Verslag symposium ‘Kerk te Huur’



Dovnload 34.76 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte34.76 Kb.
Verslag symposium ‘Kerk te Huur??’

Donderdag 3 november 2005 10.00-13.00 uur
Dr. Marie-Thérèse van Thoor, docent bouwkunst aan de Universiteit Utrecht en werkzaam bij Bureau Monumenten en Archeologie te Amsterdam opent het symposium. Het is bijzonder om vandaag een symposium in de Willibrorduskerk te beginnen, niet alleen omdat vandaag de restauratie officieel wordt voltooid, maar vooral omdat al 30 jaar lang iedere dag om 10.30 uur een mis in de kerk begint. Overigens meldt zij dat de titel van het symposium (Kerk te Huur??) niet specifiek op de Willibrorduskerk slaat, zoals sommige kerkleden vreesden. Het gaat meer algemeen om omgang met kerken, die niet meer in hun oorspronkelijke functie kunnen worden gebruikt.
Eerste spreker: dr. Arjen Looyenga

Historicus en adviseur van de restauratie van de Willibrorduskerk. Schrijver van het proefschrift De Utrechtse School in de neogotiek. De voorgeschiedenis van het Sint Bernulphusgilde.


Hij verwijst naar een interview dat in verband met Open Monumentendag is gehouden met de kerkhistoricus dhr. Ton van Schaik (in het tijdschrift GM²). Van Schaik zegt in het interview er vertrouwen in te hebben dat het met religieus erfgoed wel goed zal komen. Looyenga vindt echter dat grote waakzaamheid geboden is bij de herbestemming van kerken. Na deze mededeling geeft Looyenga een uitleg over de neogotiek en over het verschil tussen Pierre Cuypers en Alfred Tepe. Naast de verschillen tussen Cuypers en Tepe zijn er ook overeenkomsten. Beiden hadden een abstract idee van neogotiek. Toch zijn de gebouwen van beide architecten zeer verschillend. Zeer typerend voor Tepe is het feit dat hij zijn gebouwen feilloos in de bestaande context wist onder te brengen. Dit is bijvoorbeeld te zien aan de kerk van Maarssen, die in de oude bebouwing is geïntegreerd. Ook bij de Willibrorduskerk is dit het geval. Deze kerk staat als een vanzelfsprekendheid in de oude stad, alsof de huizen eromheen pas later zijn gebouwd. Tepe handhaafde in zijn neogotiek bestaande vormen uit de gotiek (middeleeuwen), maar combineerde ze wel opnieuw. Hij kopieerde nooit middeleeuwse gebouwen. Cuypers verzon soms juist wel nieuwe vormen.
De Willibrorduskerk was een van de eerste stadskerken van Tepe. Het gebouw is zeer opvallend en bijzonder vanwege het gepolychromeerde interieur. Dat kleurgebruik was iets nieuws in de negentiende eeuw en typisch voor de neogotiek. Cuypers paste kleur toe door middel van gekleurde steen, zoals in de Catharinakerk te Eindhoven of door polychromie, zoals in de Vondelkerk te Amsterdam. Terwijl Cuypers steen in het zicht liet, waren de kerken van Tepe vrijwel zonder uitzondering gepleisterd en beschilderd. Van alle Tepe-kerken heeft de Willibrordus het meest uitgebreide decoratieprogramma. Andere voorbeelden van zijn zeer uitgebreid beschilderde kerken zijn de Krijtberg te Amsterdam en de Sint Nicolaas te Jutphaas.
Het feit dat dit een van de eerste stadskerken van Tepe was en het rijke en vrijwel volledige interieur maakt het gerechtvaardigd dat deze kerk zo wordt ‘vertroeteld’. Bovendien was Tepe een onderdeel van de zogenaamde Utrechtse School en aangezien deze kerk in Utrecht staat, maakt haar tot specifiek Utrechts Erfgoed. Utrecht is in het verleden niet zorgvuldig omgesprongen met het erfgoed van Tepe. Zo is bijvoorbeeld de Onze Lieve Vrouwe-kerk gesloopt, de Martinuskerk onherkenbaar verbouwd, het Andreasgasthuis op de gevel na gesloopt en bij het Hiëronymusgasthuis is het nog maar de vraag wat er van over gaat blijven.

Kerken zou men moeten behouden, want het zijn herkenningstekens in een stad. De mens kan zichzelf er ontmoeten. Er kan gesproken worden over de ruimte als betekenisdrager. Echter, in Nederland is men bang voor lege ruimtes. Men heeft het idee dat alles gevuld moet worden en dat grote open gebouwen vol gelegd moeten worden met vloertjes en dergelijke. Alles moet in Nederland een functie hebben. Dit symposium is een mooie gelegenheid om over dit gedrag een te discussiëren.



Tweede spreker: ing. Paul van Vliet

Restauratiearchitect van verschillende Tepe-kerken.
Vertelt dat de afwerking van de Willibrorduskerk nog in volle gang is.

In Nederland zijn veel voorbeelden van kerken zonder kerkelijke functie. De nieuwe functie heeft dan geen relatie meer met het godshuis. Een aantal voorbeelden van monumentale gebouwen, die een nieuwe functie hebben gekregen na een uitgebreide verbouwing, zijn: de Nieuwe Kerk te Amsterdam, de kerk te Zutphen, de grote kerk te Veere (verbouwd door Marx en Steketee) en het atelier van Stef Hagemeier in Tilburg. Waarom deze voorbeelden terwijl de Willibrorduskerk, waar dit symposium plaatsvindt, net gerestaureerd is? Omdat het in de huidige maatschappij moeilijk is de functie van een godshuis voor honderd procent te bewaren. Een kerk wordt bijna nooit meer voltijd als kerk gebruikt. Op het korte stukje van Hilversum naar Bussum zijn alleen al vier getransformeerde kerken te vinden, waarvan er drie zijn verbouwd tot wooneenheden en één tot het atelier van een boekbinder. De vraag is of de Monumentenwet wel voldoende bescherming biedt als een kerk haar functie verliest. Financiële aspecten en economische principes worden vaak belangrijker gevonden dan culturele waarden.


Maar de Willibrordus is gelukkig gered. Hier waren al vroeg restauratieplannen. De Willibrordus is op conservatieve wijze gerestaureerd. De titel van het symposium is hier gelukkig niet van toepassing. Als eerste aspect van de restauratie moest het houtwerk en de constructie van de kerk vernieuwd worden. Er was sprake van een pragmatische aanpak. De kerk is gedurende de gehele restauratieperiode in gebruik geweest als geloofsgebouw. Het tweede aspect van de restauratie was het restaureren van het interieur. Pater Kotte wilde niet dat het een hele nieuwe kerk zou worden. Dat is gelukt: de romantiek is bewaard gebleven terwijl het nog steeds een oude kerk is. Dit is bijvoorbeeld te zien aan de vensters. Dit hebben namelijk nog steeds de wat vlekkerige oorspronkelijke beglazing. Alleen in de westgevel is het een en ander veranderd waar het nieuwe orgel en de toiletten en een keukentje werden ondergebracht. Het derde aspect van de restauratie was het aanpassen van de kerk aan de eisen van deze tijd. Dit was onder meer nodig omdat de liturgie nu anders is dan in de negentiende eeuw.
De toekomstige exploitatie van deze kerk zal alleen kunnen plaatsvinden wanneer bepaalde voorwaarden worden gesteld. Een activiteit moet passen bij de functie van dit godshuis. Bovendien moet worden bekeken of het past bij de ideeën die de grootste subsidiegever (Monumentenzorg) had over deze kerk.

Om terug te komen op de titel ‘Kerk te Huur??’: deze kerk verkoopt zichzelf wel. Paul van Vliet wenst het kerkbestuur veel succes. Zij zijn verantwoordelijk voor het gebruik van de kerk in de toekomst. Hij hoopt op voorzichtigheid en spreekt de wens uit dat deze kerk weer open zal zijn en dat het een plaats zal blijven waar mensen naartoe komen om een kaarsje op te steken, om tot rust te komen en zichzelf weer terug te vinden.



Derde spreker: drs. Casper Staal

Conservator van Museum Catharijneconvent en voormalig lid van de Werkgroep Neogotiek.
De aanleiding voor de uitnodiging van Casper Staal als spreker op dit symposium ligt in het verleden. Daarom gaat zijn verhaal eerst terug naar de jaren zestig en zeventig. In die tijd wilde de rooms-katholieke kerk van haar (neogotische) kerkgebouwen af. Er was sprake van teruglopende bezoekersaantallen en bovendien waren veel neogotische kerkgebouwen bouwkundig in slechte staat. Zo werden de Onze Lieve Vrouwe aan de Biltstraat en de Monicakerk aan de Oudenoord gesloopt. Voor de Willibrorduskerk werd een sloopvergunning aangevraagd omdat de gemeente andere plannen had voor dit terrein en de Martinus was genomineerd om gesloopt te worden. Redenen hiervoor waren geldgebrek en een afnemend aantal gelovigen. Daarom ontstond de Werkgroep Neogotiek. Dit was een subgroep van de Werkgroep Herstel Oude Stadswijken. Deze laatste werkgroep zette zich vooral in voor het gebied rondom Hoog-Catharijne. Dankzij deze groep werden verschillende oude panden in het centrum van Utrecht gered.

De Werkgroep Neogotiek liet slechts één keer officieel van zich horen, namelijk in het artikel ‘Sluiten is niet slopen’ in het tijdschrift Oud-Utrecht. De kern van dit artikel was dat het altijd beter is om kerken een andere functie te geven, want beter een verbouwde kerk dan een gesloopte kerk. Utrecht heeft een historie als het gaat om het slopen van kerken. Zo was de sloop in de negentiende eeuw van de Mariakerk, de grootste Romaanse kerk in Nederland, een grote blunder.

Het doel van het artikel in Oud-Utrecht was te shockeren. Er kwam echter slechts één reactie, die van het gecombineerde kerkbestuur van de parochies Sint Martinus en Sint Catharina. Zij maakte zich voornamelijk boos om de laatste zin van het artikel, die als volgt luidde: ‘Er rust een grote verantwoordelijkheid op jullie: Berbard Alfrink, Wijnand Kotte, Bennie Weterman, meneer Lisman, dr. Bouvy, Chris Meershoek, Jan de Vries en alle andere leden van beraden, commissies, comités en wat dies meer zij, dit erfgoed van de herstelde hiërarchie niet te verkwanselen aan een sloper voor, pak weg, dertig zilverlingen.’ Vooral het toespreken van de kardinaal (Alfrink) met zijn voornaam werd ongemanierd gevonden.

Een ander initiatief op het gebied van neogotiek in die jaren kwam van Wessel Reinink, destijds hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Na een collegereeks over neogotiek ontwikkelde een werkgroep studenten in opdracht van de directeur van het Aartsbisschoppelijk Museum een tentoonstelling over dit onderwerp. Hierbij verscheen een speciaal nummer van het blad Forum, getiteld ’t Gat in de Biltstraat. Omdat ’t Gat in de Biltstraat een nummer van een tijdschrift is en geen speciale catalogus, blijkt het achter erg moeilijk vindbaar. Dit heeft ertoe geleid dat deze publicatie, die een van de eerste was op het gebied van de neogotiek, vrijwel niet in latere literatuur is opgenomen. In het betreffende jaar 1973 was het de eerste tentoonstelling in Nederland die gewijd was aan de neogotiek. In die tijd vond de gemiddelde persoon neogotiek lelijk, onecht en nagemaakt. Een revival en herwaardering diende in gang gezet te worden, want er verdwenen nog teveel neogotische gebouwen in Nederland. De verguizing van de neogotiek gebeurde vooral door katholieken, die hiervoor naast esthetische en rationele redenen, ook nog een emotionele reden hadden. De knusheid van de donkere neogotische kerk en de katholieke moraal herinnerde de meeste katholieken in de jaren zestig en zeventig namelijk teveel aan het beeld van ‘de pastoor in de slaapkamer’. De meeste stellen en gezinnen wilden af van de invloed die de kerk uit probeerde te oefenen op hun leven.

In de tentoonstelling in het Aartsbisschoppelijk Museum waren onder andere kunstvoorwerpen te zien uit de gesloopte Onze Lieve Vrouwe. Zo werd geïllustreerd hoe zonde het was dat men deze kerk gesloopt had. Dit is eigenlijk heel vreemd, want zo ageerde het aartsbisdom in haar eigen museum tegen haar eigen beleid.

In Utrecht zijn gelukkig de Martinuskerk, Willibrorduskerk en Heilig Hartkerk gered.

Het lijstje van gesloopte negentiende- en twintigste-eeuwse kerkgebouwen is helaas wat langer dan het lijstje geredde kerken. Het gaat om de Monicakerk, Onze Lieve Vrouwe ten Hemelopneming, Ludgeruskerk, Julianakerk, Oosterkerk, Lucaskerk, Oranjekerk, Vredeskerk, Zuiderkerk, Christus Koningkerk, Onze Lieve Vrouwe van Goede Raad, Bernarduskerk, Pauluskerk en Johannes de Doper. Gelukkig is niet alles zo negatief, zo blijkt bijvoorbeeld uit de dissertatie van Arjen Looyenga. De Sint Barbarabegraafplaats is nog intact, het Hiëronymusgasthuis aan de Maliesingel wordt niet gesloopt, maar met respect voor de monumentale waarde verbouwd, de Jozefkerk aan de Draaiweg werd niet gesloopt en de Willibrorduskerk is gerestaureerd. Ook de Antonius van Paduakerk, in een bouwstijl die zich afzette tegen de neogotiek, staat op dit moment in de steigers.

Casper Staal pleit voor het behoud van kerken. We moeten geen angst hebben voor herbestemming. Gelovigen zijn het meest tegen herbestemming, vanwege de emoties verbonden aan de kerk, maar ook zij moeten proberen dat niet te zijn, want het na één generatie is er geen sprake meer van die emotie. Laten we dankbaar zijn dat men lang geleden in Rome zo wijs was om antieke tempels te hergebruiken, anders hadden we een gebouw als het Pantheon nooit gezien. Ook de kathedraal van Sevilla is een oude moskee, terwijl de Haya Sophia in Istanbul juist als christelijk kerk is gebouwd. Dit zijn allemaal voorbeelden van functieveranderingen en we moeten dankbaar zijn dat dit destijds gebeurd is, anders hadden we geen van deze gebouwen ooit kunnen bezoeken.

Laten we kerken behouden, want het zijn mooie gebouwen in de wijk. Wat voor de Onze Lieve Vrouwe aan de Biltstraat en voor de Monica aan de Oudenoord is teruggekomen is toch lelijk? Dat soort minimalistische nieuwe gebouwen moeten maar op een Vinex-locatie gebouwd worden. Sinds de zevende eeuw zijn er al kerkgebouwen in Nederland. Laten we met z’n allen proberen te voorkomen dat over twintig jaar iemand een boek schrijft getiteld ‘God verdween uit Utrecht’.

Vierde spreker: ir. Annette Marx

faculteitsdirecteur Academie van Bouwkunst Maastricht en architect bij Marx & Steketee architecten.
Haar bijdrage gaat over de herinrichting van de kerk in Veere als cultureel centrum. Haar achtergrond is anders dan die van de meeste sprekers. Ze is een moderne architect, afgestudeerd als ingenieur aan de Technische Universiteit Eindhoven en heeft een architectenbureau samen met partner Steketee. Tien jaar geleden kreeg het architectenbureau de opdracht voor de kerk van de toenmalige rijksbouwmeester. Het bureau was nog maar net gestart. De grote kerk van Veere is een ontwerp uit de Keldermans-familie. Veere ligt op Walcheren en was ooit een zeer welvarende havenstad. In de negentiende eeuw daarentegen was het een ‘shrinking city’. Nu is het een gehistoriseerd stadje waar vele toeristen komen.

In de zestiende eeuw brak er een grote brand uit in de kerk. In 1811 werd de kerk in beslag genomen door Napoleon. De plaatselijke bevolking kreeg drie dagen de tijd om alle voorwerpen en relikwieën eruit te halen, de rest zou worden verwijderd door de soldaten. Er zou namelijk een hospitaal in de kerk worden gecreëerd. Daarom werden de gotische vensters eruit gehaald en vervangen door moderne vensters. Hierbij werden de lateien gemaakt van grafzerken die de bevolking niet op tijd uit de kerk had kunnen redden. In Veere is het daglicht zeer intens door het water van de zee. Het licht schijnt in de kerk heel erg helder naar binnen sinds er geen glas-in-lood meer in zit.


Het interieur van de kerk in Veere was erg leeg, ruïneus en onaf. Er kwam in de Franse tijd een frictie tussen het religieus gebruik van de kerk en de functie. De soldaten maakten namelijk op rationele, klinische wijze gebruik van het gebouw. Ze maakten houten verdiepingen in de kerk voor alle zieken en stervenden. Deze verdiepingen werden in de maatsystematiek van de kerk verwerkt, maar er werden wel vier vloeren midden in de ruimte geplaatst. Deze dubbelzinnigheid werd als uitgangspunt genomen voor de verbouwing door Marx & Steketee. Een aantal van de negentiende-eeuwse balken was nog aanwezig en deze constructies waren het uitgangspunt, naast de ruïneuze leegte.

Tijdens het plannen maken werd bekend dat de Stichting Nieuwe Muziek de nieuwe gebruiker zou worden. Bovendien moest er sprake zijn van een breed cultureel perspectief, want er zou ook kunst tentoongesteld gaan worden.

De constructie die Marx & Steketee maakten was eigenlijk maar heel minimaal. Er waren eisen over hoe de balken geplaatst moesten worden. De verbouwing was behoudender dan die van de Franse ingenieurs. Er is nog altijd een zeer grote ruimte over. Er zijn vloerfragmenten van de Fransen teruggebracht en er zijn openconstructies om het heldere licht niet te blokkeren. In de ruimte en op verschillende hoogtes zijn zogenaamde units aangebracht. Dat zijn hokjes die gebruikt kunnen worden als kantoor. Ze hebben allemaal een transparante zijde. De vloeren zijn ook niet geheel dicht, er kan soms doorheen gekeken worden. Naast het programma van eisen, voegde het bureau ook eigen dingen toe, zoals een plateau halverwege de hoogte, van waaruit de kerk overzien kan worden.
Marx & Steketee gebruikten bij hun verbouwing verschillende waarden die zij belangrijk achtten. Aan deze waarden werden de weer begrippen gekoppeld:

Context → archaïsche leegte

Uitzicht → reflectie, confrontatie

Beweging → ronddwalen

Basiselementen → omkeerbaar

Gelaagdheid → getormenteerde geschiedenis

Rituelen → nieuwe muziek en kunst
Er volgend een aantal vragen uit de zaal. ‘Spreek je van een reconstructie, zoals ook Paul van Vliet, met de conservatieve restauratie van de Willibrorduskerk?’. Marx antwoordt daarop dat er is gezocht naar één sleutel in de geschiedenis. Gekozen werd voor de laag van de Fransen. Eigenlijk is deze werkwijze tegenstrijdig met haar opleiding, want architecten leren om nieuw tegenover oud te zetten en niet een oude staat als uitgangspunt te nemen. Dit was dus een uitzondering.

Ook wordt gevraagd of er vloerverwarming in de kerk is. Hoe gaat dat dan met de oude vloer, waar misschien ook nog oude graven in zitten? Marx benadrukt dat aan de hardstenen vloer mocht niks gebeurden, dus er werd folie overheen gelegd en daaroverheen werd de betonnen vloer gelegd. Er was nog één grafzerk en daarboven is een glasplaat gelegd, zodat deze nog zichtbaar is. Nog steeds heeft de vrager twijfels of die betonnen vloer er ooit weer uit kan. Marx verzekerd dat de vloer helemaal los ligt. Wel is deze erg dik, omdat alle leidingen en de verwarming erin zijn verwerkt. Op de vraag of het gebouw nu exploitabel is, moet Marx het antwoord schuldig blijven. Destijds kwam het geld van allerlei culturele instanties en van de overheid. Nu is er pas sprake van een goede regie en de gebruikers presenteren zich nu pas professioneel op de markt.



Vijfde spreker: Stef Hagemeier

Als glazenier betrokken bij onder andere de restauratie van de Willibrorduskerk. Heeft zijn atelier in de neogotische Antonius van Paduakerk te Tilburg.
Deze spreker heeft al heel wat meegemaakt met zijn atelier, zoals de Vaticaanse Concilies en de grijsmakers uit Vught. Nu is de tijd van de herbestemming aangebroken. Hij vroeg zich vaak af hoe bepaalde dingen met monumentale gebouwen toch konden gebeuren en waar in zo’n geval de instanties zoals Monumentenzorg bleven.

In zijn glasatelier wordt glas-in-lood gemaakt. Zijn idee is dat mensen monumenten overeind houden. Toen hij voor zijn atelier een nieuwe locatie zocht was de meest logische optie om op een industrieterrein te gaan zitten. Maar dat was een hele slechte locatie voor zo’n ambachtelijk vak. Dus kreeg hij het idee om het atelier in een monument te vestigen. Tilburg is een stad van schoorstenen en kerktorens en van de 27 kerken die er ooit waren zijn er nu nog 8 over. De neogotische Antonius van Paduakerk was al heel lang afgesloten. In 1998 waren er voor de gemeente met betrekking tot deze kerk twee opties: slopen of op de gemeentelijke monumentenlijst plaatsen. Er werd gekozen voor het laatste en wel omdat de kerk nog erg gaaf was. Het gebouw stamt uit 1911, waar Stef Hagemeier erg blij mee was, omdat de kwaliteit van neogotische kerken pas vanaf 1900 echt goed was. De architect van deze kerk was Margry. Bij de koop is eerst goed gekeken naar de kwaliteit van de grond en het gebouw. De maatvoering in de kerk was verbazingwekkend strak. Dit valt te verklaren door de steensoort, die in de natte fase is gekrompen en daardoor in het gebouw zelf niet meer veranderde.

De gemeente Tilburg (“slinks als ze zijn”) had overigens ineens bedacht om op 5 meter afstand van de kerk een bejaardenhuis te zetten. De gevel van het huis zou 15 meter hoog worden en een blinde muur krijgen. Stef Hagemeier grapt dat dit een van de dingen is waar je rekening mee moet houden als je een kerk koopt.

De schilderingen van de Antonius van Paduakerk dateren uit 1938 en zijn nogal zwaarmoedig. De kerk is bij de verbouwing tot atelier gewoon intact gelaten doordat er units in de ruimte zijn geplaatst.

De kerk heeft heel smalle zijbeuken, zodat het mindere volk ook in het middenschip kon zitten. Dit was niet gewoonlijk; arbeiders zaten normaal gesproken in de zijbeuken. In de kerk zit een koepel met prachtig glas-in-lood.

Het bisdom ’s-Hertogenbosch wilde dat alle religieuze voorwerpen uit de kerk gehaald zouden worden en ging niet akkoord met de overdracht. Stef Hagemeier wilde daarop zijn advocaat inschakelen, maar deze durfde geen rechtzaak te beginnen tegen de machtige kerk. Ook Monumentenzorg hield zich op de achtergrond.

De Tilburgse Monumentencommissie wilde zelfs goedkeuring geven aan verkoop van de kerk met alle voorwerpen erin, maar daar was geen sprake van bij de rooms-katholieke kerk. Hagemeier, die de kerk juist wilde kopen om in stand te houden en met respect te gebruiken, kreeg een aantal keer van het bisdom te horen “misschien begint u wel een disco in de kerk”. Uiteindelijk werd er toch toestemming gegeven, door de gemeente en door het bisdom. Alle altaren, beelden en dergelijke werden weggevoerd naar een depot. Toen werd een grote verbouwing in de kerk uitgevoerd. Bijruimtes zoals de sacristie werden intact gelaten. Casper Staal zei eerder al dat er samengewerkt móet worden. Daar is Hagemeier het mee eens, maar hij wil daaraan toevoegen dat ook Monumentenzorg onderling beter moet samenwerken.

De hele kerk kostte 525.000 gulden, de verbouwing 240.000 euro. Is dit nu interessant voor een bedrijf? Ja, in dit geval wel, want er komen veel mensen op bezoek die allemaal zeer onder de indruk zijn van het prachtige gebouw. Wanneer je ze wat meer vertelt, kunnen ze gewoon niet begrijpen dat Nederland haar erfgoed zomaar weggooit. De provincie, gemeente en het rijk hebben namelijk helemaal niets bijgedragen!



Een van de ergste dingen was nog wel de houding van het bisdom in een duel met de gemeente Tilburg, waarvan de inzet het torenkruis was. Dat moest er namelijk af van het bisdom, maar de gemeente wilde het er niet afhalen. Het bisdom zei toen dat ze dan de armen maar van het kruis af moesten slaan!
Arjen Looijenga reageert op het verhaal: er zijn bij Monumentenzorg echt teveel mensen die geen verstand hebben van dit soort zaken. Optimistisch zijn als het gaat om de toekomst van religieus erfgoed is echt onmogelijk. Hij kende het verhaal van Stef Hagemeier al wel, maar realiseerde zich niet dat het zó erg gesteld was.

Elke de Rooij








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina