Verslag van een notaoverleg



Dovnload 0.69 Mb.
Pagina17/20
Datum20.08.2016
Grootte0.69 Mb.
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   20
voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Ten Broeke, Knops en Hernandez. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 7 (32733).

**
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering op 7 december 2010 in het amendement nr. 32500 X, 47 verzocht is de disproportionele korting op het budget van TNO Defensie in te perken;
constaterende dat de disproportionele bezuiniging van meer dan 50% op TNO na dit jaar wordt voortgezet;
overwegende dat kennisverwerving en innovatie van essentieel belang zijn voor het functioneren van de hightech krijgsmacht die de regering thans voorstaat en bijdragen aan de veiligheid van onze militairen zoals eerder is gebleken met bijvoorbeeld RPG-netten en counter-IED;
verzoekt de regering de bezuiniging op TNO Defensie structureel terug te brengen naar maximaal 40% t.o.v. 2009 en structureel, na de zbo-korting,

een budget in stand te houden van tenminste 33 mln.;


verzoekt de regering voorts de dekking voor deze ombuiging te vinden in een structurele concentratie van infrastructuur, te beginnen bij de begroting van 2012,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Ten Broeke en Knops. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 8 (32733).

**
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de beleidsbrief Defensie wordt aangegeven dat 17 transporthelikopters van het type Cougar worden afgestoten;
constaterende dat er in het kader van humanitaire hulp en noodhulp een tekort is aan snel inzetbare transporthelikopters bij de VN in haar operaties in bijvoorbeeld Zuid-Sudan (UNMIS) en Oost-Congo (MONUC);
overwegende dat in de focusbrief Ontwikkelingssamenwerking aangegeven wordt dat noodhulp een van de prioriteiten van het kabinet op dit gebied is, dat zo veel mogelijk zal worden ontzien bij de bezuinigingen;
overwegende dat bijdragen in het kader van verlening van humanitaire hulp en noodhulp onderdeel uitmaken van de ODA-criteria;
verzoekt de regering indien de af te stoten helikopters niet via de markt kunnen worden verkocht, deze aan te bieden aan de VN voor permanente uitleen en de boekwaarde hiervan te vergoeden uit de begroting van ontwikkelingssamenwerking,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Ten Broeke en Knops. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 9 (32733).

**
De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. In eerste termijn heb ik betoogd dat niet duidelijk is wat de minister nu precies wil. Uit de beleidsbrief blijkt dat hij acht dat de krijgsmacht veelzijdig inzetbaar is -- dat is de doelstelling -- maar voorlopig nog even niet. Dit wordt ook na de nadere uitleg naar mijn mening niet waargemaakt. De minister spreekt één ambitie expliciet uit, namelijk kunnen blijven optreden in het hoogste deel van het geweldsspectrum. Ik meen dat er op dit punt juist een andere keuze had kunnen en wat de SP betreft ook had moeten worden gemaakt.

Ik stel ook vast dat Nederland met de plannen zoals die er nu uitzien, niet zal voldoen aan de door de NAVO uitgesproken eis om te komen tot een besteding van 2% bbp aan Defensie. Daarin is Nederland bepaald niet uniek; er zijn maar weinig Europese landen die dat halen, slechts enkele volgens de laatste stand van zaken. Griekenland wordt genoemd. Wat dat betreft is er dus niets om je voor te schamen. De vraag is dan alleen of Nederland en die andere NAVO-lidstaten nu de discussie moeten aangaan met de NAVO over het ambitieniveau van de NAVO. Is dat dan nog wel reëel? Dat lijkt mij niet.

De minister begon zijn beantwoording -- naar mijn mening terecht -- met de positie van het Defensiepersoneel. Hij zei daarbij dat pas vanaf 1 augustus duidelijk zal worden waar de gedwongen ontslagen vallen.

Ik vind dat niet bevredigend. Er hangen al een tijd grote personeelsreducties boven de markt. Pas op 1 augustus aanstaande zal duidelijk zijn waar het precies om gaat. Dit betekent grote onzekerheid, ook voor de mensen die nu op missie zijn en de mensen die straks op missie gaan. De minister zegt expliciet dat het oneerlijk zou zijn als mensen die uitgezonden worden anders worden behandeld dan anderen. De driemaandentermijn geldt wel. Wij moeten wel rekening houden met problemen op het vlak van het moreel van de Nederlandse militairen. Als je wordt uitgezonden, doe je dat vanuit je plicht en je verantwoordelijkheid als militair, maar ook vanuit een bepaalde overtuiging. Als alleen de plicht en de verantwoordelijkheid overblijven en de overtuiging wegvalt, hebben wij een probleem. Ik vraag de minister daar aandacht aan te besteden en zo mogelijk eerder duidelijkheid te geven op dit punt.

De minister kan nog niet bekendmaken welke 29 topfuncties zullen vervallen. Toch denk ik dat de hele krijgsmacht en in ieder geval mijn fractie behoefte heeft aan duidelijkheid op korte termijn. De minister meldt immers dat het schoonvegen van de trap -- wat in dit verband een rotuitdrukking is -- bovenaan begint. Gezien de topzware organisatie bij Defensie is die belangstelling logisch. Ik roep de minister op om hierover eerder duidelijkheid te verschaffen.

Vervolgens een opmerking over het veteranenbeleid. Erkent de minister dat er sprake is van een ereschuld? Hij zegt nadrukkelijk dat er geen sprake is van een ereschuld van Defensie, maar van de natie. Ik ben dat met hem eens, maar ik ben wel teleurgesteld dat de vanzelfsprekendheid die de minister ziet, die ook ik zie en die volgens mij iedereen in deze zaal ziet, nog niet expliciet wordt gedeeld door het kabinet. De oplossing zal dus vermoedelijk niet zo gemakkelijk binnen het kabinet gevonden worden. Ik zie de minister al aankomen bij de andere ministers, die eveneens met grote bezuinigingen te maken hebben en met grote budgettaire problemen zitten. De zorg is al genoemd, maar ook op andere departementen speelt dat probleem. Het opvangen van problemen binnen de eigen organisatie in personele zin is bij Defensie een stuk gemakkelijker dan bij enkele andere ministeries. Bij Defensie kan immers wel gezegd worden dat bepaalde zaken niet meer gedaan zullen worden, maar veel andere ministeries kunnen niet stoppen met de aanleg van wegen of het uitgeven van vergunningen. Ik roep de minister op om ter zake heel snel nader overleg te voeren met zijn collega's om tot overeenstemming te komen, omdat de ereschuld echt een ereschuld is, met de nadruk op zowel "ere" als "schuld".

De minister heeft gesproken over de regio's en de krimpgemeenten. Ik hoop dat hij kan waarmaken wat hij daarover zegt, maar ik heb uit zijn woorden niet begrepen dat hij bij het schrappen van een legeronderdeel de locatie waar Defensie vertrekt bepalend laat zijn. In de krimpgemeenten en in de regio's waar een structureel gebrek is aan werkgelegenheid, waar de mensen wegtrekken, waar huizen straks enorm in waarde dalen -- dat doet zich nu al voor -- moet gezorgd worden voor vervangende werkgelegenheid. De vraag is of de minister overweegt om in het nog samen te stellen programma de verplaatsing van Defensieonderdelen mogelijk te maken, om er op die manier voor te zorgen dat in de regio's waar de situatie nu al belabberd is, bijvoorbeeld in Drenthe, Friesland en delen van Groningen, werkgelegenheid van Defensie behouden blijft.

Over het ambitieniveau hebben wij een belangrijke discussie gevoerd. Die discussie kunnen wij nu afsluiten, want het ambitieniveau gaat wel degelijk naar beneden. De inzetbaarheidsdoelstelling die door de minister in de schriftelijke beantwoording van de vragen is weergegeven, geeft een vertekend beeld, juist omdat de minister het voortzettingsvermogen daarbij niet signaleert. Ook in zijn antwoord op de door mij in eerste termijn gestelde vraag gaat hij daar langs heen, omdat hij die vraag niet kan beantwoorden. Ik begrijp wel dat de minister die vraag niet kan beantwoorden, gezien het pakket dat er nu voor hem ligt, maar daarmee laat hij de Kamer in onzekerheid over de betekenis van de Nederlandse krijgsmacht na uitvoering van de plannen.

Wij hoeven vandaag geen ja of nee te zeggen tegen de voorstellen van de minister, heel veel komt nog in de uitwerking. De minister heeft op hoofdlijnen de steun van mijn fractie. Over de nadere uitwerking, ook in personele zin, komen wij nog met elkaar te spreken. Onze inzet daarbij is bekend uit de door de Kamer aanvaarde motie van, onder anderen, mijn collega Jasper van Dijk. In die motie werd gevraagd om een sociaal plan, waarbij zo veel mogelijk zou worden ingezet op herplaatsing van Defensiepersoneel in publieke sectoren als de politie. In de schriftelijke antwoorden heeft de minister daarbij uitgebreid stilgestaan. Hij noemde een aantal sectoren, wat mij doet vermoeden dat hij meer mensen denkt te kunnen herplaatsen dan hij nu aan de Kamer zegt. Ik heb hier goede hoop op en ga ervan uit dat de minister zich maximaal zal inzetten voor de uitvoering van de motie.

De tweede door mijn collega ingediende motie betrof het ambitieniveau van de krijgsmacht. Die motie is weliswaar niet aanvaard, maar na het lezen van de schriftelijke antwoorden stel ik vast dat zij wel wordt uitgevoerd. Het maakt mij niet uit of moties zijn aangenomen, als zij maar worden uitgevoerd. Ik heb een aantal moties van mevrouw Eijsink medeondertekend, evenals een motie van GroenLinks. Dat betekent dat ikzelf vandaag geen moties meer hoef in te dienen.


De heer Knops (CDA): Voorzitter. Ik dank de minister voor de uitvoerige beantwoording van de vragen. Kennelijk ziet de minister de ernst van de problematiek alleszins in. De richting waarin de minister gaat bij de aanpak van de gesignaleerde problemen wordt door mijn fractie "van harte" -- de aanhalingstekens vanwege de situatie waarin we verkeren -- ondersteund. Ik wil een aantal punten nog wel de revue laten passeren.

Allereerst de numerus fixus ten aanzien van het personeel. Het is niet alleen een nuttig, maar ook een noodzakelijk instrument om de doelstellingen te bereiken. Ik sluit mij kortheidshalve aan bij de vragen van mevrouw Eijsink hierover; er zijn namelijk nogal wat vraagtekens te zetten bij een daadwerkelijk geobjectiveerde toetsing van de kwaliteit. Maar laat er geen misverstand over bestaan dat wij het zouden toejuichen als de minister dat zou doen.

Bij het besturingsmodel blijf ik zitten met de spanning die de minister eigenlijk zelf ook beschrijft: aan de ene kant willen we zaken centraliseren, aan de andere kant decentraal neerleggen. Een dergelijk model kan inherent spanningen oproepen. Dat hoeft op zich geen probleem te zijn; als je dat van tevoren weet, kun je erop anticiperen en geen enkel organisatiemodel is perfect. Wel wil ik de minister zeggen: let op uw zaak. Dit soort hervormingen biedt inderdaad kansen, maar er zitten ook grote risico's aan. Als de minister op dit punt geen slagen weet te maken, zal hij de andere zaken die hij wil ook niet kunnen realiseren. Wij zullen samen met de minister dat bureaucratiespook blijven bevechten. Hierover wil ik een motie indienen, mede namens collega Ten Broeke.
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de minister van Defensie voornemens is om te komen tot forse reducties en besparingen in het bestuur en de bedrijfsvoering bij Defensie, alsmede het besturingsmodel aan te passen;
overwegende dat de besturing van Defensie medebepalend is voor de kwaliteit van de bedrijfsvoering en daarmee dus ook voor het realiseren van de taakstellingen in de begroting;
overwegende dat het besturingsmodel bij Defensie de afgelopen jaren gebreken kende, onder meer teveel centralisatie, te grote bestuurlijke drukte, versnipperde verantwoordelijkheden, een loodzware controletoren en hoge rapportagedruk, hetgeen onder meer tot financiële tegenvallers heeft geleid;
van mening dat het uitgangspunt "je bent ervan, dus ga je erover" leidend moet zijn bij de reorganisatie, hetgeen inhoudt dat taken,

verantwoordelijkheden en bevoegdheden moeten samenvallen;


tevens overwegende dat de realiseren van de taakstellingen in spoor 1 en 2 cruciaal is om zo de operationele capaciteiten zo veel mogelijk te ontzien;
verzoekt de regering de Kamer twee maal per jaar te informeren over de voortgang van de reorganisatie, op een bondige wijze en aan de hand van mijlpalen, bij voorkeur voorzien van een appreciatie door de Algemene Rekenkamer;
en verzoekt de regering tevens om met voorstellen te komen om de

rapportagedruk bij Defensie te verminderen,


en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Knops en Ten Broeke. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 10 (32733).

**
De heer Knops (CDA): De minister heeft oprecht aangegeven dat hij op het gebied van sourcing stappen wil zetten. Maar, zeg ik erbij, eerst zien, dan geloven. Wij hebben eerder bewindslieden dit soort zaken horen zeggen en als wij heel eerlijk zijn, en wij krijgen daarover signalen uit het bedrijfsleven, kan er echt een aantal stappen verder worden gezet. Wij gaan de vinger aan de pols houden. Niet op de stoel van de minister en ook niet ernaast, maar erbovenop. De heer Voordewind zal dadelijk nog een motie indienen waaronder ook mijn naam staat.

Over de infrastructuur heeft de minister gezegd dat hij daarin behoudend is. Ik vind dat prima, maar ik ga er wel van uit dat daarbij besparingen worden gerealiseerd. Wij en collega's hebben een aantal voorbeelden aangedragen waaruit blijkt dat rond de infrastructuur … Het is ook niet onlogisch dat het grote gevolgen zal hebben voor de infrastructuur als je de organisatie op haar kop zet. Wij zien de vastgoedvisie tegemoet. Wij gaan er ook op basis van de toezeggingen van de minister van uit dat de motie-Heijnen/De Pater-Van der Meer, die is aangenomen, nog steeds geldt. Voor ons geldt dit niet absoluut. Het is niet zo dat de regio's voorop staan, Wij vragen van de minister dat hij eerst kijkt naar de operationele capaciteit en de financiële voordelen van Defensie, maar dat er ook naar regio's mag worden gekeken. Volgens mij heeft hij die nuance prima aangegeven. Over uw hoofd heen, voorzitter, doe ik ook een oproep aan de regio's om zelf in actie te komen. Er bestaat een aantal goede voorbeelden van regio's die dit prima hebben opgepakt. Ik dien daarover een motie in, mede ondertekend door collega Ten Broeke.


*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de beleidsbrief Defensie wordt aangegeven dat de kamer in juli een brief kan verwachten over de nieuwe infrastructuurplannen, het zogenaamde Strategisch Vastgoedplan;
constaterende dat op dit moment nog op basis van bestaande plannen klein en groot onderhoud wordt uitgevoerd aan defensielocaties;
van mening dat de infrastructuurmiddelen efficiënt en effectief besteed dienen te worden;
van mening dat investeringen in nieuwe infrastructuur en groot onderhoud aan bestaande locaties, waarvan op dit moment niet zeker is of ze worden behouden dan wel afgestoten, kunnen leiden tot kapitaalvernietiging;
verzoekt de regering, met onmiddellijke ingang waar mogelijk een moratorium in te stellen op investeringen in nieuwe infrastructuur en groot onderhoud aan bestaande infrastructuur, totdat besluitvorming over het infrastructuurplan definitief is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Knops en Ten Broeke. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11 (32733).

Daarmee sluit de heer Knops heel snel zijn betoog.

**
De heer Knops (CDA): Ik rond heel snel af. Ik zorg dat u vanavond nog thuis kunt komen.


De voorzitter: Nee, nee, ik meen dit heel serieus.

**
De heer Knops (CDA): Ik ook.


De voorzitter: U bent aan het einde van uw tijd.

**
De heer Knops (CDA): Ik doe mijn best. Ik zal snel doorgaan. Ik denk dat de heer Ten Broeke nog wat spare time voor mij over had. Over de slijtage en de Bos- en Van Geelgelden heb ik het een en ander gezegd. Uitgangspunt is: zoals de krijgsmacht een missie ingaat, moet zij er qua operationele capaciteit ook weer uitkomen. Als wij dit niet zouden doen, dan leidt een opeenstapeling van missies tot een steeds kleinere krijgsmacht. Dat willen wij niet. Daarover dien ik een motie in, eveneens meeondertekend door de heer Ten Broeke.


*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de kosten die gemoeid zijn met de inzet van de krijgsmacht in crisisbeheersingsoperaties, momenteel slechts gedeeltelijk ten laste kunnen worden gebracht van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS);
constaterende dat sommige kosten als gevolg van inzet, zoals slijtage- en vervangingskosten van materieel, nu ten laste komen van de reguliere defensiebegroting;
van mening dat het onwenselijk is dat de krijgsmacht zichzelf moet "opeten" om inzet in operaties te kunnen financieren en dat daarom verruiming van de HGIS-afspraken noodzakelijk is;
constaterende dat de Bos- en Van Geelgelden die met het oog op de inzet in Uruzgan aan de begroting waren toegevoegd, ontoereikend zijn gebleken om de slijtage aan het materieel volledig op te vangen;
verzoekt de regering, om de HGIS-afspraken te verruimen voor wat betreft de kosten die gemoeid zijn met de inzet van de krijgsmacht in crisisbeheersingsoperaties, en daarmee compensatie mogelijk te maken voor de kosten van Uruzgan die nu nog ten laste van de reguliere defensiebegroting zijn en worden gebracht, en waarvoor de met dezelfde bedoelingen toegekende Bos- en Van Geelgelden onvoldoende zijn gebleken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Knops en Ten Broeke. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12 (32733).

**
De heer Knops (CDA): Ik kom aan mijn op een na laatste punt. Ik heb een vraag gesteld over de relatie tussen de Patriot battery die wordt afgestoten en het behoud van de Stingercapaciteit. Kortheidshalve verwijs ik naar die vraag. Over de tanks wil ik graag van de minister horen of er geen mogelijkheden zijn om de kennis en kunde rond de tankcapaciteit ook in internationale samenwerking te behouden. De minister heeft gezegd dat hij geen tankcapaciteit in materiële zin in stand wil houden, maar is er geen andere mogelijkheid om die kennis en kunde te behouden?

Ten slotte moet mij een aantal zaken van het hart in reactie op wat de minister heeft gezegd over de helikopters. De minister heeft een- en andermaal in verschillende settings aangegeven dat er een probleem is met helikopters. Hij zou er dus niet verrast over moeten zijn dat wij dit punt adresseren en dat er tot en met 2017 een tijdelijk gat ontstaat in de helikoptercapaciteit, dat onmiddellijk leidt tot minder inzet, gereedheid en beschikbaarheid van delen van de krijgsmacht.

Daarbij ga ik er bovendien van uit dat alles volgens plan verloopt. Als de planning tegenzit, gaat het immers nog langer duren. Daarom heb ik samen met collega's Ten Broeke en Hernandez de volgende motie voorbereid.
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de beleidsbrief van Defensie wordt aangegeven dat 17 transporthelikopters van het type Cougar worden afgestoten, met uitzondering van drie search and rescue (SAR) dedicated toestellen;
constaterende dat deze overige 14 helikopters als gevolg van de maatregelen uit de beleidsbrief met ingang van 9 mei 2011 direct "geground" zijn en dus niet meer inzetbaar zijn;
constaterende dat er door het (vertraagd) instromen van de NH90 en de midlife update van de Chinook een capability gap tot op zijn minst in 2017 ontstaat aan (lichte) transporthelikopters;
overwegende dat het op peil houden van de helikoptercapaciteit direct bijdraagt aan de inzetgereedheid en het voortzettingsvermogen van de gehele krijgsmacht, zoals de eenheden van de Koninklijke Landmacht, alsmede het Korps Mariniers;
verzoekt de regering, met onmiddellijke ingang tot en met 2017 vijf extra Cougar helikopters (bovenop de drie SAR-versies) in gebruik te nemen, teneinde de capability gap op te lossen en de dekking hiervoor te vinden in rationalisering van de voorraden bij Defensie;
en de Kamer voor 1 november 2011 te berichten over de definitieve uitwerking van het aanhouden van de vijf extra Cougars,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Knops. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 13 (32733).

**
Mevrouw Hachchi (D66): Voorzitter. Ik bedank de minister voor zijn antwoorden.

Laat ik beginnen met de conclusie dat de minister schoorvoetend en omfloerst heeft toegegeven dat hij zijn duidelijke woorden dat hij geen extra bezuinigingen op Defensie accepteert, terug heeft genomen. Hij zal "met handen en voeten" zijn best doen, maar hij garandeert niets. De deur staat dan ook op een kier voor extra bezuinigingen. Het gaat niet om mij, maar om het personeel van wie er vandaag velen in de zaal hebben gezeten en zitten. Dat zijn de mensen die in onzekerheid zitten! En nu weten ze dat daar ook nog eens geen einde aan komt. Ik waarschuw de minister voor verlies aan geloofwaardigheid. Defensie heeft een politieke leider nodig die doet wat hij zegt en zorgvuldig dingen zegt.

Voorzitter, ik dien drie moties in. Ik heb daarnaast ook een motie voorbereid over de certificering van de opleiding van onderofficieren, maar de minister heeft inmiddels toegezegd dat hij hierop bij de begroting terugkomt. Ik bedank hem voor die toezegging. Ik zal deze motie niet indienen, maar dat geldt niet voor de andere drie.
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de defensie-uitgaven als aandeel van het bruto nationaal product in twintig jaar tijd zijn gedaald van 2,7% in 1990 tot 1,4% in 2010;
constaterende dat het kabinet bijna een miljard euro bezuinigt op Defensie, zonder het ambitieniveau bij te stellen;
overwegende dat een nieuw en structureel evenwicht tussen de omvang en samenstelling van de krijgsmacht en de beschikbare middelen gewenst is;
verzoekt de regering, het ambitieniveau van de krijgsmacht zo te moderniseren dat ambitie en budget op elkaar aansluiten en jarenlange continuïteit wordt gegarandeerd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Hachchi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 14 (32733).

**
Mevrouw Hachchi (D66): Voorzitter. De minister gaf aan dat er naar kwaliteit zal worden gekeken bij de reorganisatie. Dat is natuurlijk makkelijk gezegd, maar het is belangrijk dat het in de praktijk binnen de hele organisatie daadwerkelijk gebeurt. Ik hoor hierover op dit moment zorgwekkende geluiden in de organisatie en daarom dien ik de volgende motie in.
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de verkleining van de krijgsmacht de komende jaren gepaard gaat met een verlies van 12.000 arbeidsplaatsen, ruim 18% van de huidige omvang;
constaterende dat bij de herinrichting van het personeelsbestand getoetst wordt op functies en niet op de kwaliteit van individuen;
overwegende dat het wenselijk is om te kijken welke personen Defensie de komende jaren wil behouden;
verzoekt regering, bij het behouden of ontslaan van mensen kwaliteiten van individuen als uitgangspunt te hanteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Hachchi en El Fassed. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 15 (32733).

**
Mevrouw Hachchi (D66): Voorzitter. Ten slotte een motie over Europese samenwerking.
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Europabreed de defensiebudgetten teruglopen;
constaterende dat voor een effectief gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid structurele en integrale samenwerkingsverbanden tussen EU-lidstaten noodzakelijk zijn;
overwegende dat soevereiniteitsvraagstukken concrete en grootschalige maatregelen op dit gebied politiek gevoelig maken;
verzoekt de regering, voor de begrotingsbehandeling voor het jaar 2012 expliciete voorstellen en doelen ten aanzien van internationale en Europese samenwerking te formuleren, met daarbij een weging van de haalbaarheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De



1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   20


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina