Verslag van de veertiende bijeenkomst van het Platform Ecologisch Herstel Meren



Dovnload 46.38 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte46.38 Kb.
Verslag van de veertiende bijeenkomst van het Platform Ecologisch Herstel Meren

d.d. 26 oktober 2000, te Amsterdam

Opgemaakt door: Willemien Joosse, met dank aan alle sprekers van deze dag voor hun bijdrage.
Inhoudsopgave:
Binnenschelde, ligt de oplossing in verzouten?

door Guido Waajen (Hoogheemraadschap van West-Brabant)

De drijflagen van blauwalgen in het Volkerak-Zoommeer

door Suzan Verheijden (RWS directie Zeeland)

Gooimeer en Eemmeer, hopeloos of niet?

door Rob Portielje (RIZA)

Waarom blijft de Boschkreek helder zonder planten?

door Yvonne van Scheppingen (Waterschap Zeeuws-Vlaanderen)

Reeuwijkse plassen, aanzet tot herstelplan

door Bruce Michielsen (Hoogheemraadschap Rijnland)

Is een losse bodem een oorzaak voor de beperkte plantengroei in veenplassen?

Resultaten van onderzoek in Nederland en Engeland

door Hans Schutten (University of East Anglia)

Hoe nu verder met de internetsite?

door Marie-Louise Meijer (RIZA)

Rondje projecten


--------------------------------------------------------------------------------
Binnenschelde, ligt de oplossing in verzouten?

door Guido Waajen (Hoogheemraadschap van West-Brabant)


De Binnenschelde ligt in het westen van de provincie Noord-Brabant in de gemeente Bergen op Zoom. De plas heeft een belangrijke recreatieve functie (o.m. zwemwater) voor Bergen op Zoom en verdere omgeving. De Binnenschelde is in 1988 ontstaan als onderdeel van de Deltawerken na afdamming van een deel van de Oosterschelde. De plas is toen in enkele maanden tijd geforceerd verzoet. Enkele karakteristieken van de plas zijn: oppervlakte 180 ha, waterpeil N.A.P +1.50 m, waterdiepte gem. 1.5 m, max. ca. 3 m, verblijftijd 1.3 jaar, oever steenbestorting, bodem zand en slib en P-rijk. De belangrijkste aan- en afvoerposten van de waterbalans zijn neerslag en verdamping. In beperkte mate wordt actief water ingepompt vanuit het Volkerak-Zoommeer en wordt water uitgelaten naar het Volkerak-Zoommeer.

Het waterkwaliteitsbeheer is gericht op het realiseren van de doelstelling voor zwemwater met een doorzicht van tenminste 1m in het zomerhalfjaar. Sinds het ontstaan zijn een groot aantal maatregelen uitgevoerd gericht op verlaging van de P-gehalten, aangevuld met actief biologisch beheer. De omvangrijkste maatregelen betreffen baggeren van P-rijk bodemslib, de aanleg van een 5 ha groot overwinteringsgebied en een 14 ha groot paai- en opgroeigebied voor snoek. Door middel van onderzoek is de ontwikkeling van de waterkwaliteit en ecosysteem in beeld gebracht. In deze ontwikkeling zijn een 3-tal perioden te onderscheiden:


van 1988-1990: troebel water (door zwevend stof en algen), nauwelijks ondergedoken waterplanten, veel 3-doornige stekelbaars en aasgarnaal, geen grote watervlooien;

van 1991-1995: deze periode start met een watervlooienpiek in de 2e helft van 1990, gevolgd door een aantal jaren met helder water, zeer veel ondergedoken waterplanten (o.m. uitgebreide kranswiervelden), lage P- en N-gehalten, weinig vis;

van1996-2000: troebel water, toename P en N, eerst toename aarvederkruid, daarna afname waterplanten (in 2000 nagenoeg geheel verdwenen),veel aasgarnaal, weinig vis maar toenemend, weinig tot geen watervlooien, sterke toename algen en laatste paar jaar nagenoeg permanente blauwalgenbloei, in 1998, 1999 en 2000 zwemverbod. In het paai- en opgroeigebied worden jaarlijks enkele tienduizenden jonge snoeken geproduceerd, die echter niet bijdragen aan een heldere Binnenschelde.

Een analyse van de onderzoeksresultaten geeft het volgende beeld. De aanvoer van nutriënten (P en N) overtreft de afvoer. De zich sterk uitbreidende waterplantenbiomassa heeft in de eerste helft van de jaren '90 desondanks gezorgd voor een substantiële verlaging van de P- en N-gehalten. Op een gegeven moment kon de waterplantenbiomassa niet verder toenemen en bovendien vond een successie plaats naar steeds meer aarvederkruid. Deze soort neemt voedingsstoffen op uit de waterbodem en geeft ze, na afsterven, af aan het water. Het aarvederkruid begon vaak al in augustus af te sterven. Daarnaast stierven dieper gelegen plantendelen ook al tijdens het groeiseizoen af door zelfoverschaduwing. Dit zorgde voor het ontstaan van een laagje anaëroob slib op de waterbodem, hetgeen P-nalevering vanuit de bodem bevorderde. De combinatie van deze processen zorgde voor een toename van de nutriëntengehalten in het water in de tweede helft van de jaren '90. Dit ging gepaard met een gelijktijdige toename van de hoeveelheid aasgarnalen in de nog steeds licht brakke Binnenschelde en door de hiervan uitgaande predatiedruk een afname van de hoeveelheid watervlooien. Bovendien vormde de toenemende hoeveelheid blauwalgen een steeds slechtere voedselbron voor de watervlooien.

De ingezette weg van actief biologisch beheer was niet opgewassen tegen het hoge voedselaanbod (m.n. P vanuit de waterbodem). Dit heeft ertoe geleid dat het spoor van beperking van algengroei door P-reductie aangevuld met actief biologisch beheer verlaten is en onderzocht is of d.m.v. het limiterend maken van N de doelstelling van helder zwemwater gerealiseerd kan worden. In de studie zijn 2 varianten onderzocht:
een zoete variant met een groot zuiveringsmoeras (3 ha nitrificatieveld en 9 ha denitrificatieveld);

een zoute variant waarbij de Binnenschelde voortdurend wordt doorspoeld met N-arm zeewater uit de nabijgelegen Oosterschelde (15.000 m3/dag).

Beide varianten zijn met elkaar vergeleken op een aantal criteria, waaronder kosten en effectiviteit (=kans op helder zwemwater). Beide varianten vergen ingrijpende en kostbare maatregelen. Het grootste verschil tussen beide varianten ligt in de effectiviteit. Deze is bij de zoute variant groot vanwege de onbeperkte hoeveelheid N-arm en schoon Oosterscheldewater die beschikbaar is. Bovendien zijn er gunstige praktijkervaringen opgedaan met stagnante zoute systemen (o.m. Goese Meer). De zoete variant kent een grotere onzekerheid vanwege gebrek aan ervaring met dergelijke grootschalige rietmoerassen en het mogelijk optreden van N-bindende algen.
De bestuurlijke besluitvorming over het al dan niet doorgaan op de nu ingeslagen weg is nog niet afgerond.

Reacties van de aanwezigen:


Is er ook gedacht aan het samentrekken van het Markiezaatsmeer en de Binnenschelde?

Nee, dit is niet de bedoeling want het Markiezaatsmeer heeft geen recreatiefunctie en volgt een puur natuurlijke ontwikkeling.

Is er een relatie tussen vissterfte en de alg Prymnesium?

Uit literatuur blijkt dat Prymnesium in dit geval als de meest waarschijnlijke oorzaak van de vissterfte aangemerkt kan worden. De toxines van de alg werken in op de kieuwen en ademhaling van de vis.

Is er een gevaar dat door zoute inlaat het leefmilieu van Prymnesium bevorderd wordt?

Het gevaar bestaat wel maar de verblijftijd van het water in de Binnenschelde wordt door het doorspoelen ook korter.


--------------------------------------------------------------------------------
De drijflagen van blauwalgen in het Volkerak-Zoommeer

door Suzan Verheijden (RWS directie Zeeland)


Door uitvoering van de deltawerken en een aantal afspraken met onder andere België voor een getijvrije scheepvaartroute en de landbouw voor zoetwatervoorziening, is het Volkerak-Zoommeer veranderd van een zout getijdegebied in een zoet stagnant meer in 1987. Het meer moest zich nog aanpassen aan de nieuwe situatie en er traden een aantal onvoorspelbare veranderingen op. In de beginjaren leek de waterkwaliteit, merkwaardig genoeg, te verbeteren. Ook de ontwikkeling van waterplanten en de visstand leken de goede richting uit te gaan. Maar vanaf ongeveer 1990 begon het meer zich aan te passen aan de eutrofe zoete omstandigheden. Het meer ging zich ontwikkelen van het streefbeeld af. Vanaf 1994 komen blauwalgenbloeien voor het eerst gedurende de zomerperiode voor en zijn de jaren daarna niet meer weg te denken uit het meer. De blauwalgendrijflagen lijken steeds groter vormen aan te nemen en houden langer aan. In 2000 is daarom gestart met het uitvoeren van toxiciteitsmetingen, wat heeft geleid tot het uitgeven van een zwemverbod bij Speelmansplaten in het Zoommeer eind juli. Daarna is een negatief zwemadvies uitgegeven voor het gehele Volkerak-Zoommeer in de zomerperiode.
In augustus 1999 is gestart met het project Microcystis, een 4-jarig project waarin de levenscyclus van de blauwalgen wordt onderzocht. In de eerste twee jaar worden vooral metingen verricht aan water en waterbodem van het Volkerak. De laatste twee jaar worden gebruikt om de gegevens te verwerken in een model. Uiteindelijke doel is te weten te komen hoe de blauwalgen kunnen worden bestreden. Een eigen idee vanuit directie Zeeland is om het meer door te spoelen gedurende een bepaalde periode van het jaar. Het water wordt vanuit het Hollandsch Diep aangevoerd en wordt naar de Ooster- en Westerschelde afgevoerd. Door het RIZA worden momenteel de mogelijkheden en kansen hiervan onderzocht. Wanneer dit positief uitpakt is het de bedoeling te starten met doorspoelen in 2002.

Reacties van de aanwezigen:


Is de toename van P de basis voor de toename van de blauwalgen? P is inderdaad een heel belangrijke voedingsstof voor de blauwalgen. Samen met een aantal andere factoren (bijvoorbeeld toename witvis en afname zoöplankton, toename zwevend stofgehalte), leidt dit inderdaad tot een toename van de hoeveelheid blauwalgen.

Hoe staat het met de visstand? In 1992 zat er blankvoorn. Wim de Vos meldt dat er een forse toename van de spieringstand is. Verder is er brasem ingetrokken, die bestaat uit een groep die nauwelijks verjongd (maar Jouke Kampen geeft aan dat de invloed van deze groep nog lang kan duren!).

De Brabantse rivieren leveren weliswaar veel nutriënten, maar is de ent van de blauwalgen die de winter doorkomen nu niet de belangrijkste factor? Het zijn beide belangrijke factoren, die elkaar waarschijnlijk nog versterken. Het is een én-én-verhaal.

Wat is de minimale verblijftijd die bij het doorspoelen bereikt kan worden? Is er wel genoeg water om door te spoelen en kan een deel van dit zoete water wel naar de (zoute) Oosterschelde (daarover zijn de meningen verdeeld!)? Op dit moment wordt hier onderzoek naar gedaan.

--------------------------------------------------------------------------------
Gooimeer en Eemmeer, hopeloos of niet?

door Rob Portielje (RIZA)


De Zuidelijke Randmeren (Eemmeer/Nijkerkernauw en Gooimeer) hebben te maken gehad met zeer ernstige eutrofiëring, hetgeen zich uitte in zeer hoge nutriëntenconcentraties en troebel, door blauwalgen gedomineerd water. Omdat de toestand van de zuidelijke randmeren niet direct beheersbaar leek, heeft de aandacht voor bestrijding van eutrofiëring zich in eerste instantie gericht op de Veluwerandmeren. Nu staat echter ook het herstel de Zuidelijke Randmeren weer in de belangstelling, mede door maatschappelijke ontwikkelingen in de omliggende gebieden.
De zomergemiddelde totaal-P gehalten zijn na 1990 in zowel Eemmeer als Gooimeer fors afgenomen, Sinds 1996 schommelt de waarde in het Gooimeer rond de landelijke MTR-waarde van 0,15 mg P l-1. Er wordt in 1999 voorts voldaan aan de MTR-waarden voor chlorofyl-a en doorzicht, maar niet aan die voor totaal-N. In het Eemmeer bedroeg de zomergemiddelde totaal-P concentratie in 1999, ondanks een zeer sterke afname gedurende de laatste tien jaar, nog altijd 0,27 mg P l-1, bijna tweemaal de MTR-waarde. Hier wordt alleen aan de MTR-waarde voor chlorofyl-a voldaan. De gebiedsgerichte streefwaarden voor totaal-P en doorzicht worden zowel in Eem- als Gooimeer nog geen van alle gehaald, ondanks een sterke verbetering van het doorzicht in het Gooimeer gedurende de periode 1995-1999.
In tegenstelling tot de Veluwerandmeren is de forse toename van het doorzicht in het Gooimeer niet gepaard gegaan met een toename van ondergedoken waterplanten. Mogelijke mechanismen die deze toename wel veroorzaakt kunnen hebben zijn: filtratie door driehoeksmosselen, afvissen van pootvis (grotere brasem) of uitputting van de pool van gemakkelijk opwervelbaar sediment door doorspoeling of sedimentatie in de diepere delen van het meer. Door een andere diepteverdeling van de Zuidelijke Randmeren, met een veel geringer areaal met een diepte kleiner dan één meter dan het Veluwemeer, is een grotere verbetering van het doorzicht nodig om kolonisatie met ondergedoken waterplanten mogelijk te maken dan destijds voor het Veluwemeer nodig was.
Reacties van de aanwezigen:
De titel van het praatje deed het ergste vermoeden! Maar de situatie is zeker niet hopeloos. Inmiddels is al een aanzienlijke verbetering bereikt door allerlei maatregelen is de externe belasting verminderd en naar verwachting zal die verbetering zich nog doorzetten.

Hoe komt het dat er minder algen gekomen zijn?

Verwacht wordt dat dit o.a. door filtratie van driehoeksmosselen gekomen is.

Waarom zijn de driehoeksmosselen al terug gekomen? Het Gooimeer staat in open verbinding met het IJmeer en Markermeer, waar mosselen aanwezig zijn.

Andere mogelijke verklaringen zijn: de pootvisserij waardoor grote brasem wordt weggevangen of de diepe putten die als slibvang fungeren.

Is het doorzicht op het meetpunt wel representatief voor het hele meer? Waar de diepe gaten beginnen wordt het water helderder, terwijl er aan de kant drijflagen kunnen zijn.

Is al het totaal-P dat gemeten wordt wel beschikbaar voor de algen - en is het misschien mogelijk dat, als dit niet het geval is, er toch P-limitatie optreedt?

De hoge opgeloste P-concentraties spreken dat tegen.


--------------------------------------------------------------------------------
Waarom blijft de Boschkreek helder zonder planten?

door Yvonne van Scheppingen (Waterschap Zeeuws-Vlaanderen)


De Boschkreek is een zoete kreekrestant met een oppervlakte van 3 ha, een gemiddelde diepte van 2 m en een maximale diepte van 4 m. De kreek heeft een streefpeil van -0.20 m t.o.v. NAP, maar kent door wegzijging en verdamping in de zomermaanden een natuurlijk peil (variatie: 0 tot 0.5 m. min NAP). De verblijftijd van het water bedraagt in de winter ca. 2 weken en 's zomers is het bijna stilstaand water.
Maatregelen die in het verleden genomen zijn:


  • in 1993 sanering van diverse lozingen,

  • begin 1994 baggeren; 20.000 m3 slib verwijderd,

  • in 1993, 1996 en 1998 verwijdering van brasem en karper.

Kenmerken van het water nu:



  • doorzicht tussen 80 en 160 cm,

  • in april treedt een tijdelijke diatomeeënbloei op van Stephanodiscus hantzschii (doorzicht 40 cm),

  • nutriënten concentraties zijn afgenomen maar in winter/voorjaar nog steeds hoog (> 3,5 mg Ntot/l; > 0,25 mg Ptot/l). Vanaf april zakken de concentraties tot onder de norm met P-ortho zelfs lager dan 0,01 mg/l.

  • visstand van snoek/zeelt type, er zit maar 9% brasem,

  • het fytoplankton bestaat vnl. uit groenwieren en kiezelwieren en weinig blauwalgen,

  • in het zoöplankton zijn watervlooien (Bosmina longirotris, Ceriodaphnia, Daphnia cucullata en D. galeata) gevonden. Daphnia magna is niet in het zoöplankton gevonden, wel bij de macrobenthosbemonstering met een happer. Het lijkt er op dat er wel D. magna aanwezig zijn maar dat ze zich overdag op de bodem schuil houden i.v.m. predatie door vis.

  • ijzerhoudende kwel in aanvoerende sloten,

  • rondom een rietkraag van 1 -1,5 m. In een lange smalle kreek zoals de Boschkreek beslaat een dergelijke rietkraag al gauw 10 - 11 % van het oppervlak.

  • de macrofaunagemeenschap sterk toegenomen in aantal soorten én individuen.

  • aanwezigheid van zwanemosselen,

  • er komen geen waterplanten voor.

Voorstel voor een ecologisch plaatje:




  • in de winter komt er voedselrijk water binnen door uitspoeling van de landbouwgronden,

  • ook is er sprake van ijzerhoudende kwel via de kavelslootjes. Een deel van het fosfaat wordt door dit ijzer gebonden en is als ijzerfosfaat-vlokken in het water aanwezig.

  • vanaf mei regent het niet veel meer en zakt het waterpeil tot het in juni/juli onder de stuw gezakt is. De kreek fungeert dan als bak water waarin geen toestroom meer is van nieuwe voedingsstoffen.

  • dit natuurlijk peilverloop is gunstig voor de rietkraag en het perifyton (zuivering water),

  • de bloei van kiezelwieren in april onttrekt veel voedingsstoffen aan het water. Na een paar weken sterven de kiezelwieren af en zakken naar de bodem. De opgenomen voedingsstoffen zijn voor een lange tijd uit de voedselketen verdwenen. Er blijven niet veel voedingsstoffen in het water over omdat er na april geen nieuwe aanvoer is.

  • diverse soorten watervlooien grazen op de nog aanwezige algen zodat de concentratie laag zal blijven (zomergemiddeld chlorofyl-a 40µg/l).

Reacties van de aanwezigen

Mogelijke oorzaken voor ontbreken waterplanten:


  • door kiezelwierenbloei volgt afsterven van beginnende waterplanten; de voedingsstoffen zitten in de algen die bezinken/neerslaan, er is daardoor te weinig voeding voor waterplanten.

  • ijzersulfide belemmert de plantengroei (maar maakt het niet onmogelijk)

  • de zaadbank is bij het baggeren weggehaald, dit maakt een start voor de waterplanten moeilijk; vroeger waren er wel waterplanten.

  • er zit veel vis (visbiomassa 400 kg/ha) die kolonisatie van waterplanten verhindert.

  • door de diepte van de kreek is er, ondanks een redelijk tot goed doorzicht, nog onvoldoende licht voor de waterplanten.

--------------------------------------------------------------------------------


Reeuwijkse plassen, aanzet tot herstelplan

door Bruce Michielsen (Hoogheemraadschap Rijnland)


Vraagstelling: het probleem is de troebelheid van het water en als gevolg hiervan de teloorgang van waterplanten sinds de jaren '50, met name in de oostelijke plassen.
Welke veranderingen zijn in of rond de periode van achteruitgang, sinds ca. 1960, opgetreden?

  • de concentraties van macro-ionen, chloride, sulfaat en bicarbonaat zijn niet sterk veranderd,

  • droogmakerij Broekvelden Vettenbroek,

  • aanvoer nutriënten uit landbouwgebieden is toegenomen,

  • aandeel Breevaart is toegenomen na 1970.

Er zijn in het verleden verschillende maatregelen genomen. In 1986 P-verwijdering AWZI, in 1989 ABB in Klein Vogelenzang en toediening van FeCl3 in het sediment in Groot Vogelenzang. Maar het effect van deze maatregelen op de troebelheid was nihil.


Na beschouwing van doorzicht en extinctie bleken algen (blauwalgen) de belangrijkste component voor de troebelheid te vormen (chlorofyl-a 150 - 300 ug/l).
Nadere beschouwing van de waterbalans en nutriënten belasting levert het volgende op:

  • de plassen liggen in een wegzijgingsgebied,

  • de polders veroorzaken een grote watervraag in de zomer en een overschot in de winter,

  • aanvullen van water kan in de zomer alleen door inlaat vanuit de Breevaart,

  • water wordt als het ware door het gebied getrokken,

  • Breevaart levert de belangrijkste fractie in het westen v.h. gebied,

  • van westelijke naar oostelijke plassen gaande wordt de invloed van neerslag en landbouw groter,

  • de AWZI was niet eens een grote post voor de plassen zelf (maar wel voor de Breevaart).

Conclusies:



  • de primaire oorzaak voor de achteruitgang is de toename van de externe belasting van de plassen met stikstof en fosfaat vanaf 1950 (Breevaart en landbouwpolders),

  • de hoge nutriëntengehalten kunnen worden verklaard vanuit de externe bronnen, het optreden van interne eutrofiëring (nalevering vanuit de waterbodem) is daarom niet nodig om de gevonden voedselrijkdom te verklaren. Dit betekent dat interne eutrofiëringsprocessen mogelijk wel optreden maar dat hier tegenover vastleggingsprocessen bestaan.

  • er bestaat een gradiënt vervlakking van de samenstelling van het water over de plassen door een veranderde hydrologie.

Eindconclusie:

Voor een duurzaam helder systeem moet nu eerst de nutriënten-belasting teruggedrongen worden en dan kunnen verdere maatregelen genomen worden.
Maatregelen:

Set 1 defosfateren inlaat vanuit de Breevaart, polders afkoppelen van de plassen, peilvariatie in polders om belasting uit polders omlaag te brengen, peilvariatie in plassen om verblijftijd te verhogen, verlenging route van het inlaatwater,


Set 2 polders afkoppelen van de Breevaart, baggeren en overtollig slib voor aanleg eilanden gebruiken, zoneren motorvaart, maaibeheer riet, aanleg vooroevers

Reacties/vragen van de aanwezigen:



  • mooi dat er nu goede water- en nutriënten-balansen gemaakt zijn, die vormen een goed startpunt voor een aanzet tot herstel.

  • door verlaging van de nutriënten verwacht je minder drijflagen van blauwalgen, wat kan je voor de Reeuwijkse plassen leren van bijvoorbeeld de Nieuwkoopse en Loosdrechtse plassen?

  • voor de terugkeer van waterplanten is niet alleen een verbetering van het lichtklimaat van belang, maar ook de vastheid van de bodem. In de Reeuwijkse plassen is de achtergrondextinctie door de aanwezigheid van humuszuren en detritus al wat hoger en het gemakkelijke opwervelen van materiaal van de bodem maakt het terugkeren van waterplanten lastig. Hoe gaat dit aangepakt worden? Zie maatregelen.

--------------------------------------------------------------------------------


Is een losse bodem een oorzaak voor de beperkte plantengroei in veenplassen?

Resultaten van onderzoek in Nederland en Engeland

door Hans Schutten (University of East Anglia)
Waarom keren waterplanten bij voldoende licht wel terug bij een hardere bodem en niet bij een zachtere bodem?

Is er mogelijk een toxisch effect van de stoffen uit de veenbodem? Het blijkt dat waterplanten geen hinder ondervinden van de sulfide en ammonium concentraties. Wel blijkt er sprake te zijn van een fysische limitatie.

T.g.v. wind en golven treedt erosie op van de waterbodem, dit heeft ook effect op de kiemplanten en op de reproductie van de planten. Verder kunnen vogels die fourageren trekkrachten uitoefenen op de waterplanten en zo scheuten afbreken of de plant ontwortelen en kunnen vissen woelen in de bodem en de planten ontwortelen.

Een (kiem)plant kan afbreken of uit de bodem getrokken worden. Afhankelijk van het wortelgestel wordt een plant sneller of minder snel uit de bodem getrokken. De breeksterkte van de stengel wordt bepaald door de stengeldoorsnede. Bij breken van een scheut is hergroei mogelijk maar er is wel een negatief effect op het reproductie succes. Bij ontworteling van een scheut is vaak geen hergroei meer mogelijk en vindt er geen reproductie meer plaats.

Als het effect van de trekkracht waarmee aan de kiemplant getrokken wordt, wordt afgezet tegen de stevigheid van het sediment wordt duidelijk dat zachte bodems een fysiek probleem vormen voor de terugkeer van waterplanten. In zacht sediment zal de kiemplant namelijk veel sneller ontworteld raken dan in stevig sediment. In stevig sediment zal de scheut niet zo snel ontwortelen maar pas bij grotere trekkrachten hooguit afbreken (en bij lagere trekkrachten geen effect daarvan ondervinden). Daarmee is een kiemplant in stevig sediment in het voordeel t.o.v. een plant in een zachtere bodem.
Er is een model ontwikkeld, waarbij in stappen de kans op succesvolle waterplantengroei kan worden bepaald. Een rapport met resultaten van het onderzoek komt in het voorjaar bij RIZA beschikbaar.
Reacties van de aanwezigen:

Planten hebben toch ook steun aan elkaar; pollen planten hebben een dempende werking op golven.

Dit verhaal gaat over herstellende meren met een ijle vegetatie, pas als er weer voldoende vegetatie staat treedt dit gunstige effect op.

Na het baggeren is de slappe bodem weg. Binnen een jaar ligt er weer een slappe laag, wat kan de oorzaak daarvan zijn?

1) er kan vanuit de omgeving weer slib aangevoerd zijn,

2) door chemische reacties (afhankelijk van de hardheid van het water) kan de harde bodem weer in een slappe bodem veranderen,

3) verder ontbreken na het baggeren planten die de bodem vasthouden d.m.v. hun wortels (fysisch).

Daarom moet de bodem vastgelegd worden om het kiemplanten stadium goed door te komen.


--------------------------------------------------------------------------------

Hoe nu verder met de internetsite?

door Marie-Louise Meijer (RIZA)
Deze keer geen presentatie over hoe de internetsite eruit ziet, maar een aantal praktische vragen en bespreking van een aantal inhoudelijke punten.
Praktische vragen:

Wie kunnen internetten vanachter hun bureau?

Bij een groot aantal waterbeheerders kan internet maar op een plek in het gebouw bekeken worden.

Wie heeft de site nog niet kunnen bekijken?

De meeste mensen hebben de site bekeken.

Kan de internetsite vanaf nu gebruikt worden om het verslag van de bijeenkomsten te verspreiden? Nee, liever ook per E-mail versturen.


De inhoud van de site is tot nu toe erg beschrijvend. Vragen over de inhoud van de site:
Moet de regelgeving bijvoorbeeld voor het uitvoeren van maatregelen (zoals afvissen, baggeren, etc.) erop?

Nee, dit niet zelf doen. Er kunnen links gemaakt worden naar relevante sites.

Moeten er ook eenvoudige modellen met een toelichting op de site komen?

Hiervoor bestaat een gematigde belangstelling.

Moeten er gegevens beschikbaar gemaakt worden? Bijvoorbeeld de fysisch-chemische parameters? Nee, daarvoor aanhaken bij anderen, bijvoorbeeld de STOWA.

Wie wil meedenken over de verdere ontwikkelingen m.b.t. de site?

Jouke Kampen meldt zich daarvoor aan.

Moeten we ook iets op de site doen voor scholen?

Luuc Mur is bezig met een voorlichtingsproject met scholen.
--------------------------------------------------------------------------------
Rondje projecten
Dwight de Vries (Waterschap Noorderzijlvest):

Het Lauwersmeer onderzoek is gestart.

Rixt Hovenkamp (Hoogheemraadschap Uitwaterende sluizen van het Hollands Noorderkwartier):

De plassen bij Jisp in de buurt hebben een hoog fosfaatgehalte, een slappe bodem, maar met waterplanten en ze zijn helder! Rapport daarover is pas verschenen en zal worden verspreid.

Guido Waajen (Hoogheemraadschap West-Brabant):

De maatregel met gerstestro lijkt in het Wiel bij Waspik wel te werken, maar in de Parkvijver van Roosendaal niet. Het moet allemaal nog precies bekeken worden.

Opmerking: De NecoV heeft op 19 september 2000 een themadag gehouden met als titel 'Van flab tot kranswier - de rol van macro-algen in het waterbeheer'. Jonathan Newman hield daar een voordracht over bestrijden van draadwier met gerstestro. Op de NecoV site kunt u bij de Werkgroep Water- en Oeverplanten de samenvattingen van die dag bekijken.

Marcel Klinge (Witteveen en Bos) meldt dat het OBN-deskundigenteam laagveenwateren (OBN staat voor: Overlevingsplan Bos en Natuur) bezig is met het maken van het pre-advies. Subsidie aanvragen kunnen ingediend worden door terreinbeheerders/eigenaren.

Marcel Tosserams (RIZA) meldt dat het rapport 'Het Volkerak-Zoommeer; De ecologische ontwikkeling van een afgesloten zeearm' gereed is.

Klik hier voor de samenvatting van dit rapport.

Marcel van den Berg (RIZA) meldt dat hij bezig is met het maken van een handleiding vegetatiebeheer voor onderwatervegetatie. Hij wil een begeleidingscommissie instellen en vraagt wie van de leden daar in mee wil gaan denken. De bedoeling is om praktijkgerichte oplossingen te geven voor terugkeer en beheer van waterplanten.

Fred Kuipers (Waterschap Hollandse Eilanden en Waarden):

De Binnenbedijkte Maas is sinds 1992 erg opgeknapt. Onderzocht wordt wat daarvan de oorzaken zijn. De chlorofyl-a concentratie is van 120 naar 20 g/l gegaan en het water is helder geworden. Jouke Kampen geeft aan dat er weinig vis lijkt te zitten (in 1995 heeft er vissterfte plaatsgevonden). De blauwalgen zijn ook uit het systeem verdwenen.

Vraag van Suzan Verheijden: kan er een keer een excursie georganiseerd worden, bijvoorbeeld om de toepassing van gerstestro in Engeland te bekijken?

Harry Hosper vraagt zich af of er in Engeland ook iets zoals dit Platform functioneert.

Hans Los (WL) meldt een biofysisch experiment waarin in een lange goot van 100 m, op een bodem bedekt met waterplanten effecten van stroming nagegaan worden.

Klaas Everards (DWR):

In de Vinkeveense plassen heeft Chara zich spontaan hersteld nadat het gebied van riolering is voorzien.

Gerard Manshanden:

Het effect van bodemwoelende vis wordt vaak erg onderschat! Tegenwoordig wordt door beroepsvissers meer gevist op bodemwoelende vis. Ook in het Eemmeer en Gooimeer wordt al vier jaar gevist.

Tineke Burger (Aquasense):

Met mosselen uit het Markermeer zijn experimenten uitgevoerd. Opvallend was dat ze opleefden na het toedienen van gefiltreerd water uit het Markermeer waar ook toxische algen in zaten!

Bas Ibelings (RIZA):

De beruchte blauwalg Cylindrospermopsis is gesignaleerd. Het is een soort Microcystis.



Arjenne Bak (Bureau Waardenburg):

De gegevens van de nieuwe driehoeksmosselen bemonstering in de Rijkswateren worden momenteel uitgewerkt.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina