Verslag aan de Vlaamse Regering



Dovnload 148.3 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte148.3 Kb.


Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport

VERSLAG aan de Vlaamse Regering

Betreft: Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;

Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is;

De Raad van State heeft in haar adviezen van 4 mei 2010 (48.112/1 en 48.111/1) bij beide ontwerpen van besluit aanbevolen om de respectieve nota’s aan de Vlaamse Regering om te werken tot een verslag aan de Regering, dat samen met de adviezen van de Raad van State over de ontwerpen van besluit en de besluiten zelf in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Hierbij heeft de Raad gewezen op het belang van de verantwoording voor de beoordeling van de ontworpen regelingen met het wettelijk kader, ondermeer artikel 4.2.2, § 1 en artikel 4.2.3. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Dit verslag omvat drie delen.

Het eerste deel omvat de bespreking in de nota’s bij de aangepaste ontwerpen van besluit en aldus de verantwoording en achterliggende filosofie van de regelingen, waarbij wordt ingegaan op de uitgangspunten voor beide besluiten tezamen om nadien artikelsgewijs de besluiten te behandelen.

In het tweede deel worden de opmerkingen van de Raad van State op beide besluiten behandeld.

In het derde deel wordt kort ingegaan op de inwerkingtreding en de communicatie over de besluiten.

I. SITUERING EN INHOUDELIJKE BESPREKING VAN BEIDE BESLUITEN

Bij het besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is en het besluit over de meldingsplichtige handelingen wordt er uitgegaan van twee hoofdprincipes:



  • Er wordt zoveel mogelijk naar een eenvoudig tweedelig systeem gestreefd van enerzijds vrijstelling van vergunning en anderzijds vergunningsplicht;

  • De melding wordt enkel ingevoerd voor zaken waar de beoordelingsruimte van het bestuur minimaal is omwille van het eenvoudige en gangbare karakter van de betrokken handelingen, of de onderworpenheid aan nauwkeurige stedenbouwkundige voorschriften, verkavelingsvoorschriften of integrale ruimtelijke voorwaarden, maar waar het vrijstellen van de stedenbouwkundige vergunningsplicht niet opportuun is omwille van de koppeling met andere regelgeving (energieprestatieregelgeving, verplichting medewerking van architect e.d.).

Artikel 4.2.2. en volgende van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepalen:

Art. 4.2.2. §1. De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de vergunningsplicht vervangen wordt door een verplichte melding van de handelingen aan het college van burgemeester en schepenen. De meldingsplicht betreft gevallen waarin de beoordelingsruimte van het bestuur minimaal is omwille van het eenvoudige en gangbare karakter van de betrokken handelingen, of de onderworpenheid van de handelingen aan nauwkeurige stedenbouwkundige voorschriften, verkavelingsvoorschriften of integrale ruimtelijke voorwaarden, vermeld in artikel 4.3.1, §2, tweede lid.



De Vlaamse Regering kan tevens de van de vergunningsplicht vrijgestelde werken, vermeld in artikel 4.2.1, 5°, c), aan de meldingsplicht onderwerpen.

De meldingsplichten, vermeld in het eerste en het tweede lid, kunnen nooit worden ingevoerd voor handelingen die gelegen zijn in een ruimtelijk kwetsbaar gebied.

§2. Een melding wordt verricht per beveiligde zending.

§3. Het college van burgemeester en schepenen neemt akte van de meldingen en ziet er op toe dat zij ingeschreven worden in het vergunningenregister.

§4. De aangemelde handelingen mogen worden aangevat vanaf de twintigste dag na de datum van de melding.

De aangemelde handelingen kunnen niet meer worden aangevat indien twee jaar na de datum van de melding verstreken zijn.

§5. Regulariserende meldingen kunnen worden verricht, onverminderd de strafbaarstelling van inbreuken op de meldingsplicht op grond van artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet.

§6. Een melding wordt als een stedenbouwkundige vergunning beschouwd voor de toepassing van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. Een melding wordt tevens gelijkgesteld met een voorafgaande toelating tot bouwen voor wat betreft de toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, tenzij de melding enkel betrekking heeft op handelingen die niet gebouwd worden.

§7. De Vlaamse Regering omschrijft de vereiste vermeldingen die in een melding moeten zijn opgenomen en kan nadere procedurele regelen bepalen voor de toepassing van dit artikel.

Art. 4.2.4. §1. In zoverre de verwezenlijking van een ondergeschikte wooneenheid met het oog op de creatie van een vorm van zorgwonen vergunningsplichtig is, wordt deze vergunningsplicht van rechtswege omgezet in een meldingsplicht, op voorwaarde dat de ondergeschikte wooneenheid verwezenlijkt wordt binnen het bestaande bouwvolume van de woning.

Het beëindigen van de zorgsituatie, vermeld in artikel 4.1.1, 18°, d), is eveneens meldingsplichtig.

§2. Indien een bestaande zorgwoning, na het beëindigen van de zorgsituatie, aangewend zal worden voor de huisvesting van meerdere gezinnen of alleenstaanden, is daartoe een voorafgaande stedenbouwkundige vergunning voor het opsplitsen van een woning vereist. “

Art. 4.2.5. Provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen:

1° de vergunningsplichtige handelingen aanvullen;

2° voor meldingsplichtige handelingen een vergunningsplicht invoeren;

3° voor vrijgestelde handelingen een meldingsplicht invoeren.

Provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen de vergunningsplicht niet vervangen door een meldingsplicht. Zij kunnen vergunnings- of meldingsplichtige handelingen niet vrijstellen van de vergunnings- of meldingsplicht.”

Het besluit betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bevat de verzameling van alle gevallen waarvoor de meldingsplicht kan worden toegepast in toepassing van bovenvermelde artikels.

Artikel 4.2.3. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt:

Art. 4.2.3. De Vlaamse Regering bepaalt de lijst van de handelingen met een tijdelijk of occasioneel karakter of met een geringe ruimtelijke impact waarvoor in afwijking van artikel 4.2.1 geen stedenbouwkundige vergunning vereist is”

Het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 bevat reeds een lijst van vrijgestelde handelingen. Men zou er voor kunnen opteren om die lijst ongewijzigd te laten en eventueel aan te vullen.

Er wordt uitdrukkelijk voor gekozen dit niet te doen omwille van drie redenen:



  • De lijst, die via verschillende aanvullingen tot stand gekomen is, heeft daardoor niet langer een logische opbouw. Het is een opsomming zonder structuur of logische volgorde;

  • Bovendien is de lijst zeer gedetailleerd. Dit leidt ertoe dat “a contrario” alles wat niet letterlijk op die lijst staat, door sommigen onterecht als vergunningsplichtig wordt aangezien. Kenmerkend is de discussie enkele jaren geleden waarbij een rechter oordeelde dat omdat onbemande camera’s niet letterlijk in het besluit vermeld stonden, deze als vergunningsplichtig moesten worden beschouwd terwijl het voor de administratie duidelijk was dat die onbemande camera’s onder het verzamelbegrip “straatmeubilair” moesten gecatalogeerd worden. Daarom is het aangewezen meer met verzamelbegrippen te werken;

  • Het is noodzakelijk om het bestaande besluit af te stemmen op het in te voeren besluit betreffende de meldingsplichtige handelingen.

Het besluit tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, is daarom logischer opgebouwd door met duidelijke onderdelen te werken:

  • handelingen in, aan en bij woningen;

  • handelingen in, aan en bij andere gebouwen dan woningen;

  • handelingen in industriegebied;

  • handelingen in agrarisch gebied;

  • groen;

  • tijdelijke handelingen;

  • wijzigingen van al ingerichte terreinen;

  • publiciteit;

  • openbaar domein;

  • algemeen belang;

  • telecommunicatie;

  • afbraak.

Het uitgangspunt bij dit besluit is ook dat handelingen die nu reeds vrijgesteld zijn van vergunning in principe vrijgesteld blijven, voor zover dit de leesbaarheid en eenvoud van het besluit niet aantast.

Een belangrijk principe bij beide besluiten is dat deze gelden onverminderd andere regelgeving.

Het is niet zo dat verplichtingen opgelegd door sectorale regelgeving automatisch ophouden te bestaan omdat de stedenbouwkundige vergunningsplicht in een aantal gevallen wegvalt of vervangen wordt door de meldingsplicht.

De rechtsonderhorige moet beseffen dat deze verplichtingen in de meeste gevallen verplicht blijven, en dus uitgevoerd moeten worden. Zo kan er onder meer gewezen worden op de verplichtingen, opgenomen in volgende regelgeving en normen:



  • de regelgeving inzake luchtvaart, in het bijzonder luchtvaarterfdienstbaarheden;

  • het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen;

  • het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003, in het bijzonder de watertoets;

  • het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en de uitvoeringsbesluiten;

  • de regelgeving inzake bouwvrije stroken en erfdienstbaarheden langs waterlopen, spoorlijnen, leidingen en nutsvoorzieningen (bijvoorbeeld gasleidingen);

  • de algemene bouwverordening inzake wegen voor voetgangersverkeer (bijvoorbeeld bij handelingen op het openbaar domein); 

  • normen inzake brandpreventie;

  • de regelgeving inzake beschermde monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, landschappen en archeologische sites;

  • de natuurregelgeving (bijvoorbeeld de natuurvergunning);

  • het Burgerlijk Wetboek;

  • etc.

Hier spelen immers andere afwegingen een rol. Een voorbeeld hiervan is de brandpreventie. Zo ontslaat het vrijstellen van de stedenbouwkundige vergunningsplicht van bepaalde handelingen de exploitant van een bedrijf niet van andere niet-stedenbouwkundige verplichtingen of verantwoordelijkheden die verband houden met de bedrijfsvoering, zoals milieugerelateerde verplichtingen.

Vaak voorziet sectorale regelgeving immers in het opheffen van de eigen machtiging of vergunning op voorwaarde dat er een stedenbouwkundige vergunning wordt bekomen.

Bij die bepalingen wordt ervan uitgegaan dat de ‘sectorale’ toets onrechtstreeks gebeurt via de stedenbouwkundige vergunningsprocedure en de adviesverlening. Deze onrechtstreekse toetsing kon als voldoende garantie worden beschouwd. Dit is zo bij:


  • de regelgeving inzake beschermde monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, landschappen en archeologische sites;

  • de natuurregelgeving (natuurvergunning).

In dergelijke situaties zal bij een vrijstelling of een melding toch nog een machtiging of vergunning bekomen moeten worden voor wat deze regelgeving betreft.

Artikel 1.2. van het besluit tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, is hiervan concreet een weerslag. Het is zeer belangrijk dat de rechtonderhorige zich realiseert dat in de gevallen waar de stedenbouwkundige vergunningsplicht wegvalt, er nog een andere machtigings- of vergunningsplicht kan gelden.

Hierbij wint de sectorregelgeving aan belang.

Dit neemt niet weg dat er globaal een sterke verlaging van de administratieve lasten wordt doorgevoerd. Zo kan bijvoorbeeld worden verwezen naar bepaalde handelingen waarvoor de meldingsplicht wordt ingevoerd onder de strikte voorwaarde dat er voor de handeling in kwestie een milieuvergunning werd bekomen.

Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat er bij zowel de vrijgestelde als de meldingsplichtige handelingen geen adviezen worden ingewonnen en er dus ook geen beoordeling wordt doorgevoerd op niveau van de individuele handeling.

Zoals bepaald in art. 4.2.2, §1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kan de meldingsplicht niet worden ingevoerd voor handelingen gelegen in ruimtelijk kwetsbaar gebied.

In het besluit tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, is geopteerd voor een meer genuanceerde benadering; de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening laat dit overigens ook toe. In het besluit is voor elke vrijgestelde handeling afgewogen of de vrijstelling ook geldt in ruimtelijk kwetsbaar gebied.

Zo werd bijvoorbeeld geoordeeld dat binnenverbouwingen zonder stabiliteitswerken in een hoofdzakelijk vergund of vergund geachte woning wel aanvaardbaar zijn in deze gebieden aangezien de mogelijke impact uitgaat van de woning en niet van de uit te voeren aanpassingen. Omgekeerd geldt dat er wel een ruimtelijke impact mogelijk is bij de bouw van vrijstaande bijgebouwen bij een dergelijke woning in eenzelfde gebied.

Voor wat betreft de verhouding tussen het uitvoeringsbesluit betreffende de meldingsplichtige handelingen en het besluit tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is enerzijds en het besluit van de Vlaamse regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect anderzijds, geldt als uitgangspunt dat deze drie besluiten samen dienen te worden gelezen.

Voor handelingen die vrijgesteld zijn van de stedenbouwkundige vergunningsplicht geldt als principe dat de medewerking van de architect niet vereist is. Er wordt immers geen voorgaande toelating tot bouwen opgelegd (cfr. art. 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect).

Voor de meldingsplichtige handelingen wordt de verplichte medewerking van de architect bepaald door het besluit van de Vlaamse regering van 23 mei 2003. Bepaalde meldingsplichtige handelingen zullen de medewerking van een architect vereisen, andere zijn daarvan vrijgesteld. Art. 4.2.2, §6 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt immers dat de melding gelijkgesteld wordt met een voorafgaande toelating tot bouwen voor wat betreft de wet van 20 februari 1939.

Voor de vergunningsplichtige handelingen blijft de bestaande regeling m.b.t. de verplichte medewerking van de architect onverminderd van toepassing.

Om te bepalen of de handeling is vrijgesteld van de vergunningsplicht, dan wel onder de meldingsplicht ressorteert en of de medewerking van de architect verplicht is, kan het volgend vereenvoudigd stappenplan worden gevolgd:


  1. Vergunningsplicht voorzien in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening?

    1. Ja: ga naar 2

    2. Neen: ga naar 6

  2. Vrijstelling voorzien in besluit tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is?

    1. Ja: ga naar 6

    2. Neen: ga naar 3

  3. Meldingsplicht voorzien in het besluit betreffende de meldingsplichtige handelingen?

    1. Ja: ga naar 4

    2. Neen: ga naar 5

  4. Verplichting medewerking architect in het besluit ter zake?

    1. Ja: melden met medewerking architect en ga naar 6

    2. Neen: melden zonder medewerking architect en ga naar 6

  5. Verplichting medewerking architect vereist conform het besluit ter zake?

    1. Ja: vergunningsaanvraag met medewerking architect en ga naar 6

    2. Neen: vergunningsaanvraag zonder medewerking architect en ga naar 6

  6. Uitvoering onder voorbehoud sectorale machtigingen of vergunningen en voorwaarden uit andere regelgeving.

In dit stappenplan wordt abstractie gemaakt van de mogelijkheid die gemeenten en provincies hebben om de vergunningsplichtige handelingen aan te vullen (nuance bij stap 1), om voor vrijgestelde handelingen de meldingsplicht in te voeren (nuance bij stap 2) en om voor meldingsplichtige handelingen de vergunningsplicht in te voeren (nuance bij stap 3). Deze mogelijkheden vloeien voort uit artikel 4.2.5. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Verder moet nog worden gewezen op de mogelijkheid dat gemeentelijke en provinciale verordeningen vastgesteld voor 1 september 2009 nog andere bepalingen kunnen bevatten waardoor bepaalde in het besluit opgenomen vrijgestelde handelingen mogelijks toch vergunningsplichtig kunnen zijn (zie artikel 4.2.6. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).

Tot slot wordt hierbij ook abstractie gemaakt van de decretaal voorziene meldingsplicht voor zorgwonen (artikel 4.2.4, §1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening). Gemeenten kunnen bovendien in een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening vastleggen in welke (delen van) bijzondere plannen van aanleg of verkavelingen de vrijstellingen primeren boven strengere voorwaarden opgenomen in die plannen en verkavelingen.

BESLUIT MELDINGSPLICHTIGE HANDELINGEN

Artikelsgewijze bespreking

Artikel 1

In dit artikel worden de noodzakelijke definities opgelijst. In het besluit tot bepaling van de handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, worden een aantal begrippen gedefinieerd. Deze worden – waar relevant – ook in dit besluit opgenomen. Nieuw hierin zijn de begrippen voortuin, zijtuin en achtertuin.







Artikel 2.

Binnenverbouwingen van vergunde (of vergund geachte) gebouwen die niet gepaard gaan met functiewijzigingen en/of het wijzigen van het aantal woongelegenheden hebben geen ruimtelijke impact op de omgeving. Een beoordeling door de vergunningverlenende overheid voor dergelijke werken is dan ook overbodig. Deze werken worden vrijgesteld van stedenbouwkundige vergunning als ze niet gepaard gaan met stabiliteitswerken. Voor binnenverbouwingen die gepaard gaan met stabiliteitswerken is namelijk de medewerking van een architect noodzakelijk en vereist, waardoor vrijstelling van de vergunningsplicht niet mogelijk is. Omwille van de beperkte ruimtelijke impact van dergelijke werken kan de vergunningplicht vervangen worden door een verplichte melding.

Algemeen principe binnenverbouwingen:


  • zonder stabiliteitswerken: vrijgesteld van de stedenbouwkundige vergunningsplicht;

  • met stabiliteitswerken: meldingsplichtig.

Stabiliteitswerken worden gedefinieerd in artikel 4.1.1, 11° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening werken die betrekking hebben op de constructieve elementen van een constructie, zoals:

a) het vervangen van dakgebintes of dragende balken van het dak, met uitzondering van plaatselijke herstellingen;

b) het geheel of gedeeltelijk herbouwen of vervangen van buitenmuren of dragende binnenmuren, zelfs met recuperatie van de bestaande stenen.

In deze context is vooral het laatste item relevant.



Artikel 3.

Het straatbeeld wordt in grote mate bepaald door de voorgevels en voortuinen. Het is dan ook aangewezen dat voor wijzigingen van voorgevels en werken ter hoogte van de voortuin de vergunningverlenende overheid nog een bepaalde opportuniteitsbeoordeling doet. De vergunningsplicht voor dergelijke werken blijft bestaan, met uitzondering van de relevante bepalingen in het besluit tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is.

Handelingen in die delen van de tuin die niet of minder vanaf de openbare weg waarneembaar zijn (de achtertuin en in mindere mate ook de zijtuin), hebben een geringere impact en een meer gangbaar karakter. Hiermee worden onder meer gevat: de normale tuinaanhorigheden en werken aan de zij- en achtergevels. Voor deze handelingen is het niet of minder wenselijk dat de overheid hierover een opportuniteitsoordeel velt. De ruimtelijke kwaliteit wordt hier bewaard door de in het besluit opgenomen randvoorwaarden inzake o.m. minimale afstanden tot de perceelsgrenzen en maximale hoogtes en oppervlaktes.

Ook hier wordt om zelfde redenen als in artikel 1 een onderscheid gemaakt op basis van het al dan niet uitvoeren van stabiliteitswerken.

Algemeen principe verbouwingen van zijgevels en achtergevels en daken:


  • zonder stabiliteitswerken: vrijgesteld van de stedenbouwkundige vergunningsplicht;

  • met stabiliteitswerken: meldingsplichtig.

Ook hier wordt voor stabiliteitwerken verwezen naar de reeds vermelde definitie in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Voorwaarde voor de melding is dat het bouwvolume ongewijzigd blijft. Hiermee wordt niet het mathematische bouwvolume bedoeld, maar het werkelijke, fysisch aanwezige bouwvolume. Men kan dus geen gebouwonderdelen afbreken om elders bij te bouwen via de melding. Men kan ook geen nieuwe trappen of balkons of terrassen melden. Wat bijvoorbeeld wel kan is via een melding raam- en deuropeningen wijzigen die tevens de stabiliteit van het gebouw beïnvloeden.



Artikel 4.

Voor de aan het hoofdgebouw aangebouwde constructies met een ondergeschikt karakter, wordt de vergunningsplicht vervangen door een meldingsplicht. Volgende voorwaarden worden evenwel opgelegd:



  • In de zijtuin dienen deze geplaatst te worden op minimaal 3 m van perceelsgrens;

  • In de achtertuin dienen deze geplaatst te worden op minimaal 2 m van perceelsgrens;

  • Het bijgebouw mag ook tot tegen de perceelsgrens voorzien worden, tegen bestaande, aanpalende bebouwing, voor zover men zich beperkt tot de bouwdiepte van de aanpalende bebouwing. Dit wordt mede gegarandeerd door te stellen dat er geen wijzigingen aan de scheidingsmuren kunnen worden uitgevoerd.

Dit artikel heeft betrekking op de veel voorkomende nevenvolumes die vaak in een tweede fase aan een hoofdgebouw worden bijgeplaatst in achter- of zijtuin. Voorbeelden hiervan zijn de gebruikelijke carport, de veranda, een annex waarin een bijkeuken voorzien wordt, een kleine uitbreiding van het gelijkvloerse volume van een rijwoning waarin de leefruimte wordt uitgebreid, e.a.

De ruimtelijke impact van een volume dat voldoet aan de gestelde voorwaarden is praktisch nihil waardoor een ruimtelijke beoordeling van een vergunningverlenende overheid een formaliteit wordt. Gelet op de voorgestelde maximale afmeting in combinatie met de inplantingsvereisten wordt het nevenkarakter van het bijgebouw ten opzichte van het hoofdgebouw gegarandeerd en blijft de ruimtelijke impact op aanpalenden en omgeving beperkt.. Omwille van andere regelgeving (vb. energieprestatieregelgeving) en de veelvoorkomende combinatie met constructieve binnen- of gevelwerken, kunnen dergelijke werken niet vrijgesteld worden van de vergunningplicht.

De totale oppervlakte van alle aangebouwde bijgebouwen blijft beperkt tot 40 m², dit om te vermijden dat door een cumulatief gebruik van deze regeling, de werken een te grote stedenbouwkundige impact op de omgeving krijgen.

Voor bedrijfswoningen blijft de decretale volumebepaling de bovengrens, het artikel 4.3.6. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening is daarin bepalend.

Voor zonevreemde woningen verwijzen we naar de toelichting bij artikel 6.

Artikel 5.

Voor verbouwings- en uitbreidingswerkzaamheden aan een bestaand, hoofdzakelijk vergund industrieel of ambachtelijk bedrijf in industriegebied wordt de vergunningsplicht onder bepaalde voorwaarden vervangen door de meldingsplicht. Gelet op de aard en het karakter van industrieterreinen en op de restricties die in de voorwaarden van dit besluit worden gesteld, naar hoogtes en inplantingswijze, is de meerwaarde van een bijkomende ruimtelijke beoordeling beperkt. Voor die gevallen waarbij een beoordeling een vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening zou betekenen kunnen de nodige restricties in de milieuvergunning worden opgelegd. De koppeling met een milieuvergunning klasse I of klasse II is dan ook een vereiste opdat dit artikel kan toegepast worden.

Dit artikel is enkel van toepassing op gebouwen die in functie staan van de industriële of ambachtelijke bedrijvigheid, met uitsluiting van een bedrijfswoning. Het is niet toepasbaar op de complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de andere industriële bedrijven.

Artikel 6.

In dit artikel worden bijkomende voorwaarden opgesomd waaraan bovenvermelde handelingen dienen te voldoen opdat toepassing kan gemaakt worden van het meldingsinstrument.

Deze voorwaarden bieden bijkomende garanties dat de meldingsplichtige werken geen nood hebben aan een ruimtelijke beoordeling.

Werken die in toepassing van dit besluit in aanmerking komen voor de meldingsplicht, kunnen niet worden uitgevoerd als deze strijdig zijn met de stedenbouwkundige voorschriften van bijvoorbeeld een verkaveling of RUP. De meldingsplicht geeft met andere woorden niet zomaar een vrijgeleide om werken uit te voeren.

De bouwheer heeft hierin de verplichting na te gaan of de werken conform de stedenbouwkundige voorschriften zijn.

Hetzelfde geldt voor de werken aan zonevreemde gebouwen, gelet op de strijdigheid met het plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. Voor deze werken blijft de vergunningsplicht gelden, waarbij de toetsing aan de basisrechten voor zonevreemde constructies door de vergunningverlener moet gebeuren.



Artikel 7.

Dit artikel bepaalt vorm en indieningswijze van een dossier waarvoor een melding gebeurt.



Artikels 8, 9 en 10.

Slotbepalingen.

Volledigheidshalve wordt gewezen op artikel 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat handelt over de meldingsplicht van rechtswege in het kader van zorgwonen.

Bovendien doet het aanwijzen van een handeling als meldingsplichtig op geen enkele wijze afbreuk aan de onderworpenheid van deze handeling aan voorschriften gesteld bij of krachtens de wet of het decreet.



BESLUIT VRIJSTELLING VERGUNNINGSPLICHT

Artikelsgewijze bespreking

Artikel 1.1.

Definiëring van een aantal begrippen. Nieuw hierin zijn de begrippen voortuin, zijtuin en achtertuin. Er kan verwezen worden naar dezelfde schetsen als bij de bespreking van artikel 1 van het besluit meldingsplichtige handelingen.

Voor punt 8° kunnen volgende voorbeelden van niet-overdekte constructies gegeven worden: verhardingen, terrassen, siervijvers en openluchtzwembaden.

De hoogte is beperkt tot 1,5 meter boven het maaiveld.

In toepassing van “hoofdstuk 10: Openbaar domein” is het tevens van belang te definieren welke delen onder het openbaar domein vallen temeer gezien deze term of gelijkaardige termen in andere wetgeving op een verschillende manier gedefinieerd wordt.

Artikel 1.2. en 1.3.

De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing, onverminderd andere regelgeving, inzonderheid de regelgeving inzake beschermde monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, landschappen en archeologische sites, waarvoor een apart systeem van toelatingen geldt.

Niet limitatief wordt hier regelgeving opgesomd die moet gerespecteerd worden:


  • de regelgeving inzake luchtvaart, in het bijzonder luchtvaarterfdienstbaarheden;

  • het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen;

  • het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en de uitvoeringsbesluiten;

  • de regelgeving inzake bouwvrije stroken en erfdienstbaarheden langs waterlopen, spoorlijnen, leidingen en nutsvoorzieningen (bijvoorbeeld gasleidingen);

  • de algemene bouwverordening inzake wegen voor voetgangersverkeer (bijvoorbeeld bij handelingen op het openbaar domein); 

  • normen inzake brandpreventie;

  • de regelgeving inzake beschermde monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, landschappen en archeologische sites;

  • de natuurregelgeving (bijvoorbeeld de natuurvergunning);

  • het Burgerlijk Wetboek;

  • etc.

Artikel 1.4.

De strijdigheid met gewestplannen, provinciale en gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen wordt opgegeven voor de handelingen die vrijgesteld zijn van stedenbouwkundige vergunning. Voor bijzondere plannen van aanleg, algemene plannen van aanleg en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavellingen kan dit middels een gemeentelijke verordening conform artikel 4.4.1 §3 van de wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.



Artikel 2.1 en 2.2.

Onder woningen vallen zowel residentiële particuliere woningen als bedrijfswoningen en exploitantenwoningen bij een landbouwbedrijf. Tevens gaat het over hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte woningen ongeacht hun planologische situering, met andere woorden zowel zone-eigen als zonevreemde woningen komen hiervoor in aanmerking.

De principes van deze artikels gelden in een straal van 30m rond hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte woningen. Deze straal wordt gemeten vanaf de uiterste punten van de woning.

Werken die zich situeren op het private deel bij woningen hebben een dermate beperkt en gangbaar karakter, dat de overheid hier geen opportuniteitsoordeel over hoeft te vellen. Hiermee wordt bedoeld: de binnenverbouwing, werken aan de zij- en achtergevels, de normale tuinaanhorigheden en werken in de private tuinzone, mits voldaan wordt aan de afstands- en hoogtebepalingen.

Indien de handelingen leiden tot een wijziging van het bouwvolume, geldt de vrijstelling niet. Hiermee wordt niet het mathematische bouwvolume bedoeld, maar het werkelijke, fysisch aanwezige bouwvolume. Men kan dus geen gebouwonderdelen afbreken om elders bij te bouwen. Zo houdt het verwijderen van een bestaande dakuitbouw op het dak van een woning altijd een wijziging van het volume in, ook al wordt deze wijziging geneutraliseerd door het aanbouwen van eenzelfde nieuw volume op een andere plaats zodat het nettobouwvolume hetzelfde blijft.

Voor werken in de voortuin en aan voorgevel, over het algemeen zichtbaar vanop de openbare weg, blijft sturing door de overheid opportuun. De vergunningsplicht wordt aldus niet verlaten, behalve voor lage afsluitingen, tuinpaden, tuinaanleg, en dergelijke.

Omwille van het eenvoudige en gangbare karakter worden volgende constructies vrijgesteld van vergunning:


  • niet-overdekte constructies: constructies zonder volume (terrassen, openluchtzwembaden, siervijvers, ...) vrijgesteld tot 80 m² per goed, mits voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden;

  • vrijstaande bijgebouwen: vrijstaande constructies met volume (tuinhuizen, garages, carports, ...) vrijgesteld tot 40 m² per goed.

Voor zover de werken zonder stabiliteitswerken worden uitgevoerd, kunnen deze vrijgesteld worden van vergunning.

De totale oppervlakte van de constructies, zowel bestaande als nieuwe constructies, en zowel vergunde als van vergunning vrijgestelde constructies moet in rekening worden gebracht. Heeft men bijvoorbeeld een terras van 40 m² en een siervijver van 10 m², dan kan men nog een zwembad van maximaal 30 m² aanleggen (want 40 + 10 + 30 = 80).

In de vrijstelling voor de 80 m² niet-overdekte constructies zijn tuinpaden in de zij- en achtertuin en de noodzakelijke toegangen en opritten naar het gebouw of de gebouwen niet inbegrepen.

Idem voor de vrijstaande constructies met volume: beschikt men reeds over een carport van 30 m² dan kan men nog een bijgebouw van 10 m² oprichten. De hoogte van deze bijgebouwen wordt beperkt tot 3 meter.

In de hoogte van een gebouw is de schouw niet begrepen.

Aangezien de aan het hoofdgebouw aangebouwde constructies soms gepaard gaan met constructieve wijzigingen aan het hoofdvolume zelf, wordt hier de vergunningplicht niet verlaten. Tot een volume van 40 m² wordt de vergunningplicht vervangen door de meldingsplicht (bijkeuken, veranda, e.a.), mits voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden.

Met gebruikelijke ondergrondse constructies worden onder andere bedoeld: hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, brandstoftanks, warmtepompinstallaties, huisaansluitingen op nutsvoorzieningen, ... Kelders, ondergrondse garages en andere beloopbare ruimtes vallen niet onder deze bepaling.

Voor zover binnenverbouwingswerken zonder stabiliteitswerken worden uitgevoerd, kunnen deze vrijgesteld worden van vergunning. Het vrijstellen van handelingen die stabiliteitswerken inhouden is niet wenselijk omwille van het belang van de medewerking van de architect. Met handelingen zonder stabiliteitswerken en zonder wijziging van het bouwvolume aan zijgevels achtergevels en daken worden onder andere bedoeld:



  • aanbrengen van dakvlakvensters;

  • verkleinen van raamopeningen;

  • wijzigen van raamopeningen zonder te raken aan de stabiliteit van het gebouw;

  • aanbrengen van een voorzetrolluik of uitklapbare rolluifel;

  • aanbrengen van een dakterras (met respect voor de regelgeving lichten en zichten van het Burgerlijk Wetboek).

Voor de definitie van de term “stabiliteitswerken” wordt verwezen naar artikel 4.1.1. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals hoger vermeld. Indien de handelingen leiden tot een wijziging van het bouwvolume, geldt de vrijstelling niet. Hiermee wordt niet het mathematische bouwvolume bedoeld, maar het werkelijke, fysisch aanwezige bouwvolume. Men kan dus geen gebouwonderdelen afbreken om elders bij te bouwen. Zo houdt het verwijderen van een bestaande dakuitbouw op het dak van een woning altijd een wijziging van het volume in, ook al wordt deze wijziging geneutraliseerd door het aanbouwen van eenzelfde nieuw volume op een andere plaats zodat het netto-bouwvolume dezelfde blijft.

Het aanbrengen van nieuwe trappen, balkons of terrassen valt niet onder punt 3°.

Onder zonnepanelen geïntegreerd in het hellende dakvlak worden verstaan die vlakvormige voorzieningen die:


  • ofwel bovenop de feitelijke dakbedekking en dus in dezelfde helling maar ertegen of enkele centimeters erboven worden gemonteerd;

  • ofwel tussenin of ter vervanging ervan zijn geplaatst en bijgevolg zelf als dakbedekking fungeren.

Het opslaan van allerhande bij de woning horende materialen en materieel is vrijgesteld van de vergunningsplicht voor een maximaal volume van 10 m³. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 3, 17° van het bestaande besluit tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is. Het begrip “materialen en materieel” wordt ruimer geïnterpreteerd en opgevat als een verzamelbegrip voor de in het bestaande besluit opgesomde zaken (“allerhande bij de woning horende materialen, materieel of huishoudelijk afval zoals brandhout, snoeihout, afvalcontainers, vuilnisbakken, composthopen, composteringsvaten”).

Artikel 3.1 en 3.2.

Voor handelingen in, aan en bij andere gebouwen (niet zijnde woningen) gelden gelijkaardige principes als in artikel 2.1. en 2.2.

Het kan bijvoorbeeld gaan over gebouwen in functie van gemeenschapsvoorzieningen (scholen, ziekenhuizen, administratieve centra…), handelsgebouwen (winkels, horeca), kantoorgebouwen, bedrijfsgebouwen (landbouwbedrijf, kmo, industriegebouw…) en dergelijke.

Alle uitbreidingen zijn hier echter vergunningsplichtig.

In tegenstelling tot artikel 2.1. wordt de opslag van materiaal bij dergelijke gebouwen niet vrijgesteld van vergunning. In tegenstelling tot bij woningen kan er over opslag bij niet- woningen minder eenvoudig een inschatting gemaakt worden over de aard en de hinderlijkheid van de opslag.

De plaatsing van seizoensgebonden, niet overdekte terrassen bij horecazaken is opgenomen onder dit artikel.

Eenzelfde bepaling is hernomen in artikel 10 voor de terrassen die geplaatst worden op openbaar domein

Artikel 4.1 en 4.2.

Dit artikel neemt artikel 3, 29° van het vorige besluit grotendeels over. Er worden ten aanzien van het vorige besluit echter bijkomende voorwaarden opgelegd waaraan voldaan dient te zijn teneinde een goede plaatselijke aanleg te vrijwaren.

Meer bepaald kunnen de handelingen opgesomd in artikel 4.1 geen aantasting of inname van bufferzones teweegbrengen. Het betreft hier bufferzones die opgelegd zijn in het kader van een milieuvergunning en/of een stedenbouwkundige vergunning (zie ook artikel 1.3.) of buffers die aangeduid zijn op een bestemmingsplan. Om een zelfde reden worden deze handelingen niet vrijgesteld in zones bestemd voor ecologische infrastructuur aangeduid op een bestemmingsplan.

Het oprichten van gebouwen wordt niet vrijgesteld van de vergunningsplicht, maar is onder bepaalde voorwaarden meldingsplichtig gemaakt.



Artikel 5.1 en 5.2.

Dit artikel neemt in hoofdzaak bepalingen over van het vorige besluit, maar groepeert ze. Het betreft de bepalingen van artikel 3, 10°, 9°, a), 12° en 13° van het vorige besluit.

Hier wordt ook maximaal gewerkt met containerbegrippen. Enkele voorbeelden van constructies die dienen voor de teelt of bescherming van landbouwgewassen zijn: hagelnetten, antivogelnetten, plastiektunnels, constructies ter ondersteuning van de gewassen, windschermen…

Artikel 5.1., 3° dat bepaalde schuilhokken vrijstelt, is nieuw. Gelet op het zone-eigen karakter van de constructie, de welomschreven voorwaarden en het omkeerbaar karakter, kan in alle redelijkheid geoordeeld worden dat de ruimtelijke impact van dergelijke constructies minimaal is.

Onder krengenhuisje (punt 4°) wordt verstaan: een kleine gesloten constructie waaronder dode dieren verplicht tijdelijk opgeborgen worden. Het betreft een constructie van enkele m³ met een beperkte hoogte die aan een toegang van het bedrijf geplaatst wordt.

Ook de strikt noodzakelijk toegangen en opritten naar een landbouwbedrijf worden vrijgesteld van vergunning naar analogie met de bepalingen bij woningen en andere gebouwen dan woningen. Deze bepaling wordt hier expliciet vermeld gezien landbouwbedrijven veelal dieper gelegen zijn ten opzichte van de openbare weg en voor de toegangen niet voldaan kan worden aan de voorwaarden (straal 30 meter) onder hoofdstuk 2 en 3.



Artikel 6.1.

In artikel 6.1. komen 1° en 2° overeen met de bepalingen van het vorige besluit van de Vlaamse Regering, artikel 3, 14°, a) en b).



Artikel 6.2.

Dit artikel neemt artikel 3, 23° van het vorige besluit over.



Artikel 7.1.

Dit artikel neemt artikel 3, 1° van het vorige besluit ongewijzigd over.



Artikel 7.2. en 7.3

Dit artikel veralgemeent artikel 3, 26° van het vorige besluit en breidt de mogelijkheden uit. Het oprichten van tijdelijke constructies of een tijdelijke gebruikswijziging van bestaande constructies tot een maximale duur van 90 dagen per jaar, wordt vrijgesteld van vergunning.

Voorbeelden:


  • Het gebruik van de lokalen van een jeugdbeweging als tijdelijke overnachtingsplaats voor een andere jeugdbeweging in functie van een zomerkamp (wijziging van dagrecreatie naar verblijfsrecreatie).

  • Het organiseren van een tijdelijke verkoop (gedurende minder dan 90 dagen) in een leegstaand fabriekspand (wijziging van industrie en ambacht naar handel, horeca, kantoorfunctie en diensten).

  • Het een aantal weekends per jaar organiseren van een rommelmarkt in een sporthal (wijziging van dagrecreatie naar handel, horeca, kantoorfunctie en diensten).

  • Het plaatsen van, kantoorcontainers, klascontainers of andere tijdelijke inrichtingen.

  • Het plaatsen van kramen, stellingen, tribunes, tenten en gelijkaardige infrastructuur in functie van festivals,manifestaties of feestelijkheden.

  • Het plaatsen van een circustent of kermis.



Door de beperking in de tijd wordt de ruimtelijke impact beperkt.

Artikel 7.4.

Dit artikel neemt artikel 3, 27° van het vorige besluit over.



Artikel 8.1. en 8.2.

Betreffend artikel stelt de herinrichting van reeds ingerichte terreinen vrij van vergunningsplicht. Deels worden de bepalingen van het vorige besluit van de Vlaamse Regering overgenomen ( artikel 3, 18°, h; artikel 3, 22°; artikel 3, 24°). Daarnaast wordt tevens een verruiming van de mogelijke terreinen doorgevoerd.

Ook hier wordt geen gedetailleerde opsomming gemaakt van alle soorten recreatie – en sportterreinen maar worden deze onder een verzamelbegrip geplaatst.

Gelet op de aard van de terreinen en de welomschreven voorwaarden opgesomd in artikel 8.3 kan in alle redelijkheid geoordeeld worden dat de ruimtelijke impact van dergelijke handelingen beperkt is.

Voor elk van de omschreven terreinen geldt dat de bestemming reeds is gerealiseerd waardoor de ruimtelijke afweging al is gebeurd. Daarnaast dient de herinrichting tevens te staan in functie van het (vergunde) gebruik van het terrein en kunnen geen constructies vreemd aan de functie van het terrein zonder vergunning opgericht worden.

Vormen van herinrichten van een reeds ingericht terreinen zijn:



  • De heraanleg van paden in een openbaar park.

  • De plaatsing van speeltoestellen en zitbanken op een speelterrein.

  • Het plaatsen van een nieuwe attractie in een pretpark.

  • De heraanleg van een vergund voetbalterrein.

  • Het plaatsen van zitbanken op een golfterrein.

  • Het plaatsen van pic-nic accommodatie binnen een provinciaal recreatiedomein.

  • Herschikken van brandstofbevoorradinginfrastructuur op een luchthaventerrein.



Artikel 8.3.

Het artikel herwerkt en vereenvoudigt de bepaling opgenomen in art. 3, 19° van het vorige besluit.



Artikel 9.1 en 9.2.

Deze bepalingen nemen de bepalingen van art. 3, 4° van het vorige besluit inhoudelijk over inzake publiciteit en vereenvoudigen ze.

Nieuw is punt 2°, teneinde te voorkomen dat commerciële exploitatie afbreuk doet aan de kwalificatie van nutsvoorzieningen worden beperkingen opgelegd voor het aanbrengen van publiciteit op dergelijke nutsvoorzieningen.

Artikel 10.

Dit artikel neemt artikel 3, 18° van het vorige besluit grotendeels ongewijzigd over. Het artikel wordt evenwel vereenvoudigd op volgende punten:

1° is verruimd tot alle verhardingen tot 150 m²;

2° het vervangen van een bestaande verharding door eenzelfde soort verharding zonder uitbreiding is een onderhoudswerk, dat niet vergunningsplichtig is. (artikel 4.1.1, 9° van de Codex). Het vervangen van de grindlaag bij een grindweg zonder uitbreiding van de verharding is dus wel vrijgesteld van vergunning gezien dit als een onderhoudswerk kan aanzien worden;

4° worden onder andere alle soorten ondergrondse leidingen en aanhorigheden bedoeld;

5° met de aanhorigheden worden bedoeld verlichtings- en elektriciteitspalen, verkeerssignalisatie, openbare telefooncellen, rustbanken, openbare toiletten, schuilhuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, onbemande camera's en allerlei straatmeubilair. Deze opsomming is niet limitatief. Dit kunnen ook bufferende, afschermende en milderende maatregelen zijn langs wegen en spoorwegen, zoals geluidsbuffermaatregelen (bijvoorbeeld geluidsbermen, geluidsschermen), landschapsinpassing (vb. Landschapsbermen), inrichting in functie van duurzaam waterbeer (vb. insijpelzones, buffergrachten).

6° hiermee worden onder meer technische kasten van nutsmaatschappijen bedoeld. Uiteraard moet de verordening over de breedte van de voetpaden gerespecteerd worden. Ook blijft de wegbeheerder zijn rol vervullen om te waken over een oordeelkundige plaatsing.

7° deze bepaling betreft een versoepeling. Uit stedenbouwkundig oogpunt zijn deze werken weinig relevant.

8° hieronder vallen ondermeer het verstevigen van dijken, het plaatsen van veiligheidsconstructies tegen overstromingen.

10° De maatbeperking voor de terrassen valt weg aangezien de overheid als wegbeheerder en concessieverlener impact heeft op hoe deze terrassen op openbaar domein worden opgericht. Bij de plaatsing van terrassen dient steeds rekening gehouden te worden met verordeningen die handelen over wegen voor voetgangersverkeer.

11° hieronder vallen ondermeer paaiplaatsen, ecologische oeververbindingen, plasbermen, faunauitstapplaatsen langs waterlopen en kanalen, vistrappen langs onbevaarbare waterlopen, wildspiegels, veeroosters, wildafrastering, ree-uitstapplaatsen, hop-overs, amfibietunnels, wildtunnels langs en onder wegen.

Ecoducten en ecobruggen vallen niet onder deze vrijstelling gezien deze geen kleinschalig karakter hebben en zijn bijgevolg vergunningsplichtig.



Artikel 11.1.

Dit artikel neemt artikel 3, 21° van het vorige besluit inhoudelijk ongewijzigd over.



Artikel 11.2.

Dit artikel neemt artikel 3, 25° van het vorige besluit inhoudelijk ongewijzigd over.



Artikel 11.3.

Dit artikel neemt artikel 3, 30° van het vorige besluit inhoudelijk ongewijzigd over.



Artikel 11.4.

Dit artikel is nieuw. Gelet op het gangbaar en eenvoudig karakter van dergelijke constructies is de ruimtelijke impact hiervan beperkt.



Artikel 11.5.

Dit artikel is nieuw en wil het vervangen van vergunde technische constructies door gelijkaardige of kleinere constructies vrijstellen van administratieve procedure.

Onder ‘er kennelijk hetzelfde uitzien’ wordt verstaan dat er minimale verschillen zijn in materiaalgebruik en constructiewijze. Een buispyloon dient vervangen te worden door een buispyloon, een vakwerkpyloon door een vakwerkpyloon. Zo dienen bij windmolens het aantal wieken en de materiaalkeuze ongewijzigd te blijven.

Artikel 11.6.

Dit artikel is nieuw en wil de administratieve procedure voor onbeduidende wijzigingen aan het vergunde hoogspanningsnet wegwerken. Met betrekking tot de dragende structuur blijven de mogelijkheden zoals bepaald in artikel 11.5. onverminderd van toepassing.



Artikel 11.7.

Dit artikel is nieuw en stelt de aanleg van noodzakelijk toegangen naar installaties van algemeen belang vrij van vergunning.



Artikel 11.8.

In dit artikel worden de bepalingen met betrekking tot de bodemsanering terug opgenomen zoals in het besluit van 14 april 2000. Het ontwerp-besluit voorzag dit per vergissing niet meer.



Artikel 11.9.

De mogelijkheden vermeld in artikel 11.1 tot en met artikel 11.8. zijn van toepassing voor zover deze handelingen niet onderworpen zijn aan (ontheffing tot) de Mer- plicht.



Artikels 12.1, 12.2 en 12.3.

Deze artikels groeperen en vereenvoudigen de bestaande vrijstellingen voor telecommunicatie, vermeld in het vorige besluit van de Vlaamse Regering, artikel 3, 15°, 16° en 18°, g).

Er worden een aantal wijzigingen doorgevoerd:


  • ook schotelantennes bovenop hellende daken vrijgesteld van vergunning;

  • technische installaties op platte daken onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld.

Artikel 13.1.

Dit artikel neemt artikel 3, 20° van het vorige besluit inhoudelijk ongewijzigd over.

Het is logisch dat voor installaties of constructies die vrijgesteld zijn van het verkrijgen van een stedenbouwkundge vergunning het slopen eveneens vrijgesteld is van stedenbouwkundige vergunning.

Artikel 13.2.

Dit artikel neemt artikel 3, 8° van het vorige besluit inhoudelijk ongewijzigd over.



Artikel 14.1, 14.2, 14.3 en 14.4.

In het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 blijven enkel nog de vergunningsplichtige functiewijzigingen behouden. Het opschrift van dat besluit van de Vlaamse Regering wordt dan ook aangepast.

In het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 blijven enkel nog de vergunningsplichtige functiewijzigingen behouden. Artikel 3, 4 en 5 worden opgeheven.

In afwachting van een grondige herwerking van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect, wordt alvast de oppervlakte van 30 m² op 40 m² gebracht. Zo is deze maat gelijk aan de maat vermeld in het voorliggend ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering.



II. OPMERKINGEN VAN DE RAAD VAN STATE

In dit deel van het verslag wordt er ingegaan op de opmerkingen van de Raad van State per Besluit.



BESLUIT MELDINGSPLICHTIGE HANDELINGEN

De Raad van State verstrekte advies op 4 mei 2010 (advies nr. 48.111/1)

De Raad stelt de vraag of alle in het ontwerp bepaalde gevallen waarin voortaan een meldingsplicht geldt, voldoen aan de voorwaarden vervat in art. 4.2, §1, eerste lid, tweede zin van de Codex. Bij wijze van voorbeeld wordt gewezen op het geval bedoeld in artikel 5 van het ontwerp. Men vindt de meldingsplicht voor gebouwen in industriegebied te verregaand.

Inspelend op deze opmerking worden de meldingsplichtige werken in industriegebied beperkt tot de verbouwings- en uitbreidingswerkzaamheden aan een bestaand, hoofdzakelijk vergund industrieel of ambachtelijk bedrijf.

Industrieterreinen worden gekenmerkt door een gestandaardiseerde, functionele bebouwing, die binnen de context van een bedrijventerrein als gangbaar kan worden beschouwd.

Veelal wordt bij de uitbreiding van een bestaand bedrijf, de stedenbouwkundige beoordeling beperkt tot de toetsing aan de bestemmingsbepalingen, waarbij eveneens aandacht is voor voldoende buffering, onderzoek van het mobiliteitsaspect, en dergelijke meer, zaken die eveneens aan bod komen in de procedure van de milieuvergunningsaanvraag. Ook in deze procedure wordt immers het advies van de stedenbouwkundige ambtenaar gevraagd.

Daarom kan voor de verbouwings- en uitbreidingswerkzaamheden aan een bestaand, hoofdzakelijk vergund industrieel of ambachtelijk bedrijf in industriegebied de vergunningsplicht vervangen worden door de meldingsplicht, mits voldaan is aan de gestelde voorwaarden. Door de koppeling met een milieuvergunning klasse I of klasse II is men verzekerd dat de opportuniteitstoets ten aanzien van de gangbare ruimtelijke voorwaarden gebeurd is.

Gelet op de aard en het karakter van de bebouwing op industrieterreinen en op de restricties die in de voorwaarden van dit besluit worden gesteld, naar hoogtes en inplantingswijze, kan besloten worden dat de beoordelingsruimte van de vergunningverlener beperkt is.

Ook de andere artikelen bevatten voorwaarden waardoor de handelingen onderworpen worden aan integrale ruimtelijke voorwaarden.

De regels moeten klaar en duidelijk zijn. In dat verband wordt gewezen op het gebezigd begrip ‘stabiliteitswerken’ dat een vrij vaag begrijp is en bijgevolg aanleiding kan geven tot verschillende beoordelingen.

De term stabiliteitswerken werd gedefinieerd in artikel 4.1.1, 11° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

De Raad van State wijst erop dat een overname, een parafrasering of een bevestiging van bepalingen van de Codex in principe niet thuishoort in een uitvoeringsregeling. De artikels 4, 6° tot 8°, 6, tweede lid, 7, 8 en 10 worden daarom geschrapt.

Ook aan het nazicht vanuit legistiek en redactioneel-taalkundig oogpunt wordt tegemoetgekomen.

Alle overige suggesties en aanvullingen van de Raad werden gevolgd, behoudens volgende twee punctuele bemerkingen:



    • Artikel 4, 2e lid dient te worden opgenomen in artikel 1: aan deze suggestie wordt omwille van de duidelijkheid en leesbaarheid van het artikel niet tegemoet gekomen.

    • In artikel 9, §2 dient te verwijzing naar het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 te worden gepreciseerd: dit is niet mogelijk. De dossiersamenstelling hangt van de aard der werken af. Het besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004 zal worden aangepast om tegemoet te komen aan deze opmerking.

BESLUIT VRIJSTELLING VERGUNNINGSPLICHT

De Raad van State verstrekte advies op 4 mei 2010 (advies nr. 48.112/1).

De Raad van State merkt op dat doordat het om handelingen gaat waarvoor geen voorafgaande machtiging (een vergunning) meer vereist is en de overheid niet meer voorafgaand de handelingen beoordeelt, het ter wille van de rechtszekerheid vereist is dat de regels klaar en duidelijk zijn. Hierop kan gesteld worden dat de meeste begrippen werden overgenomen van het vroegere besluit.

Aan de opmerking in verband met de vermelding van afstanden nu eens cijfermatig dan woordelijk wordt doorheen de tekst gevolg gegeven.

Volgens de Raad is artikel 1.2 een niet normatieve en overbodige bepaling. Er wordt echter toch voor gekozen deze te behouden met het oog op het waarschuwingsgehalte ervan naar de rechtsonderhorige toe.

‘Ramsargebieden’, waarnaar verwezen wordt In artikel 5.1, 5°, d), 2), worden omschreven in artikel 1.1.

Aan de technische opmerkingen in verband met artikel 14.2 en artikel 14.4 wordt gevolg gegeven.

III. INWERKINGTREDING EN COMMUNICATIE

In beide besluiten wordt de inwerkingtredingsdatum voorzien op 1 december 2010. Op die manier wordt maximaal rekening gehouden met het feit dat de gemeenten, die immers de regelgeving op de eerste plaats moeten toepassen en operationaliseren, deze zich eigen kunnen maken en hun organisatie hierop kunnen afstemmen.

Mee gelet op het voorgaande, worden in deze periode zowel de gemeenten als de burger zo goed mogelijk geinformeerd omtrent deze in hoofdzaak nieuwe regelgeving.

Een ruime informatiecampagne zal worden opgezet, via folders, website en andere media.

Een uitgebreide handleiding bij beide besluiten zal verspreid worden en op de website beschikbaar gesteld worden, zodat zowel de burger als de gemeente bij eerstelijnsadvies onmiddellijk een antwoord wordt geboden. De handleiding zal er vooral op gericht zijn om vanuit concrete voorbeelden duidelijkheid te geven.

De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport



Philippe MUYTERS






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina