Verslag van een wetgevingsoverleg



Dovnload 301.52 Kb.
Pagina3/9
Datum20.08.2016
Grootte301.52 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9
Remkes (VVD): Voorzitter. Ik heb twee nadere vragen. De eerste betreft de belangrijke operatie waar de staatssecretaris mee bezig is. Ik ben het zeer eens met de intentie om daar vooral goed en breed overleg over te voeren, maar ik mis de vraag waar dit alles moet landen. De staatssecretaris heeft aangegeven dat er nog dit jaar een dga-notitie komt. Hij suggereert ook dat er over die uitruil in de loop van volgend jaar nog een notitie komt, maar het hangt wel allemaal -- zoals hij zelf in zijn beantwoording aangeeft -- met elkaar samen. Of is het de bedoeling dat dit hele verhaal in één keer landt in het Belastingplan 2010? Misschien dat daar procedureel nog even wat nadere verduidelijking over kan worden gegeven. Mijn tweede vraag betreft de rentebox.
Staatssecretaris De Jager: Mag ik u even vragen welke uitruil u bedoelt?
De heer Remkes (VVD): De uitruil met de zelfstandigenaftrek. Wat de renteboxmiddelen betreft, snap ik de redenering voor 2009 en 2008. Misschien dat de staatssecretaris echter nog eens nader kan ingaan op de vraag waarom dezelfde operatie niet plaats heeft gevonden voor 2007. De politieke basis van dit verhaal ligt in het coalitieakkoord en had volgens mij ook betrekking op 2007.
Staatssecretaris De Jager: Waar dit moet landen, is een heel goede vraag. In de grafiek staat natuurlijk een doorkijkje naar hoe het zou kunnen zijn, maar dat is na overleg en het is thans helemaal niet het kabinetsvoornemen om het ook per se zo te doen. De dga-notitie gaat inderdaad met name over de directeur grootaandeelhouder, omdat in het Belastingplan veel over de IB-winst ondernemer staat. Ook in dit Belastingplan zat al een notitie over ondernemerschap, en dan met name over IB-winst. De notitie die later dit jaar is toegezegd over de dga zal specifiek over de dga gaan, maar ik ben het met de heer Remkes eens dat daar natuurlijk heel duidelijk een verband in zit. Daar speelden echter weer andere dingen zoals arbeidsrelaties, dus dat was iets complexer. Procedureel stel ik het volgende voor. Wat wij nu in de wetgeving hebben geregeld in het Belastingplan, is eigenlijk een soort no-regretmaatregel. Omdat wij er extra geld bij plussen, van buiten, vanuit die enveloppen, is het niet ten nadele van ondernemers. De meesten gaan erop vooruit. Er gaat eigenlijk niemand of nauwelijks iemand erop achteruit. De omzetting als zodanig, die uitruil, zal wel flinke inkomenseffecten met zich meebrengen, zeker als je het in een rap tempo doet. Dat stellen wij nu ook niet voor. Wij hebben een situatie beschreven en ik zou procedureel willen zeggen: de no-regretmaatregel wel doen, omdat het in de langetermijnvisie past en nu geen nadelige gevolgen heeft, maar wel positieve gevolgen. Voor de rest even nog niets doen en inderdaad procedureel zeggen: wij gaan met ondernemersorganisaties spreken en wij spreken er met de Kamer nog verder over. Ik betrek daar ook het plan van de heer Cramer bij. Wellicht biedt dat soelaas om aan meerdere doelstellingen te voldoen, inclusief een stukje aandacht voor de bestaande koopkrachtzorgen, en om daar dan op terug te komen. Ik denk dat dit eigenlijk de procedure is.

Wat er nu staat, is alleen het nominaal gelijk houden van de aftrek en die omzetten de mkb-winstvrijstelling. Dat heb ik ook met ondernemersorganisaties besproken. De beperking tot dat, kan op steun rekenen. Eventuele verdere stappen, liggen wat moeilijk.


De heer Remkes (VVD): Dat is mij ook allemaal duidelijk. Mijn vraag is wanneer de Kamer concrete voorstellen krijgt voorgelegd en in welk verband.
Staatssecretaris De Jager: Dat zal op zijn laatst bij het Belastingplan 2010 zijn, tenzij iedereen tegen mij zegt dat er geen verdere veranderingen moeten plaatsvinden buiten de zaken die ik nu heb gedaan. Als dat het geval is, zal ik dat bij het Belastingplan melden. Ik kom er dus sowieso op terug bij het Belastingplan 2010. Ik zal er dan opnieuw, net als ik dit keer heb gedaan, een aparte notitie bij doen om de Kamer daar wat uitgebreider over te informeren.
Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb twee vragen over het voornemen om de zelfstandigenaftrek in een mkb-vrijstelling om te zetten. Ik heb aandacht gevraagd voor ondernemers met een omzet tussen €0 en €45.000 en de inkomeneffecten voor hen. Ik begrijp nu dat de staatssecretaris met het mkb om tafel wil gaan zitten om deze maatregel zo goed mogelijk in te vullen. Ik vraag hem om ook de belangenorganisatie van zzp'ers daarbij te betrekken. Zij horen er immers ook bij.

Ik heb gevraagd om het urencriterium af te schaffen voor de fiscale oudedagsreserve. Ik zou daar nog graag een antwoord op hebben.


Staatssecretaris De Jager: Ik was nog een antwoord schuldig op de vraag over de 2007-gelden voor de rentebox. Daar hebben wij in 2007 geen maatregelen voor genomen. Dat geld is dus in het saldo gelopen. Het is niet weg, want het geld is nu van ons allemaal geworden. De schatkist is immers van ons allemaal. Helaas waren wij er niet op tijd bij. Wij hebben nu geregeld dat een en ander vanaf 2008 beter recht doet aan de voetnoot in het coalitieakkoord. Ik zal erop toezien dat wij daar vanaf nu alert op zijn.

Mevrouw Koşer Kaya stelde een vraag over de FOR. Deeltijd- en hybrideondernemers hebben over het algemeen heel weinig ondernemersvermogen. De FOR is met name interessant om te sparen voor je oudedagsvoorziening en het behouden van het geld in je onderneming. Als je spaart voor je oudedagsvoorziening en je kunt het geld ergens anders neerzetten, kan je dat beter via box 3 doen. Dat is voor alle Nederlanders mogelijk, ook voor kleine ondernemers. In dit Belastingplan wordt box 3 opgehoogd van zo rond €100.000 naar €150.000. Die box was verlaagd door het initiatiefwetsvoorstel van de leden Depla en Blok. Box 3 is dus weer op peil. Die is er voor iedereen. Reserveren in ondernemingsvermogen komt bij deeltijdondernemers heel weinig voor. Daar is dus niet veel vraag naar. Ik kan dit punt betrekken in mijn besprekingen met ondernemersorganisaties. Er zit echter een budgettair belang aan vast.

De vraag over de betrokkenheid van zzp'ers had ik al schriftelijk beantwoord. Er staat dat ik naast met ondernemersorganisaties en LTO Nederland ook zal spreken met bijvoorbeeld het platform van zzp'ers. De zzp'ers zijn nog niet zo georganiseerd. Een van de organisaties van zzp'ers spreken wij regelmatig. Die zal ik erbij betrekken. Ik spreek overigens naast met ondernemers ook gewoon met zzp'ers. Ik zeg hier nogmaals, om spraakverwarring te voorkomen, dat "zzp" geen fiscaal begrip is. Zzp'ers kunnen zowel IB-ondernemers als DGA's zijn.

Zzp'ers zie je dus in beide varianten. Ik zal ook met de personen zelf spreken.


De heer Cramer (ChristenUnie): Het kan zijn dat ik in de vele tekst die de staatssecretaris vanochtend heeft uitgesproken het antwoord heb gemist op mijn vraag of je gezien de huidige economische toestand de zelfstandigenaftrek wel moet indexeren en de MKB- winstvrijstelling niet vooralsnog moet verhogen, vanwege het risico dat je wat minder winst maakt. Is dit nu een goed voorstel in het licht van de huidige economische situatie?
Staatssecretaris De Jager: Ik heb bedoeld hierop in te gaan door in algemene bewoordingen aan te geven dat het nominaal gelijk houden van de zelfstandigenaftrek en het opploegen van de mkb-winstvrijstelling in combinatie met het extra geld dat erbij wordt gehaald voor volgend jaar over het algemeen niet tot negatieve effecten leidt. Dat geldt dus ook niet bij lagere winsten, omdat wij dit ook hebben doorgerekend. Daarop ben ik ook in eerdere schriftelijke antwoorden al ingegaan. Tot €18.000 betaalt niemand iets in de IB-winst. Dan maakt het niet uit of je €3000, €5000 of €9000 winst maakt. Boven €18.000 begint het voordeel van de mkb-winstvrijstelling ook al te gelden. Doordat er extra geld in zit, zie je ook dat voor iemand die bijvoorbeeld €20.000 of €25.000 winst maakt de effecten 0 tot 0,4% zijn. Het gaat dus van weinig of geen effect naar een klein positief effect.
De heer Cramer (ChristenUnie): Die beweging snap ik wel, maar het gaat mij erom dat het als je helemaal geen winst maakt ook geen zin heeft dat je dan een hogere winstvrijstelling krijgt. Dan is de zelfstandigenaftrek wel van invloed.
Staatssecretaris De Jager: Nee, want je betaalt niks en minder dan niks kan niet. Over de eerste €18.000 betaal je sowieso geen cent belasting als IB-winstondernemer. Of je nu minder winst maakt dan €18.000 of precies €18.000 maakt niet uit. Zelfs als je daar net boven zit, valt het mee. Wij hebben het over samenloop van de zelfstandigenaftrek, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Ook de laatste twee zijn van toepassing op IB-winstondernemers, waardoor zij dus met heel weinig winst geen nadeel ondervinden.
De heer Van Dijck (PVV): Ik ben door de schriftelijke beantwoording niet overtuigd van de toerekeningsregel. Wij weten allemaal dat het urencriterium een farce is, voor de Belastingdienst en voor degene die het moet aantonen. Nu komt er iemand met een alternatief voorstel, voor de toerekeningsregel, die mensen stimuleert om hun winst op te geven. Naarmate men meer winst opgeeft, kan men er meer gebruik van maken. Ik vind het heel gekunsteld wat de staatssecretaris zegt.
Staatssecretaris De Jager: Uiteraard, ik ga toch met de organisaties spreken, ook om hun voorstel voor die toerekeningsregel nog eens met hen te bespreken. Ik zeg erbij wel dat er ook iets geks in zit. Ik stel het op prijs dat er wordt meegedacht vanuit die organisaties. Daarom wil ik dit ook serieus met hen gaan bespreken. De vreemde distortie is dat met dezelfde winst een deeltijdondernemer er beter vanaf komt dan iemand die alleen een onderneming heeft met diezelfde winst. Je creëert ook een faciliteit op je totale inkomen. Daarom moeten wij bespreken met de organisaties of zij dat niet vreemd vinden.

De mkb-winstvrijstelling ziet precies toe op wat je wilt stimuleren, namelijk de winst uit de onderneming. Dat was destijds de gedachte achter deze vrijstelling. In een situatie waarbij bijvoorbeeld wel of niet een ib-winkeltje wordt aangehouden, zou je erover kunnen spreken om het urencriterium af te schaffen. Ik zeg eerlijk dat het misschien niet logisch is om in zo'n situatie een urencriterium te hanteren. Als echter de ondernemersfaciliteit ook nog afhankelijk wordt gemaakt van het andere inkomen, leidt dit ertoe dat groepen die eigenlijk in dezelfde situatie verkeren op het punt van de winst uit onderneming, toch fiscaal verschillend worden behandeld. Ik ben van harte bereid om ook dit punt te bespreken. Er zit hierin echter iets vreemds. Ik zal dit punt bespreken met de organisaties, inclusief de nadelen die ik zie.


Mevrouw Sap (GroenLinks): Ik ben blij met de laatste toezegging. Daarover ging namelijk mijn eerste vraag. Die valt nu weg. Er blijven nog twee vragen over. Ik ben blij dat de staatssecretaris ook met de zzp'ers en de zelfstandigen gaat spreken. In de schriftelijke beantwoording hobbelt dit er een beetje achteraan. De staatssecretaris schrijft in de beantwoording dat hij al in overleg is met allerlei clubs en dat hij pas naar de zelfstandigen en de zzp'ers toegaat als het allemaal nog wat concreter wordt. Ik zou willen dat de staatssecretaris aan de verschillende groepen dezelfde prioriteit geeft. Kan hij toezeggen dat de zzp'ers en de zelfstandigen niet pas in een heel laat stadium worden betrokken, als er eigenlijk al kant-en-klare voorstellen liggen?

Mijn tweede vraag gaat over de incidentele lastenverlichting van dit jaar. De staatssecretaris zegt dat het Vpb-geld is en dat het dat ook moet blijven. Werkgeversorganisaties vinden echter dat het evenwichtiger ingezet mag worden. Daarbij komt dat de staatssecretaris zelf in de schriftelijke beantwoording stelt dat het voor de Belastingdienst lastig is om dit op deze manier te doen dit jaar. In de schriftelijke beantwoording schrijft hij dat dit voor de Belastingdienst een uitdaging is. Zijn argument dat dit bijdraagt aan een meer evenwichtige fiscale behandeling van de dga- en de ib-onderneming vind ik niet heel relevant. Dit beïnvloedt immers geen keuzen meer, want dit is geld dat achteraf en incidenteel in beeld komt. Kan de staatssecretaris hierop wat specifieker reageren?


Staatssecretaris De Jager: Het eerste punt van mevrouw Sap zeg ik bij dezen toe. Ik zal dus vanaf nu in een vroeg stadium ook met deze organisatie gaan spreken.

Over de stelling dat de incidentele lastenverlichting keuzen niet beïnvloedt, heb ik het al gehad in antwoord op een vraag van de heer Tang. Het gaat hierbij om het terugploegen van geld dat uit dezelfde groep komt. Bij werkgeversorganisaties staat dit geld ingeboekt in het lastenkader voor bedrijven. Mevrouw Sap vraagt of het evenwichtiger kan. Dit heb ik besproken met de ondernemersorganisaties. Omdat dit sowieso een incidentele kwestie is, vond men dit prima. Ik zeg erbij dat men uiteraard ook veel waarde hecht aan de rentebox.


De heer Remkes (VVD): Hoe verklaart de staatssecretaris dan het dodelijke commentaar van MKB-Nederland op dit punt?
Staatssecretaris De Jager: Het lijkt mij vreemd als MKB-Nederland een dodelijk commentaar geeft, want ik heb hierover een uitermate goed gesprek gevoerd met de voorzitters van beide organisaties. Deze voorzitters spreken overigens steeds meer met één mond.
De heer Remkes (VVD): Ja, dat valt mij ook op.
Staatssecretaris De Jager: Mij is bevestigd dat zij zich geheel in deze situatie kunnen vinden. Het lijkt mij dat MKB-Nederland de inzet van de rentebox juist zal bejubelen.
De heer Remkes (VVD): Toch heb ik van die zijde een heel ander commentaar gehoord.
Staatssecretaris De Jager: Dat vind ik vreemd. Ik zeg nogmaals dat ik zowel met de heer Wientjes als met de heer Hermans hierover heb gesproken. Dit kon toen op instemming rekenen.
De voorzitter: Het woord is aan de heer Omtzigt.

**
De heer Omtzigt (CDA): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de uitgebreide antwoorden en de mooie grafieken die naar ik hoop aan de Handelingen worden toegevoegd. Uit deze grafieken komt mijn eerste vraag voort. De staatssecretaris heeft kennelijk een enveloppe voor ondernemerschap. Hij heeft wat bezwaren tegen de pieken, want daarbij is sprake van hoge marginale tarieven. Het lijkt erop dat die op 68% uitkomen. Deze tarieven bant de staatssecretaris nu ook uit bij andere dingen. Hij heeft dus kennelijk wat extra geld. Waarom slaat hij daarmee de pieken niet plat? Dat zou wat geld kosten. De staatssecretaris indexeert echter niet het geheel. Hij had dus dit geld ook kunnen gebruiken om de pieken plat te slaan. Ik hoor hierop graag een reactie.

In mijn eerste termijn heb ik een aantal vragen gesteld over zelfstandigenaftrek. Hoe werkt de mkb-winstvrijstelling in een verliessituatie? Hoe staat het met de heffingskortingen? De zelfstandigenaftrek was toch een compensatie voor aftrekposten in de Wet IB 2001? Hoe werkt dit? Wellicht kan de staatssecretaris hierop schriftelijk terugkomen, evenals op de koopkrachtplaatjes voor zelfstandigen met een inkomen van €20.000. Die plaatjes heb ik niet kunnen vinden. Kan de staatssecretaris ons die nog toesturen?
Ik ben zeer blij dat de staatssecretaris, als hij met mkb, VNO-NCW en dergelijke gaat praten, tegelijkertijd gaat praten met zzp-organisaties en LTO Nederland zodat er inderdaad een breed overleg is over de toekomst van de zzp'er en de voor- en nadelen op een rijtje komen.

Ik voel dat er enige ruimte zit tussen de brief die MKB Nederland aan de Kamer heeft gestuurd en het relaas van de staatssecretaris. Misschien kan de staatssecretaris voor de plenaire behandeling schriftelijk terugkomen op een aantal commentaren in de brief van MKB Nederland aan de Kamer. Wat vindt hij daarvan en zijn die in lijn met wat hij hier zegt?


Staatssecretaris De Jager: Het laatste kan ik toezeggen. Wat beide ondernemersorganisaties, VNO-NCW en MKB-Nederland, betreft, zal ik dat doen.

In de grafiek, die ik nu omhoog houd, staan vijf grote pieken. Dat zijn precies de vijf bedragen die iets minder geïndexeerd worden. De pieken worden veroorzaakt door de hoge bedragen die worden afgebouwd.


De heer Omtzigt (CDA): Als de staatssecretaris die bedragen zou indexeren, zouden die pieken lager worden. Als hij er dus voor zou kiezen om deze vijf bedragen te indexeren, zouden de pieken platgeslagen worden. Zij worden echter niet platgeslagen door wat de staatssecretaris nu voorstelt.
Staatssecretaris De Jager: De pieken worden veroorzaakt door de afbouw van de zelfstandigenaftrek. Hoe stelt de heer Omtzigt zich dat voor?
De heer Omtzigt (CDA): Als de staatssecretaris de pieken een probleem vindt, zorgt hij dat de afbouw minder wordt en dat de laatste vijf bedragen wel geïndexeerd worden.
Staatssecretaris De Jager: U ziet hier een groene lijn…
De voorzitter: Ik denk dat de heer Omtzigt hier in de tweede termijn of bij de plenaire behandeling op moet terugkomen. Wij zijn nu bezig met het antwoord van de staatssecretaris.

**
De heer Omtzigt (CDA): De groene lijn is een fictieve lijn die nog niet bestaat en de rode lijn geeft aan waarmee de staatssecretaris nu bezig is. Als hij de rode lijn wat dichter bij de groene lijn had gebracht, zat híer het probleem en dan had hij dít moeten platslaan. Dat heeft hij niet gedaan en dat verbaast mij.


Staatssecretaris De Jager: Met dit voorstel breng ik de rode lijn wat dichter bij de groene, maar de pieken worden hierdoor maar een heel klein beetje minder en nog niet platgeslagen. Daar is meer geld voor nodig, om meer om te zetten in de mkb-winstvrijstelling. Als wij dit blijven doen, groeien wij wel naar die groene lijn toe, zij het heel langzaam, want in dit tempo zou het meer dan 100 jaar duren.

Ik ga niet over de koopkrachtplaatjes. In een eerder antwoord staat wel wat de effecten zijn tussen de €20.000 en €30.000. In eerste instantie stond er iets tussen de €30.000 en €60.000. De Kamer heeft mij toen gevraagd om aan te geven wat daaronder zit, omdat het 0,4% boven een bepaald bedrag was. Wij hebben het toen ook daaronder aangegeven. Het stond daar meen ik tussen de 0% en de 0,4% vanaf het onderste bedrag.


De voorzitter: De mensen die via internet meeluisteren, laat ik weten dat de grafiek waarnaar hier voortdurend verwezen wordt, te vinden is in de memorie van toelichting.

**
De heer Tang (PvdA): Ik probeer het verhaal van de staatssecretaris te begrijpen, want dit is een belangrijk punt. Hij zegt dat het niet-indexeren van de zelfstandigenaftrek niet is bedoeld om snelgroeiende ondernemingen te bevorderen, want dat zijn eerder de bv's en het gaat niet om de IB-ondernemers. Het gaat erom, een wat meer glijdende schaal te bewerkstelligen zonder het urencriterium aan te pakken. IB-ondernemers gaan er niet op achteruit. Er blijven dan eigenlijk twee argumenten over. Eén werd genoemd door de heer Cramer.


Ik wil daarop nog even terugkomen. Het andere argument is genoemd door de heer Omtzigt. Het betreft de pieken waarover de voorzitter het heeft. Die pieken zijn wat ongelukkig, omdat zij enige onduidelijkheid creëren. Afbouwen van een vast bedrag kan. Dan komt er een traject waar de marginale tarieven wat hoger liggen. Daarvoor kun je kiezen, alleen misschien niet in deze vorm. Het zou een geleidelijke afbouw kunnen zijn, dan zouden de pieken ook verdwijnen.

Het belangrijkste is het punt wat de heer Cramer maakt. Is het zo dat ondernemers die meer dan €18.000 winst maken méér belasting gaan betalen? Is het zo dat zij in de huidige situatie geen belasting betalen maar in het voorstel wel? Dat maakt de vraag van de heer Cramer relevant, of dit een goede tijd is om zo'n maatregel te nemen.


Staatssecretaris De Jager: Tot €18.000 blijft men geen belasting betalen. De zelfstandigenaftrek blijft bestaan, maar men blijft op hetzelfde nominale bedrag staan. Mensen onder die €18.000 zitten, betalen nog steeds geen belasting. De uitruil is 17 mln. en er zit nog 28 mln. extra in vanuit de ondernemerschapsenveloppe. Zelfs bij lage winsten zullen er nagenoeg geen negatieve effecten optreden. Misschien is er een heel klein negatief effect op een kantelpunt, maar dat zou op microniveau uitgerekend moeten worden. Het gaat echt om euro's. Vanwege dat extra geld worden eventuele negatieve effecten volstrekt gemitigeerd.
De heer Omtzigt (CDA): Ik heb gevraagd hoe de bevriezing zich verhoudt tot de definitie van de zelfstandigenaftrek. Ik doel op de omzetting van een aantal aftrekposten bij IB 2001. Misschien kan de staatssecretaris deze vraag schriftelijk beantwoorden? In de IB 2001 is de zelfstandigenaftrek geïntroduceerd omdat een heleboel aftrekposten afgeschaft zijn. Er is helaas nog steeds inflatie en die afschaffing wordt dus elk jaar duurder. Hoe verhoudt zich een en ander?
Staatssecretaris De Jager: Ik zal deze vraag schriftelijk beantwoorden.

Het derde blok betreft het inkomensbeleid. Daarbij komen aan bod de doorwerkbonus, de ouderschapsverlofkorting, het al dan niet deblokkeren van het spaarloon en de vrijstelling van box 3 heffing.

Over de vormgeving en de effecten van de doorwerkbonus zijn heel veel vragen gesteld door de heer Remkes, de heer Irrgang, mevrouw Sap, de heer Van Dijck, de heer Cramer en mevrouw Koşer Kaya. Er is gevraagd of er zicht is op de te verwachte effecten van de doorwerkbonus, of die effecten worden gemonitord in 2009, waarom de doorwerkbonus niet wordt gekoppeld aan arbeidsverleden, de heer Van der Vlies vroeg waarom niet gekozen is voor het voorstel van de commissie-Bakker en de PVV zette grote vraagtekens bij het effect van de doorwerkbonus. Ook anderen hebben daarover vragen gesteld.

Een koppeling aan het arbeidsverleden is heel erg ingewikkeld.

Het effect van de doorwerkbonus is 0,6% voor de leeftijdsgroep 60 jaar tot en met 64 jaar. Het effect op de groep 62 jaar tot 64 jaar is een stuk groter, maar door het CPB niet in cijfers uitgedrukt. Het is groter omdat de doorwerkbonus daarop heel erg inzet en de groep die niet werkt relatief groot is. Zoals ik zei, is het effect voor de groep 60 jaar tot en met 64 jaar nog steeds 0,6%.
Wij stimuleren daarmee de arbeidsparticipatie. Is dat voldoende, vraagt de heer Cramer. Nee, nog niet, maar het is een goede stap in de juiste richting en dan ook nog eens via een bonus: niet via een malus, maar via iets positiefs. Naast de houdbaarheidsbijdrage, die geld oplevert, geven wij een bonus terug. Beide hebben een positief effect, het ene op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën en het andere op doorwerken. Dat komt overigens wel degelijk, zo zeg ik tegen de heer Van der Vlies, in belangrijke mate tegemoet aan de voorstellen van de commissie-Bakker. Alleen gingen die veel verder. De voorstellen van de commissie-Bakker zouden qua houdbaarheidsbijdrage enorm hebben ingegrepen voor 65-plussers en veel positiever hebben uitgepakt voor werkenden. Dit voorstel is ook een stap in die richting, maar met een lagere maatvoering vanwege de koopkrachteffecten, waarvoor de Kamer aandacht heeft gevraagd.

De bestaande arbeidskorting voor ouderen staat naast de doorwerkbonus die nu wordt geïntroduceerd. De verhoogde arbeidskorting voor ouderen stimuleert mensen van 57 jaar en ouder te blijven werken. Dat is als het ware de "werkbonus" vanaf 57 jaar. De doorwerkbonus stimuleert nog verder vanaf een leeftijd van 62 jaar. Ook de VPL-wetgeving levert een belangrijke bijdrage aan het doorwerken. Een andere maatregel, waaraan de leden Omtzigt en Sap hebben gerefereerd, is de premiekortingsregeling voor het in dienst houden van werknemers van 62 jaar en ouder. Met dit voorstel van de heer Donner worden ouderen goedkoper voor werknemers. De financiële prikkel van de premiekorting voor werkgevers en de doorwerkbonus zorgen voor een stimulans aan beide kanten, zowel voor de werkgever als voor de werknemer. Dat geldt overigens ook voor lager opgeleiden, want voor elk meer gewerkt uur wordt een bonus ontvangen.

Er zijn groepen waarvoor het moeilijker is om door te werken, bijvoorbeeld mensen in zware beroepen. Het afbakenen van zware beroepen is heel lastig en zou op enorme uitvoeringsproblemen stuiten. De maatregelen van dit kabinet bieden wel een kader om, al dan niet in een lichtere functie, het in dienst nemen te vergemakkelijken van mensen die zo'n zwaarder beroep hebben gehad. Het kabinet verwacht ook de inzet van werkgevers en werknemers samen op dit terrein, bijvoorbeeld om in het personeelsbeleid gezamenlijk aandacht te besteden aan zwaardere beroepen door werknemers in de gelegenheid te stellen ander en lichter werk te verrichten. Vanzelfsprekend, zo zeg ik in de richting van de leden Remkes en Cramer, blijven wij goed kijken naar het moment van uittreden en de ontwikkeling van de arbeidsparticipatie van ouderen. Het CBS houdt het gemiddelde jaar van uittreden nauwgezet bij. In algemene zin kunnen wij ook zien of de arbeidsparticipatie van die groep van 60 tot 64 toeneemt. Het wordt wel heel lastig te controleren of dat alleen door de doorwerkbonus komt, maar wij kunnen wel het effect monitoren.

Een van de grote pluspunten van de doorwerkbonus is de eenvoudige uitvoerbaarheid. De doorwerkbonus wordt via de inkomstenbelasting verstrekt, wat een eenvoudige uitvoerbaarheid bevordert. De heer Van Dijck heeft gevraagd waarom de bonus niet in de loonheffing wordt opgenomen. Een heffingskorting in de inkomstenbelasting is zichtbaarder dan een heffingskorting in de loonbelasting. Het instrument zou ook om die reden wel eens efficiënter kunnen zijn. In het geval dat de doorwerkbonus zou worden verrekend bij de loonheffing, zou de bekendheid daardoor veel minder zijn. De effectiviteit zou dan waarschijnlijk ook veel lager zijn.

Met die mix van nieuwe initiatieven, de doorwerkbonus, premiekortingsregelingen en dergelijke, enerzijds en bestaande regelingen anderzijds probeert het kabinet de beoogde cultuuromslag te bewerkstelligen. De knop moet nu echt om. Mensen moeten echt wat langer doorwerken, het liefst tot of als het een vrijwillige keuze is voorbij de 65-jarige leeftijd.

Ik hoop dat de heer Cramer, als hij het hele pakket bekijkt, zich al met al een positief oordeel vormt.

Bij belastingmaatregelen ramen wij geen gedragseffecten. De Studiegroep Begrotingsruimte stelt begrotingsregels op en geeft aan dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin wél gedragseffecten in de raming worden meegenomen. Dan gaat het bijvoorbeeld om een stelselwijziging, waarbij de effecten kwantificeerbaar zijn en zich binnen afzienbare tijd voordoen. In beginsel nemen wij gedragseffecten echter niet mee. Het zou voor mij heel makkelijk zijn om iedere keer als ik iets wil dekken, te proberen gedragseffecten te laten ramen. Dat zou kunnen leiden tot een uitholling van de belastinggrondslag. Negatieve dingen zou je bijvoorbeeld niet kunnen gaan ramen.

Ik kom op de doorwerkbonus en de levensloop. Wat is de achtergrond van het dubbele signaal dat uitgaat van de samenloop tussen de doorwerkbonus en de levensloopregeling? Het feit dat de doorwerkbonus ook geldt bij levensloopuitkeringen is in termen van arbeidsparticipatie eigenlijk niet gewenst, maar het probleem is ook niet eenvoudig op te lossen. Ik zal proberen om iets meer inzicht te verschaffen in de systematiek. De worsteling die de Kamer op dit punt doormaakt, begrijp ik goed. De doorwerkbonus haakt aan bij de arbeidskortingsgrondslag, die is opgebouwd uit het inkomen uit tegenwoordige arbeid. De uitkering ingevolge de levensloopregeling is in een wet aangemerkt als inkomen uit tegenwoordige arbeid. Om die reden is de doorwerkbonus ook van toepassing op levensloopuitkeringen. Dat geldt overigens ook voor de arbeidskorting.

Twee oplossingen liggen voor de hand. Ten eerste zouden de levensloopuitkeringen genoten aan het eind van de carrière voor de berekening van de doorwerkbonus uit de arbeidsgrondslag kunnen worden gehaald. Het gevolg daarvan is dat bij de levensloopuitkeringen de doorwerkbonus niet van toepassing is. Die optie is niet uitvoerbaar voor de Belastingdienst. De oorzaak daarvan is dat binnen de arbeidskortingsgrondslag onderscheid gemaakt moet worden tussen uitkeringen die wél en uitkeringen die niet tot de arbeidskortingsgrondslag behoren. Ten tweede zouden de levensloopuitkeringen niet kunnen worden beschouwd als inkomen uit tegenwoordige arbeid, maar als inkomen uit vroegere arbeid. In dat geval gelden de heffingskortingen die aanhaken bij het inkomen uit tegenwoordige arbeid niet meer. Naast de doorwerkbonus gaat het dan ook om de arbeidskorting, de aanvullende combinatiekorting, de combinatiekorting en de aanvullende alleenstaandenaftrekkorting. Dit geldt voor alle vormen van levensloopuitkering, dus ook die tijdens het ouderschapsverlof of een sabbatical, hetgeen betekent dat mensen er tijdens de verlofperiode netto op achteruitgaan. In die periode bestaat er namelijk geen recht meer op de arbeidskorting, de doorwerkbonus en andere heffingskortingen. Een partiële uitzondering is onmogelijk. Ook voor tussenliggende sabbaticals moet je het dus uit de grondslag halen.

Ik ben het dus eens met degenen die signaleren dat het toekennen van de doorwerkbonus bij een levensloopuitkering in geval van vervroegde uittreding in termen van arbeidsparticipatie geen goed signaal is. Tegelijkertijd worstelen wij met een mogelijke oplossing. Ik zal een verkenning laten uitvoeren naar de voor- en nadelen van het uitsluiten van heffingskortingen van de levensloopregeling. Ik zal die verkenning in het voorjaar naar de Kamer sturen. Het is vrij ingewikkelde materie, maar er gaat een vreemde prikkel van uit.

Ik kom toe aan de ouderschapsverlofkorting. De ontkoppeling van deze korting en de levensloopregeling is een belangrijke vereenvoudiging voor werknemers die een beroep willen doen op deze korting. De koppeling aan de levensloopregeling betekent namelijk dat een werknemer die thans gebruik wil maken van de ouderschapsverlofkorting in dat jaar moet inleggen. Daarbij is de omvang van de inleg niet van belang. Het kabinet kiest er dan ook voor om mensen die gebruik willen maken van deze korting niet langer te verplichten die storting te doen. Ook de Stichting van de Arbeid heeft daarvoor gepleit.

Wat de toets aan het loon van het voorafgaande jaar betreft, merk ik het volgende op. De ouderschapsverlofkorting bedraagt niet meer dan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon, verminderd met het in het kalenderjaar genoten belastbare loon. Deze bepaling is destijds bij amendement-Bussemaker onderdeel geworden van de ouderschapsverlofkorting. Overigens hebben ChristenUnie en CDA destijds voor dit amendement gestemd. Prachtig dat wij de Handelingen hebben om dat nog eens na te lezen! De gedachte was dat de ouderschapsverlofkorting is bedoeld om een inkomensaanvulling te geven in periodes waarin gebruik wordt gemaakt van ouderschapsverlof. Als bijvoorbeeld de werkgever loon doorbetaalt tijdens het ouderschapsverlof zou samen met de ouderschapsverlofkorting het totale loon hoger kunnen uitvallen dan in de periode daarvoor. Inkomensaanvulling zou dan niet nodig zijn. Het laten vervallen van de voorwaarden waarop wordt gedoeld, heeft een budgettaire derving tot gevolg. U ziet, voorzitter, zelfs amendementen die door de Tweede Kamer zijn ingediend en aangenomen, verdedig ik als huidige wetstekst met verve. Ik ben volstrekt loyaal aan datgene wat is afgesproken!

De FNV heeft voorgesteld om het gespaarde deel van het spaarloon te deblokkeren. Gisteren heb ik nog een gesprek gehad met Agnes Jongerius, een gesprek dat ik open ben ingegaan. Ik heb aandacht gevraagd voor de effecten hiervan op de financiële sector en voor eventuele andere nadelen. Aan beide kanten werden die gevoelens gedeeld. Ik heb aangegeven dat ik met collega's binnen het kabinet bespreek wat de voor- en de nadelen zijn, inclusief het door de heer Tang bedoelde nadeel met betrekking tot stabiliteit van de financiële markten, als ineens een paar miljard aan tegoeden wordt opgevraagd bij banken. Er kunnen ook voordelen verbonden zijn aan het deblokkeren van spaartegoeden. Daarbij zijn timing en maatvoering belangrijk. Wij hebben thans geen voornemens om het spaarloon te deblokkeren, maar ik heb er geen principiële bezwaren tegen om dat op enig moment te doen. Het zou heel goed kunnen dat wij het wel doen. Ik heb mevrouw Jongerius beloofd eerst te praten met onder andere de banken, en daarna met collega's in het kabinet. Mocht zich dat vertalen in een concreet voornemen van mijn kant, dan zal ik de Kamer dat uiteraard meedelen. Ik heb daarin een open houding. Nogmaals, je moet wel kijken, als je het doet, wanneer je het doet. Wat zijn de eventuele negatieve gevolgen als miljarden aan spaartegoeden worden opgevraagd?

De heer Van Dijck heeft gevraagd of het een effect heeft op de koopkracht. Dat heeft het niet.

Het zou effect kunnen hebben op de consumptie, omdat mensen een stukje meer gaan consumeren. Dan hangt het er ook wel een beetje van af of men ervaart dat er echt sprake is van komende moeilijke tijden. Als consumenten ervan uitgaan dat het heel zware tijden worden, zijn zij bij deblokkering eerder geneigd het geld op een andere spaarrekening met een hogere rente te zetten in plaats van het te consumeren. Maar goed, dat is een punt dat wij in de gesprekken mee kunnen nemen. Ik kan mij goed voorstellen dat op z'n minst het psychologische signaal dat er van uit zou kunnen gaan, positief zou kunnen zijn.
De heer



1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina