Verslag sihon kwaliteitscontrole mei 2000



Dovnload 21.94 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte21.94 Kb.
VERSLAG SIHON KWALITEITSCONTROLE MEI 2000
Aan de 26e rondzending namen 49 laboratoria deel. Dit betekent een toename van 7 deelnemers t.o.v. de vorige rondzending door participatie van meer Belgische laboratoria. In willekeurige volgorde betrof dit de volgende instituten: Sophia en Weezenlanden, Zwolle; AZU, Utrecht; SNWLK, Den Haag; Streeklab Zeeland, Goes; AMC, A’dam; Leyenburg, Den Haag; AZN, Nijmegen; Catharina ZH, Eindhoven; GZG, Den Bosch; Erasmus Universiteit, R'dam; DdHK, Rotterdam; Lichtenberg, Amersfoort; SSDZ, Delft; Albert Schweitzer ZH, Dordrecht; CLB, A’dam; Twenteborg ZH, Almelo; St. Lucas, A'dam; AZM, Maastricht; St. Antonius, Nieuwegein; LUMC, Leiden; UZh, Leuven; KCL Diac, Meppel; KCL, Leeuwar­den; AZG, Groningen; MS Twente, Enschede; Med. Centr, Alkmaar; AZVU-Hematologie, A’dam; AvL, A’dam; KG Haarlem; CWZ, Nijmegen; Verbeeten Inst, Tilburg; H.Hart, Roeselaare Belgie; AZ. Zust. Barmhartigh., Ronse, Belgie; Maasland ZH, Sittard; Laurentius ZH, Roermond; Cyt. ZH, Deventer; St.Francis­cus, Roosendaal; Atrium, Heerlen; St. Joseph ZH, Veldhoven; St. Franciscus, Rotterdam; AZ Middelheim, Antwerpen; AZ Stuivenberg, Antwerpen; Univ. ZH, Antwerpen; Rijnstate ZH, Arnhem; Univ. ZH, Gent; AZVU HOI lab, A’dam; CHU St.Pierre, Brussel; AZ-VUB, Brussel.
Het materiaal werd geleverd door Erasmus Universiteit, Rotterdam (monster 943235), Daniel den Hoed Kliniek, Rotterdam (monster 51.22131) en Leijenburg Ziekenhuis, Den Haag (monster 51.22159).
Score systeem en resultaatoverzichten: De beschrijving van het SIHON-scoringsysteem, dat gehanteerd wordt ter beoordeling van de teruggezonden resultaten van de bepalingen en de bijbehorende conclusies, is te vinden in het SIHON bulletin nr. 25 (januari 1999). De beoordeling omvat de drie fasen van de bepaling, te weten pre-analytisch, analytisch en post-analytisch. De score van deze drie fasen van ieder testmonster is tot stand gekomen door het middelen van de beoordeling van telkens 3 of 4 panelleden van de Nomenclatuurcommissie (van Wering, van Dongen, van der Schoot, Adriaansen, van ‘t Veer en Kluin Nelemans). Echter door de complexiteit van de immunofenotypische bepaling zal deze beoordeling nooit volledig eenduidig zijn. Tijdens de nabespreking in de SIHON vergadering is gelegenheid de beoordeling te bediscussiëren. Naar aanleiding van deze discussie zijn de resultaatoverzichten, zoals gepresenteerd tijdens de SIHON vergadering van 30 mei j.l, bijgesteld. Daarnaast heeft de nomenclatuur de beoordeling van sample 51.22159 (polyclonale B-cel lymfocytose, een diagnose die niet in de SIHON leukemie/lymfomen-typering beschreven is) heroverwogen. Deze overweging van resultaten is eveneens verwerkt. Tevens zijn enkele foutief ingevoerde getallen gecorrigeerd.

Patient 1: Sample 943235 (Erasmus Universiteit, Rotterdam).

Het testmonster (ascites) was gecryopreserveerd en afkomstig van een vrouw van 75 jaar bekend met cutaan T-cellymfoom (CTLL).



Vraagstelling: Verdenking van lokalisatie van CTLL in de ascites.

Het immunofenotype van chronische T-cel leukemieën/lymfomen staat beschreven in SIHON bulletin nr. 25 (januari 1999): CTLL: CD3+,CD4+,CD7+/-,CD2+,CD5+,CD25-,TdT-,CD16/56-Voor de beantwoording van de vraagstelling moeten alle relevante T-celmarkers, waaronder TdT, CD1 en CD56, bepaald zijn. Hoewel de viabiliteit van het monster na ontdooien sterk varieerde konden de meeste deelnemers (67%) minimaal lokalisatie van een T-cellymfoom vaststellen.

NB: Klinisch gezien kan het volgende opgemerkt worden. Het is zeer ongebruikelijk dat een CTLL in ascites aantoonbaar is. Meestal zal er dan van een transformatie naar een aggressiever T-NHL type sprake zijn. Daarom zouden de immunofenotyperingsgegevens van het oorspronkelijke NHL van belang geweest zijn.
Toelichting bij score beoordeling Patient 1.

Pre-analytische fase:

Voor de analyse van CTLL moeten naast de cellijn-definiërende markers ook CD2, CD25 en CD56 bepaald zijn. Bij ontbreken: B-score. CD1 en TdT zijn noodzakelijk voor het onderscheiden van T-ALL. Ontbreken: respectievelijk een B-score en C score.


Analytische fase:

De resultaten van CD1 en CD4 zijn sterk heterogeen. CD1 behoort negatief te zijn en CD4 positief. Positiviteit voor CD1 en negativiteit voor CD4: B-score. Om MoAb-afhankelijke negativiteit te kunnen uitsluiten worden de door de verschillende deelnemers gebruikte CD4 MoAbs nog geevalueerd. Een afwijkende waarde voor CD25, CD34, TCR of cytoCD3 resulteert in een B-score. Wanneer een niet-cel-definiërende markers is meegenomen moet deze wel goed geanalyseerd zijn, anders: B score. Opvallend is dat een aantal deelnemers een dubbele populatie CD3-positieve cellen heeft waargenomen.


Post-analytische fase:

De juiste conclusie moet zijn lokalisatie CTLL, Sezary of T-PLL. Andere omschrijvingen waarin rijpcellig T-cellymfoom naar voren komt hebben ook een A-score gekregen. Vage omschrijvingen waaruit de maligniteit niet duidelijk blijkt: B score. Zo ook resulteert de conclusie waarin NK, LGL of CR genoemd wordt in een B score. De clonclusie T-ALL of lymfoblastair lymfoom is fout: C score.



Patient 2: Sample 51.22131 (Daniel den Hoed Kliniek, Rotterdam).

Het testmonster (bloed) was vers en afkomstig van een vrouw van 68 jaar die sinds juli 1999 bekend was met een AML-M1. De patient was in complete remissie gebracht. Op moment van de vraagstelling waren de leukocyten weer aan het stijgen. De initiële immunofenotypering was als volgt: CD45(+), CD34-, CD13+, CD33+, MPO(+), TdT(+), CD4(+), CD117(part.+), CD14-, CD15-, CD11c-, CD65-, HLA-DR-.



Vraagstelling: Is er sprake van recidief van de AML?

De bedoeling was om minimale restziekte aan te tonen en te kwantificeren. Echter de populatie maligne cellen was groot. Een groot aantal deelnemers hebben dan ook geen % en aantal maligne cellen weergegeven. De bepaling van het type leukemie leverde weinig problemen op. De meeste deelnemers (86%) gaven als conclusie recidief AML. Ondanks dat meerdere malen in vergaderingen besproken is dat FAB-klassificaties bij AML niet vermeld mogen worden, werden deze toch door enkele deelnemers gegeven.



Pre-analytische fase:


De myeloide markers die essentiëel zijn voor het beantwoorden van de vraagstelling behoren bepaald te zijn: CD13, CD14, CD15, CD33, CD34, CD117, MPO, TdT, maar ook CD4. CD11c behoort in principe ook bepaald te worden, maar is niet fout gerekend. Daarnaast behoren cellijndefiniërende markers van de andere lijnen (CD3 en CD19) bepaald te zijn. Afwezigheid van CD2 en CD56, belangrijk bij subklassificatie van met name AML-M2, is ook als fout beoordeeld. Hoewel CD41 veelal niet bepaald is behoort deze marker in principe altijd meegenomen worden om de plak van thrombocyten aan andere celpopulaties aan te tonen.

Tijdens de vergadering was er discussie over de plaats van CD117 in het panel. Afgezien van deze specifieke patient waar CD117 kennelijk een informatieve marker was, moet sinds de nieuwe richtlijnen (SIHON bulletin nr. 25, januari 1999) CD117 sowieso meegenomen worden. In oudere versies (1995 versie Richtlijnen) was CD117 daarentegen nog optioneel. Controleer daarom of de meest recente versie van de Richtlijnen aanwezig is op uw laboratorium.


Analytische fase:

Omdat door veel deelnemers de gegevens over de minimale restziekte niet zijn vermeld, is de evaluatie hiervan niet gewogen. Echter opvallend was de heterogeniciteit van het % maligne cellen bij de wel opgegeven waarden. Vaak is hier niet vermeld waarop dit percentage gebaseerd is. Het percentage komt dan ook niet overeen met %gated cellen x positieve marker.

Wanneer MPO afwijkend is: C score. CD4 te hoog of CD2 te hoog t.o.v. CD3: B score. CD117 en TdT moeten wel bepaald zijn. De expressies zijn te heterogeen en hebben daarom geen invloed op de score.
Post-analytische fase:

De conclusie moet zijn recidief AML, zonder FAB klassificatie. Het vermelden van een andere cellijn of geen recidief is uiteraard een C score. De conclusie van myeloblasten is te vaag: B score.



Patient 3: Sample 51.22159 (Leijenburg, Den Haag)

Het testmonster (bloed) was vers en afkomstig van een vrouw van 54 jaar. De patient leed aan chronische vermoeidheid en chronische bronchitis (en rookte 2 pakjes halfzware shag per week). De milt was vergroot. Bloedwaarden: HB 7.6 mmol/l; Leuko's 9.5x109/l; Trombo's 18x109/l.



Vraagstelling: Is er sprake van een lymfoproliferatieve aandoening?

De juiste diagnose is polyclonale B-cellymfocytose met een polyclonale expansie van B-cellen (zie literatuurreferenties aan het eind van deze tekst). Dit zeldzame ziektebeeld is pas een aantal jaren goed gedocumenteerd en betreft meestal rokende vrouwen met een absolute lymfocytose in het bloed waarbij morfologisch karkateristiek binucleaire lymfocyten gezien kunnen worden. Soms is er malaise, splenomegalie en een verhoogd IgM gehalte (ook polyclonaal). De pathogenese is niet bekend. EBV leek een rol te spelen, maar dit is later niet bevestigd. In veel patienten wordt in een klein deel van de cellen een cytogenetische afwijking gevonden: iso(3)(q10). In 1 patient is progressie richting B-NHL beschreven.

Het vermelden in de conclusie van een B-cel maligniteit is onjuist. Vijfentwintig procent van de deelnemers trok deze conclusie. Formeel is het moeilijk aan te geven welk panel van MoAb toegepast moet worden om deze diagnose adequaat te kunnen stellen. De SIHON nomenclatuurcommissie heeft hiervoor geen richtlijnen opgesteld, daar is het ziektebeeld ook te zeldzaam voor. Bij de beoordeling van de pre-analytische fase is hiermee rekening gehouden. Belangrijk is echter dat bij deze specifieke patient: a. B-cellen, b. proliferatie, c. polyclonaliteit (en dus niet biclonaliteit!) en d. het ontbreken van markers passend bij een (biclonale) B-cel maligniteit vastgesteld worden. Dit werd gedaan door 45% van de deelnemers. N.a.v. de discussie tijdens de SIHON vergadering van 30 mei j.l, waarin het nut van IgH’s en de combinatie van CD103, CD25, CD11c besproken is, heeft een herwaardering van de score plaatsgevonden. Daarnaast is het gevolg van een gefaseerde bepaling (eerste een ruwe bepaling gevolg door een meer gedetaileerde bepaling) bediscussieerd. Fasering mag nooit een beperking van het panel inhouden.
Pre-analytische fase:

Hoewel formeel het minimale panel voor het stellen van de diagnose discutabel is, moet voor een volledige typering de verschillende lymfoide cellijnen aangetoond worden. Daarom behoren de T-celmarkers CD3, CD5 (ook voor het bepalen van een subset van B-cellen, B-CLL en MCL), en de B-cel markers CD19, CD20, CD22, CD23 en IgH / IgL (aantonen van het polyclonale karakter), als ook de markers voor het aantonen, dan wel uitsluiten van Hairy cell leukemie, te weten weten minstens 2 van de volgende 3: CD103, CD11c en CD25 getest te zijn. Bij het ontbreken van CD19 tesamen met andere B-celmarkers zoals CD22 en IgH’s: C-score. Bij het ontbreken van CD3 en/of CD5 of de overige B-celmarkers: B-score. Hoewel alle IgL’s en IgH’s bepaald dienen te worden zijn IgD en IgA buiten beschouwing gelaten. Dit betekent een ontbreken van IgM en/of IgG: B-score. CD103 i.c.m. CD25 of CD11c moeten bepaald zijn. Indien niet: B-score


Analytische fase:

Het percentage geanalyseerde cellen in de gate is, voor zover gemeld, vergelijkbaar. Echter het % van T-cellen (CD3) en B-cellen (CD19) varieert en benadert bij een groot aantal deelnemers niet de 100%. Dit is in de beoordeling niet meegenomen.

Bij een sterk afwijkend %, ook wanneer een niet-relevante marker is bepaald: B score en bij meerdere afwijkende waarden een C-score. De som van de percentages van kappa en lambda tesamen moet ±100% zijn. Bij sterke afwijking: B-score.
Post-analytische fase:

De juiste diagnose is polyclonale B-cellymfocytose. In de conclusie behoort zowel de polyclonaliteit als ook de B-cel toename tot uiting te komen. Indien deze facetten genoemd zijn: A score. Als een maligniteit gesuggereerd wordt: C score. Het noemen van of verwijzen naar B-cel proliferatie zonder polyclonaliteit of “geen maligniteit” is te vaag en onvoldoende: B score. Vermelding van alleen polyclonale B-cellen is wel goed gerekend.

Met dank aan Dr. J. Kluin-Nelemans, LUMC voor de kritische review van de tekst,

Dr. Frank Preijers, Universitair Medisch Centrum, St Radboud.



Juli 2000
Referenties:
1. Delannoy A, Djian D, Wallef G, Deneys V, Fally P, Martiat P, et al. Cigarette smoking and chronic polyclonal B-cell lymphocytosis. Nouv Rev Fr Hematol 1993; 35:141-144.
2. Troussard X, Mossafa H, Valensi F, Maynadie M, Schillinger F, Bulliard G, et al. Polyclonal lymphocytosis with binucleated lymphocytes. Morphological, immunological, cytogenetic and molecular analysis in 15 cases. Presse Med 1997; 26:895-899.
3. Larcher C, Fend F, Mitterer M, Prang N, Schwarzmann F, Huemer HP. Role of Epstein-Barr virus and soluble CD21 in persistent polyclonal B-cell lymphocytosis. Br J Haematol 1995; 90:532-540.
4. Callet-Bauchu E, Renard N, Gazzo S, Poncet C, Morel D, Pagès J, et al. Distribution of the cytogenetic abnormality +i(3)(q10) in persistent polyclonal B-cell lymphocytosis: a FICTION study in three cases. Br J Haematol 1997; 99:531-536.
5. Roy J, Ryckman C, Bernier V, Whittom R, Delage R. Large cell lymphoma complicating persistent polyclonal B cell lymphocytosis. Leukemia 1998; 12:1026-1030.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina