegt Paulus in de brief aan de galaten.

Wel activiteit, geen activisme. Dat is uiteindelijk ook weer een vorm van slavernij. De slavernij van het ‘moeten’, van de rusteloosheid. Dat is dodelijk vermoeiend. Als je lang genoeg daarmee doorgaat, maak je anderen en jezelf apathisch. Je raakt ontmoedigd, omdat je weet, dat je het nooit goed genoeg doet. Dat je nooit de volmaaktheid zult bereiken.

Misschien kijk je dan wel met jaloerse blikken naar anderen. Naar betere gelovigen. Naar de allerheiligsten en hun vorderingen op de weg van God. En als je hoort, dat zelfs de allerheiligsten in dit leven niet meer dan een klein begin hebben van de gehoorzaamheid die God vraagt, dan kan het je aanvliegen: “Zover kom ik al helemaal niet. Ik hoor beslist niet bij de allerheiligsten. Bij lange na niet. Hoe miniem zal mijn begin van gehoorzaamheid dan wel niet zijn. Dat ziet God niet eens.” En je laat het er bij zitten en je komt je stoel niet meer uit.

Dat bedoelt God ook niet. Hij zet ons hart in beweging. Hij geeft ons een hart in beweging, een nieuw hart door de Heilige Geest. Een hart dat veel uitgangen heeft en levende communicatiekanalen, gevoed door het woord en de Geest van Christus. Een hart dat gaat kloppen voor de Here en zijn dienst. En in dat hart werkt de Geest een ernstig voornemen om naar alle geboden van God te leven en daarmee te beginnen.

Wat is dat ernstige voornemen anders dan een levend verlangen en een actief begeren in het geloof? Bij die woorden ‘met een ernstig verlangen’ kwam ik ergens deze aantekening tegen: “het leven van het geloof is geen hebben maar verlangen.2

Verlangen naar het Rijk van God en zoeken naar Christus en zijn gerechtigheid. Begeren vergeving van de zonden te ontvangen en naar het beeld van Christus vernieuwd te worden.

Er naar verlangen steeds meer op je Heer Jezus Christus te gaan lijken in heel je doen en laten, te beginnen in je hart.

God vraagt positief in het 10e gebod, dat ik mijn zinnen zet op Christus. Dat ik met heel mijn hart Hem zoek, naar Hem uitga en mijn leven door Hem laat beheren en beheersen. In alles. Ook de uitgangen van mijn hart.

Wat betreft dat zoeken van Christus en wat van Hem is, kom ik weer uit bij de woorden van Paulus in Kolossenzen 3: “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.” (Kol. 3:1-4)

En ik kom uit bij de woorden van de Here Jezus zelf: “Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden.” (Matteüs 6:33)

Geeft die opdracht van de Here dan geen overspannen verwachtingen bij de gelovigen en bij mij? Word ik daardoor toch niet aangezet om een ‘streber’ te worden? Een streber naar heiliging?

Nee, niet bepaald. Want door de strenge prediking van de tien geboden wil God dat wij ons leven lang onze zondige aard steeds meer leren kennen en daardoor nog meer begeren de vergeving van de zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken.

De prediking van Gods geboden drijft mij uit naar Christus. Dat is Gods bedoeling met mij. Hij wil dat ik mijn zinnen zet op Christus en mijn hart en mijn leven meer en meer laat sporen met Hem en zijn evangelie. Door zijn Heilige Geest.

Dat kan ik niet in eigen kracht, maar alleen dankzij de genade van de Heilige Geest. Daar leert God mij sterk naar verlangen. Daarop mag ik mijn zinnen ook zetten.

God wil immers, zo vat de catechismus samen, “dat wij zonder ophouden ons inspannen en God bidden om de genade van de Heilige Geest, om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, totdat wij na dit leven het doel, namelijk de volmaaktheid bereiken.”

De prediking van Gods geboden is geen nutteloze en doelloze bezigheid. Het heeft een geweldig perspectief: de volmaaktheid. Dat is het doel dat God ons laat bereiken na dit leven. Dankzij de genade van de Heilige Geest.

De Heilige Geest in ons hart houdt ons op koers naar de volmaaktheid. Dat geeft ons uitzicht. Dat maakt ons vaak onrustige hart en leven stabiel, koersvast en houdt het aan Christus verbonden.

Bij Johannes lezen we: “Verlies uw hart niet aan de wereld of aan iets dat bij de wereld hoort.” Want, zegt hij: “… de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.”



Laat dan mijn hart U toebehoren.
Amen.

1 Commentaar op basis van Leidraad, Online Bijbel 2001.

2 Kennen en vertrouwen, Handreiking bij de prediking van de Heidelbergse Catechismus, Zoetermeer 1993, p. 396.






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina