Verslag hoorzitting 6 februari 2003



Dovnload 45.33 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte45.33 Kb.



Verslag hoorzitting 6 februari 2003



De Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gelijke Kansen besliste op 21 januari 2003 om op 6 februari 2003 een hoorzitting te houden over het verzoekschrift van mevrouw Anne Blondiau over het omgaan met ADHD (Verzoekschrift 22 (2002-2003).
Tevens besliste de commissie op 21 januari 2003 om over het verzoekschrift het standpunt te vragen van mevrouw Mieke Vogels, Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid, Gelijke Kansen en Ontwikkelingssamenwerking. Er werd ook beslist om het standpunt van het Kinderrechtencommissariaat te vragen.

Aan de hoorzitting op 6 februari namen de volgende sprekers deel namens het Centrum Zit Stil :


- mevrouw Anne Blondiau, directeur van het Centrum Zit Stil

- mevrouw Hermine De Backer, psychologe



- mevrouw Rita Bollaert, medewerker ouderteam

Mevrouw Patricia Ceysens, voorzitter : Vandaag horen we mevrouw Anne Blondiau, directeur, mevrouw Hermine De Backer, psychologe en mevrouw Rita Bollaert, medewerker ouderteam van het Centrum Zit Stil over de problematiek van ADHD.
Ik geef nu het woord aan mevrouw Anne Blondiau.
Mevrouw Anne Blondiau, directeur : Wij danken de commissie voor de uitnodiging om gehoord te worden.
Als expertisecentrum en ouderwerkgroep ervaren we dat er een groot zorgtekort is voor de doelgroep ADHD. De vraag naar crisisondersteuning via onze crisishulplijn is in 2002 met 20 percent gestegen. Ook de voorbije jaren was er een stijging. Wij wijten dit aan de lange wachttijden voor diagnostiek en hulpverlening bij erkende diensten. Als ouderwerkgroep hebben we stappen ondernomen om beleidsmensen aan te spreken. We hebben een petitieactie georganiseerd en 13.000 handtekeningen verzameld.
In ons verzoekschrift vragen we dat de doelgroep ADHD als prioritaire doelgroep wordt erkend. Dit zou de toegankelijkheid voor diagnose en behandeling verbeteren, leiden tot terugbetaalbare hulpverlening, mogelijkheden voor thuisbegeleiding, en een betere opleiding voor de professionelen die rond ADHD werken. Voor ons centrum zou dat ook een financiële ondersteuning binnen Welzijn mogelijk maken, en een betere organisatie van onze crisishulp. We organiseren ook contacten met experts, adviesgesprekken met en begeleiding van deskundigen uit de welzijnssector. Daarvoor krijgen we totnogtoe geen financiële ondersteuning. We zouden ook graag worden opgenomen in het Steunpunt voor Expertisenetwerken.
Mevrouw Hermine De Backer, psychologe : ADHD staat voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder of aandachtsstoornis met hyperactiviteit. Het is een internationaal erkende psychische stoornis. We vinden de beschrijving terug in de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) en in de ICD-10 (International Classification of Diseases).
ADHD heeft een neurobiologische oorzaak. Het gaat dus niet om een opvoedingsprobleem, maar wel om een hersendysfunctie. Erfelijkheid speelt een grote rol in het ontstaan van de stoornis.
Barkley, een grote autoriteit terzake, spreekt van een ontwikkelingsstoornis met een organische basis.
Met ontwikkelingsstoornis wordt bedoeld dat de centrale kenmerken gedurende de hele ontwikkeling een rol spelen, en de ontwikkeling zowel op jonge als op volwassen leeftijd tekenen.
In de DSM wordt ADHD teruggebracht tot twee kernproblemen. Enerzijds de aandachtsstoornis, anderzijds het hyperactief en impulsief gedrag. Iedereen heeft wel eens aandachtsstoornissen en hyperactief gedrag, maar niet alle mensen hebben daarom ADHD. Men spreekt pas van ADHD als de kenmerken een zeer hardnekkig patroon vormen, niet van tijdelijke aard zijn, zich vroeg in de ontwikkeling - voor 7 jaar - manifesteren en leiden tot disfuncties in verschillende contexten.
De DSM onderscheidt drie subtypes : het subtype dat vooral last heeft van aandachtstoornissen, het subtype dat vooral hyperactief en impulsief gedrag vertoont en het gemengde type.
In de ICD-10 spreekt men van een hyperkinetische stoornis en duidt men dezelfde twee kernproblemen aan, met name aandachtstoornissen en overactiviteit. Men onderscheidt hier enkel het type waar beide kernproblemen aanwezig zijn.
Men zou de gedragskenmerken bij ADHD op een continuüm kunnen plaatsen, met aan één uiteinde de rustige kinderen, verderop temperamentvolle kinderen, en vanaf een bepaald ogenblik zijn de kenmerken zo hardnekkig dat men van de stoornis ADHD spreekt. De hyperkinetische stoornis ligt dan op het einde van het continuüm. Het is de meest extreme vorm van de stoornis. Deze vorm gaat het vaakst gepaard met andere ontwikkelingsstoornissen of andere problematieken.
ADHD komt volgens de DSM-criteria bij 3 tot 5 percent van de kinderen op lagere schoolleeftijd voor. Dit betekent gemiddeld één leerling per klas. ADHD is een van de meest gestelde diagnoses in de hulpverlening. Op volwassen leeftijd heeft 1 tot 2 percent van de bevolking ADHD. Met de meest extreme vorm van ADHD (prevalentie op basis van ICD-criteria) wordt 1 tot 2 percent van de bevolking geconfronteerd. Voor België zijn er geen prevalentiecijfers. De Europese en internationale cijfers worden wel onderschreven door de professoren M. Danckaerts en H. Roeyers.
Wat is de impact van ADHD ? ADHD hypothekeert het eigen functioneren in diverse contexten. Het houdt ook een aanzienlijk risico in op bijkomende problematieken. 50 percent van de kinderen met ADHD ontwikkelt bijkomende gedragsstoornissen. ADHD belast ook het functioneren van het gezin. Er ontstaat extra stress, die ook de kans op inadequaat opvoedingsgedrag verhoogt. Ouders krijgen ook vaak geestelijke gezondheidsproblemen, relatieproblemen, depressie. Tal van gezinnen raken geïsoleerd.
Er zijn ook gevolgen op school en op het werk. Men ziet vaak een onderpresteren, twaalf stielen en dertien ongelukken.
Daarnaast zijn er ook problemen in de vrije tijd en gedrags- en relationele problemen.
Wat de prognose betreft, moet men beseffen dat ADHD een chronische ziekte is, die het hele leven aanwezig blijft. De prognose is wel afhankelijk van het moment van ontstaan van de stoornis. Hoe vroeger de kenmerken aanwezig zijn, hoe slechter de prognose. De prognose is ook afhankelijk van de ernst. Hoe jonger er agressief gedrag optreedt, hoe slechter de prognose. De prognose is ook sterk afhankelijk van de begeleiding. Hoe beter de begeleiding, hoe beter de prognose. In elk geval bestaat er een grote kans op vroegtijdig schoolverlaten, agressief en delinquent gedrag en middelenmisbruik.
Recent werden een aantal belangrijke onderzoeken gedaan door R. Vermeiren bij delinquente jongeren. 52 percent van de delinquente jongeren vertoont een antisociale gedragsstoornis. 20 percent van de delinquente jongeren beantwoordt aan de diagnostische criteria voor ADHD.
Ook de onderzoeken van Taylor en Kooij rond middelenmisbruik tonen aan dat 10 tot 20 percent van de kinderen met ADHD later met middelenmisbruik worden geconfronteerd.
ADHD is een klinische diagnose, die gesteld wordt op basis van observeerbaar gedrag. Er bestaat geen enkele test die uitsluitsel kan geven over ADHD. Wel bestaan protocollen die internationaal aanvaarde richtlijnen geven voor de diagnostiek. Helaas zijn deze bij veel professionelen onvoldoende bekend. De twee belangrijkste pijlers in de diagnostiek zijn het klinisch interview met de ouders en het klinisch interview met de leerkracht. Hier wordt het gedrag geanalyseerd, alternatieve verklarende diagnoses uitgesloten en bekeken of het niet gaat om een opvoedingsprobleem. Daarnaast zijn belangrijk : het kinderpsychiatrisch onderzoek, de familiale anamnese, gedragsvragenlijsten, observatie, testen, klinisch en neurologisch onderzoek. Wie het protocol goed wil doorlopen, moet dit doen vanuit een multidisciplinair team. Vooral de klinische ervaring is belangrijk bij de diagnostiek. De klinische vorming van heel wat praktijkwerkers is helaas ontoereikend. Destijds trachtte het Centrum Zit Stil deskundigen rond de tafel te brengen rond de uniformisering van het protocol voor de diagnostiek. Huisartsen en CLB's kunnen de diagnose niet stellen. Dit neemt niet weg dat ze geen belangrijke bijdrage kunnen leveren tot de diagnostiek.
Bij de behandeling van ADHD spelen een aantal facetten een belangrijke rol. Een eerste facet is de psycho-educatie of voorlichting aan ouders, omgeving en betrokkenen zelf; Een tweede facet is de medicatie, in eerste instantie de Rilatine. Omwille van zijn vermeende verslavende werking wordt Rilatine vaak in een negatief daglicht gesteld. Er bestaan inderdaad heel wat misbruiken. Sommige artsen gebruiken de medicatie als diagnostisch middel. Dat is zeker niet de bedoeling. De diagnose moet de eerste fase zijn in de behandeling. Een derde facet is het structuuraanbod. Personen met ADHD hebben behoefte aan zeer veel structuur omdat ze er zelf niet toekomen om hun denken en handelen te structureren. Daarnaast is ook de gedragstherapie een belangrijk element in de behandeling. Kinderen wordt een aantal vaardigheden aangeleerd, en ouders en omgeving wordt geleerd om een aantal zaken te coachen en bij te sturen. Meest bekend is de Parent Management Therapy.
Mevrouw Rita Bollaert, medewerker ouderteam : Tientallen ouders dragen al 22 jaar lang als vrijwilliger hun steentje bij tot het lotgenotencontact. Daarnaast zijn er de ouders van 120.000 kinderen en jongvolwassenen met ADHD in Vlaanderen die stil of luidop hopen op een betere toekomst. Zij hebben in de loop van de jaren heel wat vragen verzameld. Ten eerste vragen ze dat er oplossingen komen voor de lange wachtlijsten en wachttijden voor diagnose en begeleiding. Dit vergt een inzet van meer mensen en middelen. Sommige mensen zitten al heel diep in een negatieve spiraal vooraleer een hulpvraag te stellen. Als zij dan nog een half jaar moeten wachten voor een eerste gesprek, is de wanhoop heel dichtbij.
Ook de toegankelijkheid van het zorgtraject moet verbeteren, zowel voor de betrokkenen als voor de omgeving. Dit is belangrijk voor alle leeftijdsgroepen. Nu ziet men vaak dat er voor pubers, jongvolwassenen en volwassenen een schrijnend tekort is aan mensen met ervaring. Een traject ter behandeling van ADHD kost veel geld. Een grote groep kansarme gezinnen heeft hier niet de middelen voor.
Een derde vraag heeft te maken met crisisopvang en thuisbegeleiding. Crisisopvang is momenteel een van de belangrijke bezigheden van het Centrum Zit Stil. Thuisbegeleiding kan een heel belangrijke oplossing zijn in het kader van crisisopvang. Gezinnen kunnen zo individueel en in het thuismilieu worden bereikt op de ogenblikken dat ze het het meest nodig hebben.
Een vierde vraag is om een module ADHD in de opleidingen te voorzien voor mensen die werken met personen met ADHD. We vragen niet dat zij therapeuthisch onderlegd zijn, maar wel dat ze over een basiskennis beschikken over deze ontwikkelingsstoornis, en weten hoe er mee om te gaan. We denken daarbij niet enkel aan de opleiding van leerkrachten, maar ook aan het administratief personeel op scholen, in het volwassenenonderwijs, personeel in internaten, huisartsen, apothekers, mensen in de kinderopvang en het jeugdwerk, bij de opleidingen van de VDAB en op personeelsdiensten.
We hopen dat we in de toekomst, zonder ons eerst te moeten verdedigen, meer begrip en erkenning krijgen zowel van de professionelen als van Jan met de pet.
Tot slot vragen we deze commissie om onze verzoeken voor te leggen en te verdedigen bij de Vlaamse regering.
Mevrouw Marijke Dillen : Ik denk dat ieder onder ons uw verzoek en uw eisen kan bijtreden. Veel van wat u vraagt, behoort wel niet tot de Vlaamse bevoegdheden. U benadrukte meermaals dat de diagnosestelling en de lange wachtlijsten een groot probleem zijn. Dit is te wijten aan het grote tekort aan kinderpsychiaters. Hebt u terzake al acties ondernomen ten aanzien van de federale regering en het federale parlement ?
Het verbaast me dat u zo weinig aandacht besteedt aan het onderwijs. U vraagt wel dat leerkrachten en iedereen die met kinderen en jongeren te maken heeft, wordt opgeleid om de problematiek te leren kennen. Vandaag stelt men vast dat de meeste leerkrachten en scholen die geconfronteerd worden met bijzondere moeilijke en lastige kinderen de problematiek van ADHD niet kennen, en ook niet de wil tonen om de moeite aan de dag leggen om ouders en CLB's te betrekken. Veel ouders willen niet toegeven dat hun kind een fundamenteel probleem heeft.
De onderwijswereld moet meer aandacht hebben voor deze problematiek. Kinderen met ADHD moeten binnen het gewoon onderwijs worden ondersteund. Er bestaan scholen in het Antwerpse waar in het middelbaar per graad een speciale leerkracht wordt aangesteld om dit soort van kinderen te begeleiden. Er zijn ook pakketten maatregelen genomen zoals extra ondersteuning tijdens de middagpauze en na de schooluren. Een andere mogelijkheid is om deze kinderen 20 percent meer examentijd te geven. Zij hebben deze extra tijd nodig om hun examen zonder problemen te kunnen afleggen. Het verbaast me dat dit niet in uw eisenpakket zit. Wat is uw standpunt terzake ? Hebt u zich al tot onderwijsinstanties gericht ? Ik stel in mijn omgeving vast dat helaas slechts een beperkt aantal scholen hier aandacht aan besteedt. De andere kinderen vallen uit de boot, en komen in een negatieve spiraal te recht van slechte schoolprestaties, wat er uiteindelijk toe leidt dat ze de school verlaten en in de werkloosheid terecht komen.
Mevrouw Sonja Becq : Ik zou de sprekers willen danken voor hun helder betoog. Ze hebben de problematiek in zijn verschillende aspecten verduidelijkt. Velen onder ons kennen de problematiek van op afstand, maar weten niet precies wat de problematiek juist inhoudt.
ADHD doet me ook wat denken aan autisme, althans met betrekking tot de problemen inzake diagnosestelling, begeleiding van ouders, scholen en alle betrokkenen.
Heel veel aspecten van de problematiek zijn een federale aangelegenheid. Een aantal andere componenten zijn een Vlaamse aangelegenheid, zoals de erkenning door het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap (hierna het Vlaams Fonds), en het onderwijs. Met betrekking tot het onderwijs werd opleiding van leerkrachten gevraagd. Is dat voldoende ? Is er geen extra omkadering nodig ? Hoe staat u hiertegenover ?
Een van uw eisen is dat ADHD voor het onderwijs wordt geattesteerd, net zoals dat voor dyslexie het geval is. Is dit met het oog op het mogelijk maken van begeleiding in de scholen, zoals dat vroeger voor logopedie het geval was ?
Mevrouw Anne Blondiau, directeur : Ja, dat is inderdaad de bedoeling.
Mevrouw Sonja Becq : Op welke manier wordt uw Centrum momenteel gefinancierd ? Wordt u gefinancieerd voor de opdracht belangenverdediging, of omdat u aan dienstverlening doet ? Is de financiering precair ? Gaat het om vaste middelen ?
Mevrouw Ria Van Den Heuvel : Ik ken de problematiek van ADHD niet vanuit ervaring, maar ik heb me er wel over gebogen. Ik ben ervan overtuigd dat er een politiek antwoord nodig is. Ik heb samen met mevrouw Ann De Martelaer een voorstel van resolutie ingediend over de detectie, begeleiding en behandeling van personen met ADHD (Parl. St. Vl. Parl. 2001-2002, Nr. 1309/1). Een aantal van uw bekommernissen zijn daarin opgenomen. Een mogelijke werkwijze voor de behandeling van het verzoekschrift is dat we dit voorstel van resolutie als uitgangspunt nemen.
In ons voorstel van resolutie besteden we met betrekking tot het onderwijs enkel aandacht aan de noodzaak om in de opleiding kennis over ADHD en andere leer- en gedragsstoornissen mee te geven. Het lijkt me een goed idee om na te gaan of er voor het onderwijs nog andere zaken nodig zijn. Het kan zijn dat ons voorstel te eenzijdig is benaderd vanuit een welzijnsinvalshoek. Hoe kan ons voorstel worden verbreed ?
Hoe tracht u om de bestaande expertise in Vlaanderen bij elkaar te brengen ? In het voorstel van resolutie wordt gevraagd om een kennis- en expertisecentrum uit te bouwen.
Een aantal aspecten zijn inderdaad een federale aangelegenheid. Wel kunnen we de aanbeveling formuleren dat de Vlaamse regering hierover overleg aangaat met de federale regering.
De heer Jan Roegiers : Ik zal het kort houden, vermits de belangrijkste opmerkingen al zijn geformuleerd. Ik heb een aantal jaren les gegeven in het buitengewoon onderwijs aan gedrags- en karaktergestoorden. Ik had regelmatig te maken met kinderen waarvan gedacht werd dat ze ADHD hadden. Misschien kan u ons aangeven hoe we in het voorstel van resolutie aandacht kunnen hebben voor het onderwijs.
Hebt u zicht op het aantal kinderen met ADHD die van het gewoon onderwijs in het buitengewoon onderwijs terecht komen, en daar niet zouden hebben gezeten mocht er op tijd zijn gestart begeleiding ?
Mevrouw Patricia Ceysens, voorzitter : Ik heb met belangstelling naar uw verhaal geluisterd. Bij de oorzaken vind ik de omgeving niet terug. Ik weet niet of het goed is om de omgeving helemaal als oorzaak uit te sluiten. In een Engels onderzoek las ik dat men hoe langer hoe meer ook de voeding van de kinderen gaat bekijken. Kleurstoffen, vooral de E's, zouden invloed hebben. Ik vermoed dat ook dit meespeelt. Pediaters stellen dat ADHD bijna een epidemie aan 't worden is, en dat dit niet uitsluitend kan worden teruggebracht tot neurobiologische oorzaken. Hoe kijkt u hiertegenaan ?
U vraagt ook dat mensen met ADHD als een prioritaire doelgroep worden beschouwd. Deze commissie wordt echter met veel problematieken geconfronteerd, zoals bijvoorbeeld autisme. Ook daar spreekt men van een spectrum, en van een diagnose die niet altijd meteen duidelijkheid biedt. We worden ook regelmatig aangesproken over CVS (chronisch vermoeidheidssyndroom). Ook hier zijn de oorzaken nog niet echt duidelijk. U moet begrijpen dat als wij een doelgroep als prioritair beschouwen, dat altijd in het nadeel van een andere doelgroep is.
Wat is uw ervaring met de eerstelijnshulpverlening ? Kind en Gezin bereikt bijna alle kinderen die in Vlaanderen geboren worden. Gebeurt daar al een eerste detectie ? Zij volgen de kinderen toch tot drie jaar. Daarna nemen het onderwijs en de CLB's de opdracht van Kind en Gezin over. Wat is uw ervaring met de CLB's ? U spreekt van thuisbegeleiding, maar dan gaat het al over tweedelijnshulpverlening, vermits men geen rechtstreekse toegang heeft tot deze hulpverlening en door de toegangspoort moet van het Vlaams Fonds of de bijzondere jeugdzorg. Hoe komt het dat een aantal mensen met ADHD een beroep doen op tweedelijnshulp ? Hebben zij dan een erkenning van het Vlaams Fonds ? Zij moeten dan toch een erkenning hebben als persoon met een handicap. Wat is uw opvatting over deze erkenning als persoon met een handicap ? Hoe kan men thuisbegeleiding krijgen zonder door een toegangspoort te zijn gegaan ?
Mevrouw Anne Blondiau, directeur : Ikzelf zal de beleidsmatige vragen beantwoorden.
Ons centrum wordt in het kader van educatie voor 2,5 FTE gesubsidieerd door het departement Volksontwikkeling. In ons centrum werken 11 FTE. De andere mensen worden betaald via tewerkstellingsmaatregelen zoals de sociale maribel. Er zijn ook ex-DAC'ers en Gesco's. Financieel is onze toestand vrij moeilijk.
Mevrouw Sonja Becq : Het decreet wordt nu gewijzigd. Komt u hierdoor in moeilijkheden ?
Mevrouw Anne Blondiau, directeur : Momenteel hebben we een erkenning als dienst. We gaan die erkenning verliezen. Vraag is of we nu voor beweging moeten kiezen. In dat geval zullen er zeker problemen komen, want we weten niet of dat kan blijven duren. Beweging is nogal onzeker. We hebben gelezen dat er amendementen rond een bepaalde federatie komen, maar inhoudelijk weten we nog niet waarover het gaat. Dit is voor ons een heel groot vraagteken.

Er werd gevraagd welke stappen we al hebben gezet ten aanzien van andere beleidsniveaus. In 2001 hebben we ons gericht tot minister Vandenbroucke in verband met de lange wachtlijsten en de diagnostiek. In augustus 2002 zijn we uitgenodigd op het kabinet van minister Tavernier. We zijn nu ook een gesprek aangegaan met de ziekenfondsen over de Riziv-conventie, de revalidatiecentra en de twee jaar terugbetaalbaarheid. Tot het federale parlement hebben we ons nog niet gericht.


Ten aanzien van het onderwijs hebben we al zeer veel stappen gezet, onlangs nog rond het inschrijvingsrecht, dat problemen kan stellen voor kinderen met ADHD. We hebben ons ook verenigd in het Ouderplatform voor leer- en ontwikkelingsstoornissen. We werden hiervoor op 25 oktober 2002 uitgenodigd bij de minister voor Onderwijs. De minister heeft ons daarop geantwoord dat ze binnen de zorgverbreding vanaf september 2003 bepaalde maatregelen zou kunnen nemen.

We werken ook heel nauw samen met deskundigen inzake ADHD, onder meer met de professoren dr. Danckaerts, dr. Roeyers en dr. Antrop, dr.Hellemans. Zit Stil organiseerde vorige vrijdag een intervisie samen met hen over een mogelijk protocol voor de diagnostiek ADHD.


We hebben ook een samenwerkingsovereenkomst afgesloten met Stichting Kinsbergen, COS & CGVB in Wilrijk, omdat we zelf niet aan diagnostiek doen. Dit is een pilootproject dat sinds vorig jaar loopt, en waarbij ook een centrum voor geestelijke gezondheidszorg betrokken is.

Mevrouw Hermine De Backer, psychologe : Bij de oorzaken van ADHD heb ik vooral gewezen op de hersendysfunctie en op de erfelijkheidsfactor. In wetenschappelijke kringen worden deze twee oorzaken momenteel als bewezen aangenomen, wat niet wegneemt dat omgevingsfactoren totaal onbestaande zouden zijn. Men neemt aan dat de oorzaak van ADHD neurobiologisch is, maar dat het verloop van de stoornis beïnvloed wordt door andere factoren, zoals de opvoeding, eventueel voeding en andere factoren. Deze factoren worden momenteel wel niet aanvaard als oorzakelijke factor.
Mevrouw Marijke Dillen : Het is toch bewezen dat het probleem aan de hand van een bepaald dieet aanzienlijk vermindert. Dit wijst er toch op dat niet enkel een hersendysfunctie en erfelijkheid aan de basis van ADHD liggen, maar ook de voeding.
Mevrouw Sonja Becq : U zei dat structuur geven heel belangrijk is bij de behandeling. Hetzelfde geldt bij autisme. Heeft dit te maken met een algemeen klimaat ? Vroeger was alles veel gestructureerder. Speelt dit mee ? Ik wil hier zeker niemand stigmatiseren.
Mevrouw Ria Van Den Heuvel : Kan ADHD beschouwd worden als een beschavingsziekte, die verband houdt met een andere opvoeding en andere eetgewoonten ?
Mevrouw Marijke Dillen : Ik denk niet dat het hier om een beschavingsfenomeen gaat. Het grotere aantal vaststellingen van ADHD is volgens mij het gevolg van een grotere aandacht voor deze problematiek. Vroeger werd niet zoveel aandacht besteed aan deze kinderen. Zij belandden gewoon in het buitengewoon onderwijs, en daarmee was de kous af.
Mevrouw Hermine De Backer, psychologe : Wij zijn van oordeel dat het niet gaat om een beschavingsfenomeen. ADHD is een internationaal erkende psychische stoornis. Voor de diagnostiek van de stoornis is het niet alleen belangrijk dat het gedragsprofiel in kaart wordt gebracht, maar ook dat het opvoedingsprofiel in kaart wordt gebracht, dit om omgevingsfactoren en andere diagnoses uit te sluiten. Er zijn inderdaad een heleboel kinderen die druk en impulsief gedrag vertonen en concentratiestoornissen hebben, bijvoorbeeld als gevolg van een hyperallergie. Dit is wel geen ADHD. Voor deze kinderen kan een dieet wel een goede remedie zijn. Een goede diagnostiek door specialisten is dan ook van essentieel belang.
Een diagnose kan betrouwbaar worden gesteld vanaf de leeftijd van zes, zeven jaar. Pas vanaf die leeftijd krijgen kinderen een betere controle over hun denken en handelen. Dit betekent niet dat er voordien geen risico's kunnen worden gesignaleerd, en dat deze kinderen nog niet kunnen worden gevolgd. Hier ligt een heel belangrijke taak voor huisartsen, Kind en Gezin, kinderopvang. Een aantal van deze jonge kinderen hebben al regulatieproblemen. Deze factoren kunnen een risico signaleren. Het is belangrijk dat deze kinderen goed worden gevolgd, en dat er rond de leeftijd van zes, zeven jaar een goede diagnose wordt gesteld.
De heer Jan Roegiers : Heb ik het goed begrepen dat weinig structuur geen oorzaak is van ADHD, maar dat iemand met ADHD wel nood heeft aan veel structuur ?
Mevrouw Sonja Becq : Ik heb niet beweerd dat een gebrek aan structuur de oorzaak is van ADHD. Ik ken ook goed gestructureerde gezinnen met een kind met ADHD. Ik bedoelde dit algemener. We moeten niet direct denken aan oorzaak en gevolg. Wel wordt in een gezin dat gestructureerd is, op een andere manier omgegaan met dezelfde stoornis. De stoornis is daar waarschijnlijk minder zichtbaar.
Mevrouw Hermine De Backer, psychologe : Het is inderdaad zo dat het gebrek aan structuur niet de oorzaak is van ADHD. Het gebrek aan structuur binnen een gezin of een ruimere omgeving kan uiteraard het verloop van de stoornis beïnvloeden. Kinderen met ADHD die opgroeien in een chaotisch milieu, zullen hiervan uiting geven in hun gedrag. Ook in de schoolcontext ziet men dat de structuur het verloop van de stoornis bepaalt. Kinderen of jongeren met ADHD die terechtkomen bij een zeer gestructureerd werkende leerkracht met voldoende kennis over de vereiste aanpak van deze stoornis, scoren wat beter. Het is algemeen aanvaard dat ADHD contextgevoelig is.
Mevrouw Ria Van Den Heuvel : Het is belangrijk dat we uitgezuiverd rond ADHD werken. Ik vermoed dat er ouders zijn die heel snel denken dat hun kind ADHD heeft, zich aandienen bij de huisarts, die niet bepaald deskundig is, en dan Rilatine voorschrijft om de diagnose te stellen. Gebeurt dit ? Dit sluit aan bij de veronderstelling dat er veel te snel aan ADHD wordt gedacht, en dat ouders die niet meer weten hoe om te gaan met een levendig kind, deze diagnose te snel wensen te laten stellen.
Mevrouw Hermine De Backer, psychologe : Als de wachttijden zodanig groot zijn dat mensen hopeloos in de problemen geraken met hun kind, zullen zij zoeken naar alternatieve pistes. Het zorgtekort kan aanleiding geven tot misbruiken, of ze in stand houden. Voor ons is een degelijke multidisciplinaire diagnose door specialisten de eerste stap in elke behandeling. Dit vraagt natuurlijk ook een goede toegankelijkheid van de diagnostiek. De eerstelijnswerkers kunnen een belangrijke bijdrage leveren tot de screening en het diagnostische werk. De uiteindelijke diagnose moet wel door een specialist worden gesteld.
Mevrouw Anne Blondiau, directeur : Er werd hier een vergelijking gemaakt met autisme, maar die groep krijgt wel thuisbegeleiding, en is erkend als handicap. Zij staan veel verder dan personen met ADHD. Gezinstherapie is vrij duur en personen met ADHD krijgen dit niet terugbetaald. Dit is een Vlaamse materie.
Mevrouw Sonja Becq : Ik maakte de vergelijking met autisme, omdat ook deze groep heeft geijverd voor een eigen voorstel van resolutie, om van daaruit aandacht te kunnen vragen voor de aspecten in verband met onderwijs en de diagnosestelling.
Mevrouw Patricia Ceysens, voorzitter : Mijn vraag over de toegangspoort blijft nog onbeantwoord. Zijn er mensen met ADHD die via de toegangspoort van het Vlaams Fonds in de hulpverlening zijn terecht gekomen ?
Mevrouw Hermine De Backer, psychologe : Ik denk dat door een toegangspoort gaan, heel moeilijk is in het geval van ADHD. ADHD wordt immers nog te veel beschouwd als een beschavingsziekte of een opvoedingsprobleem, terwijl het echt wel gaat om een psychische stoornis die de hele ontwikkeling tekent en raakvlakken heeft met onderwijs, gezin, enzovoort. De problematiek wordt nog niet voldoende als stoornis erkend, wat een aantal toegangspoorten gesloten houdt.
Mevrouw Patricia Ceysens, voorzitter : U sprak toch van thuisbegeleiding ? Dat betekent toch dat er mensen met ADHD zijn die door een toegangspoort zijn gegaan ?
Mevrouw Hermine De Backer, psychologe : Ja, een heel beperkte groep maakt gebruik van thuisbegeleiding. Zij gaan door de toegangspoort van het Vlaams Fonds. De mensen die door de toegangspoort van het Vlaams Fonds gaan, zijn meestal wel de hele extreme gevallen, waar ook een samenhang is met andere ontwikkelingsstoornissen. Toen wij het over thuisbegeleiding hadden, was dat wel een vraag om dit in de toekomst meer mogelijk te maken.
Mevrouw Patricia Ceysens, voorzitter : Als u ervoor pleit dat mensen met ADHD via het Vlaams Fonds gebruik kunnen maken van het hulpaanbod, dan pleit u eigenlijk voor een erkenning van ADHD als handicap ?
Mevrouw Hermine De Backer, psychologe : ADHD moet inderdaad als een handicap worden beschouwd, vermits deze stoornis met alle daarmee verbonden problematieken de sociale integratie ernstig beperkt.
Mevrouw Ria Van Den Heuvel : Op dit ogenblik is het nog niet duidelijk of ADHD in alle gevallen moet worden beschouwd als een handicap. Het zou wel zinvol zijn om te onderzoeken of dat voor de ernstigste gevallen aangewezen is.
Mevrouw Hermine De Backer, psychologe : Binnen onze visie past de meest extreme groep binnen de groep 'personen met een handicap'. Voor mensen met een mindere extreme vorm van ADHD houden we het op een psychische stoornis, die uiteraard zorg veronderstelt om risico's in te dijken.
Mevrouw Rita Bollaert, medewerker ouderteam : Ik wil nog even terugkomen op de voeding. De laatste maanden verschijnen regelmatig artikels in de pers over ADHD. Reactie daarop is vaak dat het de schuld van de ouders is, die hun kinderen drie liter cola per dag geven. Het Centrum wil heel voorzichtig zijn met dergelijke beweringen, omdat er nog niets bewezen is. We raden de mensen ten eerste aan om voorzichtig te zijn, want alternatieve therapieën zijn ontzettend duur. Ten tweede gaan intussen kostbare jaren verloren. Wij vragen onderzoeksresultaten voor al wat voeding betreft, en die krijgen we niet. Ouders ondervinden soms dat een bepaald dieet, bijvoorbeeld met minder suiker, wel helpt. Wat steeds blijkt is dat ze winst boeken op een van de symptomen, met name het symptoom van het hyperactieve gedrag. Een vorm van 100 percent onrust kunnen zij laten dalen tot bijvoorbeeld 25 percent onrust. Dit is inderdaad een grote winst. ²
In Nederland liep een onderzoek waarbij kinderen enkel rijst, kalkoen, peer en sla eten. Volgens krantenartikels zouden 60 percent van de kinderen hier baat bij hebben. Een grote Nederlandse deskundige inzake ADHD heeft de mensen aangemaand om voorzichtig te zijn met dit onderzoek, omdat er geen controlegroep was voor het onderzoek. Bovendien ging het maar om 24 kinderen. We moeten zeker vermijden dat mensen zelf gaan experimenteren met de voeding. We moeten ook onderzoek blijven stimuleren, zodat er duidelijkheid komt.
Wat het onderwijs betreft, is het in 2003 nog steeds zo dat zowel de kinderen in de scholen als hun ouders zeer sterk afhankelijk zijn van de goodwill van de school en de leerkrachten. Zo hebben kinderen geluk als ze bij een bepaalde leerkracht in de klas zitten, en pech als ze bij een andere zitten. Deze situatie is niet langer aanvaardbaar. Deze goodwill is dus afhankelijk van individuele leerkrachten, die zelf de stap moeten zetten om informatie over ADHD in te winnen. Er zijn trouwens al heel veel leerkrachten bij ons langsgekomen voor vorming en training. Daarnaast is er ook de goodwill van schooldirecties. Voor veel schooldirecties bestaat ADHD niet. Dat is vandaag de dag een zware discriminatie.
Wij vragen inderdaad opleiding voor iedereen die in het onderwijs staat. We zijn overtuigd van het belang hiervan, omdat dit de houding van de meer dan 100.000 leerkrachten kan veranderen. Nu zeggen zij vaak dat het lastige kinderen zijn. We moeten hen laten inzien dat het gaat om kinderen met een psychisch probleem. Wie dat inziet, kan de kinderen beter aan, en kan op zoek gaan naar oplossingen.
Mevrouw Sonja Becq : Er wordt wel al heel veel gevraagd van de leerkrachten. Daarnaast lijken me ook nog andere maatregelen nodig.
Mevrouw Rita Bollaert, medewerker ouderteam : We zijn daar ook rond bezig. Zo vragen we dat er in het schoolurenpakket ruimte is voor ondersteuning van de kinderen en de leerkrachten, en voor communicatie met de ouders. We vragen zeker niet dat de leerkrachten therapeutisch zouden gaan werken. We vragen wel dat ze een basiskennis hebben, zodat ze problemen kunnen signaleren. Ze moeten ook een rudimentaire kennis hebben over hoe ADHD aanpakken. Er zijn leerkrachten die kinderen met ADHD tientallen pagina's straf laten schrijven. Dat is totaal zinloos, en zelfs vragen voor een escalatie van de problemen.
Mevrouw Marijke Dillen : Heb u er zicht op hoeveel scholen deze problematiek gestructureerd aanpakken, waar per graad speciale leerkrachten worden aangesteld, waar een permanente samenwerking is met kinderpsychiaters en therapeuten ?
Mevrouw Rita Bollaert, medewerker ouderteam : We beschikken over veel te weinig dergelijke cijfers. Ook cijfers over de overgang naar het buitengewoon onderwijs zijn niet voorhanden. We zouden dan ook graag hebben dat er voor ADHD een attestering komt. Dan zouden alle scholen rekening moeten houden met de problematiek. Daarmee zou er ook een uitzuivering kunnen komen van mensen bij wie ADHD wel degelijk is gediagnosticeerd, en mensen die ADHD als een excuus gebruiken. Een attestering zal in het voordeel zijn van hen die echt ADHD hebben.
Mevrouw Hermine De Backer, psychologe : We vragen een extra inspanning van leerkrachten maar daarnaast vragen we ook structurele maatregelen. Men kan niet van een leerkracht verwachten dat die een kind individueel begeleidt, dit zou wel kunnen binnen de school als daartoe mensen worden opgeleid.
Mevrouw Patricia Ceysens, voorzitter : We vragen het standpunt van de minister en van het Kinderrechtencommissariaat over dit verzoekschrift. Wanneer het standpunt en het advies zijn uitgebracht, hernemen we het verzoekschrift voor bespreking in deze commissie.

De voorzitter, De verslaggever,
Patricia CEYSENS Ria VAN DEN HEUVEL

Sonja BECQ



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina