Versie 1: Ik weet wat het leven is… (Filippenzen)



Dovnload 79.37 Kb.
Datum03.10.2016
Grootte79.37 Kb.
Achtentwintigste zondag door het jaar (A)

- Homilie -

versie 1: Ik weet wat het leven is… (Filippenzen)

Oude mensen zeggen nogal eens: ik weet wat het leven is Soms is dat een ontgoochelde zucht. Soms is het een bittere slogan die bij jonge mensen alle zogezegde naïviteit doodt. Soms is dat een teken van gelaten wijsheid. Soms is het wijsheid zonder meer. In ieder geval is het een uitspraak van een mens die veel heeft meegemaakt.


Zoiets zegt Paulus vandaag. Ik weet wat armoede is, ik weet wat overvloed is. Ik kan volop eten en ik kan honger lijden. Ik ben geen leek in het vak ‘levenskunst’: ik ben een kenner, een in gewijde. Wij zouden onmiddellijk zeggen, dat hij recht van spreken heeft als hij het allemaal heeft doorgemaakt.
Hij is inderdaad wijs geworden van hart. Maar dat is, me dunkt, Paulus mis verstaan. Hij wil namelijk niet een ‘wijze’ worden. Hij wil vrij worden! Een vrij mens! Zowel het weinige als het vele, zowel het gemis als de weelde kan hij dragen. Hij heeft een vrij hart. Het eerste brengt hem niet tot treurnis, het andere brengt hem niet tot gejubel. Zijn vreugde en zijn evenwicht hangen niet meer af van de dingen buiten hem. Zijn kracht om overeind te blijven zit binnen in hem. Die kracht heeft hij ontvangen en ervaren. Het is een kracht die hij niet veroverd heeft met wilskracht alleen. Hij is een vrij mens geworden, tot een vrij mens gemaakt door een Ander. Het is Gods kracht in hem die zijn onmacht heeft geboetseerd. Nu mag hij gaan en staan waar hij wil. Nu mag hij liefde ontmoeten en haat. Het raakt wel de buitenkant van zijn hart en zijn oren maar finaal gaat hij er niet meer aan ten onder: hij bestaat vanuit een andere bron. En niets of niemand, geen mens en geen woord, geen kritiek en geen applaus bezorgen of ontnemen hem nog zijn laatste zekerheid. Zijn wijsheid is zijn vrijheid geworden en andersom.
Maar... ‘toch hebt gij er goed aan gedaan mij te helpen in mijn moeilijkheden’. Ook bijstand van mensen heeft hem geholpen om tot die wijze vrijheid te komen.
In zijn hart bekent hij, dat hij dankbaar moet zijn om God en mensen. Samen hebben ze zijn mens-wording gekneed en bevorderd. En nu zal hij voor niets of niemand nog zwichten. Hij is sterk geworden van binnen.
Paulus deed er meer dan dertig jaar over om dit te beseffen. Bij ons duurt het meestal veel langer, maar wij weten nu, dat vrijheid van binnen mogelijk is. Als wij ontvankelijk in de leerschool gaan van God en mensen…

versie 2: Tijd hebben voor het bruiloftsmaal… (Matteüs)

Je hoort steeds meer mensen zegen: ik heb toch zo weinig tijd. En dat terwijl wij gemiddeld twintig jaar langer leven dan de mensen van vroeger. Waar blijven dan die twintig jaren? Die kunnen toch niet spoorloos verdwenen zijn? En als je dan bedenkt hoeveel tijd wij tegenwoordig uitsparen. Neem nu de auto. Wat bespaart dat ding ons niet een zee van tijd? Je rijdt al gauw zo’n 10.000 km per jaar. Dat kost ons 166 uur. Als wij diezelfde afstand zouden moeten lopen dan waren we 2000 uren kwijt. Dat betekent een winst van 1834 uur. Waar blijven die uren? Hoe kunnen we dan toch zeggen: ik heb geen tijd? En daar moeten we nog bijtellen de tijd die wij uitsparen door de trein, de telefoon, de bus, de fiets, de typemachine, de computer. Wij zouden normaal gesproken zeeën van tijd moeten overhouden. Maar in feite komen we voortdurend tijd tekort. Want we hebben niet eens tijd om normaal te ontbijten.


Wat heeft deze beschouwing over onze tijd nu met het evangelie te maken? Waarschijnlijk een heleboel. Wij zijn namelijk allemaal uitgenodigd voor dat bruiloftsfeest. Maar het is met ons als met die mensen: we hebben geen tijd. De een moet naar zijn akker, de ander naar zijn zaken.
De kwestie is deze: we hebben wel tijd, maar we hebben daarvoor geen tijd. Je tijd besteden is altijd kiezen. Want je kunt je tijd maar op een manier besteden. En heb je eenmaal gekozen, dan is die tijd onherroepelijk voorbij. Die tijd krijg je nooit meer terug.
Dus zeggen, dat je voor iets geen tijd hebt, betekent dat je voor iets anders gekozen hebt, wat je belangrijker vindt. Als iemand dus tijd voor je heeft, ben je op dat moment het belangrijkste voor hem. Als iemand zijn tijd aan je geeft, dan geeft hij het kostbaarste wat hij heeft aan jou. Die tijd krijgt hij nooit meer terug.
Daarom moeten we blij en dankbaar zijn, als iemand tijd voor ons heeft, bij ons op bezoek komt, of iets voor ons opknapt. Op dat moment zijn wij het belangrijkste voor die ander, belangrijker dan al het andere.
Daar moeten we eens aan denken als we worden uitgenodigd voor het bruiloftsfeest van Gods Zoon. Wij houden toch wel een kwartier per dag over voor God en voor ons eeuwig geluk?…

versie 3:

Wanneer in Matteüs iemand 'vriend' genoemd wordt, is dat een slecht teken. In de hof van Olijven zegt Jezus aan Judas: 'Vriend, wat doet gij hier'? De wijnbouwer antwoordt op het protest van één van de werkers van het eerste uur: 'Vriend, ik doe u geen onrecht. Kwam u niet met mij overeen voor een denarie? Neem het uwe en verdwijn'.


Aan de man zonder feestkleed zegt de koning vandaag: 'Vriend, hoe kwam u hier binnen zonder passend kleed'? 'En hij bleef het antwoord schuldig', zegt de parabel. Wie als vriend wordt aangesproken en het antwoord schuldig blijft, is een vijand. Hij gaat niet in op het woord van vriendschap. De man zonder bruiloftskleed speelt niet mee. Hij speelt zijn eigen, ondoordringbaar spel, niet dat van de koning en zijn gasten. Wie ook langs de weg op een bruiloft wordt genodigd en zelfs geen veldbloem in zijn revers steekt, zit niet mee aan om feest te vieren. Hij bederft het feest van de anderen en vooral van zijn gastheer. Als hij dan buiten geworpen wordt, vliegt hij enkel de zaal uit, niet het feest. Hij komt helemaal niet voor het feest. Hij denkt alleen aan observeren en kritiseren.
Het is weer, zoals in het lied van de wijngaard, die alleen wrange vruchten opbracht, de bedrogen vriendschap die in toorn omslaat; 'Toen sprak de koning tot de bedienden: bindt hem buiten in de duisternis. Daar zal geween zijn en tandengeknars'. Jesaja sprak van zijn bedrogen vriend. Die vriend, die zijn eigen wijngaard verwoestte, is de koning die de moordenaars ombrengt en die de man zonder bruiloftskleed buiten gooit.
Het feest van de koning voor alle gasten, wordt weer door Jesaja geduid. God wil 'voor alle volken een maaltijd aanrichten, een maaltijd van vette, mergrijke spijzen en van geklaarde, belegen wijnen'. Het is het Messiaanse Jezusfeest, dat voor iedereen wordt aangericht. De koning van de parabel is de Vader. De Zoon is eens te meer de Messias. Het feest is de bruiloft van de Messias met zijn volk, dat Hij uit alle gevaren verlost. Het is het feest dat God voor Israël aanricht en waarop alle volkeren welkom zijn. Het heeft plaats op de berg Sion, in Jeruzalem. Jezus wil in Jeruzalem iedereen met God verzoenen.
Ook deze parabel is tot de versteende priesters en de gepatenteerde leken van Jeruzalem gericht. Zij zet de reeks voort van de vorige zondagen. Gods wil tot verzoening dringt niet tot hen door. Ze willen Jezus niet als de bruidegom erkennen, omdat ze zelf de bruid, het volk uitzuigen. Ze zijn de erfgenamen van hun vaderen die de profeten 'mishandelden en doodden'.
Zo mishandelen en doden de eerst genodigde gasten in de parabel de dienaren van de koning. Professioneel houden ze de traditie aan van hardnekkige weerstand aan de profeten, zodat andere gasten uitgenodigd worden, 'slechten zowel als goeden', zegt het Evangelie. Wie zijn die slechten en die goeden? Wie zijn de velen die 'geroepen' zijn? Het zijn zij over wie de Vader het laat regenen en over wie Hij zijn zon laat schijnen. Het zijn zij die weten dat ze niet volmaakt zijn. Kortom het zijn alle mensen, joden en heidenen.
Als 'velen geroepen', als allen uitgenodigd zijn, hoe gooit de koning dan toch iemand de deur uit alleen omdat hij geen bruiloftskleed heeft? De man die uiteindelijk buiten gegooid wordt behoort niet tot de vele geroepenen, maar tot de gevestigde joodse groepen en leiders die zichzelf de 'uitverkorenen' noemen. Onder hen waren er die zich bij elke maaltijd in fijne, witte, linnen gewaden kleedden: hun maaltijden verbeeldden het Messiaanse feest, zij waanden zich de 'uitverkorenen', de volmaakten. God nodigt allen uit die de Messias nodig hebben. Wie aan zichzelf genoeg heeft vliegt eruit. Gelukkig is de grote massa geroepen. Hun feestkleed is hun blijdschap om Jezus. Alleen weinigen aanzien zichzelf en hun groep als de religieuze elite, als de uitverkorenen. Zij kennen hun onvolmaaktheid, maar erkennen ze niet. Hun wit linnen gewaad van eigen volmaaktheid is precies niet het bruiloftskleed van de massa. Gelukkig moet God alleen hen, alleen de elite, alleen de 'uitverkorenen' buiten de Kerk houden. 'Het Rijk der hemelen' is voor alle anderen…

versie 4: … (Jesaja / Matteüs)

Profeten zijn mensen die dromen over nieuwe tijden. Jesaja deed dat en in onze dagen hoorden we hoe Martin Luther King diens droom tot de Zijne maakte: alle mensenkinderen, alle vol­keren aan een en dezelfde tafel. En ook Jezus sluit hij dat visi­oen aan: Hij noemt God een koning die een groot feestmaal wil houden ter ere van zijn zoon. ‘Het gaat met het rijk der heme­len als met een koning die een bruiloftsfeest wil geven’. Maar die in eerste instantie waren uitgenodigd laten het afweten en dan wordt iedereen overal vandaan gehaald ongeacht afkomst, kleur, rang, ras of taal. Iedereen is even welkom op dat feest. Dat wil zeggen: Gods toekomst is voor iedereen.


Van het leven een feest maken en van de wereld Gods konink­rijk kan alleen als we het niet laten afweten, als we allemaal onze bijdrage willen leveren. En het wordt nooit iets als we smoesjes blijven zoeken om niet mee te hoeven doen: ‘De een moest naar zijn akker, de ander naar zijn zaken...’.
Wij gedoopten, christenen, kerkmensen, wij zijn de eerst geroe­penen om van het leven iets goeds te maken en van de wereld Gods wereld. Daartoe nodigt God ons uit bij monde van Jezus, zijn zoon in ons midden. Maar dit is vaak het antwoord:
Zeer geachte Heer,
Uw uitnodiging voor het bruiloftsfeest van uw zoon hebben wij in goede orde ontvangen. Tot onze spijt zal niemand uit ons ge­zin acte de présence kunnen geven. We zijn in de weekeinden allen stuk voor stuk heel druk bezet.

Zelf besteed ik de zondagmorgen aan het doornemen van de no­dige lectuur; dat komt er door de week vaak niet van. Verder doe ik mijn boekhouding. Mijn echtgenote zit ook niet stil. In het weekend heeft ze allerlei verplichtingen als voorzitster van de plaatselijke sportvereniging. Onze zoon staat vlak voor een be­langrijk examen en heeft de zondag nodig voor zijn studie of de hoognodige ontspanning. Rest onze jongste dochter die vorig jaar haar eerste communie deed. Ofschoon zij beschikt over vol­doende vrije tijd heeft zij toch te kennen gegeven er niets voor te voelen alleen naar het feest te gaan.

Waarschijnlijk weet u evengoed als wij hoe moeilijk het is de jeugd tegenwoordig te motiveren voor belangrijke geestelijke za­ken. Wij staan als goedwillende ouders machteloos. Zo vergaat het ons op zondag en door de week hebben we helemaal geen tijd.

Vorige week kwam iemand ons vragen te willen collecteren hier in onze buurt voor de hartstichting. Zo iemand weet zeker niet dat wij een zaak hebben die alle aandacht vraagt. Laat ze dat vragen aan mensen die niets beters te doen hebben... Als we ge­pensioneerd zijn, hopen we tijd voor onze hobby’s en dit soort dingen te krijgen.
Overigens verzoeken we U onze hartelijke gelukwensen en groe­ten over te brengen aan uw zoon.
Met de meeste hoogachting...
Druk doende met de dingen van het eigen leven, zondags geen tijd voor de dag des Heren, geen aandacht voor wat God van ons vraagt en doordeweek almaar bezig met eigen zaken, leven we aan wezenlijke vragen voorbij.
Zo wordt het leven nooit een feest. Ja, voor onszelf misschien, maar niet voor ons én anderen en de wereld wordt niet al een beetje rijk van God. Die God het eerst roept, diegenen waar Hij het meest op rekent, die lieten en laten het dikwijls ook het eer­ste afweten. En dat is, zegt de Heer, heel teleurstellend…

versie 5: God nodigt allen uit, weinigen gaan daarop in… (Matteüs)

Het rijk der hemelen gelijkt op een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. Ook als wij deze parabel in al zijn details moeilijk kunnen volgen - Jezus heeft deze parabel zo zeker nooit uitgesproken - dan is de grote lijn daarin toch nog zeer duidelijk. Het heilsaanbod van God moet je als een feest kunnen vieren. Een bruiloftsfeest is in Israël het grootst denkbare feest. Acht volle dagen van overstromende vreugde, van eten en drinken. God no­digt ons uit op het bruiloftsmaal van zijn zoon. Een bruiloft heeft altijd iets te maken met de liefde van twee personen, die deze liefde willen verder schenken aan anderen om hen te laten delen in het feest van hun vreugde.


De koning zond zijn dienaars uit om allen te roepen die hij op de bruiloft genodigd had. Het feest was klaar, nu moesten nog de gasten gevonden worden, die in staat waren zich te verheugen, echt in staat waren feest te vieren. Daarin ligt de tragiek van deze parabel, zulke gasten waren er bij de eerste genodigden niet te vin­den. Zij wilden eenvoudigweg niet komen. Zij waren niet in staat om te feesten. Zij lieten zich zozeer betoveren door hun eigen prestaties, dat zij alleen maar meer van zichzelf hun heil konden verwachten. Zij hadden niemand anders meer nodig. Zij wilden zich niets meer laten schenken, van niemand meer afhankelijk zijn, zich door niemand meer laten genezen. De uitnodiging voor het feest van de koning scheen hun tijdverlies. Zij hadden veel be­langrijker dingen te doen, zij waren zozeer met zichzelf bezig dat zij zich niet meer konden indenken wat voor voordeel het voor hen zou kunnen hebben dat de koning aan hen dacht, in welke vreugde de koning hen nog zou kunnen opnemen. Zij hadden genoeg aan zichzelf en aan hun eigen zaken.
Alles wat in deze parabel geschreven staat over de overvloed van de maaltijd: mijn ossen, het gemeste vee is geslacht, alles is gereed, is slechts een zwak beeld van wat God voor de mensen bereid heeft. Maar de onwil van de eerste genodigden - de joden, de hogepriesters - kunnen het doorgaan van het feest niet belem­meren. Het feest van de liefde moet doorgaan. Daarom zoekt de koning zijn gasten nu in de rijen van hen die niet zo zelfverzekerd zijn. Hij richt zich tot de armen en bedelaars; goeden en slechten, nodigt Hij uit. Dat wil zeggen: hij kijkt niet naar hun prestaties of verdiensten, voor allen is het feest van de liefde bereid. Bij deze mensen vindt zijn uitnodiging een klankbord. De bruiloftszaal liep vol met gasten. Die mensen waren open voor de gaven van God. Zij verscholen zich niet achter hun zelfverzekerdheid, zij konden hun eigen behoeftigheid nog erkennen, zij waren ontvan­kelijk voor de liefde.
In onze tijd beleven wij weer hetzelfde. De uitnodiging van de Heer - komt naar de maaltijd - wordt niet meer opgevolgd. De mens die leeft van 'tafeltje dek je', beseft niet meer hoezeer hij God nodig heeft. De mens die meent dat hij zijn zekerheid kan opbouwen met kasbons, heeft geen tijd voor de maaltijd met de Heer. Hij heeft voor God geen tijd meer, er zijn altijd veel belang­rijker dingen te doen. Hij kan zijn tijd niet verliezen met feesten, hij moet verdienen. Zij wilden niet komen. Onze kerken lopen leeg, de sacramenten worden niet meer gevraagd, het gebed wordt vergeten. Omdat wij zo overrijk zijn aan alle dingen, kunnen wij geen feest meer vieren met God. Mensen die vervolgd worden, die in nood zijn, die kunnen nog altijd feestvieren met God. In Polen, in de ontwikkelingslanden, daar zijn de kerken overvol.
Hoe dikwijls komen de dienaars van God tot ons en worden wij tot deelname aan het bruiloftsmaal met de Heer uitgenodigd? Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. De mens blijft vrij, maar het feestmaal zal doorgaan. God blijft trouw aan wat Hij met de mens begonnen is. God zal zijn doel bereiken ondanks het falen van de mens. De mens blijft wel vrij om op deze uitnodi­ging in te gaan, maar deze beslissing zal niet zonder gevolgen zijn. Dan zal het feest ook doorgaan zonder hem. Dan zullen anderen, bijeengeroepen op de kruispunten van de wegen, zijn plaats inne­men. Maar hij die, goed of slecht, vrij van prestatiedruk of zelfge­noegzaamheid, op de uitnodiging van God wil ingaan, die zal de grote vreugde mogen ervaren van het bruiloftsfeest en dat nog wel hier op aarde. Het is echter niet voldoende naamchristen te zijn, en ons doopbewijs zal geen automatische toegangskaart zijn voor de hemel. Wat zullen we zeggen als Jezus ons vraagt: 'Waar is uw bruiloftskleed van de vriendschap en de daadwerkelijke liefde?' In het evangelie staat: Die man bleef het antwoord schul­dig. Ook wij zouden misschien geen enkel woord kunnen uitbren­gen…

versie 6: God gelast het feest niet af… (Matteüs)

Enkele dagen geleden las ik een kleine anekdote. Ik heb ze niet meer kunnen vergeten omdat ze zich van dag tot dag in de meest verschillende variaties telkens weer herhaalt.


Peter had voor zijn verloofde de mooiste dingen gekocht, goede en dure cadeaus. Blij pakte hij ze uit. ‘Hier om te beginnen een parfum’, zei hij stralend. ‘Maar Peter, dat is toch...’ ‘Ja, dat is echte Channel, jouw merk’. ‘Je weet toch, Peter, dat ik geen Channel meer wil’. Hij wist het niet. Hij pakte verder uit. ‘Hier mooie handschoenen voor je, blauwe; je wilde toch blauwe heb­ben?’ ‘Weet je dan niet dat lila tegenwoordig mode is?’ Verveeld legde Peter de handschoenen weg. ‘Wat heb je nog?’ Peter had nog een hele massa. Maar niets vond genade in haar ogen. ‘Het hoofdgeschenk komt nog’, zei Peter, ‘doe je ogen dicht’. ‘Kom, wees nu niet flauw, we zijn toch geen kleine kinderen meer’. Met een martelaressengezicht sloot ze dan toch haar ogen. Peter nam de echte krokodillenleren handtas volgens de laatste mode. Om ze te kunnen kopen had hij zelfs schulden moeten maken. Zij keek naar de mooie handtas. ‘Ja’, zei ze geërgerd, ‘maar het is niet het echte merk’. Peter pakte zonder nog een woord te zeggen al zijn geschenken bij elkaar. ‘Wat ga je doen?’ vroeg ze, ‘ga je ze omrui­len, al die geschenken? Nee, joh’. Je kunt de ontgoocheling van Peter meevoelen. Hij heeft met heel veel zorg de mooiste cadeaus uitgezocht als een teken van zijn liefde en zij heeft in haar eigen­zinnigheid op alles een aanmerking, zij weigert kortzichtig in die geschenken de liefde van de gever te zien en verstoort daarmee alle banden van de liefde.
De ervaring die Jezus met de mensen van zijn tijd opdeed, is onge­veer dezelfde. Hij pakt alle goede gaven voor de mensen uit: de goedheid en mensenliefde van God, die zich in zijn geliefde Zoon helemaal aan de mensen gegeven heeft. Het geschenk van de gene­zing van de ziekten, van de vergeving van zonden, een liefde die het verlorene zoekt en aan de doden eeuwig leven schenkt. Maar de aangesprokenen weigeren het te aanvaarden, zij hebben te veel afspraken, zij hebben hun eigen gedachten en hun eigen manier van handelen. Zij hebben geen tijd om aandacht aan Gods liefde te schenken. Ieder ging zijn eigen weg, zegt het evangelie.
Elke zielzorger heeft ongeveer dezelfde ervaring. De mensen heb­ben geen tijd om Gods gaven aan te nemen, ze hebben het veel te druk met kleine menselijke beslommeringen. En dan rijst telkens weer de vraag: waarom kan de Kerk niet duidelijker die liefde van God aan de man brengen? Waarom worden de sacramenten, die toch allemaal tekens zijn van Gods liefde tot de mens, zo opper­vlakkig meegevierd, zonder ons te brengen tot een echte liefde­volle verhouding met God? Waarom maakt het gebed ons niet blijer? Waarom ervaren vooral de jonge mensen zo weinig vreugde bij de zondagsviering? Waarom hebben de grote hoogda­gen zoals Kerstmis, Pasen en Pinksteren zo weinig uitstraling in ons leven?
Dit alles getuigt toch van Gods mateloze liefde voor de mensen, en wij gaan achteloos aan die tekens voorbij. Er zullen wel heel veel redenen aan te geven zijn waarom dat allemaal zo is. En toch moet de Kerk die liefde van God voor de mensen in elke tijd nieuw ver­kondigen.
Het meest treffende van dit evangelie is wel dat die ontgoochelde koning het feest niet afgelast. Hij stuurt zijn knechten nog eens uit en nu halen ze allerlei mensen bij elkaar, goeden en slechten. Mis­schien ligt daar de fout van de Kerk. Zij heeft zich misschien te veel alleen met de goeden bezig gehouden, zodat ze de slechten vergeten heeft. Zij heeft zich misschien te weinig gericht naar de mensen die op de kruispunten van de wegen staan. In die tijd liep in elk geval de bruiloftszaal stampvol en er was grote vreugde.
Wij mogen het feest ook niet afgelasten. Laten we daarom naar de kruispunten van de wegen gaan om iedereen uit te nodigen, die wij maar vinden. Hopelijk zal de bruiloftszaal dan weer vollopen met gasten en zal er vreugde zijn voor allen…

versie 7: Uitgenodigd tot feest en vreugde… (Matteüs)

Wat een prachtige zin staat er vandaag in het evangelie: 'Het rijk der hemelen is gelijk aan een koning, die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon.' Het is de bedoeling van God om met de mensen een bruiloftsfeest te houden. In wezen is onze godsdienst een voortdurend feest om de liefde te vieren tussen God en de mensen. Daarom zingen wij ‘s zondags in de kerk: 'Dit huis is gereinigd en ver­sierd, waar Gods gemeente bruiloft viert.' Een achtjarig meisje zei eens tegen haar moeder: 'Als ik niets had om blij over te zijn, dan zou ik geen zin hebben om op te staan.' Een gelukkig kind dat elke morgen iets heeft om blij te zijn, want een leven zonder vreugde maakt een mens ziek. Met dit opstaan heeft deze parabel iets te maken. Wij zijn door God zelf uitgenodigd om een brui­loftsfeest te vieren met zijn Zoon.


Eigenlijk gebeurt in deze parabel iets onbegrijpelijks. Het feest is aangezegd maar de genodigden willen niet ko­men, zij verkiezen de gewone werkdag, het alledaagse leven. Onbegrijpelijk omdat ‘feesten’ bij het leven van de mensen hoort. Een mens, die geen tijd heeft om soms eens zijn feestkleed aan te trekken, kwijnt weg.
Wij christenen worden elke zondag uitgenodigd op het bruiloftsmaal van Christus. Maar mensen maken van de zondag een werkdag. Voor velen is de dag van het brui­loftsfeest een oervervelende dag omdat de mensen blij­ven werken, terwijl bejaarden vruchteloos wachten op een bezoek en de eenzamen zich die dag nog eenzamer voelen. Het mag ons niet verwonderen dat statistieken aantonen dat de meeste zelfmoorden gebeuren op zon­dag avond.
In het geheel van de week fungeert de zondag als een dakvenster waardoor je naar de hemel kunt kijken om op te zien naar Hem van wie alles komt. Als wij vergeten dat de zondag de dag van God is, dan beperkt onze horizon zich tot de aarde en wordt alles kleurloos en vlak, een dag zoals de andere.
Het is niet jammer voor God dat de mensen niet willen deelnemen aan het feest, maar het is jammer voor de mensen. De zondag is de dag van God omdat God ons uitnodigt op de maaltijd, en als wij God, God willen laten zijn in ons leven, dan staat het ons niet vrij om zijn uitno­diging naast ons neer te leggen. Het is toch niet te veel gevraagd om op een totaal van 146 uren, die wij in een week van God krijgen, een uur vrij te houden om zijn liefde te gedenken. Je kunt misschien een goed mens zijn als je niet naar de kerk gaat, maar God wil dat wij op die dag samenkomen. 'Denk aan de sabbat, die moet voor u heilig zijn. Zes dagen zult ge werken en alle arbeid ver­richten, maar de zevende dag is de dag van Jahwe, uw Heer.' Daarom is de zondag ook de rustdag, de dag van de vrije mens.
Hoeveel mensen dreigen door de glijdende werkweek weer slaaf te worden van het kapitaal? Hoeveel mensen moeten ‘s zondags slafelijke arbeid verrichten omdat men van de zondag een klantendag wil maken. Niet het werk maakt het leven tot een feest, maar de rust en de vrijheid die ons op zondag gegeven wordt om ‘s maandags weer beter ons werk te kunnen doen.
Tenslotte is de zondag ook de dag van de gemeenschap. God roept geen enkelingen, Hij nodigt allen samen uit op het feestmaal. Waar er twee of meer samen zijn daar komt de Heer in ons midden. Zeg niet: ik kan thuis even­goed bidden. Als je God niet wilt vinden binnen een gemeenschap dan verlies je God vroeg of laat, want dan leef je buiten de stroming. Het is Gods bedoeling om bij de mensen te zijn en maaltijd te houden met hen…

versie 8: Het feest meemaken… (Jesaja / Matteüs)

Ieder van ons wordt zo af en toe wel eens genodigd voor een feest: een bruiloft of het jubileum van een huwelijk of werkverband. Allemaal weten we dat zo’n uitnodiging ook activiteiten van je vraagt. Alleen de datum reserveren en aanwezig zijn is niet vol­doende. Het begint dikwijls al maanden tevoren: er wordt je gevraagd een bladzijde te vullen voor het vriendenboek, een gedicht, een tekening, een briljante gedachte, het is allemaal goed, maar het kost ook tijd. Andere gasten zoeken contact met je: of je zin hebt om samen met hen een liedje te maken en te zingen of een voordracht te doen. Je moet echt ruimte gaan maken om het feest voor te bereiden. Er zijn mensen die daarom met schrik tegen zo’n uitnodiging aan kijken, omdat ze opzien tegen het vele werk dat het met zich meebrengt. Toch slaagt zo’n feest alleen maar dankzij de energie die er ingestoken is. Zelfs zegt men achteraf wel eens: het feest was hartstikke gezellig, maar met de voorbereiding hebben we nog veel meer lol gehad!


Jezus vergelijkt zijn toekomstvisioen vaak met een bruiloft. Geen beter beeld kan hij vinden om de saamhorigheid, de vreugde, de zorgeloosheid en de overvloed, die hem voor ogen staan voor die nieuwe wereld te verbeelden. En evengoed als bij onze bruiloften zijn het de gasten die samen met de gastheer moeten zorgen, dat de opzet slaagt. De genodigden uit het evangelie van deze zondag zien de bui al hangen! Er zal een beroep gedaan worden op hun tijd en wellicht ook op hun geld. De bezigheden, die voor hen persoonlijk van het allergrootste gewicht zijn, zullen ze even moeten ver­geten om zich helemaal aan de voorbereiding van het feest te wijden. Ze zien het niet zitten.
De goddelijke gastheer is echter niet voor een gat te vangen en hij gaat op zoek naar mensen, die minder aan hun hoofd en op hun bank hebben in de overtuiging, dat die wel tijd vrij zullen kunnen maken om de bruiloft niet alleen uit te zitten, maar ook om te zorgen, dat er door hen werk gemaakt wordt van de doelstellingen van het feest. Hij heeft goed gegokt, want de armen van de straat, de blinden en kreupelen komen naar hem toe om te zorgen, dat het aan feestvreugde niet ontbreekt. En toch, staat er in het verhaal, is er één binnengekomen zonder feestkleed. Als je de mensen zo maar van de pleinen haalt, kun je moeilijk verwachten dat ze in smoking komen, zeker niet als armoe troef is onder hen. Met dat feestkleed is dan ook niet zozeer de uiterlijke opsmuk bedoeld dan wel de gezindheid om de feestvreugde mee te verhogen. Deze ene gast is blijkbaar op zijn krent gaan zitten en heeft gezegd of gedacht: vertoon je kunstjes maar en als het leuk is, zal ik wel lachen en applaudisseren als het echt goed is.
De uitnodiging die in dit verhaal zit, is duidelijk genoeg en ze geldt voor heel veel ter­reinen in het leven. Onze actieve medewerking wordt gevraagd voor een vermenselij­king van het leven in de maatschappij, in het gezin, in de verenigingen en clubs waar we lid van zijn; op het werk, dat meer moet zijn dan de kost die we verdienen en niet in het minst in onze kerkgemeenschap. Ik meen te begrijpen dat Matteüs ons duide­lijk wil maken: als je op de uitnodiging ingaat dan behoud je je eigen verantwoordelijkheid. Je bent hier niet louter een consument, die zich kan laten vertroetelen. Je kunt je aanwezigheid niet afschuiven op iemand die je gedwongen heeft. Je blijft een vrij mens en verantwoordelijk voor onaangepast of aangepast gedrag. En daarop zul je worden aangesproken, als je eenmaal hier binnen bent.
In Amerika kent men, nog sterker dan hier, allerlei verschillende kerkgenootschappen. Iedere straat, iedere beroepsgroep heeft bijna zijn eigen kerk. In een krantenartikel vertelde een zakenman “dat hij het getroffen had met zijn kerk”. Toen hem gevraagd werd “waarom hij dan zo tevreden was”, antwoordde hij “dat zijn kerk hem met rust liet”. Meer dan welke instantie ook zijn de kerken geroepen om het toekomstvisioen van de bruiloft waar te maken en daarom zullen ze de gelovigen steeds weer uit moet nodigen tot daadwerkelijke inzet. Een kerk zal haar leden nooit met rust mogen laten, want anders blijft de bruiloftszaal leeg…

versie 9: Een vleugellamme God… (Matteüs)

Het was op een bruiloft, zoveel was zeker, en het was er groots aangepakt. Eten en drinken en mensen volop. Vrolijke liederen, sterke verhalen, en ook zoiets als een ondertoon van heimwee. Bij dit bruiloftsfeest was ook God aanwezig, incognito overigens, zoals meestal. Ze zat wat stil in een hoekje. En op het geroezemoes van stemmen, als op golven van kabbelend geluid, dreef Ze weg. Ze doezelde en dutte in. Ze droomde en zag. Heel de mensen­geschiedenis ontrolde zich voor haar ogen in omgekeerde volgorde, als een film die werd gedraaid van achter naar voren.

Vluchtelingen en asielzoekers liepen achteruit naar een land dat in vrede werd opgebouwd, wapens verdwenen naar fabrieken, politici keerden zich naar binnen, spandoeken rolden zich op, de kreten vol vreemdelingenhaat verstomden.

Ze droomde en zag. Anne Frank werd onder politiebescherming thuisgebracht. Broodmagere mensen achter het prikkeldraad van Mauthausen kwamen op gewicht en werden gezond. De stenen der steengroeven werden brood. De schoorstenen van Auschwitz zogen de zwarte rook terug en koelden af. Een volk kwam tot leven, men­sen werden bekleed met spieren en huid, kregen adem in hun neusgaten.

Glas sprong terug in de sponningen, kristal voegde zich aaneen, vuur verkeerde in heilige geschriften. Bruin viel uiteen in duizend kleuren, Adolf Hitler leerde schilderen; Benito Mussolini werd doorgeprikt, en werd een jongetje dat het recht van de zwakste nog kende.

Kun je huilen in een droom? God droomde, zag en huilde. In Zuid-Afrika werd het prikkeldraad van de eerste concentratiekampen op­gerold en terug naar Engeland getransporteerd. In Frankrijk werd Dreyfus een gerespecteerd officier, en Emile Zola kon zijn ‘J’accu­se’ intrekken.

Vanuit het getto stroomden kinderen en grijsaards uit over Europa. In Polen en Rusland werden de pogroms omgedraaid: joodse kleine luiden werden gastvrij door boeren en geestelijken onthaald. In Spanje en Portugal werden de verhoren en martelingen van de In­quisitie ingeruild voor gesprekken in eerbied; vervolgens hieven de eerwaarde paters zichzelf gewoon op.

God droomde en zag. Luther slikte zijn antisemitische scheldwoor­den in. De kerkvaders van het Vierde Lateraans Concilie aten de davidssterren op. De kruistochten veranderden in bezinningsbijeen­komsten en biechtoefeningen. De kerken in het frankenland en in het Romeinse rijk wisten niet meer aan wie zij het voorbeeld moes­ten geven met hun boekverbrandingen, uitstotingen, verdachtmakin­gen en apartheidswetten. Ze kwamen tot inkeer en gingen in de leer bij hun joodse broeders en zusters, om de Schriften te verstaan. Gregorius van Nyssa, Cyprianus, Johannes Chrysostomus en andere theologen van het eerste uur klopten zich op de borst en gingen zich in de woestijn zitten schamen.

Ze droomde en zag. Van een massale hoop gedoopten werden de christenen weer een kleine hechte beweging, en vervolgens een joodse groepering die voor bevrijding ijverde. Kerk en synagoge vonden elkaar als dochter en moeder.

En zie, in het jaar 70 herrees Jeruzalem uit de as van de grote brand, de klaagmuur werd door soldaten uitgebouwd tot de tempel, teken van God-met-de-mensen. Het joodse volk stroomde toe, over­al vandaan; vrouwen, mannen, in bloed en tranen geveld, stonden op. En zie; rond het jaar 30 kwam daar ook de joodse jongen Jesjoe uit Nazaret - door de Romeinse bezetter geëxecuteerd - weer tot leven.


Het ontwaken kostte God tijd en moeite. In het grensgebied tussen droom en realiteit, tussen de plaats van waarheid en de duisternis van werkelijkheid, ontdekte God dat ze niet alleen was. Haar droom, haar film van omgekeerde geschiedenis, was ook gezien door twee mannen: gezien en dóórzien. De getrouwe Farizeeër Paulus stond naast Haar, wit weggetrokken van schrik om wat zijn woorden hadden aangericht. En ook de tollenaar Matteüs. Hij sprak: ‘0 God. Ik heb binnen en voor Israël mijn evangelie ge­schreven, in de lijn van onze eigen profeten. Maar onze joodse zelfkritiek is ons ontstolen, is door anderen vervalst en tot vijandschap en verwerping omgebogen. O God, de vreemdelingen­haat heeft zo een ideologisch fundament gekregen, is mede door mijn toedoen voorzien van het allerhoogste argument: de beschuldiging van gods­moord, die bestraft moest worden met volkerenmoord. O God, had ik dat evangelie van mij maar niet geschreven’.

‘Te laat’, zei God. ‘De geschiedenis - heel die nachtmerrie van broederhaat en moedermoord - kan niet worden teruggedraaid of omgekeerd. Ook niet door Mij, zo machtig ben Ik niet. Misschien, heel misschien, dat mensen een keer in de geschiedenis kunnen brengen’.

Gedrieën staarden zij somber voor zich uit.

Toen God helemaal wakker was, was het feest inmiddels afgelopen. Het bruidspaar was uitgezwaaid, de muzikanten waren allang naar bed. God stond moeizaam op om de zaal op te ruimen en wat etensresten te vergaren. Zo werd ze Zichzelf: een sprokkelende we­duwvrouw bij de deur, een figuur in de marge.

En jawel: daar kwam een zwerver binnen die op een van de lege stoelen neerplofte en Haar vroeg om brood. ‘Ach Elia, ben jij het?’, sprak God. ‘Kijk Elia, ik heb nog olie en meel, laat ons op­nieuw beginnen’…

versie 10: Het gewone als feestkleed… (Jesaja / Matteüs)

Er staat in het verhaal dat ons door Matteüs van Jezus is overgeleverd dat er mensen zijn die het zo druk hebben dat ze aan de uitnodiging voor een bruiloft geen boodschap hebben. Op het moment dat ze geïnviteerd worden, is hun eigen situatie belangrijker. Ze bedanken voor de eer. Erger nog, ze vinden die hele bruiloft maar waanzin en laten hun ergernis de vrije loop door de dienaars af te tuigen en te doden. Zonder onszelf op de borst te willen kloppen, zou je nu haast moeten zeggen: zoiets komt niet in ons hoofd op. Wij vinden dat idee van Gods bruiloft met onze wereld geen onzin. Integendeel, ondanks onze drukte, ons ge­zin, kinderen, vrije tijdsverplichtingen, zitten wij hier vandaag in deze dienst. Met onze volle agenda's geven we toch acte de présence in onze gemeenschap. Dat is toch heel netjes als je nagaat hoevelen dat niet de moeite waard vinden?


Laten we er dus even vanuit gaan dat de parabel op ons pas zijn toepassing vindt in het tweede gedeelte. Daar wordt gezegd dat de koning zijn feest niet laat verzieken door al die drukke lieden die geen tijd hebben voor het feest van Gods bedoelingen. In plaats daarvan wordt nu iedereen uitgenodigd. Ze hoeven zich nergens voor te schamen. Zo van de straat worden ze binnengeroepen. Er is geen tijd om zich te verkleden of op te knappen. Er wordt geen enkel entreebewijs of legitimatie gevraagd. Ze mogen er allemaal zomaar in, zo kwaad of zo goed als ze zijn. Er wordt blijkbaar helemaal niet meer geselecteerd. Ergens in dat bonte gezelschap dat zo van de straat wordt gehaald, moeten wij ons dus bevinden. Maar hoe voelen we ons daar eigenlijk bij? Misschien niet eens zo prettig. Want als iedereen zomaar ineens mee mag aanschuiven, kan er best wat tussen zitten wat volgens ons helemaal niet deugt. Martin Luther King zit er - bij wijze van spreken - naast de uitzuiger. Een kleine legitimatie lijkt ons dan toch wel op zijn plaats.
Het lijkt wel of we op onze wenken bediend worden. De koning blijkt zijn ogen niet in zijn zak te hebben als hij binnenkomt om de gasten te zien. Want dan gebeurt er iets merkwaardigs. Hij blijkt op een of andere manier tóch eisen te stellen aan de kleding van zijn gasten. En dat is toch vreemd als we weten dat ze zo van de straat naar binnen zijn gehaald. Had hij dat niet eerder kunnen doen? Want nu zullen er toch nog wel meer betrapt worden zonder feestjurk of jacquet aan?
Nu zijn we bij de kern van het verhaal aangeland. Blijkbaar ligt het toch anders. Blijkbaar gaat het over iets waar geen pincode of paspoort voor bestaat. Maar wat wordt er dan bedoeld met dat bruiloftskleed? Wat voor legitimatie is het dan die de koning nu ineens verlangt? Van ons ook waarschijnlijk?
Misschien is het gewoon dit. Als wij zo op een gewone zondag ineens voor Gods bedoelingen staan, waar zijn wij dan mee bezig? Hoe zien wij eruit? Wij zijn geen Martin Luther Kings en ook geen uitzuigers. Nee, wij zijn naar de verjaar­dag van tante Annie geweest, of hebben onze bejaarde moeder naar de dokter gebracht; wij hadden een werkbespreking met collega’s, of een baantje als vrij­willigster in het bejaardenhuis. En zo nog een hele agenda vol. Zo zijn we van de straat gekomen. Kunnen we zo door de beugel? Of is dat te gewoon voor een bruiloft?
Als ik de koning goed begrepen heb, dan heeft hij daar echt geen probleem mee. Of ik nu tante Annie ga feliciteren of een middag babysitten, dáár zit het hem niet in. Maar waar het wel om gaat is hóe ik met mijn collega's ben omgegaan op die werkbespreking; het ging erom hoe serieus ik de klachten van mijn moe­der heb genomen. Dat is het eigenlijke punt. God roept ons zomaar zoals we be­zig zijn in de ruimte van de gewone dingen van dit leven. Maar alleen de manier waarop bepaalt of het een feestkleed is, of dat het haveloze bullen zijn. Het gaat erom hoe wij met ons hart bij de zaak waren. Was het een formaliteit om daarna zo gauw mogelijk in ons eigen belang te kunnen duiken, of bleven we werkelijk bij de les van het leven. Alleen door dat laatste kleden we ons gewone bestaan om tot het entreekaartje van Gods toekomst. Dat is ons pakkie-an dat God nodig heeft voor het feest van de wereld. Dat is het soort mens waarmee de Eeuwige op weg gaat naar morgen en naar de voltooiing van onze wereld. Niemand con­troleert ons hart zoals wij hier samenzijn. Volkomen incognito kunnen we de feestzaal van Gods liefde binnenkomen.
Mag door dit woord ‘het gewone’ ons feestkleed worden. Daarmee zullen we de feestzaal van Gods toekomst zeker binnengaan. Dat mag ons moed geven op onze weg door dit leven…


versie 11: Vrijheid anders… (Filippenzen)

Vele mensen zullen terecht jaloers zijn als ze lezen wat Paulus vandaag schrijft. Hij schrijft over vrijheid. Dit soort lectuur lezen we graag. Wij hebben in ons eigen leven vaak en lang voor vrij­heid moeten vechten. We zijn in dat gevecht ook vele keren ver­liezer geweest. Dat alles heeft in mensen diepe sporen nagela­ten. Vele mensen hebben zelfs na 50 jaar deze wonden nog niet kunnen helen.


Toch is dat alles nog maar klein bier als je denkt aan de vele vol­keren uit het zuidelijke deel van de aardbol. Daar is vrijheid nog een zeer verre droom. Er zijn zovele farao's die hun een kromme rug bezorgen. Ze moeten werken als slaven voor een beetje ste­nen en stro. Ter wille van de glorie van een vreemde heer. Om dat een beetje te weten, is het niet nodig elke dag vijfmaal het jour­naal te volgen. Als wij ons geheugen consulteren, zullen we beseffen dat het een eeuw geleden bij ons ook zo was. Maar ja, geschiedenis is niet ons sterkste vak.
Wat Paulus vandaag schrijft, heeft daar allemaal mee te maken. Hij was een jood. Hij bezat dus een sterk geheugen. Hij wist tot in zijn ingewanden hoe zijn volk gedurende eeuwen slaaf was geweest. En hoe moeizaam het onder het juk vandaan werd gehaald. Hoe het uit-tocht vierde. Tot de gevierde vrijheid aan­beden werd en zo de vijand werd van de vrije mens! Dat wist Paulus. Zoals hij ook wist hoe hij in zijn eigen geschiedenis een heel proces van ontvoogding door moest maken. Dat heeft ook jaren geduurd. Hij kreeg toen zijn genadeslag. Toen was hij ein­delijk vrij!
Nu zijn eigen woorden: Ik weet wat armoede is, ik weet wat overvloed is. Ik kan volop eten en ik kan honger lijden." Daar staan nog enkele woorden omheen, maar dit is de kern. Rijkdom is voor mij geen probleem. Ik heb die gekend. Ik weet wat ze waard is. Ik ken de waarde van het geld. Ik heb het ooit gemist, maar ik heb leren leven met veel en met weinig. Het eerste heeft me nooit beroesd, het tweede heeft me nooit gekweld. Mijn geluk wordt niet door geld bepaald, en ook niet door het eten en evenmin door het vasten. Mijn vreugde wordt niet gemaakt door het hebben en mijn geluk wordt niet afgebroken door het niet-hebben.
Zoiets zegt alleen een mens die van binnen vrij is. Hij heeft zijn zuchtigheid overwonnen en zijn gekke verlangens getemperd. Materiële dingen zijn een keuzevak in zijn bestaan. Hij haast zich echter er meteen iets aan toe te voegen: ,,Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft.” Hij heeft het dus niet op wilskracht gedaan. Niet als een ijzeren monnik. Het was geen overwinning op macht.
Nu durft hij te zeggen dat hij alles aankan van binnenuit. Dankzij Hem die hem kracht geeft. Hij heeft zijn vrijheid niet bevochten. Hij heeft ze ontvangen. Gods kracht is gratis. Je moet ze niet met sterke offers verdienen. Een mens moet alleen maar diep geraakt zijn en ontroerd door zijn warme nabijheid, die als een geschenk voor ons gereed ligt. De mens die vecht om vrij te worden, begint aan de verkeerde kant. Het zal hem ook niet lukken. En als het ooit toch eens lukt, zal het een zure en harde vrijheid zijn. Met het proeven van Gods nabijheid lukt het stukken beter.
Het is vrijheid anders…

versie 12: Uiteindelijk… (Matteüs)

Dit is een ingewikkeld verhaal. Het staat bol van allerhande toespelingen op de uiteindelijke betekenis van Jezus' optre­den. Het is goed hier het woordje 'uiteindelijk' voor ogen te houden. We willen ermee weergeven wat in een meer techni­sche taal 'eschatologisch' genoemd wordt. Waar wil God ten langen leste met de wereld naartoe? Wat zal ten slotte van tel zijn? Waar komt het finaal op aan in het leven?


Uiteindelijk zijn we allen bestemd om aan te zitten aan het bruiloftsmaal dat de koning voor zijn zoon houdt. 'De Heer van de machten richt op de berg Sion voor alle volkeren een feestmaal aan' (Js 25,6). Dit is een klassiek beeld voor de he­mel. Daartoe zijn allen uitgenodigd. Verrassend is dat sommi­gen dat niet willen en de invitatie van de koning zelfs met geweld afwijzen. De allusie is vrij duidelijk: Jezus stuit op de afwijzing van zijn eigen volk.
Dat de dienaren dan gezonden worden naar alle mensen, goeden en slechten, is allicht een toespeling op de missieacti­viteit van de jonge Kerk. Niet alleen wie tot het uitverkoren volk behoort, maar iedere mens mag erbij zijn. De (joodse) wet stelt hier niet langer voorwaarden. Dat was ook Paulus' grote ontdekking: Gods genadigheid is buiten de wet om ver­schenen, en wel voor allen. Het volstaat mens te zijn om bij de genodigden te horen, ongeacht taal, volk, ras of geslacht. We verdienen het Rijk Gods niet, het wordt ons gratuit ge­schonken.
Maar als het feest dan eindelijk toch begint, doet zich een verrassend incident voor. Er daagt iemand op die geen brui­loftskleed draagt. De koning ontsteekt in toorn en laat hem buitengooien. Om dat te begrijpen moeten we - het zij her­haald - voor ogen houden dat het hier om de uiteindelijke afwikkeling van de geschiedenis gaat. De man zonder brui­loftskleed was, zoals wij allen, ruim vooraf op de hoogte van de invitatie. Hij wist dat het een bruiloftsfeest zou worden en had de tijd gekregen om zich klaar te maken. Maar dat had hij verwaarloosd. Hij wilde er wel graag bij zijn, maar had zich niet voorbereid. Het Rijk Gods is wel een feest, maar geen luilekkerland. Er moet, ter voorbereiding, een feestkleed ge­weven worden. In het Nieuwe Testament komt het beeld van het kleed wel meer voor om te zeggen wat ons, in het vooruit­zicht van het feest, te doen staat: 'Bekleed u met de nieuwe mens.'
Misschien wordt nu duidelijker waarom de eerste golf ge­nodigden weigert op de uitnodiging in te gaan. Over de histo­rische omstandigheden van de gelijkenis heen komt hier een blijvende, mysterieuze waarheid aan het licht. Sommigen willen niet naar het feest omdat ze niet aan een feestkleed willen werken. Dat is dan een beeld voor de bekering die van allen vereist wordt. Dat is het passende antwoord op de invi­tatie. Maar een dergelijk kleed weven is een hele taak. Een levenstaak in het licht van het uiteindelijke feest waartoe wij allen uitgenodigd zijn…

versie 13: Droeve gast…

De feestzaal loopt op den duur vol met gasten. Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad voordat het zo ver was. De oorspron­kelijke gasten wilden niet komen. Ze hadden allerhande smoesjes om voor de eer te bedanken en zich bovendien te verontschuldigen.


Hoewel we dat misschien niet graag aan onszelf toegeven, aarzelen ook de meesten van ons om zich in te laten met God. Er zijn allerlei redenen voor die aarzeling. ‘Ik zou de controle over mijn eigen leven verliezen.’ ‘Moet ik dan zoals Moeder Teresa in de krot­ten van Calcutta gaan werken?’ ‘Dien ik dan weer iedere zondag naar de kerk te gaan?’ ‘Ik griezel al bij de gedachte aan een mys­tieke of godsdienstige ervaring!’ ‘Moet ik heel de rest opgeven?’ ‘Mijn hele familie en kennissenkring zou me uitlachen.’ ‘Daar vertrouw ik God niet voldoende voor, je kunt van Gods bestaan niet eens zeker zijn, of wel?’ ‘Ik denk er niet aan om mijn met moeite veroverde on­afhankelijkheid aan wie dan ook, inclusief God, uit te leveren.’ ‘God zou me helemaal opeisen, en daar heb ik niet van terug.’ ‘Ik zou te veel moeten veranderen...‘ ‘Neen, dank je. Misschien later, nu nog niet.’
Als we zo praten dan kunnen we niet ontkennen dat we door God aangetrokken worden en ons uitgenodigd voelen. De moeilijk­heid is onze aarzeling. Zoals zo vaak in ons leven kunnen we ons ook hier alleen maar het beroerdste scenario voorstellen.
De Amerikaanse Quaker Thomas R. Kelly (1893-1941) schreef in een bekend modern mystiek geschrift A Testament of Devotion: ‘Daarom zijn we ongelukkig, niet op ons gemak, gespannen, bedrukt, en bang te oppervlakkig te leven. Want van over de grenzen van ons bestaan komt een gefluisterd woord, een zwak klinkende uitnodiging, het voorgevoel van een rijker leven, waarvan we weten dat het ons aan het voorbijgaan is. Al onder druk vanwege de dwaze vaart van onze uiterlijke dagelijkse lasten, staan we bovendien onder druk van die innerlijke malaise, steeds weer het gevoel krijgend dat er ons een rijker en dieper leven beschoren is dan het vluchtige bestaan dat we leiden, een leven van kalme sereniteit, van vrede en kracht. Als we dat nu eens konden verwerkelijken.’
Als we, zoals ons allen gebeurt, ons soms meer direct bewust worden van die uitnodiging, en inderdaad God ervaren. dan doen we vaak zoals de man in het sprookje De Laatste Eenhoorn. Er staat een man in zijn tuintje met een schoffel te werken, als er een prach­tige eenhoorn voorbijkomt. Hij houdt op met zijn werk, kijkt op, ziet haar, en zegt: ‘O, wat mooi! Je bent prachtig, zelfs mooier dan ik je me ooit heb voorgesteld’, en dan tegen beter weten in voegt hij er aan toe: ‘Wat ben jij een prachtige merrie, wat ben je een prachtig paard! ‘ Hij weet dat het geen gewoon paard is, maar hij geeft dat niet aan zichzelf toe. Hij is bang voor de gevolgen ervan.
We zijn allemaal vromer en mystieker aangelegd dan we ons voordoen. We hebben allemaal meer gezien dan we toegeven, stukjes licht, stralen menselijke goedheid, die zo uit de hemel sche­nen te komen. We zijn allemaal in het gezelschap geweest van wat - in andere tijden - engelen genoemd werden. We hebben allemaal muziek gehoord die niet alleen van deze aarde kwam. Maar meestal doen we net alsof er niets gebeurd is.
De Afro-Amerikaanse schrijfster Alice Walker vertelt in haar verhaal The Color Purple dat God daar pisnijdig (dat is het woord dat ze gebruikt) om kan worden. God versiert de hele wereld, hangt ze vol met bloemen en fruit, bevolkt ze met de leukste kinderen en niemand die er op let. God schept voor ons hele velden vol van de prachtigste, paars gekleurde lavendel, waar een betoverende geur boven hangt. Niemand ziet het. Niemand let er op. God is pissed off vanwege die onverschilligheid, traagheid, en ongevoeligheid. ‘Wat doet God dan in zo’n geval?’, wordt er dan gevraagd. ‘Oh, dan pro­beert ze iets anders!’ is het antwoord.
Dat is het antwoord in onze evangelietekst. Als het eerste plan niet lukt, wordt er iets anders bedacht. Er worden op kruispunten en wegen nieuwe gasten uitgenodigd. De zaal stroomt stampvol. Het feest begint. Behalve voor die ene die wel gekomen was, maar toch was blijven aarzelen. De droeve gast, die verwijderd werd…

versie 14:










De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina