Verslag van een notaoverleg



Dovnload 0.69 Mb.
Pagina12/20
Datum20.08.2016
Grootte0.69 Mb.
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   20
voorzitter: Dat komt later nog aan de orde.

**
De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Ik heb een vraag gesteld over het veteranenbeleid. De minister zegt dat er inderdaad sprake is van een ereschuld, maar niet een ereschuld van Defensie. Hij moet daarom bij zijn collega's in het kabinet gaan kijken of hij die 100 mln. kan vinden. De vraag is of dat de opvatting is van de minister van Defensie of van het kabinet. Dat is natuurlijk de kern van de zaak.


De heer Knops (CDA): Voorzitter. Ik ben het eens met de minister dat de numerus fixus een sturingsinstrument is. Hij ontkent evenwel dat het een ontslaginstrument is, terwijl dat het feitelijk wel is. Om die organisatie in evenwicht te brengen, zullen mensen moeten afvloeien. Kan de minister nogmaals ingaan op de criteria die ten grondslag liggen aan de uitvoering van de numerus fixus, bijvoorbeeld functioneren, kwaliteit, enzovoort.
De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. In relatie tot die criteria heb ik gevraagd of er rekening kan worden gehouden en rekening wordt gehouden met terugkeer na uitzending, laten wij zeggen met een termijn van twaalf maanden. Ik heb een vraag gesteld over de 20% werknemers die Defensie al zou hebben verlaten in vergelijking met een vergelijkbare periode vorig jaar; om welk type functies gaat het hierbij? Ten slotte heb ik de minister in overweging gegeven om met name te kijken naar de regio Brabant waar alleen al in het kader van de maintenance zo'n 4000 vacatures zouden zijn. Zijn daarmee ook afspraken gemaakt?
De heer Hernandez (PVV): Voorzitter. Ik heb in eerste termijn gesproken over de promotiesystematiek. Daarover is in december al gesproken maar daarop is de minister toen niet ingegaan. Ik heb een vergelijking gemaakt met de ons omringende landen en de verhoudingen van het aantal generaals ten opzichte van het aantal militairen.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Voorzitter. Misschien is het beter dat de minister voortaan toch iets meer tijd krijgt voor een pauze zodat hij alle vragen kan beantwoorden. Ik hoor nu allerlei vragen herhaald worden. Dat zou naar mijn mening niet toegestaan moeten worden. Ik word echter gedwongen om mijn vragen te herhalen want ik krijg anders blijkbaar geen antwoord. Dat is geen goede manier van werken.

Ik heb gevraagd of de minister een realistisch beeld heeft van de jaarlijkse exploitatiekosten in relatie tot het personeel.

Mijn tweede vraag over het personeel was of extra kostentoename boven inflatoire stijging van personeel bij de minister bekend is. Dat is ongelooflijk belangrijk voor de komende periode.

De derde vraag betrof de antwoorden op de vragen, waarin staat dat Defensie in 2016 gevuld zal zijn met ongeveer 52.000 vte'n. Daarbij stond dat bij de agentschappen van 2013 tot 2016 een eerste schatting gemaakt is van 4473 vte'n. Dat is blijkbaar op de vte af te schatten. Hoe komt de minister bij dat getal?

Mijn laatste vraag ging over de 200 functies lichamelijke opvoeding en sportorganisatie.

Voorzitter, ik stel voor dat dit op een andere manier gebeurt want het is voor ons ondoenlijk om op deze manier een normaal debat met de minister te voeren.


De voorzitter: Dat laatste punt komt nog, zo begrijp ik van de minister. Ik geef het woord weer terug aan de minister.

**

Minister Hillen: Het is inderdaad een beetje lastig, want de kans dat ik alle vragen heb beantwoord is niet zo groot. U hebt zo ontzettend veel vragen gesteld dat ik probeer om een beetje de grote lijn te volgen. Meestal rakelen wij in tweede termijn nog op wat er is blijven liggen. Met name als het om technische vragen gaat vind ik het best moeilijk om daarop spontaan in te gaan, maar wij zullen zien.



Mevrouw Eijsink vroeg hoe de herplaatsing van die 4000 personen gaat. Wij gaan ervan uit dat dat gewoon binnen de interne vacatures kan, dus dat die absorptiemogelijkheid er is.

Mevrouw Hachchi vroeg of de regiegroep blijft. Het antwoord is ja. Die is permanent. De omvorming was al van tevoren gepland, niet eenmalig maar om dat permanent zo te doen. Op het bedrijfsmaatschappelijk werk wordt niet bezuinigd. Over de certificering had ik meen ik al geantwoord dat naarmate de initiële opleidingen zich verplaatsen naar roc’s, die per definitie gecertificeerd zijn, daaraan minder behoefte is. Wij zullen overigens bezien, als er ook certificering nodig zou moeten zijn voor bepaalde onderofficiersopleidingen, of de mogelijkheid bestaat om die alsnog te certificeren.


Mevrouw Hachchi (D66): Kan ik dat opvatten als een toezegging van de minister dat de Kamer daarover geïnformeerd worden?
Minister Hillen: Ja, maar dat zal niet zo gauw zijn, want op dit ogenblik zitten we midden in het proces dat je zoveel mogelijk teruggaat naar de roc’s. Het aantal interne opleidingen neemt af, ook door de kleinere instroom. Dit is niet iets waarmee ik binnen een paar weken zal komen, maar misschien kan dit wel bij de begrotingsbehandeling terugkomen. Het heeft in ieder geval de aandacht. Als er certificering nodig is en als die welkom is, zullen wij dat zeker overwegen.
Mevrouw Hachchi (D66): Het gaat mij ook niet om een aantal weken. Als de minister aangeeft dat wij ergens in september wanneer de begroting komt worden geïnformeerd over de mogelijkheden vind ik dat prima. Voor mij maakt het niet uit of het september is of later, maar zodra Defensie inzichtelijk heeft om welke officiersopleidingen het gaat waarvoor wel civiele certificering nodig is worden wij daarover graag geïnformeerd.
Minister Hillen: Wij zullen proberen die informatie te verstrekken in de memorie van toelichting bij de begroting.

De heer Van Bommel vroeg over de ereschuld of het alleen mijn persoonlijke overtuiging was. Wij hebben deze discussie in deze commissie een aantal keren gevoerd. Ik denk dat de opvatting wat breder leeft, maar tot nu toe is het niet mogelijk geweest om daar geld voor te vinden. Wij zijn op het ogenblik nog steeds op zoek. Er is een motie van mevrouw Eijsink verworpen bij de begrotingsbehandeling van vorig jaar, maar toen speelde deze discussie al optimaal. Wij proberen nog steeds om dat geld te vinden, in het kader van de veteranenwet die door de Tweede Kamer zelf wordt voorbereid, en ook in mijn eigen activiteiten naar het kabinet toe. Het optimale momentum was tot nu toe nog niet gevonden.


De heer Van Bommel (SP): Mijn vraag was heel helder, namelijk of het de opvatting van het kabinet is dat dit een zaak is die niet van Defensie is, maar van de natie en dus van het kabinet. Dat is een wezenlijk verschil met wat u zegt.
Minister Hillen: Het antwoord is nee. Het kabinet is nog niet zo ver dat het zich in die zin heeft uitgesproken.
De heer Van Bommel (SP): Dank u wel, dan hebben wij helderheid.
Minister Hillen: De heer El Fassed vroeg: waarom nu wel? Ik heb dat niet helemaal goed opgeschreven.
De heer El Fassed (GroenLinks): Ik kan de vraag wel herhalen. Het gaat om het terugdringen van de staven en de topfunctionarissen met 30%. Een vergelijkbare doelstelling was er in 2003. Mijn vraag was waarom u denkt dat u dit nu wel gaat halen.
Minister Hillen: Voor een deel moet ik zeggen dat ik dat niet weet omdat ik er toen niet bij was. Ik vind het eeuwig zonde dat het toe niet gebeurd is. In dat soort dingen moet je doorpakken. Wat nu in de beleidsbrief wordt afgesproken, gaat zijn vertaling vinden in de begroting. Dat betekent dat het taakstellende opdrachten worden. Wanneer je die niet haalt, heb je echt een probleem. Dus het is niet vrijblijvend wat wij met elkaar afspreken. Ik ben er dan ook niet zo verschrikkelijk bang voor dat het serieus in beeld komt. Bovendien ben ik zelf ben zeer gemotiveerd om dit te doen omdat ik het werkelijk in het belang van de krijgsmacht vind dat het goede en gezonde verhoudingen worden.
De heer Knops vroeg of de numerus fixus een ontslaggrond is. Dat is niet het geval, want dat is een sturingselement. De ontslaggrond is overtolligheid. Defensie zou gek zijn als zij niet naar de kwaliteit van de mensen zou kijken en alleen op getallen zou sturen. Daarmee schiet je jezelf in de voet en doe je de mensen ook geen plezier. Mevrouw Eijsink zei: stel er zijn 30 mensen nodig en je zal maar nummer 31 zijn. Als er geloot werd, zou zij gelijk hebben dat dit zeer slordig is, maar bij een kwalificerende beoordeling kies je voor de 30 beste mensen.
De heer Knops (CDA): Gaat u dat doen?
Minister Hillen: Ja, dat gaan wij doen.

De vraag van de heer Ten Broeke ben ik even kwijt.


De heer Ten Broeke (VVD): Wordt rekening gehouden met militairen die pas zijn uitgezonden? Als zij op uitzending zijn, kunnen zij geen vacaturebank raadplegen en ook niet solliciteren. Dat lijkt mij een praktische reden om hier rekening mee te houden, nog los van alle andere goede redenen om daar een termijn voor te stellen.
Minister Hillen: Ik heb al gezegd dat hun termijn gaat lopen vanaf het moment dat zij terug zijn. Dan gaat de termijn van drie maanden in. Er is inmiddels een groot aantal militairen uitgezonden, dus is het niet reëel om uitgezonden militairen alleen om die reden een bijzondere behandeling toe te kennen. Het uitgezonden zijn als zodanig is geen criterium. Mensen die net zijn teruggekomen, worden hetzelfde behandeld als de anderen, alleen gaat hun termijn pas in als zij zijn teruggekeerd. Zij hebben drie maanden de tijd om zich te oriënteren. Wij denken dat die periode ruim genoeg is. Ik ben het met de heer Ten Broeke eens dat zij in het buitenland beperkt zijn in hun mogelijkheden.

De heer Hernandez maakte een vergelijking met de Fransen en de Duitsers. Na onze reductie van 120 naar 80 is er sowieso een veel gezondere verhouding. Ook de numerus fixus leidt tot een gezondere verhouding. Uiteindelijk is de bedoeling dat wij uitkomen op een verhouding lager-hoger personeel en jongeren-ouderen van 60-40. Het toekomstige model zal een logischer opbouw hebben dan het huidige. De willekeur wordt eruit gehaald. Wij werken met blauwdrukken en modellen die tot een door ons gewenste uitkomst leiden.


De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter.
De voorzitter: Aanvullende vragen kunt u in tweede termijn stellen. Wij zijn nu met de eerste termijn bezig.

**
Minister Hillen: Mevrouw Eijsink maakte de rekensom van 52.000 plus 4000 is 56.000. Die som klopt, maar ik weet niet wat de strekking van haar vraag is.


Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik vind het zeer spijtig dat ik deze vraag nu voor de derde keer moet stellen. Dat is zonde van onze tijd. Het is duidelijk dat ik die rekensom kan maken, maar ik verwijs naar de antwoorden van de minister. Daarin staat letterlijk: "Defensie streeft naar een gevulde organisatie in 2014" en "zal in 2016 naar verwachting uit ongeveer 52.000 fte's bestaan." Dit staat op pagina 26 van de antwoorden. Maar volgens mij gaat de minister verder dan 2016. Dat is ook mijn vraag. Vervolgens staat op pagina 61 van de antwoorden dat de personele omvang van de agentschappen in 2013-2016 volgens een eerste schatting 4473 zal zijn. Dat zijn geen onbelangrijke cijfers. Dit gaat over Event, over CDC, over uitbesteding.

Tellen kan ik ook een beetje. De minister geeft weinig cijfers aan de Kamer. Ik zou het zeer op prijs stellen als hij een uitleg daarover geeft, zodat de Kamer in ieder geval weet wat de toekomstverwachtingen zijn.


Minister Hillen: Voorzitter. Ik zal het antwoord geven in mijn tweede termijn. Hier heeft sourcing meegespeeld en er zijn plussen en minnen.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Voorzitter. Ik constateer dus dat ik in eerste termijn geen antwoord kan krijgen. Dan wil ik wel in tweede termijn de kans krijgen om te reageren. Dat is natuurlijk vrij logisch. Ik neem aan dat de minister de andere twee vragen ook nog beantwoord.
De voorzitter: Ja, dat is duidelijk, mevrouw Eijsink. De minister gaat door met zijn beantwoording.

**
Mevrouw Eijsink (PvdA): Voorzitter. Het spijt mij zeer maar ik heb in eerste termijn een vraag gesteld en die nu herhaald. Ik wil niet vervelend doen maar deze situatie ontstaat niet door de Kamer. De vragen zijn kennelijk niet genoteerd. Ik heb duidelijk gevraagd of er een realistisch beeld is van de personele exploitatiekosten. Dat is de basis van de begroting. Vervolgens heb ik gevraagd of er een realistisch beeld is van de extra kostentoename als gevolg van boveninflatoire stijging van personeelskosten. Ik heb die vragen in eerste termijn heel rustig gesteld en wil die nu graag beantwoord hebben.


Minister Hillen: Het antwoord is "ja". Al onze cijfers worden geverifieerd en gevalideerd door Financiën. Met die cijfers wordt gewerkt en die zijn voor beide partijen geldig. Ik zie niet in wat wij daarin kunnen veranderen.
Mevrouw Hachchi (D66): Voorzitter. Ik zie dat er een vraag is blijven liggen. Ik heb gevraagd in hoeverre er oog is voor het individu en of er niet alleen gekeken wordt naar de functies die geschrapt worden. Daarop heeft de minister nog niet gereageerd.
Minister Hillen: Voorzitter. Dat heb ik wel gedaan. Ik heb gezegd dat kwaliteit voor ons doorslaggevend is, dat wij geen pijltjes gooien. Wij proberen te selecteren op kwaliteit.
De heer Hernandez (PVV): Voorzitter. Het gebeurt niet vaak, maar ik moet mevrouw Eijsink gelijk geven. Ik vind het namelijk bijzonder storend dat de vragen die door de Kamer gesteld worden, hier gewoon niet beantwoord worden. Bijna tot vervelens toe moeten wij de minister en zijn staf verzoeken om antwoord te geven op de gestelde vragen. Als wij dit in twintig blokjes opnieuw moeten doen, zitten wij hier om twaalf uur nog. Niet dat ik het erg vind, maar het is niet de bedoeling. Ik vraag de minister om de hele set ambtenaren die hij bij zich heeft aan het werk te zetten om die vragen te beantwoorden. Ik vind het echt slecht.
Minister Hillen: Voorzitter. In dat geval zal ik voortaan een langere schorsing vragen.
De voorzitter: Het lijkt mij verstandig dat wij nu doorgaan met het beantwoorden van de gestelde vragen. Na afloop kijken wij dan wel of er aanvullende antwoorden nodig zijn.

**
Minister Hillen: Dan ga ik nu naar de vragen over de reductie van 30%. Hoe wordt die vorm gegeven en hoe hard is die?

De 30%-reductie geldt voor de bestuursstaf die nu bestaat uit ongeveer 1200 functies, exclusief de MIVD, en voor de centrale staven van de commandanten en van andere Defensieonderdelen. In de rest van de organisatie wordt circa één op de zes functies gereduceerd. Bij de staffuncties is het één op de drie. Deze streefcijfers zijn wat mij betreft hard. Ik ben zeer gemotiveerd deze besparingen te halen, want anders moet er meer worden gesneden in de operationele capaciteit en daar voel ik niets voor. Wat overblijft aan staven is het minimaal noodzakelijke voor een kwantitatief en kwalitatief adequate ondersteuning van een complexe organisatie als Defensie. De plannen moeten in augustus klaar zijn. Ik wil daarop nu nog niet te veel vooruitlopen. De staven zullen in ieder geval meer dan nu het geval is, op hoofdlijnen de regie voeren en minder in detail gaan sturen. Dit wordt mede mogelijk gemaakt door de eenheden een duidelijk haalbare opdracht te geven met voldoende middelen. Alle in de beleidsbrief genoemde besparingen worden in de begroting van 2012 verwerkt. Daarmee zijn de opbrengsten taakstellend en bestaat de financiële noodzaak de maatregelen ook te realiseren. Het tijdpad is verschillend vanwege de aard van de maatregelen zelf. Stilzetten van een operationele eenheid kan per direct gebeuren en levert een directe besparing op in de exploitatie, daarentegen kan het werk in de staven niet zomaar worden gestopt. Defensie moet ook nog bestuurd worden. De reorganisaties van de staven zijn complexer en zullen langer duren.
Een motto als centralisering of decentralisering is niet van toepassing op het besturingsmodel. Er werd gevraagd of ik nu aan het centraliseren of aan het decentraliseren ben. Eigenlijk gebeurt het allebei. Wat ons betreft gaat het eigenlijk om verheldering en vereenvoudiging. Het doel is een heldere verhouding in het bestuur van Defensie. Men gaat erover of niet. Een kleinere bestuursstaf voert de regie op de hoofdlijnen. Eenheden krijgen duidelijke opdrachten en voldoende middelen om die opdrachten uit te voeren. Dat is decentralisering. Het beleid blijft wel gecentraliseerd in de bestuursstaf. Er komt een einde aan de versnippering. Er is een concentratie van beleid bij de nieuwe hoofddirectie Beleid, die nu nog DAB heet. De CdS krijgt een sterkere rol. Hij bepaalt de wijze van uitvoering van de operationele taken en wijst de daarbij behorende budgetten toe, ook voor DMO en CDC. De HDFC wordt verantwoordelijk voor simpeler en meer effectieve controle. Een compact comité, onder leiding van de SG, met de CdS, de HDB, de HDFC en de plaatsvervangend SG, zet de lijnen uit. De ondersteuning defensiebreed is geconcentreerd bij DMO en CDC. De krijgsmachtspecifieke ondersteuning wordt toebedeeld aan de operationele commandanten. Zij krijgen daardoor meer zeggenschap en meer ruimte bij de uitvoering. Dan gaat het om het Marinebedrijf, het Logistiek Centrum Woensdrecht en het Defensie Bedrijf Grondgebonden Systemen van de landmacht.

In het algemeen wordt er verhoudingsgewijs meer bezuinigd op de stafcapaciteit dan op de operationele capaciteit. Dat heeft uiteraard een positief effect op de "teeth to tail"-ratio. Daarnaast hebben wij ervoor gekozen verschillende wapensystemen geheel af te schaffen en de eenheid op korte termijn dus stil te zetten. Hierdoor kan ook worden geschrapt in de keten van ondersteuning, instandhouding en opleiding. Dat levert verhoudingsgewijs veel meer op dan alleen het reduceren van aantallen, hoe pijnlijk die maatregelen ook zijn. Defensie maakt gebruik van een rekenmodel, dat in het project Verkenningen is ontwikkeld en dat sindsdien verder is verbeterd. In dat rekenmodel is de verhouding tussen teeth en tail vastgelegd.

Uiteraard is het de insteek de operationele capaciteit zo veel mogelijk te ontzien en maximaal in te zetten op de besparingen in bestuur en ondersteuning. Dat is deels gelukt, maar vanwege de omvang van de taakstelling kunnen de operationele capaciteiten niet worden ontzien. Er zit een grijs gebied tussen spoor 2 en spoor 3, bijvoorbeeld als het gaat om de elementen van de gezondheidszorg, gerelateerd aan de operationele inzet. Deze worden tot spoor 2 gerekend, omdat ze integraal deel uitmaken van de totale gezondheidszorg. De intentie om de operationele capaciteit zo veel mogelijk buiten schot te laten, blijft nog steeds overeind.

Na de publicatie van de beleidsbrief op 8 april is de implementatie dus ter hand genomen. Momenteel wordt gewerkt aan de nadere invulling van de numerus fixus, die in juli gereed moet zijn. Daarnaast zijn er projectleiders aangewezen voor de bezuinigingen met grote organisatorische gevolgen. Zij zullen de bezuinigingen uitwerken in zogenaamde blauwdrukken, voor bestuur, materiële logistiek, opleidingen, personeelslogistiek en informatievoorziening. Deze blauwdrukken zullen leidend worden bij de uitvoering van de reorganisaties die in augustus starten. De komende twee maanden treden de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten en de hoofddirecteur Algemene Beleidszaken op als coördinatoren. Zij vervullen die rol ook in de fase van onderzoek en besluitvorming. Voor de dagelijkse activiteiten worden ze bijgestaan door twee algemene projectleiders.

In augustus moeten de blauwdrukken gereed zijn en komt de taak van het reorganiseren bij de commandanten van de defensieonderdelen te liggen. De doorlooptijden van de reorganisatietrajecten zullen dan verschillen. In beginsel zullen begin 2012 de eerste reorganisatietrajecten in de eindfase verkeren en duidelijkheid bieden voor het betrokken personeel.

De implementatie van de beleidsbrief wordt zo veel mogelijk in de reguliere lijn ter hand genomen. Het BPB-comité treedt op als stuurgroep. De reorganisaties worden door de commandanten aangevoerd. De interne rapportages zullen daarom zo veel mogelijk via de reguliere structuur, met periodieke rapportages plaatsvinden. Daarom wordt voorgesteld de Kamer op de reguliere, bestaande rapportagemomenten te informeren over de voortgang van de implementatie, dat wil zeggen bij het jaarverslag en de memorie van toelichting. De heer Ten Broeke heeft gevraagd om een halfjaarlijkse rapportage door de Algemene Rekenkamer. Ik zal de Algemene Rekenkamer vragen of zij dit wil doen.


Mevrouw Eijsink vroeg of er sprake is van actief kosteninzicht en kostenbewust handelen en hoe dat te bereiken is. Er is kosteninzicht en er is kostenbewust handelen. In de beleidsbrief voorgestelde verbeteringen hebben tot doel het inzicht te vergroten in de kosten en te komen tot een normering van activiteiten en de daarvoor benodigde middelen in de planfase. Hierbij is het uitgangspunt dat de besluitvorming ook over activiteiten en budgetten synchroon verloopt. In het uitvoeringsjaar kan de budgetrealisatie dan ook direct worden gerelateerd aan de gedane activiteiten en daarmee behaalde doelstellingen. Het verbeterde inzicht in doelstellingen, activiteiten en middelen resulteert in een betere planning en verbetert het kostenbewust handelen. Door hierop beter te sturen, zal aan het eind van het uitvoeringsjaar, naar wij aannemen, veel minder sprake zijn van onderuitputting.

Hoe wordt niet zakelijk handelen en gebrek aan budgetdiscipline dan tegengegaan? Voor Defensie als geheel en voor de afzonderlijke budgethouders binnen Defensie gelden de regels van de budgetdiscipline. Deze regels houden onder meer in dat gedurende het uitvoeringsjaar tegenvallers binnen de eigen begroting of een onderdeel van die begroting moeten worden opgevangen. Dat is een belangrijke impuls om de financiële huishouding op orde te krijgen en te houden. Feitelijk volgen we hiermee hetzelfde systeem zoals dat kabinetsbreed het geval is.


Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik hoor de minister spreken over kosteninzicht en kostenbewust handelen. Ik neem aan dat dit nu eigenlijk ook al gebeurt, want activiteiten en budgetten moeten synchroon verlopen. Waar we dat thuis proberen te doen, neem ik aan dat we dat ook met belastinggeld doen. Verder staat in de plannen van de minister dat het taakstellend moet zijn en dat tegenvallers moeten worden opgevangen binnen de eigen begroting. Stel iemand is operationeel commandant bij de marine. Hij krijgt er zo meteen de marinewerf en het stille personeelsbestand bij. Kan de minister dan meer inzicht geven in hoe dat gaat werken? Stel dat het niet gaat lukken in een jaar. De minister heeft gezegd de Kamer te zullen informeren in het jaarverslag en de memorie van toelichting. Als dat niet gaat lukken, is het dan taakstellend naar die commandant toe? Zegt de minister dan tegen die commandant: dat is een minnetje op je conduitestaat en als het twee keer voorkomt moet je eruit? Ik vraag dit zo, omdat het wel te maken heeft met de randvoorwaarden die de minister gaat stellen. Als er een pakketje is aan randvoorwaarden, moet je ook verantwoordelijk kunnen zijn. Dan pas gaat het systeem werken. Ik merk daarbij op dat in de Defensieorganisatie zo'n 40% van de functioneringsgesprekken gedaan worden. Als je er dus ook nog de numerus fixus bij neemt, betekent het dat je een aantal dingen niet kunt doen. Ik probeer een concrete voorstelling te krijgen van waarover wij het hier hebben, want het blijft zoveel papier. Als de minister voorbeelden kan geven, hebben we in ieder geval inzicht in wat hij bedoelt met taakstellend. Want daar gaat het aan deze kant om.
Minister Hillen: De begroting is leidend. De CdS is degene die aanstuurt. Dat wil zeggen dat hij begrotingsmiddelen ter beschikking stelt. Op het moment dat daarin overschrijdingen plaatsvinden, is de CdS degene die direct kan corrigeren richting de commandant van de zeemacht.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik heb het over de randvoorwaarden. U gaat ze zo meteen invoeren in dat grote bedrijf van u. Je gaat erover of je gaat er niet over. U gaat ze dus invoeren. Wat voor handen en voeten krijgt dat geheel? Waar kunnen mensen echt verantwoordelijk voor en afrekenbaar op zijn? U bent politiek verantwoordelijk, maar hoe gaat het straks echt praktisch uitwerken in de organisatie, zodat bijvoorbeeld de Kamer niet in een keer weer 85 mln. op de begroting ziet?
Minister

1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   20


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina