Verslag van een notaoverleg



Dovnload 0.69 Mb.
Pagina15/20
Datum20.08.2016
Grootte0.69 Mb.
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   20
El Fassed (GroenLinks): Dat zou kunnen, als we duidelijke keuzes maken voor taakspecialisatie. Dit kabinet maakt deze keuze niet, maar doet van alles een beetje. Dat is de keuze die het kabinet maakt. Daar zit een financieel plaatje aan dat niet helemaal synchroon loopt. Er is geen match tussen. Dit is dé vraag van vandaag: kloppen de ambities met het financiële plaatje? Of moeten we met de kennis van nu misschien terug naar dat plaatje en kijken of die ambitie wel de juiste is?
Minister Hillen: Ik denk dat de internationale samenwerking in Europa nog behoorlijk in de kinderschoenen staat, met alle respect voor wat er al is gebeurd. Ik loop zelf al een tijdje hierin mee. Zoals u het formuleert, lijkt het zo redelijk en eenvoudig, maar zo gaat het dus niet. Elk land die met zijn eigen ombuigingen bezig is, heeft met 101 dingen te maken die in het eigen land spelen. Duitsland is nu gekomen met zijn plannen voor de ombuigingen. De Maizière en ik hebben met elkaar gesproken over de richting waarin de plannen zich ontwikkelen, maar hij raadpleegt mij amper en ik raadpleeg hem amper over de inhoud. Als het gaat over het Nederlands-Duitse legerkorps, houden we rekening met elkaars belangen. Voor de rest weet ik niet waar hij op uitkomt en hij weet niet waar ik op uitkom. Hij weet dat het een nationale zaak voor mij is, en wat mij betreft is het ook voor hem een nationale zaak. Dit gaat dan om buurlanden.

Het is nog lang niet zo dat wanneer je vandaag besluit om iets te doen, je dat morgen dan geregeld hebt. We hebben nu te maken met een bezuinigingsopdracht waarbij de minister van Financiën binnen vier jaar tijd alle munten wil hebben die hij ingezet heeft. Dat wil zeggen dat je alleen maar budgetgedreven snel moet kunnen reageren. Dan is internationale samenwerking in een bedelaarsoptocht lopen met de pet in de hand, vragend wie de centen voor je wil betalen. De constructieve vorm van samenwerking waarin je probeert samen tot betere resultaten te komen, moet gaan op basis van niet alleen budgetgedreven handelen maar ook een positieve politieke wil. Dat duurt nu eenmaal langer dan een, twee, drie of zelfs vier jaar. Ik heb met België, Duitsland en Engeland een aantal initiatieven genomen die niet vrijblijvend zijn. Die proberen we te onderbouwen met een ambtelijke agenda die uitgewerkt wordt en die vervolgens aan onder andere de NAVO en de EU wordt voorgelegd. Wat ons betreft zullen er dan ook conferenties gehouden worden waarin elk land gaat aangeven wat het al aan het doen is op dit vlak. We proberen dat zo verplichtend mogelijk te maken. Ik heb voorgesteld een conferentie te houden binnen Europa. Nederland is tot nu toe het enige land dat die conferentie steunt. Welnu, it takes two to tango. Ik praat met de Belgen uitstekend en het zijn grote vrienden, maar België heeft op dit moment wel een demissionaire regering. Dat wil zeggen dat ik toch moet wachten totdat daar een missionaire regering zit. Dat zijn de realiteiten van de internationale samenwerking.


De heer Van Bommel (SP): Ik begon over het ambitieniveau omdat het ambitieniveau zoals dat altijd gehanteerd werd, helder was. Het legde een behoorlijk zwaar beslag op de krijgsmacht maar het was wel helder, omdat het de grootte en de duur van de inzet vastlegde. Wat ik nu zie bij de inzetbaarheidsdoelstellngen is dat die duur steeds ontbreekt. Er wordt gesproken over eenmalige bijdragen aan internationale interventieoperaties met taakgroepen van brigadeomvang of langdurige bijdragen aan een stabilisatieproces. Daarbij wordt ook gesproken over maximaal twee operaties te land met bataljonstaakgroepen. Maar de vraag is hoe lang het voortzettingsvermogen van zo'n missie is. Als u daar niets over zegt, weten wij eigenlijk niet wat de inzetbaarheidsdoelstelling is.
Minister Hillen: Het voortzettingsvermogen is per definitie afgenomen.
De heer Van Bommel (SP): Ja, dat dankt je de koekoek, dat lijkt me nogal logisch als je zo lang bezuinigt op Defensie. Overigens, mijn steun hebt u, maar wanneer u die inzetbaarheidsdoelstellingen hanteert, moet u wel aangeven wat de duur van die inzetbaarheid is. Anders is het alleen papier. Over Libië verrast u de Kamer volledig met die heel beperkte inzetmogelijkheid.
Minister Hillen: Maar dit is een politieke keuze. Dat heeft niets te maken met wat Defensie op een gegeven moment wel en niet kan. Elke keuze opnieuw is telkens een politieke keuze. Afghanistan laat zich ook niet overdoen. Dus het is schijnzekerheid bieden als je dat in bepaalde configuraties wilt zien, omdat het morgen toch weer anders kan zijn. Door Libië zijn ook wij verrast en wij hebben geprobeerd daarin onze positie te zoeken, recht doend aan wat Nederland optimaal zou kunnen doen. Maar een half jaar geleden hadden wij het hier met elkaar nog niet over Libië.
De heer Van Bommel (SP): Vanzelfsprekend, omdat dat toen niet aan de orde was. Maar wanneer u bij zo'n ingrijpende verandering de Kamer voor wilt houden wat de krijgsmacht na deze operatie nog kan, dan is het logisch dat wij aan u vragen hoe lang die inzetbaarheid dan is op deze onderdelen. U zegt eigenlijk: nou, dat moeten we dan maar zien. Dan weten wij ook niet wat de krijgsmacht na deze herstructurering waard is.
Minister Hillen: Ik kan daar amper op antwoorden, omdat het ervan afhangt welk beroep er op je wordt gedaan, welke urgentie het heeft, welke bondgenoten er zijn om dat gezamenlijk te doen en hoe groot je inspanning zal moeten zijn. Zes F-16's voor Libië is een andere vraag dan 500 man voor Kunduz, om maar eens wat te noemen.
Mevrouw Hachchi (D66): De minister doet wel vaker verwarrende of tegenstrijdige uitspraken. Dat gevoel heb ik nu ook als het gaat om het ambitieniveau. Als ik de minister hoor spreken, is er niets aan de hand. Dan is de krijgsmacht veelzijdig inzetbaar. Met andere woorden: jongens, waar maken we ons druk om? Dit terwijl in de brief letterlijk staat dat Defensie nu niet veelzijdig inzetbaar is en misschien vanaf 2014. Ik krijg daarop graag een reactie van de minister.

Als het gaat om internationale samenwerking vraag ik de minister of hij bereid is om zijn visie en strategie op dat punt op papier te zetten en met ons te delen, in plaats alleen via een krantenartikel soevereiniteit de wereld in te gooien en dan maar te hopen dat er een politiek debat ontstaat.


Minister Hillen: Dat vind ik flauw. Ik heb soevereiniteit aan de orde gesteld omdat ik zo vaak van uw kant de term internationale samenwerking hoorde dat ik er wat perspectief aan wilde geven. Ik heb zelf het punt van de internationale samenwerking op de agenda gezet door te laten zien dat ik dat onderwerp met mijn partners in de verschillende landen besprak en daar een agenda onder legde.

Wat was de eerste vraag ook al weer, want die ben ik even kwijt?


Mevrouw Hachchi (D66): Het ambitieniveau, dat er niets aan de hand is en dat wij veelzijdig inzetbaar zijn.
Minister Hillen: Ik heb niet gezegd dat er niets aan de hand is; wij hebben een forse jas uitgedaan. Het voorstellingsvermogen is minder geworden, maar het is nog steeds onze ambitie om aanwezig te zijn in het hoge geweldsspectrum. Ik heb gezegd: niet omdat wij zo gewelddadig zijn, maar omdat wij daar willen zijn waar de echte beslissingen worden genomen, willen wij invloed kunnen uitoefenen en onze verantwoordelijkheid nemen.
Mevrouw Hachchi (D66): Terug naar de internationale en de Europese samenwerking. Mijn fractie heeft er behoefte aan om de strategie en de visie van het kabinet, van de minister, op papier te hebben. Dan hebben wij een stuk waarover de Kamer kan discussiëren. Wij kunnen het punt van de soevereiniteit daarin meenemen. Dat is belangrijk. De minister zegt dat hij zich inzet en dat hij dit in verschillende defensieberaden op de agenda zet, maar het is wel belangrijk dat een strategie, een verhaal, van het kabinet op tafel ligt, willen wij als Kamer hierover kunnen debatteren.
Minister Hillen: Daarover zal ik toch eerst met bijvoorbeeld de minister van Buitenlandse Zaken moeten praten, want het defensiebeleid is dienstbaar aan het buitenlands beleid en ook aan het economisch beleid en weet ik wat. Het is breder dan dat. Ik wil best tegen het kabinet zeggen dat er behoefte bestaat om weer eens visionair wat op een rij te zetten.

Overigens heeft de AIV van ons een adviesaanvraag gekregen op het punt van de soevereiniteit. Naar aanleiding daarvan kunnen wij natuurlijk ook met elkaar discussiëren.


De heer Van der Staaij (SGP): De minister zegt nu en schrijft ook in de brief dat de doelstelling in het regeerakkoord van een veelzijdig inzetbare krijgsmacht niet haalbaar is. Ik versta dit zo dat dit nu, gegeven de financiële beperkingen, zo veel mogelijk overeind moet worden gehouden. Ik heb bij de vorige begrotingsbehandeling een motie ingediend die een Kamermeerderheid heeft gekregen. Daarin wordt de regering gevraagd ook aan een langetermijnperspectief te werken, ook in financiële zin. Welk bedrag hoort nu uiteindelijk bij een bepaald ambitieniveau? Zou dat ook niet kunnen helpen, juist in het kader van weer terugkomende vragen om bezuinigingen en dergelijke? Wat komt er terecht van de uitvoering van die motie, is dus mijn vraag.
Minister Hillen: Feitelijk tot nu toe nog niet veel, maar ik deel de zorg van de heer Van der Staaij. Je kunt een motie naar de letter of de geest uitvoeren en ik speur naar mogelijkheden om Defensie zodanig op de politieke agenda te krijgen, binnen het kabinet en breder, dat de impuls waarover hij spreekt, daarin is terug te vinden. Dat is echter geen kwestie van morgen een stuk schrijven waardoor het vanzelf gaat werken.
De heer Van der Staaij (SGP): Dat was ooit wel de inzet van de verkenningen. Toen werd gezegd: laten wij nu eens iets stevig op papier zetten, want dat kan dan richtinggevend zijn en zo kan worden voorkomen dat er te gemakkelijk wordt gegraaid in de defensiekassen. Het is een beetje tegengevallen dat die verkenningen zo werkten, maar hoe voorkomen wij dat toch weer gemakkelijk wordt gezegd dat het geld leidend moet zijn en dat -- zoals nu weer aan de orde is -- tankcapaciteit helemaal zou verdwijnen in de plannen terwijl niet in de verkenningen en analyse is terug te vinden dat dat een verstandige keuze is?
Minister Hillen: Ik was toen nog lid van de Eerste Kamer en ik was sceptisch over het effect van die verkenningen. Dat was toen. Ik vind de verkenningen nog steeds een machtig mooi stuk, breed geschreven en goed analytisch, een prima stuk, maar tegelijkertijd heeft het niet geholpen om een wig te zetten. Ik ben aan het speuren naar die wig. Als wij die samen zouden kunnen vinden, zou ik dat machtig vinden. Iets anders is of ik daardoor ook van mening ben dat de tankcapaciteit behouden moet blijven. De keuze die wij hebben gemaakt om de tankcapaciteit te beëindigen, is een keuze die wij met open ogen hebben gemaakt, al is uiteindelijk alles gedreven door de budgettaire noodzaak. Wij hebben die keuze gemaakt gegeven de verwachte inzet van de krijgsmacht in de afzienbare tijd -- voor zover je dat kunt voorzien, want de wereld zit natuurlijk vol verrassingen -- gegeven het gebruik dat wij de afgelopen jaren hebben gemaakt van het tankwapen en gegeven het feit dat over een jaar of vijftien weer nieuwe tanks moeten worden aangeschaft. Dit alles bij elkaar en gegeven het feit dat je vervangende vuurcapaciteit hebt die bij een expeditionaire krijgsmacht een zekere mate van opvulling kan geven, heeft tot de vraag geleid of het doenlijk is om met zo'n wapensysteem op te houden.

Die vraag is door ons positief beantwoord. Het is onze keuze geweest om het systeem uit te zetten. Het half uitzetten was voor ons geen optie. Als wij het systeem in de buurt willen houden, moeten wij ook de deskundigheid houden en moeten wij ook oefenen. Op die manier zetten wij het systeem in feite half uit. Wij hebben daarom gekozen voor het uitzetten. Wij weten wat wij doen. Wij zien dat er ontwikkelingen zijn op het vlak van de ICT en op allerlei andere terreinen. Wij zien dat wij aan de achterkant zaken afstrepen die wij aan de voorkant weer proberen toe te voegen. Uiteraard is de gemaakte keuze arbitrair. Men kan daar altijd kritiek op hebben, maar het is een keuze geweest die in overleg gemaakt is en die positief gemaakt is. Wij hebben niet alleen maar gekeken waar er nog 50 mln. of 100 mln. aanwezig was waaruit wij nog iets konden pakken. Wij hebben echt een keuze gemaakt, die ik ook stellig verdedig.


De voorzitter: Ik verzoek de Kamerleden hun vragen kort te houden en ik verzoek de minister dito antwoorden te geven, want dit gaat te lang duren.

**
Mevrouw Eijsink (PvdA): Vanaf begin jaren negentig spreken wij over het ambitieniveau. Het ambitieniveau is gekoppeld aan het buitenlands beleid. Over het ambitieniveau werd niet gesproken in de brief van de minister, maar wel in de antwoorden op de gestelde vragen. Dat roept toch een vraag op. Ambitieniveau heeft te maken met visie, terwijl wij nu spreken over wat concreet mogelijk is, zo blijkt uit de antwoorden van de minister. Wij halen dus toch een aantal zaken uit elkaar. Ambitieniveau is niet hetzelfde als inzetbaarheidsdoelstellingen. Ik sluit mij aan bij de vraag van de heer Van Bommel. Wij hebben nu inzetbaarheidsdoelstellingen tot 2015. In de antwoorden wordt ook nadrukkelijk gezegd dat die gelden voor deze kabinetsperiode. Het is goed dat de minister daar nader op ingaat, want de negen inzetbaarheidsdoelstellingen geven aan welke mensen, middelen en mogelijkheden er zijn binnen een bepaald tijdperk. Het is goed om te weten wat de minister bedoelt met zijn tijdsplanning, want in 2014, zo heeft hij zojuist gezegd, is de organisatie weer gevuld. Ik neem aan dat de negen inzetbaarheidsdoelstellingen daaraan gekoppeld zijn. Dat is het plan, het tijdsschema van de minister. Hoe gaat hij dat nu terugvoeren naar een ambitieniveau? Nederland kan toch niet zeggen dat het met het buitenlands beleid -- daarmee komen wij toch terug op visie -- geen ambitie heeft binnen de NAVO en de Europese Unie?


Minister Hillen: What's in a name? Wij hebben die ambitie wel degelijk, alleen hebben wij geprobeerd die op een praktische manier te formuleren. Mevrouw Eijsink moet er niet te veel achter zoeken. De dip zit feitelijk in de komende twee jaar. In die periode is de krijgsmacht niet in topvorm en zullen wij specifiek en niet meer algemeen gereed zijn. Daarna is de gereedheid echter weer volledig. Vanaf dat moment kunnen wij de krijgsmacht inzetten zoals wij hebben beschreven. Wat mij betreft mag men dat ook "het ambitieniveau" noemen. Het ambitieniveau dat in de Verkenningen is gehanteerd, vinden wij op dat punt niet toereikend. Wij zijn niet van plan om te downgraden naar een niveau daaronder, omdat wij dat niet in het belang van Nederland vinden. Wij vinden dat wij moeten proberen zo hoog mogelijk uit te komen. Vandaar dat ik niet zal ophouden te zeggen dat wat mij betreft de uitgaven voor Defensie op termijn weer omhoog moeten.
De heer Ten Broeke (VVD): Ik hoorde de minister zojuist mompelen dat hij bereid was binnen het kabinet nog eens te bekijken of er een hemelbestormende notitie kan komen over Europese samenwerking. Nu is de Kamer, met uitzondering van de PVV, vanzelfsprekend op verschillende manieren voor de Europese samenwerking, maar tegelijkertijd weten wij ook wat de grenzen daaraan zijn. Ik raad de minister van harte af om een dergelijke notitie te schrijven, gelet op het debat waarin hij van voor naar achter van een aantal Kamerleden te horen heeft gekregen dat hij geen enkele visie heeft. Laten wij dan in hemelsnaam niet het werk doen voor de mensen die van mening zijn dat zij zelf die visie hebben.

Wij weten dat Nederland vooroploopt in de Europese samenwerking. Ik noem het Duits-Nederlands legerkorps, de Onderzeedienst, de M-fregatten en de F-16's. In Europees verband kunnen wij amper een vergadering bijeenroepen. Laten wij die Europese ballon gewoon maar eens leeglopen.


Mevrouw Eijsink en anderen vroegen naar de NH90 en het verhaal dat in Trouw stond. Trouw suggereerde dat de NH90 de opvolger is van de Cougar. Dat is niet het geval, hij is de opvolger van de Lynx. De NH90 was oorspronkelijk bedoeld om op schepen dienst te doen, de Cougar is een transporthelikopter. De prestaties van de NH90 verschillen inderdaad behoorlijk van die van de Cougar, maar het zijn dus ook heel andere helikopters. Op een aantal gebieden, zoals transportcapaciteit en het vliegen in gebieden met hoge temperaturen, is de Cougar beter geschikt dan de NH90. Overigens is ook de Chinook en niet de NH90 primair bedoeld voor optreden op land. Op de prestaties van de Chinookhelikopter valt niets af te dingen. Door het afstoten van de Cougar kan een deel van de vrijkomende capaciteit worden ingezet voor de verbetering van de operationele inzetbaarheid van de Chinook. Met de uitfasering van de Cougar is een aanzienlijke helikoptercapaciteit ontstaan, maar dat was een weloverwogen keuze. De NH90 stroomt nu in en heeft een dubbele mogelijkheid gekregen: zowel voor transport vanaf land als vanaf schepen. Trouw had het over een onderzoek naar de NH90 voorafgaand aan de aanpassingen die wij als eis hebben gesteld en die inmiddels zijn doorgevoerd.

De heer Ten Broeke vroeg naar de kwaliteit van de huidige F-16's en of meer vliegers voor de F-16's kunnen worden ingezet door bijvoorbeeld pooling en afstemming van het aantal vliegers op het aantal toestellen. Momenteel kan ik niet voorzien wanneer de F-16 niet meer voldoet aan de operationele eisen. Door de proliferatie van de moderne luchtverdedigingssystemen en gevechtsvliegtuigen, ook in Afrika, Azië en Zuid-Amerika, zal het steeds vaker voorkomen dat de inzet van de Nederlandse F-16's onder hoge dreigomstandigheden gewoon niet meer verantwoord is; het wordt een ouder toestel. Dit zal van geval tot geval verschillen, afhankelijk van dreiging en omgeving. Nederland heeft met meerdere landen uitwisselingsprogramma's op het gebied van jachtvliegtuigen. Nederlandse jachtvliegers kunnen worden geplaatst op een organieke functie in een ander land en ook kunnen buitenlandse vliegers worden geplaatst bij Nederlandse squadrons. Met specifieke goedkeuring kunnen buitenlandse vliegers deelnemen aan missies van de Nederlandse krijgsmacht. Dat kan niet in alle gevallen, bijvoorbeeld nu in Libië, waar de Nederlandse vliegers niet mogen deelnemen aan aanvalsmissies. Daarnaast vallen buitenlandse officieren, wanneer zij vliegen in een Nederlands toestel, niet onder het Nederlands recht. Hierdoor ligt in de praktijk pooling van vliegers niet voor de hand.

Nu de sensoren op de MALE UAV's. Of Defensie de kale UAV's zal uitrusten met Nederlandse sensoren, zal worden onderzocht als onderdeel van het Defensiematerieelproces. In principe gaat Defensie de MALE UAV van de plank kopen. Het voorgestelde alternatief om daar specifieke sensoren in te zetten, betreft eigenlijk een ontwikkelingstraject. Frankrijk kan wel met de MALE UAV vliegen en wij niet, omdat onze Defensie niet zelfstandig kan beschikken over het Nederlandse luchtruim; hierbij moet namelijk ook Infrastructuur & Milieu worden betrokken. Voor het laten vliegen van een onbemand vliegtuig is een bijzonder luchtverkeersgebied nodig. In Frankrijk kan dit dus wel, daar gaat men daar anders mee om. Momenteel wordt in Europees verband, dus breder dan alleen in Nederland, onderzocht wat de mogelijkheden zijn. De Fransen hebben zo'n luchtgebied omdat zij boven land meer ruimte hebben. Bovendien hebben militairen in Frankrijk meer invloed, ook op de lucht.

Ik ga verder over cyber. De heer Hernandez vroeg of een aanval op onze digitale infrastructuur als oorlogshandeling kan worden aangemerkt. Net als bij andere, meer traditionele aanvalsvormen is het uiteindelijk altijd een politieke beslissing om iets al dan niet als oorlogshandeling aan te merken; daarvoor zijn geen vastgestelde definities. Een eventuele reactie op een digitale aanval zal uiteraard altijd proportioneel moeten zijn en moeten passen binnen de kaders van het humanitaire oorlogsrecht. Maar de definities groeien nog en ook in Nederland is dit alles nog niet uitgekristalliseerd. Justitie coördineert cyber in termen van cybercrime. Uiteraard hebben de inlichtingendiensten cyber ten dienste van de intelligence. Wij van Defensie proberen nu de mogelijkheden van cyber te onderzoeken als offensief en defensief wapensysteem.

De activiteiten en publicaties van de laatste tijd laten overigens zien dat wij daarmee niet te laat zijn. Het is een onderwerp waarbij je moet proberen up to date te zijn en waarbij je eerder een achterstand hebt dan dat je helemaal bij de les bent.

De heer Hernandez vroeg naar de capaciteit van de PSYOPS. Die is op dit moment versnipperd. Er is geen structureel belegde integrale organisatie voor de planning, de training en de uitvoering van dit soort operaties. De PSYOPS-capaciteit wordt daarom bij het CIMIC Bataljon van de Landmacht ondergebracht. Ook andere landen kiezen voor een dergelijke aanpak. Op deze manier ontstaan ook betere mogelijkheden voor internationale samenwerking. PSYOPS-activiteiten worden alleen tijdens expeditionaire operaties uitgevoerd en richten zich alleen op nationale, door het hoofdkwartier van de operatie goedgekeurde doelgroepen in het operatiegebied. Ervaringen in recente operaties onderstrepen het belang van de beïnvloeding van doelgroepen met behulp van PSYOPS.

De heer Hernandez heeft ook gevraagd naar de nationale inzet van de krijgsmacht. Ik zal eens wat opnoemen. De krijgsmacht is in 2010 46 keer ingezet voor ondersteuning van de politie in het kader van artikel 58 en 59 van de Politiewet. Dit betrof voornamelijk de Marechaussee, maar ook regelmatig andere krijgsmachtonderdelen. Dit stond tegenover 38 keer in 2009. Opvallend hierbij was de toename van langdurige bijstandsverzoeken voor recherche- en analysecapaciteit. Er vond 29 keer inzet plaats in het kader van militaire steunverlening in het openbaar belang. In 2009 was dat 14 keer. Er was vier keer inzet van de KMar in het kader van de Samenwerkingsregeling mobiele eenheid politie. Acht keer werd militaire bijstand verleend in het kader van de Wet veiligheidsregio's, tegenover drie keer in 2009. De inzet van de Explosieven Opruimingsdienst, de EOD, voor ruiming van conventionele bommen en geïmproviseerde explosieven was met ongeveer 1550 inzetten iets lager dan in 2009. Gemiddeld komt het neer op 1500 tot 1800 inzetten per jaar.

Er waren verschillende inzetten van defensieduikers, zowel voor het CZSK als het CLAS, op zoek naar wapens, munitie en vermiste personen. Defensiehelikopters zijn in 2010 bij drie natuurbranden ingezet ter ondersteuning van de civiele brandweer. Daarnaast zijn nog diverse andere middelen ingezet bij brandbestrijding, zoals crastenders van de Luchtmacht, landmachtpersoneel en materieel bij de bestrijding van bos- en heidebranden. De onbemande kleine vliegtuigjes, de Ravens, zijn vijf keer ingezet ten behoeve van ondersteuning van de politie tijdens Oud en Nieuw, voor detectie van verdachte bewegingen, voor opsporing van een pyromaan in Vught en ter ondersteuning bij bosbranden.

Tevens wordt er meer en meer een beroep gedaan op specialistische capaciteiten van de krijgsmacht, zoals de analyse- en verkenningscapaciteiten van het ISTAR Bataljon en de capaciteiten van een Joint IED groep. Eén keer heeft de inzet van een F16 plaatsgevonden voor het onderscheppen en identificeren van verdachte vliegtuigen en meerdere keren zijn F16's op korte waarschuwingstijd gezet vanwege naderingen van onbekende vliegtuigen, Russen over het algemeen. Er is 200 keer een helikopter ingezet voor patiëntenvervoer van Friese Waddeneilanden naar het vasteland, gemiddeld drie keer per week.

In het Caribische gebied hebben ook in 2010 diverse inzetten plaatsgevonden in het kader van zachte en harde bijstand. Een voorbeeld daarvan is de bijstand bij de overstroming in Curaçao door militairen van Marine en Landmacht en de brand op de Bopec-raffinaderij in Bonaire.

De inzet van de DVVO en de KMar en het gebruik van de vliegbasis Eindhoven ter ondersteuning van geldtransporten komt tweemaal per week voor. De inzet van de KDC-10 en de KMar bij het transport van van piraterij verdachte personen naar Nederland vond tweemaal plaats in 2010. Bij de grieppandemie heeft Defensie ondersteund bij de voorbereiding van de vaccinatiecampagne. Tot zover de Nederlandse binnenlandse inzet van Defensie in het afgelopen jaar.

De heer Knops wil de bezuiniging op sportinstructeurs terugdraaien. Ook de heer Ten Broeke heeft daarover iets gezegd. De heer Ten Broeke wil de bezuiniging op het aantal sportinstructeurs terugdraaien met een besparing op het project Defensiebrede Vervanging Operationele Wielvoertuigen. Op dit moment wordt de mogelijkheid tot poolvorming binnen Defensie onderzocht. Operationele commando's zullen de voertuigen delen. Dit kan zorgen voor meer doelmatigheid in gebruik en onderhoud. Ik wil de uitkomst van dat onderzoek afwachten voordat ik toezeggingen doe over het gebruik als dekking. Het terugbrengen van het aantal sportinstructeurs is aanzienlijk. Ik begrijp heel goed dat voor training en oefening een grotere capaciteit welkom zou zijn. Wij hebben de keuze gemaakt die wij hebben gemaakt. Als de heer Ten Broeke wat dekking heeft, zullen wij bekijken of wij op dat punt wat meer kunnen leveren, maar op het ogenblik is het zoals het is.


De missie in Afghanistan. Was het alleen maar een slijtageslag of hebben wij er ook nog iets van geleerd? Dat is een vraag van de heer Hernandez. Wij hebben er ontzettend veel van geleerd! De missie heeft een hoge tol geëist van mens en materieel en er is dan ook sprake van veel slijtage. Oorzaak daarvan is onder meer dat het operationele tempo heel hoog lag. De organisatie heeft door Afghanistan wel een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Zo is het 3D-concept in de praktijk gebracht en is de organisatie professioneler geworden. Verder is de interoperabiliteit met andere krijgsmachten versterkt. In Afghanistan was een immens aantal landen aanwezig en daardoor was men voortdurend multinationaal bezig. Het heeft dan ook sterk bijgedragen aan onze kundigheid op het terrein van internationale samenwerking.

De Bos- en Van Geel-gelden. Waren die achteraf voldoende en hoe moeten wij daarmee omgaan? Dat weten wij nog niet precies. Wij weten al wel dat de slijtage behoorlijk groot is en dat de achterstanden daardoor relatief groot zijn. Met de Bos- en Van Geel-gelden hebben wij de mogelijkheid gekregen om meer vervangingsinvesteringen te doen in materieel dat door de inzet in Afghanistan sneller aan vervanging toe was. Hoe de redeployment en het herstel en de vervanging van materieel na de inzet in Uruzgan financieel uitpakt, moet de toekomst uitwijzen. In ieder geval zullen wij ruime aandacht besteden aan de Van Geel-gelden in de evaluatie van de Nederlandse lead nation periode. Deze evaluatie komt deze zomer gereed. Verder worden ook de Bos-gelden nog geëvalueerd. Of wij daarbij tekort zijn gekomen, hopen wij later nauwkeurig cijfermatig aan te kunnen geven.


De heer

1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   20


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina