Versie: 0 1 definitief



Dovnload 333.38 Kb.
Pagina1/4
Datum26.08.2016
Grootte333.38 Kb.
  1   2   3   4

Management- en operationeel plan Directie Transformatie en Distributie van Voedingsmiddelen

Versie:01 definitief Datum van initiële opmaak: 2003-08-22



Management en operationeel plan van

ir. Geert De Poorter,

Directeur Transformatie en Distributie van de Voedingsmiddelen

Periode 2003 t.em. 2006

Missie van het Agentschap: Waken over de veiligheid in de voedselketen en de kwaliteit van ons voedsel, ter bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant

Kernwaarde van de Directie: Het ontwikkelen van een effectief beleid met competente en gemotiveerde medewerkers dat de transformatie- en distributiesector moet toelaten om veilige producten aan de consument aan te bieden

Opgesteld door: Geert De Poorter



De wijzigingen t.o.v. de vorige versie 03 draft zijn cursief weergegeven

Historiek


Datum van opmaak van versie 01 draft: 2003-07-01
Datum van opmaak van versie 02 draft: 2003-08-05 (na overleg met medewerkers)
Datum van opmaak van versie 03 draft: 2003-08-22 (na overlegDirecteur-generaal G. Houins)

Datum van opmaak van versie 01 definitief 2003-09-15 (na validatie door de Directeur-Geenraal G. Houins en het directie-comité op 2003-09-02)

Inhoudstafel


pagina
1. Inleiding & uitgangspunt 3

2. Wettelijke basis 6

2.A. Wet van 4 februari 2000 6

2.B. Koninklijk Besluit van 16 mei 2001 7

2.C. Koninklijk Besluit van 21 november 2001 9

2.D. Selectiereglement van de Directeur 10

3. Management Plan 11

3.1. Samenvattende beleidsondersteunende nota 11

3.2. Organigram 12

3.3. Analyse van de huidige toestand van de directie (AS IS) 13

3.4. Toekomstige situatie van de directie (TO BE) 15

3.5. Processen 16

3.6. Strategische en operationele objectieven 21

4. Operationeel plan (actieplan: projecten en activiteiten) met prestatie-indicatoren 31

5. Risico’s en maatregelen 37

6. Financieel aspect 39

7. Werkmethodologie 40

Bijlagen


Bijlage 1: Definities 42

Bijlage 2: Gebruikte afkortingen 43


Bijlage 3: Functiebeschrijvingen 44

Bijlage 4: Projectfiches 51
1. Inleiding & uitgangspunt

Het opstellen van een ontwerp van management- en operationeel plan is een wettelijke vereiste waaraan drie maanden na de aanstelling van de mandaathouder van een managementfunctie moet voldaan zijn (KB van 2001/10/29). Dit is een formele eis; veel belangrijker is het echter om via het management- en operationeel plan een instrument te hebben dat moet toelaten om met de medewerkers de doelstellingen van het Agentschap te bewerkstelligen. Het plan moet een echt beleids- en werkinstrument worden.


Dit document omvat twee grote luiken: enerzijds het managementplan en anderzijds het operationeel plan.

Het operationeel plan zal jaarlijks geactualiseerd worden, het management plan wanneer het nodig is (e.g. bij wijziging van het managementplan en/of het strategisch plan van de Gedelegeerd Bestuurder).

Het management plan (loopt over een periode van 4 jaar) zoals het hier terug te vinden is, omvat de beschrijving van de algemene beheersopdrachten, de strategische doelstellingen, de operationele doelstellingen en het budgettaire kader.

Het operationele plan (loopt over een periode van 3 jaar) omvat primo de concrete prestaties voortvloeiend uit de uitvoering van de beheersopdrachten en de strategische en operationele doelstellingen en secundo de begroting op jaarbasis.


Hoe werd dit management en operationeel plan opgesteld?

Een eerste draft werd door de directeur opgesteld, waarna het in overleg met alle rechtstreekse medewerkers en de directeur-generaal werd besproken. Hieruit zal een tweede draftversie naar voren komen die als “Ontwerp Management en Operationeel Plan” aan het Directiecomité zal overgemaakt worden.

Binnen een tijdsbestek van drie maanden was het niet mogelijk om de visie te verkrijgen van de rechtstreekse stakeholders (beroepssectoren die afhangen van de directie, FOD DG4 Afdeling Levensmiddelen en de consumentenorganisaties) maar bij de herziening van het plan moet hun visie zijn weerslag vinden in de richting waarin het managementplan moet evolueren.
Dit management en operationeel plan moet in cascade gelezen worden met het management en operationeel plan van de directeur-generaal en de gedelegeerd bestuurder volgens onderstaand schema:


ddfsfdssdqfd






De 9 basiselementen waarop dit management en operationeel plan is gebaseerd zijn hieronder weergegeven:































2. Wettelijke basis

De taken en bevoegdheden van het Bestuur Controlebeleid en meer in het bijzonder van de Directie Transformatie en Distributie van de Voedingsmiddelen liggen vast in een wet, een aantal koninklijke besluiten en de functiebeschrijving van de directeur.


2.A. Wet van 4 februari 2000

Wet houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.


Art. 4

§ 3. In het belang van de volksgezondheid is het agentschap bevoegd

voor :

4° de integratie van en uitwerking van traceer- en identificatiesystemen van de voedselproducten en hun grondstoffen in de voedselketen



en de controle erop;

5° de inzameling, de ordening, het beheer, de archivering en de

verspreiding van alle informatie in verband met haar opdracht. De

Koning stelt bij een in de Ministerraad overlegd besluit de regels vast

met betrekking tot de organisatie, de werking en de toegankelijkheid

van databanken, die door het agentschap of met zijn medewerking

kunnen worden uitgebouwd;

6° de uitbouw en de doorvoering van een beleid inzake preventie,

sensibilisatie en informatie, in overleg met de gewesten en de

gemeenschappen;

7° het toezicht op de naleving van de wetgeving betreffende alle

schakels van de voedselketen.

§ 4. Het agentschap verleent, binnen het raam van zijn opdracht, aan

de bevoegde overheden advies met betrekking tot de bestaande en

toekomstige regelgeving, met inbegrip van de omzetting van de

internationale regelgeving in het Belgisch recht.

§ 5. Bij een in de Ministerraad overlegd besluit, bepaalt de Koning

binnen het raam van de bevoegdheden van het agentschap de taken

waarvoor het agentschap zich kan laten bijstaan door derden of die het

agentschap door derden kan laten verrichten en bepaalt de eraan

verbonden voorwaarden.

Art. 5. De bevoegdheden van personen, instellingen, diensten en

organismen die kaderen in de in artikel 4 omschreven opdrachten van

het agentschap, evenals de daarmee verbonden rechten en plichten,

worden naar het agentschap overgeheveld, op de wijze te bepalen door

de Koning bij een in de Ministerraad overlegd besluit.

De Koning wordt gemachtigd bij in de Ministerraad overlegde

besluiten ondervermelde wettelijke bepalingen af te schaffen, aan te

vullen, te wijzigen, te vervangen en te coördineren, evenals besluiten en

maatregelen te nemen teneinde deze overdracht te verwezenlijken, het

agentschap operationeel te maken, bevoegdheidsoverlappingen te

vermijden, de controle door het agentschap op de veiligheid van de

voedselketen en de kwaliteit van het voedsel zo doeltreffend mogelijk

te maken en de beschikbare middelen optimaal aan te wenden :

1° de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de

gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen

en antiseptica;

2° de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de

vleeshandel;

3° de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen;

4° de wet van 15 april 1965 betreffende de keuring en de handel in vis,

gevogelte, konijnen en wild en tot wijziging van de wet van 5 september

1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel;

5° de wet van 29 maart 1958 betreffende de bescherming van de

bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren;

6° de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en

grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt;

7° de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten

en plantaardige producten schadelijke organismen;

8° de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-,

tuinbouw- en zeevisserijproducten;

9° de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de

gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen

en andere producten;

10° de wet van 21 juni 1983 betreffende gemedicineerde diervoeders;

11° de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van

stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of productiestimulerende

werking;

12° de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het

welzijn der dieren;

13° de dierengezondheidswet van 24 maart 1987;

14° de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen;

15° de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de

diergeneeskunde.
2.B. Koninklijk Besluit van 16 mei 2001

KB tot vaststelling van de vestigingsplaats, de organisatie en de werking van het Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.



Art. 5. § 1. Het bestuur van het controlebeleid is belast met :

a) de uitwerking en integratie van maatregelen die betrekking hebben

op de analyse en de beheersing in de gehele voedselketen en in elke

schakel ervan, van de risico’s die de gezondheid van de consument, de

dierengezondheid, het dierenwelzijn of de gezondheid van de planten

kunnen schaden;

b) de uitwerking en integratie van controlemaatregelen en

-programma’s met het oog op de bescherming van de gezondheid van

de consument, de dierengezondheid, het dierenwelzijn en de gezondheid

van de planten in het kader van de toepassing van de wetten

vermeld in artikel 5, tweede lid, van de wet;

c) de uitbouw en doorvoering van een beleid inzake preventie,

zonodig in overleg met de gemeenschappen en de gewesten, met het

oog op de bescherming van de gezondheid van de consument, de

dierengezondheid, het dierenwelzijn of de gezondheid van de planten;



d) de preventieve uitwerking van organisatorische scenario’s die

dienen toegepast ter bestrijding van crisistoestanden die een bedreiging

inhouden voor de gezondheid van de consument, de dierengezondheid,

het dierenwelzijn of de gezondheid van de planten;



e) de uitwerking en integratie van andere maatregelen in het kader

van de toepassing van de wetten vermeld in artikel 5, tweede lid, van

de wet en van andere aan het Agentschap toevertrouwde opdrachten,

in het bijzonder deze uit te voeren voor rekening van derden;



f) de uitwerking en integratie van traceer- en identificatiesystemen

van de voedselproducten en hun grondstoffen doorheen de gehele

voedselketen;

g) de inzameling, de ordening, het beheer, de archivering en de

beschikbaarstelling van alle informatie in verband met zijn opdracht,

inbegrepen het beheer van databanken;

h) het verlenen van advies aan de bevoegde overheden en diensten

over de bestaande en toekomstige wetgeving binnen het raam van de

opdrachten van het Agentschap, in het bijzonder bij gelegenheid van de

omzetting van de internationale regelgeving in Belgisch recht;



i) het deelnemen aan het door nationale of internationale instanties

georganiseerd overleg betreffende controlebeleid en wetgeving waarvan

de toepassing tot de bevoegdheid van het Agentschap behoort,

evenals betreffende de wetenschappelijke kennis die eraan ten grondslag

ligt;

j) de organisatie van het secretariaat van het wetenschappelijk comite´

en de ondersteuning van en overleg met het raadgevend comite´.

§ 2. Binnen het bestuur van het controlebeleid worden drie bestuursdirecties

ingericht, respectievelijk bevoegd voor :

— de productie van en handel in planten en plantaardige producten,

inbegrepen de grondstoffen en de bestrijdingsmiddelen;

— de productie van en handel in dieren en dierlijke producten,

inbegrepen de grondstoffen, de geneesmiddelen en de uitoefening van

de diergeneeskunde;

de fabricage van en handel in voedingsmiddelen.

Dit laatste dient vertaald te worden als het transformatieproces van plantaardige en dierlijke producten tot producten bestemd voor menselijke consumptie en de distributie via groot- en kleinhandel ervan.
2.C. Koninklijk Besluit van 16 november 2001

Koninklijk besluit houdende het toevertrouwen van bijkomende opdrachten aan het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen


Dit KB breidt de bevoegdheden van het Agentschap uit; de directie is hier ook bij betrokken.
Art. 2. Buiten de opdrachten die rechtstreeks verband houden met

de veiligheid van de voedselketen en met de kwaliteit van het voedsel,

teneinde de gezondheid van de consumenten te beschermen, worden

aan het Agentschap de andere aan de controle verbonden bevoegdheden,

bedoeld in de volgende wetten toevertrouwd :

c) de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-,

tuinbouw-, en zeevisserijproducten, voor wat betreft de normen inzake

de kwaliteit, de samenstelling, de etikettering, de naspeurbaarheid en

de erkenning van de operatoren, met uitzondering van :

1° in de sector planten en plantaardige producten, de controleopdrachten

betreffende enerzijds de productiemethodes en de kwaliteitslabels

en, anderzijds, ter uitvoering van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek,

betreffende de verwerking van niet-voedingsproducten;

2° in de sector dieren en dierlijke producten, de controleopdrachten

betreffende de productiemethodes en de houderijsystemen, de kwaliteitslabels,

de AA melk, de prijsvorming van rauwe melk en haar

samenstelling met betrekking tot deze prijsvorming, evenals de karkasclassificatie;



f) de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de

gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en

andere producten, voor zover deze controles verband houden met de

voedingsmiddelen evenals met de stoffen die met voedingsmiddelen in

aanraking kunnen komen ofwel van toepassing zijn op de plaatsen

bedoeld in artikel 4, § 3, 2°, van de wet van 4 februari 2000.



Art. 3. Het Agentschap kan, op grond van een protocol met de

betaalorganen, de controles uitvoeren in verband met de interventies en

steun van de Europese Unie voor de producten bedoeld in de wetten

vermeld in artikel 5 van de wet van 4 februari 2000.


2.D.: Het selectiereglement van de Directeur

Permanente resultaatgebieden

-Werkt mee aan de uitwerking van het operationeel plan voor zijn directie met het oog op het realiseren van het strategisch plan van het Agentschap;

-Ontwikkelt een visie met betrekking tot de rol en het tot stand komen van een controlebeleid met als doel de veiligheid van de voedselketen te garanderen;

-Bepaalt op basis van de structuur van de productieketen, de risicogebieden en ontwikkelt kwantitatieve en kwalitatieve methoden en uniforme procedures voor de controle;

-Bepaalt binnen de actiesfeer van zijn directie de nodige productienormen voor het bekomen van normatieve doelstellingen zoals vastgelegd door de FOD;

-Werkt mee aan het ontwikkelen en aan het tot stand brengen van identificatie- en traceringssystemen in de sector van de transformatie en de distributiesector;

-Verzekert de informatie aan en de communicatie met de sectoren betrokken bij de transformatie en de distributie van voedingsmiddelen in verband met de verplichtingen en de controle- en autocontroleprocedures;

-Stuurt, motiveert, evalueert en verzekert de ontwikkelingsmogelijkheden van de directe medewerkers met het oog op het realiseren van de vooropgestelde doelstellingen;

-Duidt de noodzakelijke richtingen aan in de directie teneinde bij te dragen tot de praktische uitwerking van controlemethoden en –systemen binnen het kader van zijn bevoegdheidsdomeinen.


Tijdelijke resultaatsgebieden

-Implementeert het BPR project binnen zijn directie;

-Helpt met de implementatie van het Copernicus project
3. Het Management plan van de Directie Transformatie en Distributie van Voedingsmiddelen

3.1. Samenvattende beleidsondersteunende nota

De beleidsvisie van de directie is samen te vatten in volgende kernwaarde:

Het ontwikkelen van een effectief beleid met competente en gemotiveerde medewerkers dat de transformatie -en distributiesector moet toelaten om veilige producten aan de consument aan te bieden.

Hiertoe is het nodig dat de drie kernprocessen van de directie, i.s. primo het opstellen van een geïntegreerd controleprogramma en monitoringprogramma rekening houdende met risico-evaluatie, secundo het creëren van een wetgeving en controlemaatregelen waarin de autocontrole tot haar recht komt en tertio het ontwikkelen van traceerbaarheidssystemen, kunnen uitgevoerd worden met medewerkers die de nodige technische kennis hebben én gemotiveerd zijn om de doelstellingen te halen. Deelname aan de internationale vergaderingen (EU, WHO, Codex Alimentarius) moeten toelaten om deze drie kernprocessen te kaderen binnen een internationale context.

De wetgeving die door de directie ontwikkeld zal worden moet getoetst worden op volgende principes:

*kaderen binnen de algemene visie van het “Witboek en de “European Food Law”;

*begrijpelijk en éénduidig zijn;

*in overleg gebeuren met het Bestuur Controle

*uitvoerbaar én controleerbaar zijn.

Samenwerking met de Dienst Administratieve Vereenvoudiging die ressorteert onder de Diensten van de Eerste Minister moeten concrete resultaten laten zien in het hergroeperen van wetgeving, schrappen van dubbele items , … .

De traceerbaarheidssystemen die de verschillende sectoren en subsectoren zullen ontwikkelen of ontwikkeld hebben moeten voldoen aan de criteria die door de directie zullen vooropgesteld worden. In de transformatie-distributiesector (omwille van de heterogeniteit in aantal, grootte en type fabrikanten) is het niet haalbaar om iedere beweging die een halffabrikaat of product maakt in real-time mee te delen aan het Agentschap. Derhalve zal er een politiek moeten gevoerd worden die de producenten moet toelaten om zulke systemen te ontwikkelen, zodat deze producenten in geval van calamiteiten de traceerbaarheidsoefening stroomopwaarts en –afwaarts snel kunnen uitvoeren.

Kernactiviteiten dienen ook op een transparante en éénduidige manier naar de buitenwereld gecommuniceerd te worden. De communicatie naar de beroepssectoren is hiervan één element; minstens even belangrijk of zoniet belangrijker is de informatieverstrekking vanuit de directie(s) naar de consument toe. Er zal via een horizontale werkwijze met de andere directies en de Stafdienst Communicatie een duidelijk herkenbare stijl moeten ontwikkeld worden. De Directie Transformatie en Distributie heeft het meeste voeling met de consumentenverenigingen en is –samen met het Meldpunt en de PCE’s- het eerste aanspreekpunt voor de consument. Een speerpunt van de politiek van de Directie moet dus de permanente dialoog zijn met de consument.


3.2. Organigram

Hieronder is het entiteitenorganigram weergegeven van het Bestuur Controlebeleid. Het Bestuur bestaat uit drie directies en drie stafdiensten die ondersteunend moeten werken voor de drie directies.


Directie-generaal Controlebeleid


Secretariaat Wetenschappelijk Comité






Databanken


Internationale Zaken







Directie Bescherming van Planten en Veiligheid van Plantaardige Producten



Directie Dierengezondheid en Veiligheid van Dierlijke Producten

Directie Transformatie en Distributie van Voedingsmiddelen

Een meer gedetailleerd organigram voor de directie wordt nu nog niet aangegeven; eerst moet de takenanalyse uitwijzen welke de beste structuur is die wordt toegepast (per matrix/parameter; per productie-entiteit; matrix model; visgraatmodel; …)

Een mogelijke basis voor organigram wordt weergegeven in de “Organisatieplannen” die in het voorjaar van 2002 i.s.m. KPMG werden opgesteld.

3.3. Analyse van de huidige toestand van de directie (AS IS)



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina