Verslag Platform Ecologisch Herstel Meren 11 maart 2008 bij wur wageningen



Dovnload 63.67 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte63.67 Kb.

Verslag Platform Ecologisch Herstel Meren 11 maart 2008 bij WUR Wageningen.


Opkomst: 66 deelnemers vanuit beheerders, onderzoekers, bureaus en kennisinstituten

Opening/mededelingen Guido Waajen WS Brabantse Delta

Vanuit de klankbordgroep de mededeling dat Mike Lurling (WUR) Herman Gons opvolgt als lid van de klankbordgroep. Martin Scheffer (gastheer WUR) heet de aanwezigen welkom en vertelt een en ander over het gebouw waarin we ons bevinden en de projecten die door de WUR uitgevoerd worden en een link hebben met ecologisch herstel meren.


Effect van global change op de interactie tussen ondergedoken en drijvende waterplanten


Jordie Netten

Aquatische Ecologie en Waterkwaliteitbeheer – Wageningen Universiteit (WUR)
Opwarming en eutrofiëring zijn de meest bekende variabelen van global change. Iedereen weet dat momenteel de aarde opwarmt en modelstudies (IPCC, 2007) wijzen richting een opwarming tussen de 1.1°C en 6.4°C voor de 21ste eeuw. De komende vijftig jaar zullen een toename hebben van 0.1°C per decennium. Ook weet iedereen dat door menselijk toedoen de nutriëntenconcentraties in ecosystemen zijn toegenomen. Beide variabelen leiden tot een verandering in de structuur en het functioneren van ecosystemen (e.g. Walther et al., 2002) waaronder aquatische ecosystemen. Iets wat mogelijk kan gebeuren is het verschuiven van de soortendominantie. Mijn onderzoek richt zich met name op de interactie tussen ondergedoken planten en (vrij) drijvende planten. De vraag die ik door mijn onderzoek probeer te beantwoorden is: Zal global change leiden tot een dominantie van drijvende planten?

De interactie tussen ondergedoken en drijvende waterplanten kan uitgelegd worden aan de hand van alternatieve evenwichten (Scheffer et al., 2003). In een heldere en nutriëntenarme situatie (evenwicht 1) wordt het systeem gedomineerd door ondergedoken waterplanten. Met toenemende troebelheid en nutriëntenconcentratie wordt de draagkracht van een systeem verlaagd, waardoor de kans op een verschuiving naar een andere toestand (e.g. phytoplankton of drijvende planten) toeneemt. Als het systeem verschoven is naar een met drijvende planten gedomineerde situatie (evenwicht 2) is het lastig om terug te keren naar de vorige toestand (hysterese). Vanuit een meer ecologische benadering weten we dat drijvende planten lichtlimiterend werken op ondergedoken planten en dat ondergedoken planten nutriëntenlimiterend werken op drijvende planten. Beide plantentype voorzien in hun eigen dominantie door de ander te beperken. Als een systeem zo eutroof is dat ondergedoken niet meer nutriëntenlimiterend werken zien we drijvende planten dominantie.

Er wordt verondersteld dat met een toename in temperatuur (met een optimum) alle planten het beter zullen doen. Maar als er een laag met drijvende planten boven op de waterlaag ligt, in hoeverre zullen de onderliggende planten nog voordeel van de hogere temperatuur ondervinden? Onder zo’n drijvende plantenlaag is het namelijk koeler dan dat het normaliter zou zijn. Mijn theorie is dat drijvende planten als eerste toegang hebben tot de toename van temperatuur met klimaatsverandering en dat ze daardoor sneller zullen groeien. Hierdoor zullen zij eerder destructieve gevolgen hebben op het onderwaterleven. De groeisnelheid wordt hierbij ook nog bepaald door de nutriëntenconcentratie in het water. Om deze theorie te testen heb ik een mesocosm-experiment (lees: grote emmers met sediment, water en planten) gedaan naar de effecten van temperatuur, nutriënten en initiële plantdichtheid op de interactie tussen ondergedoken en drijvende planten. Initiële plantdichtheid is meegenomen om de invasieve potentie van beide plantentypes te bestuderen.

Voor dit experiment van +/- 70 dagen gebruikte ik vijf verschillende nutriëntenbelastingen (0.05 gP/m2/jaar + 0.3 gN/m2/jaar tot 5.0 gP/m2/jaar + 30 gN/m2/jaar), drie verschillende initiële dichtheden (10% Elodea nuttallii + 90% Salvinia natans; 50% Elodea + 50% Salvinia; 90% Elodea -10% Salvinia) en twee temperaturen (zonder en met open-top chamber). Uitkomsten van dit experiment bevestigen de gestelde theorie. De drijvende plant Salvinia natans wordt een sterkere tegenstander voor de ondergedoken plant Elodea nuttallii bij klimaatsveranderingen (opwarming en eutrofiëring). Dichtheid van de een stuurt de groei van zichzelf én van de ander.

Dus voor de toekomst is er een grotere dominantie van drijvende waterplanten te verwachten. Ook het risico voor invasieve drijvende planten soorten neemt toe, omdat zij door hun ecologie het beste in staat zullen zijn zich te verspreiden, binnendringen, koloniseren en competeren in het verstoorde systeem. Management moet gericht zijn op de preventie van drijvende planten dominantie door landelijke/Europese verordeningen en op interdisciplinair onderzoek door verschillende partijen (onderzoek, beheer, beleid).

Discussie:

??Heb je ook gecontroleerd of in de afgelopen 25 jaar een toename aan drijvende waterplanten is waargenomen door de beheerders als gevolg van de temperatuursstijging? >>Vanuit de zaal laat Theo Claassen weten dat Herman van Dam alle opnames van de afgelopen 25 jaar op een rij heeft gezet en daar eerder een afname in ziet dan een toename, dit als gevolg van de nutrientenafname.

?? Verwacht je in een groot meer ook toename van de drijvende waterplanten?>>Nee, door de windwerking krijgen ze op een groot meer alleen in de oeverzone een kans

?? Doe je ook experimenten met andere planten dan de genoemde twee, er zijn grote verschillen in N-opname in planten.>>In het labexperiment gaan we planten met verschillende N-opname en gevoeligheid voor ammoniak gebruiken

!! Tip: Limnodata bevat zeer heterogene data, je zult eerst moeten harmoniseren en dat is voor waterplanten moeilijk omdat er meestal alleen codes instaan. Beter is het de beheerders te intervieuwen zoals we hier aan ht begin van de discussie ook hebben gedaan

De waterbodem als bezinkput


Joop Harmsen WUR

Lezing invoegen

Discussie

!! Tip: n.a.v. het voorgestelde “laten liggen” “opruimen” schema wat uitgaat van als het goed gebonden is kun je het laten liggen de volgende opmerkingen: In een dynamisch systeem zoals wateren vaak zijn is het laten liggen van “gebonden verontreiniging”geen goede optie, als de zuurgraad of iets anders veranderd heb je kans dat het alsnog vrijkomt en voor problemen zorgt.

>> Belangrijkste gevaar is dat het grondwater zakt waardoor de metalen gemobiliseerd worden. Het grootste probleem met sulfide is dat zodra er zuurstof bijkomtmetalen in toxische gehaltes vrij kunnen komen

?? Vind je het afdekken van een verontreinigde bodem met schoon materiaal een goede optie? >> Praktisch gezien wordt er vaak geconstateerd dat het verontreinigd is en opgeruimd moet worden maar gebeurt er vervolgens niks, dan is afdekken een betere optie dan niks doen.

Presentatie boek "Van helder naar troebel ..... en weer terug" Bas van der Wal STOWA presenteert het boekje dat gemaakt is naar aanleiding van het verschijnen van een OBN rapport, het rapport is als pdf op cd opgenomen in de voorkaft van het boek en in de achterkaft is een korte samenvatting gerealiseerd. Het eerste exemplaar wordt onder applaus uitgereikt aan nico Jaarsma die er veel tijd ingestoken heeft

Impact of climatic change, decreased sulphur and nitrogen deposition, and restoration measures on chemistry and diatom assemblages of Dutch moorland pools
Herman van Dam1, Adrienne Mertens2 and Emiel Brouwer3
1Consultancy for Water and Nature, PO Box 37777, NL-1030 BJ Amsterdam, herman.vandam@waternatuur.nl

2Grontmij | AquaSense, PO Box 95125, NL-1090 HC Amsterdam, adrienne.mertens@grontmij.nl

3B-WARE Research Centre, Radboud University, P.O. Box 9010, NL-6500 GL Nijmegen, e.brouwer@ocbw.nl

In the Netherlands some thousands of moorland pools are present. These small and shallow oligo- to mesotrophic soft water lakes are widely distributed on non-calcareous, sandy soils. They have a high value for nature conservation.

Annual measurements of chemistry and diatom species composition were performed in 3 moorland pools from 1978 up to 2006. Additionally 8 pools were sampled every fourth year over the same period. Diatom data from the 1920s were also available. In total we inspected 321 diatom samples. Not only the recovery from acidification by atmospheric acid deposition, but also the increase of average temperature by 1.8 oC has a large influen­ce on biogeochemical processes.

Sulphate concentrations decreased on average with 4.8 mmol m-3 y-1- which is large in comparison with other European countries - and peaked after dry years. Ammonium decreased from 34 to 6 mmol m-3, particularly after 1990; much more than can be expected from the decrease in deposition, probably due to the increased water temperature. Recently, phosphate increased by enhanced decomposition of organic material during sulphate reduction and denitrification.

Around 1920 target species from weakly buffered water (e.g. Navicula leptostriata, Anomoeoneis vitrea f. lanceolata) accounted for 25% of the relative abundance (r.a.), while the acidification indicator Eunotia exigua was rare (1%). In 1978 the average r.a, of the latter taxon had increased to 58%, at the expense of the target species (10%) and trivial species from acid waters, like E. bilunaris and Frustulia saxonica. E. exigua decreased to 6% in 2006. Not only the target species increased but also a group of taxa (including E. naegelii, E. nymanniana, E. meisteri and Navicula mediocris), which seems to be well adapted to the eutrophic, but acid environment.

A second project was intended to find out the effects of restoration measures (dredging and/or inlet of weakly buffered surface- or groundwater and/or increase of water level) in 17 moorland pools, which were carried out between 1986 and 1996. Diatom samples were available from cores, old reference material (1916-1963), the impacted situation (acidified, eutrophied, or desiccated) prior to the restoration measures and short thereafter, and finally 10-15 years after the measures. In total 299 taxa were recorded in 179 samples. In the cores and reference samples we found many target species, which were much less abundant in the samples from short before the measures. In the beginning of the 20th century quite a lot of eutraphentic species were present also (some of the pools were used as fish ponds). After restoration the abundance of target species increased again, along with a number of species from acid waters (e.g. the group around Navicula subtilissima). So the former situation is not reproduced by the restoration measures.

Discussie:

!! Tip: Je maakt je druk over afname van ammonia maar je soorten zijn gek op ammonium dus je hoeft je daar niet zo druk over te maken

?? Wat bedoel je met duurzaamheid, je hebt het over vennen, die continue veranderen is duurzaam de oude toestand vasthouden? >> Nee in dit geval betekent duurzaamheid niet terug naar de oude toestand maar wel behoud van kenmerkende vensoorten

?? Je hebt het over onkkruidsoorten, deze zorgen echter wel dat de EKR omhoog gaat, hoe zit dat? >> 5 jaar geleden toen de maatlat gemaakt werd dachten we dat het doelsoorten waren maar door dit onderzoek is duidelijk geworden dat het onkruidsoorten zijn, eigenlijk moet de matlat aangepast worden aan de huidige stand van kennis.


De Bergse Plassen – Van troebel naar helder…en nooit meer terug

Tessa van der Wijngaart, stagiaire STOWA


De Bergse Plassen, gelegen in het stedelijk gebied in Rotterdam, bestaan uit de Achterplas en de Voorplas. De plassen zijn ontstaan door ontvening en hebben een gemiddelde diepte van twee meter. De plassen worden gebruikt voor recreatie vanuit boten, visactiviteiten en het doorvoeren van water van de aangelegen polders naar de Rotte. De doorlooptijd van het water is ongeveer een jaar. Het peil van het water fluctueert weinig, circa 2 cm.

De problemen die werden geconstateerd bij de Bergse Plassen waren verontreiniging van de bodem met zware metalen en PAK, troebelheid van het water door hoge voedselrijkheid en biologische onbetrouwbaarheid gedurende sommige tijden van het jaar. Deze problemen waren veroorzaakt door ongezuiverde lozingen van afvalwater voor 1955 en daarna door gezuiverd water dat nog steeds veel nutriënten bevatte. Dit afvalwater wordt nu naar een andere afvalwaterzuiveringsinstallatie geleid. Daarnaast is het water dat vanuit de polders wordt ingepompt een aantal keer per jaar belast met overstorten vanuit het riool. Een andere oorzaak van de problemen was dat de recreatiehuisjes op de Achterplas tot voor kort hun afvalwater direct op de plas loosden.

Het doorzicht in de plassen was erg laag, ongeveer 20 cm. in de zomer, vooral door de grote hoeveelheid algen. De bodem was nu de grootste bron van fosfaat doordat deze jarenlang was opgeladen met nutriënten. De bodem van de Achterplas bevatte 10 g P/kg ds. en de Voorplas 4 g P/kg ds. De bodem in de Achterplas was geclassificeerd als klasse 3 en 4 en de Voorplas klasse 2 door verontreiniging met zware metalen en PAK. Er was een grote hoeveelheid aan vis, wel 600 kg/ha, voornamelijk brasem. Er waren geen ondergedoken waterplanten en weinig oevervegetatie.

Verschillende maatregelen zijn genomen met als doel het verbeteren van de kwaliteit van het water. Eerst is de hele Achterplas en een klein deel van de Voorplas gebaggerd. Niet al het slib is verwijderd omdat dit zou kunnen resulteren in het uitbreken van veen en inzakking van de kanten. De hele Achterplas is vervolgens afgedekt met zand door het zand heel voorzichtig te laten bezinken op het slib dan wel veen. De recreatiehuisjes op de Achterplas zijn aangesloten op de riolering en het inlaatwater wordt gedefosfateerd door middel van ijzerchloride. Actief Biologisch Beheer is toegepast om de visstand omlaag te brengen; ongeveer 540 kg/ha aan brasem is weggevangen. Een paaiplaats is aangelegd voor het bevorderen van de snoekstand en er is begonnen met het aanleggen van meer oevervegetatie.

Na de maatregelen hebben zich spectaculaire veranderingen voorgedaan. Het doorzicht is erg toegenomen tot wel 1,5 meter in de Achterplas in de zomer, zoals in de grafiek te zien is. De hoeveelheid fytoplankton is erg afgenomen, van 250 μg/l tot onder de 50 μg/l. Het fosfaatgehalte in het water is ook afgenomen, maar fluctueert soms doordat er water wordt ingelaten vanuit de Rotte of met overstorten belast water vanuit de polder wat niet volledig kan worden gedefosfateerd. De Voorplas heeft wel hogere fosfaatwaarden dan de Achterplas, doordat er niet gebaggerd is en geen vis is weggevangen. Ook de stikstofwaarden in het water zijn afgenomen van ongeveer 3,5 mg N/l naar 1,5 mg N/l. De zoöplanktonsamenstelling is wat veranderd in het voordeel van de grotere grazers. De visstand is stabieler geworden en er komen meer snoeken door de paaiplaats. De vegetatie is nog niet ontwikkeld.

De verbetering van de waterkwaliteit door de genomen maatregelen is bijzonder groot. In de toekomst zal monitoring van de plassen door blijven gaan om de ontwikkelingen te blijven volgen en eventueel bij te sturen wanneer nodig. De snoeken uit de paaiplaats zullen als ze geslachtsrijp zijn zelf kunnen voortplanten in de paaiplaats, waardoor het snoekenbestand nog groter wordt en de brasemstand onderdrukt zal blijven. Voor de bevordering van ondergedoken waterplanten en oevervegetatie worden nu experimenten gedaan. Misschien worden de genomen maatregelen ook toegepast op de Voorplas om de waterkwaliteit hier net zo goed te krijgen als in de Achterplas. Een ander streven is om de waterinlaat vanuit de polder af te sluiten.



?? Je hebt het over een snoekpaaiplaats, waarom is niet gekozen voor het uitzetten van 0plus vis? >>Een snoekpaaiplaats is duurzamer dan uitzetten en uitzetten kon ook nog niet omdat er nog onvoldoende vegetatie in de plas zelf was, de snoekpaaiplaats is geënt met waterplanten en vanuit deze paaiplaats trekken jaarlijks ca 2000 jonge snoeken het water in en groeien daar op. Ze zijn ook inderdaad weer groot gegroeid teruggevonden.

?? Hoe sloegen de enten van waterplanten aan?? >> dat ging prima er zijn manden met waterplanten uitgezet die goed aansloegen, ent van kranswier sloeg niet aan omdat door de ondiepte van de plas de opwerveling hoog was en dus te troebel voor kranswieren

?? De brasemstand is fors uitgedund, hoe ontwikkelt die zich? >> Hij blijft laag

?? De voorplas en de achterplas geven verschillende resultaten, oe evalueer je het afdekken met zand? >> Dit wordt positief ervaren hoewel er natuurlijk effecten zijn van meerdere maatregelen. Gedurende het jaar zie je in de voorplas een grotere achteruitgang dan in de achterplas, defosfatering speelt een grote rol maar nalevering vanuit de bodem een nog grotere.

?? Is zand wel een onderdeel van dit watertype? >> Je zet een veenplas eigenlijk terug in zijn vroegste stadium


Middagdeel Nieuwe plassen
Waterkwaliteitsproblemen Gaatkensplas

Drs. Fred Kuipers WS Hollandse Delta
De gemeente Barendrecht op het eiland IJsselmonde,heeft in 2000 de grote Vinex locatie Carnisselande aangelegd. Een onderdeel van deze Vinex locatie is de 31 hectare grootte Gaatkensplas. De plas heeft slechts 3% oeverareaal en is gemiddeld 1,6 meter diep. De functie van de plas is recreatief met in de gemeentelijke wens in de toekomst zwemwater te creëren. De plas is niet aangelegd conform het advies van de waterkwaliteitsbeheerder: groot areaal natuurvriendelijke oevers en een helofytenfilter. De plas is geïsoleerd en er wordt alleen ingelaten voor peilhandhaving. Deels wordt een natuurlijk peilverloop gehandhaafd. Het meer is zeer productief en heeft een hoge visstand (600 kg/ha snoek/ruisvoorn) in het voorjaar een grote bedekking met waterplanten.

Na een aantal jaren van goede waterkwaliteit hebben zich in 2006 en 2007 grote problemen voorgedaan met zuurstofloosheid, vissterfte en algengroei en -bloei.

Tijdens de hitte golf van 2006 liep de watertemperatuur snel op. Een groot aantal effecten konden direct of achteraf worden vastgesteld.


  • De fosfaat concentratie steeg snel

  • De ondergedoken waterplanten verdwenen

  • De algenconcentratie namen sterk toe

  • Er ontstond blauwalgen(anabena) bloei

  • De zuurstof concentratie vertoonde enorme schommelingen, s'nachts werden waarden van 0 gehaald.

  • De ammoniak concentratie steeg tot een voor vissen en waterplanten schadelijk niveau.

  • Er trad massale vissterfte op.

Om problemen te voorkomen wordt op dit moment continu zuurstof gemeten. Wanneer de zuurstof concentraties gaan fluctueren wordt het water grootschalig ververst.


Uit nader onderzoek naar de bodemsamenstelling blijkt de bodem deels uit rietveen te bestaan. De veenlaag is op een aantal plaatsen bij aanleg van de plas, aangesneden en vormt nu de bodem van het meer.

Voor een meer duurzame verbetering van de plas moet eerst een water/stoffenbalans gemaakt worden, waarin de nalevering vanuit de bodem zit, het effect van de kwel en eventuele belasting vanuit het regenwaterstelsel.

Na analyse wordt er een pakket maatregelen bedacht die de plas weer gezond en functioneel kunnen maken.

Het pakket maatregelen zal waarschijnlijk bestaan uit een aantal technische maatregelen en inrichtingsmaatregelen, die de plas ecologisch robuuster moeten maken.


Ontwikkeling van het Oldambtmeer (voorheen Blauwe Stad)


Robert Boonstra Waterschap Hunze en Aa’s

Sinds 2004 wordt nabij Winschoten 1200 ha landbouwgebied omgezet tot een woongebied inclusief een meer van 800 ha groot. Vanaf mei 2005 is gestart met het vullen van het meer met oppervlaktewater uit de directe omgeving. Gedurende de planvorming en realisatie van het gebied speelt waterbeheer (kwantiteit en kwaliteit) een nadrukkelijke rol. De toekomstige bewoners verwachten een veilig meer met schoon en helder water zonder overmatige algenbloei. Een meer met mogelijkheden voor zwemmers, vissers en andere vormen van recreatie. Dit lijkt een vanzelfsprekende verwachting, maar dat blijkt in de praktijk niet eenvoudig te realiseren, gezien de hoge voedselrijkdom van de bodem en de aanwezigheid van verschillende bodemsoorten (veen, klei) die invloed hebben op de helderheid van het toekomstige meer.


Streefbeeld water Oldambtmeer

Als doelstelling voor de waterkwaliteit is de aquatische functie (natuurgebied) richtinggevend. Gestreefd wordt naar een helder, matig met waterplanten begroeid water. Ongeveer 20-60% van het oppervlak is begroeid met waterplanten in de vorm van helofyten, drijfbladplanten en onderwaterplanten. De zichtdiepte is 60-80 cm. In de wat diepere delen is meer ‘open water’ aanwezig. Door de afwisseling van plantenrijke zones en open water is een zeer gevarieerde leefomgeving voor vissen aanwezig. De streefwaarde voor externe fosfaatbelasting bedraagt 0,8 mgP/m2.dag.


Voor het water van het Oldambtmeer wordt gestreefd naar het Snoek-Blankvoorntype in het open water, met het Ruisvoorn-Snoektype in ondieper water, zoals in de ecologische zones en het deelgebied ‘Het Riet’.
Diepploegen meerbodem

Om nalevering van nutriënten uit de bouwvoor tegen te gaan is de toekomstige meerbodem gediepploegd. Hierbij is de grond als het ware omgedraaid. Er is geploegd tot een diepte van 1 tot 1,5 meter. Ook is het voor de ontwikkeling van de waterkwaliteit gewenst dat een zo groot mogelijk oppervlak van de meerbodem bedekt wordt met zandgrond, i.p.v. veen of klei. Hierbij wordt gestreefd naar circa 75% zandbodem. De geploegde delen zijn onderzocht op nalevergedrag van fosfaat


Kweekvijvers met waterplanten

Om de vegetatieontwikkeling in het Oldambtmeer een goede start te geven zijn er in de startfase van het project een aantal zogenaamde kweekvijvers aangelegd. Deze kweekvijvers zijn vervolgens ingezaaid met kranswierzaden afkomstig uit het Veluwemeer en geënt met waterplanten uit de omgeving.


Defosfatering inlaatwater

Uit de onderzoeken uit de voorbereidingsfase is gebleken dat er voor het realiseren van het streefbeeld van het Oldambtmeer noodzakelijk is het fosfaatgehalte in het meer te beperken (< 0,11 mg P/l). Dit geldt zowel voor de toekomstige waterbodem als ook het ingelaten water voor het vullen van het meer. Berekeningen geven aan dat voor het inlaatwater gestreefd moet worden naar een totaal fosfaat gehalte van ca. 0,1 mg P/l, gezien het feit dat het aanvoerwater uit de omgeving meer fosfaat bevat is besloten tot het kunstmatig defosfateren van het aanvoerwater. Dit gebeurt d.m.v. een defosfateringsinstallatie waarbij m.b.v. ijzerchloride het water chemisch wordt gedefosfateerd.


Resultaten 2007

Afgezet tegen de KRW maatlatten zijn zowel vegetatie als macrofauna nog beoordeeld als matig – ontoereikend. Dit is echter ook logisch gezien het feit dat het meer nog maar één jaar volledig gevuld is. De ondergedoken vegetatie en de soortensamenstelling ontwikkelen zich echter goed. Ook zijn er afgelopen jaar al kranswieren aangetroffen in het meer. Macrofauna ontwikkeld zich ook volgens verwachting. De visstand wordt gedomineerd door baars en snoek. De visstand laat een duidelijk beeld zien van een pionierssituatie.

Uit de fysisch-chemische monitoring blijkt dat de streefbeelden voor zowel totaal Fosfaat als doorzicht worden gehaald.
Conclusie

Het meer ontwikkelt zich tot op heden goed. We blijven het uiteraard nauwlettend in de gaten houden. Voor meer informatie kun je altijd contact opnemen.


Robert Boonstra

r.boonstra@hunzeenaas.nl

0598693229


Waterkwaliteit Eendragtspolder
door Maartje Scholten GZH en Marit Meier HHSK.

In het project ‘onderzoek waterkwaliteit inrichtingsplan Eendragtspolder’ is de haalbaarheid van een duurzaam heldere plantenrijke plas onderzocht volgens het inrichtingsplan Eendragtspolder1. Uitgangspunt is dat de plas gebruikt moet kunnen worden als systeem- en calamiteitenberging en het gebruik als recreatiegebied met roeibaan. Er zijn scenario´s verkend, waarmee door aanpassingen in het inrichtingsplan en andere maatregelen toch een duurzaam heldere plantenrijke plas kan worden gerealiseerd.


De belangrijkste conclusie is dat op basis van het huidige inrichtingsplan geen duurzaam heldere plantenrijke plas haalbaar is in de Eendragtspolder. Dit wordt met name veroorzaakt door de voedselrijke waterbodem. Ook na afgraven van de bouwvoor heeft de kleibodem een grote hoeveelheid biologisch beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen.

Omdat deze ontwikkeling ongewenst is, zijn aanpassingen nodig in het inrichtingsplan. Bij het bepalen van aanpassingen zijn twee uitersten te definiëren. Deze uitersten zijn gericht op het zoveel mogelijk minimaliseren van het risico op een ontwikkeling in de richting van een troebele algenrijke plas. De uiterste zijn:



  • een inrichting waarbij zoveel mogelijk vastgehouden wordt aan het huidige inrichtingsplan. Hierbij wordt de waterbodem geïsoleerd door zand (plas) en stortsteen (oevers);

  • een inrichting waarbij niet gekozen wordt voor een plas maar voor een droog of halfnat gebied.

Uiteindelijk is een scenario gedefinieerd die van beide uitersten de belangrijkste elementen benut en net als bij de twee gedefinieerde uitersten het risico op een ongewenste ontwikkeling minimaliseert. Door een combinatie van maatregelen te nemen wordt de effectiviteit van de afzonderlijke maatregelen vergroot. De maatregelen zijn onderverdeeld in categorieën waarbij elke categorie een specifiek werkingsmechanisme heeft.
Het doel van het maatregelenpakket is een zo robuust mogelijk watersysteem, dat wil zeggen:

  • zo laag mogelijke externe en interne belasting;

  • zo hoog mogelijke kritische grenzen;

  • optimale startcondities creëren;

  • vangnet voor onvoorziene en ongewenste ontwikkelingen maken.

Afbeelding 7.1. Suggestie scenario voor Eendragtspolder

Het gaat om een mix van verschillende typen maatregelen zoals hierboven schematisch is afgebeeld en hierboven is omschreven. De uitgangspunten van het bestaande inrichtingsplan worden zoveel mogelijk in tact gehouden. Tegelijkertijd wordt ook de identiteit van het gebied zo min mogelijk aangetast.



Discussie nieuwe plassen

?? Je hebt het hier over makelaarswater, daarbij moet je niet alleen eisen stellen aan de waterkwaliteit maar ook aan hoe de omwonenden ermee omgaan

> Robert bij Blauwe stad ging het in 1e instantie om de economische impuls, de voorwaarde was helder water en pas laat werd het waterschap betrokken om aan te geven hoe dat moest. Bij Meerstad zie je dat ze het waterschap en stakeholders er al in een vroeg stadium bij betrekken en een integrale benadering kiezen.

> Marit: eigenlijk is de grootste bedreiging de landschapsarchitekt die zo’n wijk tekent met een badkuipwater erbij met harde oevers zonder te weten hoe ecosystemen functioneren.

> Fred we hebben gemerkt dat als we adviseren een bepaald deel natuurvriendelijke oever te laten worden daar niet altijd naar geluisterd wordt. In’t vervolg misschien hardere eisen stellen ipv adviezen die niet opgevolgd worden en als het dan niet goedgaat staan ze bij het waterschap op de stoep. Ook is het goed om de omwonenden te overtuigen van hun eigen invloed. Robert: je kunt best eisen stellen als waterschap dat ze aan bepaalde inrichtingsvoorwaarden en waterkwalitietswaarden moeten voldoen voordat jij het beheer overneemt. Dit geld ook voor waterkwantiteit bij berging, voor een plas waaraan zoveel functies worden toegedeeld inclusief waterberging op niet te voorspellen tijdstippen in het jaar kun je aangeven dat je niet altijd aan de kwaliteits eisen kunt voldoen. Marit: door een combinatie van maatregelen in de vorm van harde eisen te stellen kan veel leed achteraf worden voorkomen.

Marcel Klinge: je kunt geen garantie geven dat eht goed gaat maar je kunt wel garanderen dat het fout gaat als ze je adviezen niet opvolgen

Herman van Dam: de projectontwikkelaar verkoopt schoon water, het waterschap moet het waarmaken, probeer bij de opleiding an landschapsarchitekten de waterproblematiek uit te leggen zodat de nieuwe generatie beter opgeleid is.

Harry Hosper: je moet veel uitleggen aan bewoners, eigenlijk willen ze troebel water zonder planten maar ook zonder overlast

Gerard ter Heerdt ziet een verschuiving in de planktonsamenstelling, we adviseren een anabena water waar we weinig ervaring mee hebben, moeten we niet terug naar de planktothrix situatie door fosfaat toe te voegen??? >> Marcel Klinge: kijk uit voor generalisatie, zo makkelijk ligt het niet er is maatwerk nodig per project.

Fred vertelt dat ze voor de Gaatskensplas een workshop maatregelen hebben gehouden, daaar kwam uit naar voren

  1. ondiepe zones met riet (bewoners niet blij)

  2. doorspoelen

  3. afdekken met zand (erg duur)

Rondje projecten

Rikje van der Weerd vertelt over het project Nutriënten in het Friese Veen

Bart Reeze RWS Waterdienst zit in de intercallibratiegroep bodemfauna meren, de engelsen hebben een maatlat gebaseerd op exuviae bemonsterd met een net aan de lijzijde van een meer op 4 tijdstippen in een jaar, dit willen we ook graag in Nederland uitproberen, wie wil zijn water als voorbeeld laten dienen? Liefst een range aan verschillende wateren, aanmelden bij het secretariaat >> Herman van Dam weet dat de maasplassen al gedaan zijn door Grontmij in opdracht van rws Limburg, ook DZH, WBB en PWN zijn actief geweest op dit gebied in duiwateren en waterwinbekkens/inlaatpunten.

Bart vertelt ook over het project effectiviteit maatregelen, een workshop eind vorig jaar leverde op dat beheerders vooral graag van elkaar willen leren, welke maatregelen zijn waar al uitgevoerd, kosten, bouwplannen, monitoringsplannen en resultaten. Graag verzamelen we deze info op een centrale plek met een slim zoeksysteem zodat je snel vind wie wat wanneer hoe heeft gedaan. Beheerders worden dit jaar benaderd om informatie aan te leveren. Bas vd Wal reageert dat er al veel te vinden is op de Hydrotheek, die is gratis en heeft een nieuwe zoekmachine. Dit gaat echter ook om projectplannen en financiën die vaak niet in officiële rapporten terecht komen.

Paul Boers spreekt namens de voorbereidingsgroep Denemarken, helaas werkt de contactpersoon niet meer bij het instituut waar de contacten mee gelegd zijn, er worden alternatieven gezocht. De reis is van woensdag 17 september tot zondag 21 september we reizen met een nachtbus, de kosten zullen rond de 400€ euro uitkomen. Meer info volgt.

Harry Hosper meldt de stand van zaken over de werkgroep routekaart heldere meren, een groep waterbeheerders van Rijk en regio die samene problemen inventariseren en dit samen oppakken door van elkaar te leren, bijvoorbeeld de samenwerking met visstandbeheerscommissies werkt in de ene regio prima en in de andere regio niet, hoe komt dit? Ook zal de groep met een landelijk overzicht maken van de toestand en trends in meren (volgens KRW) maatlatten) , een voortzetting van de eutrofieringsenquete..

Gerard ter Heerdt zit in de werkgroep routekaart en heeft de problematiek rondom oeverplanten opgepakt: voorbeeld is het weghalen van elzenbroek om vegetatie tot ontwikkeling te laten komen. Hiervoor zijn moderne technieken ontwikkeld, men is welkom om te komen kijken en Gerard wil eigenlijk op Rijn West niveau een kennisbundelingsgroep intensief oeverbeheer doen.

Marianne Greijdanus secretariaat wijst op de vissennetwerkdag van eind maart tijdens de visma, een interessant programma voor onze groep Thema: KRW stand van zaken maatregelen, ABB, Brasem (vis van het jaar)zie www.vissennetwerk.nl


Volgende platformdag 13 oktober 2008 bij Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

Tips lezingen:

Rikje vd Weert, nutriënten in Friese vennen

WUR onderzoek aan wielen



Gerben van Geest (deltares): waterplanten in 100 uiterwaardplassen 10? jaar gevolgd

1 De herinrichting van de Eendragtspolder is een samenwerkingsproject van: provincie Zuid-Holland, gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle, hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en recreatieschap Rottemeren. Uitvoering en nadere informatie: G.Z-H





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina