Verslag van een wetgevingsoverleg



Dovnload 383.24 Kb.
Pagina1/11
Datum25.07.2016
Grootte383.24 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG


De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken<1> heeft op 21 november 2011 overleg gevoerd met staatssecretaris Knapen van Buitenlandse Zaken over het deel Ontwikkelingssamenwerking van de begroting Buitenlandse Zaken 2012.
(De volledige agenda is opgenomen aan het eind van het verslag.)
Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken

Pechtold
De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken

Van Toor

**
Voorzitter: Van der Staaij



Griffier: Wiskerke
Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Dikkers, De Caluwé, Irrgang, Ferrier, Hachchi, Driessen, El Fassed, Voordewind, Albayrak en Van der Staaij,
en de heer Knapen, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.
De voorzitter: Ik open dit wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken met de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over het deel Ontwikkelingssamenwerking van de Begroting Buitenlandse Zaken 2012. Ik heet iedereen van harte welkom. Ik vervang even de echte voorzitter die zich als het goed is over een half uur bij ons voegt. De sprekersvolgorde van de begroting zal worden gevolgd. Na afloop van de eerste termijn van de kant van de Kamer zal een korte schorsing plaatsvinden. Met de leden van de commissie die hier op tijd waren, heb ik afgesproken dat het aantal interrupties beperkt wordt in de eerste ronde van de Kamer tot drie. Iedereen heeft drie interrupties voor het totaal van de eerste termijn van de kant van de Kamer. Een interruptie bestaat daarbij uit maximaal twee delen. Het woord is allereerst aan mevrouw Dikkers van de PvdA-fractie.

**
Mevrouw Dikkers (PvdA): Voorzitter. De vaste Kamercommissie was eerder dit jaar in Mozambique. Zij sprak daar onder meer met een oma die de zorg had over haar kleinkinderen omdat haar eigen kinderen aan de gevolgen van aids zijn overleden. Deze vrouw draagt nagenoeg niets bij aan de economische ontwikkeling in Mozambique. Zij draagt in zijn geheel niets bij aan het versterken van het Nederlands bedrijfsleven. Dat kleine beetje hulp maakt voor deze vrouw echter alle verschil: schoolgeld voor haar kleinkinderen, kleding en een beetje eten. Het is niet veel, geen luxe, maar net het verschil tussen uitzichtloosheid en hoop. Dat verschil maakt ontwikkelingsgeld mogelijk. Kinderen naar school met zicht op een beter bestaan. Wij zien veel liever dat Mozambique zelf voor haar eigen bevolking zorgt, maar spijtig genoeg is het nog niet zo ver. Tot die tijd wil de PvdA een betrouwbare partner zijn; hoop bieden, kansen creëren en investeren in mensen in ontwikkelingslanden zodat zij hun toekomst zelf kunnen vormgeven. Daarvoor staat de PvdA: investeren in de ontwikkeling van mensen, niet meer en niet minder. Door dit soort projecten, gericht op deze vrouwen, gaat nu een streep.



De staatssecretaris kon zijn beleid vorige week niet treffender verwoorden in het algemeen overleg over landbouw in ontwikkelingslanden toen hij zei: verlicht eigenbelang wil zeggen dat onze economie er ook iets aan moet hebben. "Wederzijds profijtelijk" noemt hij dat. "Wederzijds profijtelijk" als basis voor ons Nederlands ontwikkelingsbeleid. In de praktijk betekent dat vooral profijtelijk voor ons exporterende bedrijfsleven dat met geld uit de armenkas de risico's afgedekt ziet. Voor de PvdA gaat ontwikkelingssamenwerking over internationale solidariteit. Wij delen onze welvaart met mensen die het veel minder goed getroffen hebben. Vanwege de belangen van de mensen daar, uit medemenselijkheid, en vanwege het besef dat wij tot elkaar veroordeeld zijn, dat dit een wereld is waarin wij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, of wij dat nu leuk vinden of niet.
Mevrouw De Caluwé (VVD): Voorzitter. Ik stel mevrouw Dikkers graag de volgende vraag. Op het moment dat bedrijven hun kennis en expertise ter beschikking stellen, doen zij toch ook extra hun best om het tot een succes te brengen? Daarvan kan dan toch van beide kanten geprofiteerd worden? Wat is daar mis mee?
Mevrouw Dikkers (PvdA): Dank voor de vraag. Die leidt tot een mooi bruggetje. Als uit evaluaties bleek dat die wederzijdse profijtelijkheid leidt tot goede projecten, dan zou dat mooi zijn. Dat is echter niet het geval. Uit de evaluaties blijkt dat het vooral profijtelijk is voor het Nederlands bedrijfsleven. Het draagt bijna niets bij aan armoedebestrijding. Ik zou graag zien dat het bedrijfsleveninstrumentarium zodanig was ingericht dat het de mensen daar ten goede zou komen. Als dat in the end of the day leidt tot wederzijdse profijtelijkheid, dan zie ik dat natuurlijk graag. Het spekken van bedrijven uit de armenkas gaat mij echter een stap te ver.
Mevrouw De Caluwé (VVD): Het beleid dat nu wordt gevoerd, is nog maar net begonnen. Er zijn nog maar een paar evaluatiemomenten geweest, maar er heeft nog geen echte evaluatie plaatsgevonden. Waar haalt mevrouw Dikkers deze informatie vandaan?
Mevrouw Dikkers (PvdA): De ORIO-regeling en de voorloper daarvan, de ORET-regeling, zijn al zo oud als het instrument ontwikkelingssamenwerking zelf. Het PSI is van een iets latere datum, maar het zijn erg oude instrumenten. Wij hebben daarvan geleerd dat wij steeds betere MVO-criteria moeten hanteren. Die instrumenten zijn evenals het afdekken van risico's met exportkredietverzekeringen voornamelijk gebruikt om het bedrijfsleven te spekken. Dat heeft niets maar dan ook niets te maken met ontwikkelingssamenwerking.
Het verlichte eigenbelang zit voor de Partij van de Arbeid in het gegeven dat wij voor onze veiligheid afhankelijk zijn van de mondiale veiligheid en dat we voor onze welvaart afhankelijk zijn van de grondstoffen uit Afrika, de olie uit het Midden-Oosten en het veevoer uit Zuid-Amerika. Die wederzijdse afhankelijkheid brengt ook wederzijdse verantwoordelijkheid met zich mee. De Partij van de Arbeid neemt deze verantwoordelijkheid en strijdt voor het behoud van het budget. Zolang er nog geen volledig eerlijke handel is, zolang kennis en macht nog zo oneerlijk verdeeld zijn, zolang vrouwen op grote achterstand staan, is ontwikkelingshulp nodig om middelen en kansen te verdelen. De Partij van de Arbeid is van de partij.

Wij willen een genereus, effectief en sociaal ontwikkelingsbeleid. Genereus: geen vervuiling van het budget. Effectief: veel meer zicht op de bestedingen en doen wat bewezen effectief is. Sociaal: het gaat om de belangen daar en niet om de kortetermijnwinst hier. Investeringen in onderwijs -- er is weer een prachtige evaluatie waaruit blijkt dat wij daarin eigenlijk heel erg goed zijn -- gezondheidszorg en goed bestuur zijn randvoorwaarden voor economische groei en daarmee een noodzakelijke stap voor ontwikkelingslanden. Het is een stap die dit kabinet liever overslaat, omdat die niet "wederzijds profijtelijk" zou zijn.

De Partij van de Arbeid wil de belangen van mensen in ontwikkelingslanden centraal stellen. Het gaat om coherent beleid, waarin hun belangen meewegen. Ik geef de notitie van de staatssecretaris die hij heeft geschreven naar aanleiding van de motie-Ferrier/Dikkers over coherentie van beleid graag weer terug met het verzoek een nieuw werkstuk af te leveren. Er staat onvoldoende in waarmee wij als Kamer aan de slag kunnen; er wordt geen handen en voeten aan gegeven.

Waar staat deze staatssecretaris nu eigenlijk? Staat hij in een rijke CDA-traditie van rentmeesterschap en solidariteit -- kernwaarden die wij van het CDA kennen -- of hangt hij een andere filosofie aan? Hij is de staatssecretaris van eerlijk delen, maar dan vooral met zijn vriendjes. Zo gaat het budget voor onderwijs en kinderen in Burkina Faso naar de Nederlandse topsectoren, gaat het geld voor vrouwen in Oost-Congo naar pootaardappelexporteurs en gaat het geld uit het mensenrechtenpotje van Latijns-Amerika naar het budget van Defensie. De staatssecretaris van de uitverkoop, kunnen wij na anderhalf jaar constateren. Wat is er toch gebeurd met het CDA? Van het weekend was ik dit aan het voorbereiden, en ik werd bozer en bozer. Dit kan toch niet? Wat is er nou gebeurd? Nu deze partij eindelijk verantwoordelijk is voor ontwikkelingssamenwerking, is zij opeens veranderd in een marktkoopman.


Voorzitter: Albayrak
Mevrouw Dikkers (PvdA): Het kabinet heeft het over eigen verantwoordelijkheid en breekt ook in onze samenleving voorzieningen voor de kwetsbaren af onder de noemer "de staat is geen geluksmachine"; niet voor individuen in ieder geval. Toch gaat het kabinet het bedrijfsleven wel een handje helpen en moet er ineens geld bij. Als het Nederlandse bedrijfsleven echt het best zou zijn in het bestrijden van armoede, dan zijn wij de eersten die het budget overhevelen naar Verhagen, Bleker en Wientjes. Als onderzoek aantoont dat dit inderdaad de toverformule is waarnaar we op zoek zijn: be my guest. Helaas, de evaluaties die de staatssecretaris naar de Kamer stuurt, tonen iets anders aan. Namelijk dat de effectiviteit van het bedrijfsleveninstrumentarium tegenvalt, het resultaat moeilijk te meten is -- zoals uit de PUM-evaluatie blijkt -- dat bij het PSI minder dan de helft van de projecten leidt tot een enigszins duurzame onderneming en de grote meerderheid van de projecten dus niet, en dat het eigen onderzoeksbureau van het ministerie, de IOB, sterke twijfels heeft bij de waarde van de evaluaties.

Nog zo'n potje is ORIO. Het budget hiervoor wordt fors verhoogd, maar ontwikkelingslanden geven de voorkeur aan de Chinezen voor het aanleggen van wegen met geld van de Wereldbank. De staatssecretaris zegt dat de vraag daar centraal moet staan, maar is echter alleen bereid te luisteren naar de verzoeken die over Nederlandse waar gaan. Het gaat om wat Nederland in de aanbieding heeft: koopman Knapen. De antwoorden op de mondelinge vragen over het broddelwerk van de Nederlandse baggeraar Van Oord in Guatemala zijn een goed voorbeeld van de weinig kritische houding van de staatssecretaris. Hij was niet tot bewegen bereid, en toch is er 9 mln. aan ontwikkelingsgeld down the drain gegaan.

Staatssecretaris Bleker zei vorige week in een debat iets over de boontjesteler in Kenia. Daar zit een Nederlandse bonenkweker. Ik ken hem; hij is een klasgenoot van mij geweest. Ik ben trots op hem, want hij draagt met zijn bedrijf bij aan lokale economische ontwikkeling, en wordt er tegelijkertijd zelf beter van. Ik ben trots op succesvolle bedrijven die zonder ontwikkelingsgeld toch goed boeren. Wij staan voor het Nederlandse bedrijfsleven en dat doen wij door bij te dragen aan een stabielere en veiligere wereld, door via gerichte steun ontwikkelingslanden economisch echt vooruit te helpen. Zo dragen we bij aan een vreedzame wereld en vergroten we tevens de afzetmarkt voor ons bedrijfsleven. Dat is een duurzamere, houdbaardere visie, waar geen ontwikkelingsgeld of subsidie aan te pas hoeft te komen.

De staatssecretaris laat zijn bedrijfsleveninstrumentarium omzoomd worden door criteria voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ik merk hier heel erg graag op dat maatschappelijk verantwoord ondernemen nog geen armoedebestrijding is.

De PvdA wil graag betere criteria voor armoedebestrijding opgenomen zien in het bedrijfsleveninstrumentarium en wil toetsing hierop vooraf. Je moet niet alleen kijken of het bedrijf een beetje voldoet aan de OESO-normen, maar je moet ook kijken of de desbetreffende activiteit echt wat bijdraagt. Hierop moet ook achteraf worden gecontroleerd. Wij overwegen hierover een motie in te dienen en horen graag hoe ver de staatssecretaris met ons mee wil gaan. Het bedrijfsleven kan goed werk verrichten, maar dan met name in partnerschap met organisaties en overheid. Standalone instrumenten als PSI en ORIO zijn op zijn best gebonden hulpprojecten en alleen profijtelijk voor Nederland.

Waar zit de complementariteit? Daar ben ik heel benieuwd naar. Het lijkt een beetje alsof de staatssecretaris zijn prioriteiten verdeeld heeft in wat gedaan kan worden door het bedrijfsleven, zoals voedselzekerheid en water, en wat gedaan kan worden door bijvoorbeeld de aidsfondsen van deze wereld, zoals SRGR. Het is nu juist interessant om te zien hoe complementair je binnen deze sectoren kunt zijn. Je kunt geen dijk bouwen zonder een dijkgraaf, geen goede waterpomp zonder dat de lokale gemeenschap weet hoe zij daarmee om moet gaan. Hoe ziet de staatssecretaris dat? Wat de tenders betreft die hij heeft uitgeschreven: in welke mate moet er worden samengewerkt met andere actoren dan alleen het bedrijfsleven?

De tijd van ongeconditioneerde budgetsteun aan overheden van ontwikkelingslanden is wel zo'n beetje voorbij. Daarvoor heeft het instrument te veel nadelen laten zien. Feit blijft echter dat er een aantal ontwikkelingslanden is waarvoor het instrumentarium van budgetsteun wel kan worden ingezet. Bij een dergelijke kapitaaloverdracht horen ook moderne budgetvolgsystemen. De tijd van vertrouwen op blauwe of bruine ogen is immers wel voorbij en de PvdA, maar ook de achterban van andere partijen, wil weten of het geld dat wij hebben uitgegeven, ook daadwerkelijk terechtkomt bij de mensen die het nodig hebben.

Ik gebruik nu even wat jargon, maar daar zijn de aanwezigen in de zaal wel aan gewend. De PvdA wil graag dat bilaterale programma's gekoppeld worden aan public expenditure tracking surveys, opdat het geld gevolgd kan worden. De Wereldbank doet dit voor een deel. Als je het geld kunt volgen en hierover achteraf rapporteert in een public expenditure review is dit een instrument dat het parlement -- dit geldt ook voor de media en het publiek -- kan gebruiken om de regering accountable te houden. Daarmee verstevig je de kwaliteit van de openbare financiën en het bestuur: dringend noodzakelijke stappen, ook voor een beter ondernemingsklimaat in ontwikkelingslanden.

Ik help de staatssecretaris graag om nog wat smoel en body te geven aan zijn OS-beleid. De staatssecretaris kan dit bereiken door ten minste enkele kortzichtige bezuinigingen terug te draaien. De bezuiniging op de UNHCR is even onbegrijpelijk als kortzichtig, vandaar mijn amendement om deze bezuiniging terug te draaien. Dit geldt ook voor de bezuiniging op seksuele rechten en gezondheid. De staatssecretaris ziet het als een prioriteit, maar laat zijn collega's de budgetruif leeg eten. De Kamer helpt hem heel graag bij het goed uitvoeren van de prioriteiten, dus wij hebben ook in dezen een amendement. Wij hopen op een positief advies.

Mijn laatste amendement gaat over noodhulp. De staatssecretaris moet van zijn collega's snijden in een vast bedrag voor noodhulp. Dat zal hem zeer doen, lijkt mij zo. Wij vinden dat sneu. De PvdA helpt de staatssecretaris graag van deze pijn af met een amendement om ook in dit geval een reparatie te verrichten. Zo kunnen wij deze kritische beschouwing op de staatssecretaris toch nog enigszins positief afsluiten.


Mevrouw Hachchi (D66): Mevrouw Dikkers houdt, zoals wij haar kennen, een mooi en gloedvol betoog. Echter, als puntje bij paaltje komt, laat de PvdA het afweten, en dat is jammer. Vorig jaar heeft mevrouw Dikkers tijdens het wetgevingsoverleg over ontwikkelingssamenwerking stevige woorden gebruikt. Het was beschamend dat er bezuinigd werd op ontwikkelingssamenwerking. Mevrouw Dikkers heeft toen een motie ingediend om het op 0,8% te houden. Zij vindt D66 aan haar zijde als zij zoiets doet. Echter, in haar tegenbegroting -- ik heb deze bij mij -- draait de PvdA de bezuiniging op ontwikkelingssamenwerking niet terug; gewoon nul euro. Ik wil graag een reactie van mevrouw Dikkers. Kan zij mij dit uitleggen? Kan zij mij aanwijzen waar dit in de tegenbegroting gebleven is?
Mevrouw Dikkers (PvdA): Die vraag heb ik al een keer of acht van mevrouw Hachchi gehad. Het antwoord erop kent zij, dus ik ga het niet herhalen. Is het niet veel beter om samen op te trekken in een tijd waarin dit vakgebied zo onder vuur ligt? In een tijd waarin de PVV begonnen is met het nog verder bezuinigen. In een tijd waarin de staatssecretaris zegt dat onder druk alles vloeibaar is. In een tijd waarin staatssecretaris Bleker zegt "Bezuinigingen? Zeg nooit nooit". Is dat niet beter dan weer antwoorden dat de PvdA absoluut niet wil bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking? Voor ons moet het 0,8% zijn conform ons verkiezingsprogramma.
De voorzitter: Laatste interruptie op dit onderwerp, mevrouw Hachchi.

**
Mevrouw Hachchi (D66): Ik maak die opmerking juist omdat D66 zij aan zij met de PvdA wil staan voor ontwikkelingssamenwerking. We maken tegenbegrotingen echter niet voor niets. Als ik mevrouw Dikkers hoor spreken, kunnen we net zo goed geen tegenbegroting maken. Daarin maak ik duidelijk dat de PvdA nul euro terugdraait op de bezuiniging van ontwikkelingssamenwerking. Het is geen sinterklaas; we kunnen geen geld weggeven dat er niet is. Die keuze moet je ook laten zien in je tegenbegroting. Die verantwoordelijkheid zou ik graag terugzien bij de PvdA, zodat we echt samen en zij aan zij één front kunnen maken naar partijen die willen bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking.


Mevrouw Dikkers (PvdA): Ik geef mijn antwoord nog maar een keer, weliswaar voor de bühne want dit antwoord heb ik mevrouw Hachchi al in verschillende andere gremia gegeven. Ik leg het nog één keer uit. De PvdA heeft delen van de bezuiniging teruggedraaid. We hebben aangestipt wat voor ons prioriteit heeft. Het is voor ons klip-en-klaar dat we niet bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking.
De voorzitter: Nee, mevrouw Hachchi, u kent de afspraak: maximaal twee keer een interruptie op hetzelfde onderwerp.

Het woord is aan mevrouw De Caluwé, die haar inbreng levert namens de VVD.

**
Mevrouw De Caluwé (VVD): Voorzitter. Voor een doeltreffend ontwikkelingsbeleid is een moderne aanpak nodig, die rekening houdt met een veranderende wereld. Al decennialang wordt geld gepompt in landen zonder aantoonbaar positief resultaat. Sterker nog: er zijn studies die een negatieve relatie aantonen, bijvoorbeeld doordat de lokale zelfredzaamheid wordt ondermijnd. Landen die zich hebben ontworsteld aan bittere armoede en nu tot de middeninkomenslanden behoren, zoals China en India, hebben dat vaak niet dankzij ontwikkelingshulp bereikt. De steun van de Nederlandse bevolking voor ontwikkelingssamenwerking krimpt snel; we hebben het de afgelopen dagen gelezen. Dat heeft alles te maken met de huidige economische crisis en met de perceptie dat hulp toch niet werkt. Reden temeer om onze bijdrage veel efficiënter en doelgerichter in te zetten.

De VVD pleit al veel langer voor een gerichter ontwikkelingsbeleid waarbij met minder geld meer kan worden bereikt. Ontwikkelingssamenwerking moet worden bezien in het bredere verband van wereldwijde groei, veiligheid en economie, met als doel de huidige ontvangers op den duur op eigen benen te laten staan. Het zelfvertrouwen van veel van de ontwikkelingslanden groeit, evenals hun economie. De VVD wil sterk inzetten op het bevorderen van zelfredzaamheid van de ontwikkelingslanden en hun bewoners en pleit dan ook voor een zakelijker benadering en concrete afspraken over rechten en plichten voor alle partijen. Uiteindelijk moet ontwikkelingsbeleid opgaan in een integraal buitenlandsbeleid.



Voor mijn partij betekent dit in ieder geval drie dingen. Ten eerste. De ODA-criteria dienen aangepast te worden aan de huidige tijd, zoals vastgesteld in het regeerakkoord, zodat rendabele maatregelen die echt tot groei en stabiliteit leiden ook daadwerkelijk meetellen binnen het OS-beleid. Ten tweede. Een volwassen en eigentijds ontwikkelingbeleid betekent ook concrete afspraken en doelstellingen. We moeten de effectiviteit van de OS-uitgaven niet langer meten aan de hand van de geldelijke inbreng, maar aan de hand van duidelijk gestelde en meetbare targets. Ten derde. Actieve inzet van de private sector om de economie in de ontwikkelingslanden aan te jagen is noodzakelijk.
De heer El Fassed (GroenLinks): Ik ben blij dat mevrouw De Caluwé ook voor een volwassen en effectief beleid staat. Gelden dezelfde criteria ook voor het bedrijfsleven? Moet dat ook kunnen aantonen op bepaalde criteria dat het ontwikkelingsrelevant is en dat het echt gaat om economische ontwikkeling en duurzame ontwikkeling?
Mevrouw De Caluwé (VVD): De inzet van het bedrijfsleven is vraag gestuurd. Ten eerste. Het bedrijfsleven inzetten is in die landen zelf, de privatesectorontwikeling. Ten tweede. Daar waar onze Nederlandse expertise van pas komt en waar onze Nederlandse investeringen worden gevraagd, kan het bedrijfsleven bijdragen. De staatssecretaris heeft eerder al gezegd dat het bedrijfsleven zich moet houden aan criteria. Ik onderschrijf dit. Onder die criteria vallen de OESO-richtlijnen. Het bedrijfsleven zal moeten aangeven dat het zich daaraan houdt.
De heer El Fassed (GroenLinks): Ik neem dan ook aan dat mevrouw De Caluwé er voorstander van is dat die criteria vooraf worden getoetst in plaats van achteraf?
Mevrouw De Caluwé (VVD): Deze inbreng en deze investeringen zullen worden gedaan door middel van tenders. Daar zullen eisen aan hangen. Dat heeft altijd al zo gegolden, bijvoorbeeld voor ngo's en onderwijsinstellingen, en zal ook gelden voor het bedrijfsleven.
Mevrouw Dikkers (PvdA): Ik vind het heel fijn dat collega De Caluwé van de VVD zegt dat het gaat om investeringen in de private sector dáár. Is zij het dan met me eens dat het interessanter zou zijn om de bedrijfslevenpotjes die we hier nu opgeplust hebben, zoals ORIO en PSO over te hevelen om de private sector daar te inviteren? Wat de staatssecretaris nu heeft gedaan is een vertaling van zijn bedrijfslevenprogramma's naar subsidiepotjes.
Mevrouw De Caluwé (VVD): Daar ben ik niet voor, om de volgende reden. Er is ontzettend veel vraag naar expertise uit Nederland en landen zoals Nederland. Er is heel veel vraag naar investeringen. Juist het Nederlandse bedrijfsleven kan heel veel betekenen voor het lokale bedrijfsleven, voor de werkgelegenheid en voor de interne opleiding van mensen binnen bedrijven. Daarnaar bestaat ongelooflijk veel vraag. Het is dus en-en. Dat staat ook in het stuk over de ontwikkeling van de private sector. Het gaat om het ontwikkelen van de private sector daar en, waar Nederland kan bijdragen, ontwikkeling door middel van inzet van het Nederlandse bedrijfsleven. Dat lijkt mij echt een win-winsituatie.
Mevrouw Dikkers (PvdA): Wij willen dat, dat snap ik. Wij willen absoluut hetzelfde. Als het Nederlandse bedrijfsleven daarin een rol kan spelen, is dat prima. Maar het is toch mal dat het geld niet gaat naar lokale investeringen, maar naar investeringen via het Nederlandse bedrijfsleven. Ik zou verwachten dat de VVD-fractie een amendement zou indienen om het geld opnieuw lokaal te investeren.
Mevrouw De Caluwé (VVD): Zoals ik vorige week al aangaf in het AO over landbouw in ontwikkelingslanden, ben ik ook heel benieuwd naar de meerjarenplannen waarin staat wat de ambassades gaan doen in die landen zelf. Daarnaast is echter ongelooflijk veel input nodig in ontwikkelingslanden door het bedrijfsleven van hier. In Kenia hebben wij laatst een bedrijf gezien dat zonnecellen maakt, een Nederlands bedrijf dat zich daar heeft gevestigd. Het kon zich alleen maar daar vestigen omdat het een steun in de rug kreeg uit Nederland. Het kan daar wel bijdragen aan de duurzame ontwikkeling van zonnecellen voor de mensen in Kenia.
De voorzitter: Gaat u verder, mevrouw De Caluwé.

**
Mevrouw De Caluwé (VVD): Ten eerste noem ik de ODA-criteria. Wij moeten niet langer vasthouden aan een achterhaalde en belemmerende set criteria. Het kabinet mag wel schenken aan een bedrijf dat wil investeren, maar geen garantiestelling afgeven, want die is niet ODAble. Leningen die zijn terugbetaald omdat een bedrijf succesvol is geweest en weer worden gebruikt voor andere bedrijven in OS-landen, zijn niet ODAble, maar als de investering mislukt, hoera, dan is het ODAble. Nog eentje: als Nederland besluit noodzakelijke goederen te leveren aan een gemeenschap in Afghanistan, is dat ODAble, maar niet als een soldaat deze goederen vervoert en aflevert.

Afgelopen zaterdag heb ik tijdens een symposium Eurocommissaris Piebalgs daarover gesproken. Hij voelt wel voor een Europese inzet om de criteria aan te passen. De commissaris ziet dat de bereidheid om de criteria aan te passen toeneemt, zodat onder andere garantiestellingen mogelijk worden. Steeds meer lidstaten zien er de voordelen van in. Met steun uit de EU moet het dus mogelijk zijn een vuist te maken binnen de OESO. Ik roep de staatssecretaris op om op korte termijn met de Eurocommissaris te komen tot een voorstel tot aanpassing. Ik ben uiteraard graag bereid zelf voorstellen tot aanpassing te doen.

Wij willen nu wel eens horen dat concrete resultaten worden behaald op grond van de afspraken uit het regeerakkoord. Daarbij vraag ik de staatssecretaris om, conform het regeerakkoord, de mogelijkheid mee te nemen om vredesmissies ruimer onder de ODA-criteria te laten vallen. Vredesmissies tellen nu maar zeer beperkt mee, terwijl deze een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het bestrijden van armoede. Een burgeroorlog verarmt een land gemiddeld genomen met 15%. Het werk dat onze mannen en vrouwen op dit moment in Kunduz verrichten, draagt bij aan de ontwikkeling van het land, maar telt nauwelijks als ontwikkelingssamenwerking. Ik overweeg een motie in te dienen om mijn verzoek tot deze belangrijke aanpassing van de ODA-criteria kracht bij te zetten.

Ten tweede noem ik de concrete doelen. OS-geld dient meetbaar effectief te worden besteed. Zo mag er geen geld aan de strijkstok blijven hangen. Vooral moet geld daar worden besteed waar het daadwerkelijk effect heeft, met het doel ontwikkelingssamenwerking uiteindelijk overbodig te maken. Het efficiënt besteden van OS-gelden vereist een zakelijke aanpak. De VVD-fractie wil dat wordt gewerkt met concrete en realistische doelen. De doelstellingen worden door de staatssecretaris in meerdere brieven, zoals de bedrijvenbrief en de brieven over het genderbeleid, al globaal aangegeven. Wij juichen dit toe, maar het is slechts een begin. De VVD-fractie wil per partnerland een beperkte set concrete doelstellingen voor ieder speerpunt op papier zien. Ik daag het kabinet uit hiermee de doelstellingen meetbaar te maken, te beginnen met de vijf fasttracklanden, waar vanuit Buitenlandse Zaken pilotprogramma's starten op het gebied van voedselzekerheid.

Graag wil mijn fractie bovendien dat de Kamer inzage krijgt in de meerjarenplannen die de ambassades hebben opgeleverd. Ons is nog niet duidelijk hoe de verschillende posten precies worden ingezet. Aangezien het overzicht van de te besteden gelden per land aan de Kamer is gezonden voordat de meerjarenplannen beschikbaar kwamen, blijkt dat nog verschuivingen in de begrotingen per land mogelijk zijn. Graag wil ik van de staatssecretaris weten wat de gevolgen van eventuele verschuivingen zijn voor de overige posten van het OS-budget.


Ik kom nu op een punt dat zeer belangrijk is voor de VVD-fractie, te weten de steun aan de ontwikkeling van de private sector. Deze steun is tweeledig: steun aan de lokale private sector in de ontvangende landen enerzijds en steun door middel van inzet van het Nederlandse bedrijfsleven anderzijds. Graag hoor ik van de staatssecretaris wat de meerjarenplannen van de ambassades hebben opgeleverd aan steun voor de private sector in de ontwikkelingslanden, hoe hij deze steun praktisch handen en voeten wil geven en wat de betrokkenheid van wetenschap en ngo's daarbij is. Op dit moment is dat voor mij totaal onduidelijk.

Het kabinet stelt in het regeerakkoord: "Binnen het budget voor ontwikkelingssamenwerking zal een sterke uitbreiding plaatsvinden van mogelijkheden voor het bedrijfsleven." De VVD-fractie vindt dit een goed punt. Specifieke kennis die Nederland in huis heeft, kan op deze wijze worden ingezet waar dat nodig is. De vraag naar investeringen en steun op het technologische en logistieke vlak is groot. De informatie over de gevraagde steun aan de private sector vanuit OS-landen is echter nog weinig overzichtelijk. Deze moet voor het Nederlandse bedrijfsleven goed toegankelijk zijn. Tenderprocedures moeten overzichtelijk, weinig bureaucratisch en praktisch van aard zijn. De inzet van het bedrijfsleven kan echter veel sterker in de begroting worden vastgelegd dan nu het geval is. Al eerder heb ik toegelicht hoe een aanpassing van de ODA-criteria daaraan op efficiënte wijze kan bijdragen. Daarbij moet ervoor gezorgd worden dat ook het mkb wordt meegenomen. Mijn fractie ziet graag dat de staatssecretaris een transparant "datingplatform" inricht waar vraag en aanbod op een heldere en praktische manier met elkaar kunnen worden verbonden. Daarbij heeft het de voorkeur van mijn fractie om het platform te integreren in het al bestaande digitale bedrijvenloket, om vooral de kleinere, gespecialiseerde bedrijven in Nederland een kans te geven.

Er is nog een andere manier om de betrokkenheid van het bedrijfsleven verder te stimuleren. Het ministerie van EL&I is gestart met green deals. Ik pleit voor een green deal "OS-style". Groene investeringsvoorstellen kunnen rekenen op steun in de vorm van garantiestellingen, vestigingsondersteuning, bemiddeling bij regelgevingsvraagstukken et cetera. Hiermee wordt men beloond voor zijn inzet en wordt groene groei in OS-landen bevorderd zonder dat het bakken met geld kost. Het draagt bij aan het dwarsdoorsnijdende thema van de duurzame ontwikkeling, zonder dat het leidt tot vergaande administratieve, bestuurlijke en financiële rompslomp. Een mogelijke kandidaat voor een green deal is bijvoorbeeld de "Dutch rainmaker", een windmolen die in gebieden zonder waterplassen warme lucht opvangt en omzet in schoon water.

Ik kom nu bij een aantal specifieke punten. Nederland heeft een uitstekend track record op het gebied van SRGR en hiv/aids-bestrijding. Voor SRGR zou dit jaar meer geld worden uitgetrokken, nadat het budget vorig jaar al door amendementen van onder anderen mijn voorganger is gerepareerd. In werkelijkheid lijkt de begroting van 2012 een forse bezuiniging op te leveren. Het bnp viel tegen; dat klopt. Vergeleken echter met de overige begrotingspunten is SRGR onevenredig hard getroffen door extra bezuinigingen. Een analyse van de begrotingsstukken wijst uit dat het hier gaat om een forse bezuiniging van ongeveer 40 mln. Ik heb hierover een amendement ingediend.


De heer

  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina