Verslag Platform Ecologisch Herstel Meren 22 april 2004 Ackerdijkse plassen



Dovnload 32.51 Kb.
Datum08.10.2016
Grootte32.51 Kb.
Verslag Platform Ecologisch Herstel Meren 22 april 2004 Ackerdijkse plassen


  • Barry Teunissen: De Ackerdijkse Plassen

  • Herman van Dam: Vennen: veranderingen in kwaliteit en beheer

  • Peter Schippers: P-retentie in ondiepe meren; een multi-lake study.




  • Ronald Bijkerk: Schatting van eutrofiëringsparameters voor het Zuidlaardermeer anno 1917




  • Eddy Lammens: kennissysteem ecologisch herstel meren

  • Ruurd Noordhuis: driehoeksmosselen Markermeer

  • Jouke Kampen en Lennart Turlings: Voor vogels en vissen. Op weg naar een verminderde vogelsterfte en verbeterde visserij op het Ijsselmeer

  • Rondje projecten

N.a.v het verhaal van Barry Teunissen over de Ackerdijkse plassen worden de volgende vragen gesteld:

Hoe zit het met nalevering??? >>> De grootste belasting van de Ackerdijkse plassen wordt veroorzaakt door vogels, het waterbeheer vindt plaats ten behoeve van de natuur en niet ten behoeve van de fosfaatnorm oftewel: geen aalscholvers verwijderen om fosfaatnorm te halen
Naar aanleiding van het verhaal van Herman van Dam over vennen

In het streefbeeld staan lage nutrientengehaltes, in Drenthe zijn vennen met een trofiegraad van eutroof tot hypertroof en toch worden er allerlei soortenrijke gemeenschappen gevonden, blijkbaar doet het nutrientengehaltegehalte er minder toe dan gedacht.

Wat houdt herstel van de waterhuishouding van een ven in??Is isoleren voldoende?? >> Hoogliggende vennen worden vaak alleen gevoed door regenwater en hebbend aardoor voldoende kwaliteit.

Komt er een beoordelingssysteem voor Vennen?? Herman en Gertie Aarts hebben een vooronderzoek uitgevoerd dit heeft geresulteerd in een discussienota voor meerdere partijen.


P-retentie in ondiepe meren; een multi-lake study.

Peter Schippers, Barend de Jonge en Jeroen de Klein


Fosfor (P) staat bekend als het belangrijkste nutriënt die the algen groei in meren beperkt. De sleutel factoren die de P-concentratie in meren (Pm) bepalen zijn de P concentratie van het instromend water (Pi) en de hydrologische verblijftijd van het meer (). Een bekende formule die de relatie tussen Pi en Pm concentratie in het meer beschrijft is de relatie van Vollenweider:
(Model van Vollenweider)
Deze relatie is echter vooral bedoeld voor diepe meren die in evenwicht zijn. Wij proberen van uit de theorie een eenvoudige voorspeller voor Pm voor ondiepe meren die niet in evenwicht zijn te vinden zoals de meeste Nederlandse meren. Daarbij is de interne belasting van het meer van uit het sediment van belang. Een eenvoudig model die deze relatie beschrijftis:


(Interne belastingsmodel)
hier is: k de proportionele verlies term van P per dag, D de diepte van het meer in meters en I de interne belasting g P m-2 d-1.
Door de interne belasting te koppelen aan de Pi en de afmetingen van het meer konden de Pm waardes voor een databestand van 22 Nederlandse meren redelijk worden voorspeld.

Figure 1. De beste fit van de twee modellen voor 22 Nederlandse meren in (g P m-3).

Het verhaal van Peter Schippers ging over de bruikbaarheid van modellen en het zo simpel mogelijk houden van modellen. Gemist in het model worden waterplanten en bodemsamenstelling, wellicht dat deze factoren de r2 nog op kunnen halen.
Schatting van eutrofiëringsparameters voor het Zuidlaardermeer anno 1917

Ronald Bijkerk, Koeman en Bijkerk bv

Inleiding

In opdracht van het Waterschap Hunze en Aa=s is een schatting gemaakt van de waarde van

eutrofiëringsparameters in het Zuidlaardermeer anno 1916/1917. Hiervoor is gebruik gemaakt

van gegevens over de soortensamenstelling van het fytoplankton in deze jaren, verzameld

door Havinga (1919). Het doel van deze werkzaamheden was een kwantitatieve invulling van

het streefbeeld voor het Zuidlaardermeer om te kunnen komen tot een streefwaarde voor de

fosfaatbelasting op het meer.

Werkwijze

Eerst is het biovolume berekend van het fytoplankton in 1916/1917 (figuur 1), uit de

gedetailleerde gegevens van Havinga. Hieruit is het chlorofyl-a-gehalte geschat met behulp

van de regressievergelijking

log [Chla] = 0.825 + 0.679 [Biovolume], met [Chla] in μg/l en [Biovolume] in mm3/l.

Deze vergelijking is afgeleid uit een plot van 196 simultane bepalingen van biovolume en

chlorofyl-a-gehalte (r2 = 0.82).

Door gebruik te maken van de resultaten van de Vierde Eutrofiëringsenquête, bewerkt door

Portielje & Van der Molen (1998)

[Chla]max = 759 [Ptotaal], met [Chla] in μg/l en [Ptotaal] in mg P/l,

is vervolgens een schatting gemaakt van het minimale fosfaatgehalte dat nodig is om dit

chlorofyl-a-gehalte te kunnen voortbrengen. In het algemeen zal het gemeten fosfaatgehalte

hoger zijn dan het berekende minimale gehalte, in het zomerhalfjaar vooral als gevolg van

begrazing door zoöplankton. Daarom is dit berekende gehalte naar boven toe bijgesteld.

Hiervoor is gebruik gemaakt van een correctiefactor afgeleid uit de situatie in 2001. Het

gecorrigeerde fosfaatgehalte is vervolgens getoetst op aannemelijkheid door een vergelijking

van de omvang van de voorjaarsbloei van Diatoma tenuis en van de zomerpiek van

Aphanizomenon flos-aquae, tussen het Zuidlaardermeer in 1917 en op dit punt

overeenkomstige meren, waarvan het fosfaatgehalte bekend is.

Tenslotte is een schatting gemaakt van het doorzicht en het achtergronddoorzicht in 1917, uit

de soortensamenstelling van blauwalgen in 1917 en 2001 en hun voorkeursverhoudingen van

mengdiepte en zichtdiepte (Zs/Zm; zie Reynolds & Walsby 1975).

Resultaten

De meest waarschijnlijke schatting van het zomergemiddelde totaal-fosfaatgehalte in het

Zuidlaardermeer in 1917 is een gehalte van 0.11 mg P/l. Hiervan werd 0.06 mg P/l

opgenomen door fytoplankton, tot een zomergemiddeld chlorofyl-a-gehalte van 48 μg/l.

Het fytoplankton werd in 1916/1917 gedomineerd door eutrafente soorten, die ook nu nog in

het plankton aanwezig zijn. In de periode mei-juli konden drijflagen optreden van potentiëel

toxische soorten uit de geslachten Anabaena en Aphanizomenon. Blauwalgen met een

optimale ontwikkeling in troebel water (Planktothrix agardhii, Limnothrix spp.) werden

toendertijd niet aangetroffen, maar zijn tegenwoordig nu en dan talrijk in het meer.

Zichtdiepte (0.6 m) en achtergronddoorzicht (0.8 m) waren in 1917 vermoedelijk bijna twee

keer hoger dan in 2001 (tabel 1).

Tabel 1 Waarden van eutrofiëringsparameters in 1917 (geschat) en 2001 (gemeten).

Naschrift

Het hier beschreven streefbeeld voor het Zuidlaardermeer is geen referentiesituatie in de zin

van de Kaderrichtlijn Water. Ook in 1916/1917 werd dit meer al in enige mate beïnvloed door

menselijke activiteiten met effecten op de trofiegraad en hydromorfologie.

Mede uit deze reconstructie is een kritische fosfaatbelasting op het meer afgeleid van 0.7 g

P.m-2.j-1 in het zomerhalfjaar en 1-1.5 g P.m-2.j-1 in de winter (Witteveen+Bos 2002).



Referenties

Havinga B (1919) Studiën over flora en fauna van het Zuidlaarder Meer. Bijdrage tot de kennis van

de biologie der Nederlandsche meren. Proefschrift RU Groningen. 188 pp.

Portielje R & van der Molen DT (1998) Relaties tussen eutrofiëringsvariabelen en

systeemkenmerken van de Nederlandse meren en plassen. Deelrapport II voor de Vierde

Eutrofiëringsenquete. RIZA rapport 98.007, RIZA, Lelystad. 98 pp.

Reynolds CS & Walsby AE (1975) Water-blooms. Biol Rev 50 : 437-481.

Witteveen+Bos (2002) Bepaling van de streefbelasting van het Zuidlaardermeer. Witteveen+Bos,

Deventer. 19 pp.
De streefwaarden liggen vrij hoog doordat er al een behoorlijke belasting was in 1917.

Het wordt tijd voor een fundamentele discussie over de haalbaarheid van streefwaarden, de KRW streefwaarden worden op Europees niveau bepaald en niet op Nederlands nivo.

Gevraagd wordt of de peilfluctuaties ook worden hersteld?>> zou men graag willen, lager peil in de zomer is wel uitvoerbaar, hoger in de winter wordt moeilijk. –90 cm is vanwege recreatiebelangen niet uitvoerbaar
Eddy Lammens toont de proeve van de handboeksite vanaf heden te vinden via de platformsite
Ruurd Noordhuis vertelt over samenhangende factoren in het Markermeer

Vraag is dit niet allemaal een onderdeel van het natuurlijk proces, moet je wel gaan tuinieren of laat je de natuur zijn gang gaan??>> Het Markermeer is van nature niet zoet en niet afgesloten, van een natuurlijke situatie is dus geen sprake

Kan Blankvoorn niet de oorzaak zijn van het verdwijnen van driehoeksmosselen?? De crash van de driehoeksmosselen kwam voor de toename van de blankvoorn.

Klopt het wel dat het zo troebel is?? In 2003 was het juist enorm helder??>>> Dit klopt 2003 was een jaar met weinig wind en dus weinig omwoeling van de bodem.

In het IJmeer lijkt na een teruggang van 3-5 jaar weer hersteld, wat is de invloed van IJburg??>>> Ijburg betekende in eerste instantie verstoring maar daarna een toename van doorzicht en driehoeksmosselen door meer substraat en meer compartimentering (= minder invloed van de wind)

Jouke Kampen en Lennart Turlings


Voor vogels en vissen. Op weg naar een verminderde vogelsterfte en verbeterde visserij op het IJsselmeer

Rondje projecten:

Martin de Haan vertelt dat ze bezig zijn met een inrichtingsplan voor Rotte/ringvaart??? Dit is een bergingsgebied waar recreatie een grote rol gaat spelen. Hier moet een MER voor opgesteld worden. Wellicht kan het rizamodel hiervoor gebruikt worden als het snel online is.
Marco Kraal houdt zich bezig met waterbeheer en visstands beheer in relatie tot de KRW
Arjenne Bak meldt dat de proefvlakken zijn afgevist in opdracht van…………
Joost Icke noemt het Rebecca project, een Eu project dat 3 jaar loopt ter ondersteuning van de KRW worden ecologische relaties tussen waterkwaliteit en hydrodynamiek onderzocht. Tevens wordt de effectiviteit van maatregelen onderzocht en vindt er validatie plaats van ontwikkelde methodieken
Marcel Klinge vertelt dat de Blauwe stad (600 ha 1,5 m diep) wordt aangelegd, de bodem zal voor 80 % uit zand en voor 20% uit veen/klei. Momenteel is er 85 ha aan kweekvijvers van 30 cm diep waar ondergedoken waterplanten kunnen ontkiemen hiervoor is 150 m2 zand uit het Veluwe meer met een grote hoeveelheid kranswiersporen gehaald als ent

Anke Durand


STW voorstel samen met VU en WAU: beoordeling effect verontreinigd sediment. Pilotstudie naar het effect van klase 0,2 en 4 sediment op de ontwikkeling van waterplanten
Het rapport van de waterzuivering Volkerakzoommeer is af
Gerard ter Heerdt vertelt wat resultaten van zijn project

Het water wordt snel helder en er komen waterplanten. De vraag was of het mogelijk was om een veenplas leeg te vissen; dit is goed gelukt door een ingenieuze combinatie van vistuig en viskennis. Hierna werdend e ondiepe delen snel helder en over de diepe delen zijn we voorzichtig positief.


Bas van der Wal vertelt iets over een mogelijke excursie naar the Broads in GB dat gepland staat van 7-10 oktober, de belangstelling wordt gepeild en blijkt voldoende te zijn om verder te gaan met organiseren. The Broads is een gebied dat ook door dhr Leeghwater ingepolderd is en vertoont veel gelijkenissen met de Nederlandse plassen.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina