Vertaling van het testament Wijbengaleen



Dovnload 37.57 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte37.57 Kb.




bijlage "Bauck Hessels

Vertaling van het testament Wijbengaleen

uit het boek DE VIER BOLSWARDER LENEN,

geschreven door Drs. G. Abma,

uitgegeven in 1979 door Het witte boekhuis te Bolsward.


De vertaling van een testament uit de 15de eeuw is minder gemakkelijk dan het aan sommigen misschien lijkt. Om twee redenen is een volledige vertaling van een dergelijke tekst in de gewone zin van het woord zelfs onmogelijk; vooreerst omdat door het veelvuldig overschrijven de juiste en oorspronkelijke tekst niet meer valt te achterhalen. Er zijn zoveel fouten binnengeslopen dat de thans overgeleverde tekst soms nauwelijks meer dan onzin geeft. Met gissen en vergelijken van de nog bestaande kopieen onderling kan men van de tekst iets zinvols trachten te maken, maar dit moet dan geschieden met het nodige voorbehoud en in de overtuiging dat er ook andere opvattingen van de tekst mogelijk zijn. Verder verwijst de tekst van het testament naar personen, zaken en toestanden zonder ze volledig te noemen. Thans is niet altijd meer na te gaan wat er de achtergrond en de betekenis van was. Dit gelieve de lezer te bedenken bij het lezen van de hierna volgende vertalingen.

Volstrekt onbegrepen zinnen, zinsdelen of woorden zijn in de vertaling tussen ronde haken geplaatst. Dat de vertaling van de andere gedeelten zonder meer is gegeven betekent dus zeker niet dat deze onomstotelijk vaststaat. Voor een vertaling van enkele zinnen uit beide l5de-eeuwse testamenten zij tevens verwezen naar het in 1977 verschenen werk van H.A.M Andela over de Franciscaner Minderbroeders te Bolsward (p.45 v.)

Dank ben ik ook verschuldigd aan drs. 0. Vries te Westergeest voor zijn bereidwillig verleende hulp hij het vertalen van het Wijbenga-testament die soms ook een betere lezing verschafte. Prof. Dr. D.J. Buma was zo vriendelijk van dit en het volgende testament een Friese vertaling te verzorgen uitgaande van de door 0. Vries verzorgde teksteditie.
1452, 4 oktober
In Godes naam amen. In het jaar onzes Heren 1400 en twee en vijftig op de dag van de heilige Franciscus rond vespertijd, (of daaromtrent), bedacht Bauck, Hessels huisvrouw - ofschoon zij lichamelijk ziek was, echter goed bij haar verstand - dat er (van de) vergankelijke dingen niets zekerder dan de dood was en niets onzekerder dan de ure des doods. Daarom heeft zij haar laatste wil of testament gemaakt,. van woord tot woord gelijk hierna geschreven staat.
Op de eerste plaats begeert zij haar graf te hebben bij de Franciscaner Broederen, bij haar moeder, en zij laat de Broederen vier pondematen land na, liggende op Nijland in de hindere Sate bij de vier pondematen in de Dijkshoek. En de pachter zal altijd zijn (degene die het recht van eerste huur heeft; en haar erven hebben het recht van eerste koop) voor het geval dat de Broederen het land verkopen. Hiervoor wil zij hebben een eeuwige mis bij de Broederen.
Ok laat zij voor de gardiaan (= abt) een postillaatgulden na. De leesmeester (?) eveneens zo veel. Ook de koster een halve postillaatgulden. Ook elke priester van de Broederen die de mis opdraagt bij haar begrafenis, een halve gulden; elke koorknaap twee vlaamse guldens. Ook elke hoofdpriester die de mis opdraagt, twee vlaamse guldens. Ook begeert zij viermaal dertig missen, zowel voor haar ziel als voor die van haar kinderen en voor die van haar vader en moeder. En deze zal diegene van de Broederen (innen) die (hiervoor volgens hen het meest in aanmerking komt). Voorts wil Bauck dat de gardiaan hij haar begrafenis het eten voor de familie en vrienden ter beschikking zal stellen en (Inne), de zoon van Bokke het bier.
Verder laat zij voor Sint Maarten twee pondematen op Englamieden na. Ook voor Meester Dirk een rijnsgulden. Ook voor de pastoor en heer Willem elk een klinkaard en (de) twee andere priesters elk een halve klinkaard. Ook laat zij na voor de priesters van de Oldehove... en de Broederen even veel, naar ouder gewoonte. Ook de andere drie biddende orden elk een postillaat gulden. Ook laat zij voor Onze Lieve Vrouwe te Staveren een pondemaat op Englamieden na en die mogen de voogden inlossen met tien rijnsgulden ten laste van haar eigen vier pondematen land. Ook laat zij na voor een (de?) kerk of patroon te Westhem zes pondematen, liggende op Aldemer, in de bezittingen van Siert Gaijtija, die hij zijn gelichte (?) zoon gegeven had; deze zal men verkopen als men de kerk gaat vertimmeren en niet eerder.

Dit zal bewaren en besturen Meester Dirk te Bolsward en heer Willem, vikaris aldaar, en Lolle Ockinga. En zij wil niet dat Hessel hierop inbreuk zal maken! Mocht het zo zijn dat Hessel of zijn pastoor, of iemand anders van zijn kant, hier iets op aanmerkt of iets tegen doet, dan zullen de voogden van Oldehove het land verkopen en gebruiken voor timmerwerk aan de Martinikerk en ook de twee pondematen waarover hierna geschreven staat.


Ook laat zij voor het pastoorschap te Westhem twee pondematen land na, liggende en op voorwaarde zoals boven genoemd is. Ook voor de patroon te Nijland en de pastoors aldaar een pondemaat land, liggende op Aldemer als boven genoemd is. Ook laat zij na de huur van drie pondematen liggende aldaar, behorende te Menaldum. En voor het geval dat Homme hier niets tegen doet maar wel de huur van al deze landen voorn. volgens het voorschrift van genoemde meester Dirk, heer Willem en Lolle Ockingha rustig laat opkomen, dan laat zij voor de kerk in Abbega een pondemaat in de bovengenoemde landerijen na met al de achterstallige renten die Homme heeft achtergehouden van het land voorn. waarmee zij het geweten van Homme belast. Maar anders wil zij niets voor de kerk voorn. nalaten.

Verder laat zij voor Remmert Epes twintig rijnsgulden na voor de studie, en daarbij wil zij meegerekend worden wat hem reeds is gegeven.



Ook voor het timmerwerk in het Gasthuis vier rijnsgulden.
Verder laat zij na voor de armen 56 rijnsgulden, deze in tien jaar te betalen; en dat wil zij aldus verdeeld hebben: elk jaar op Goede Vrijdag voor het Hospitaal-klooster te Sneek twee rijnsgulden; aan de arme mensen rond te delen in de kosterij aldaar één: en voor de aflating van de Broederen twee maal een rijnsgulden, ook aan de armen rond te delen. Zij wil dat meester Dirk, heer Wiltem en Lotte voorn. dit betalen uit de Wijbinga-goederen en uit de Jan Gerlinga-goederen voordat de (eerstgenoemde?) er de eeuwige renten van innen zal want dit is voor zijn voorgeschreven boetedoening te Mechelen. Bovendien laat zij voor de armen honderd paar schoenen en zestien klinkaarden voor linnengoed na waaraan het meest behoefte is. Verder laat zij na voor elke kerk in Wijmbritseradeel twee vlaamsen: een voor de kerk en een voor de pastoor.
Voorts gelast zij voor de zaligheid van haar ziel en de zielen van vader en moeder en haar kinderen en al diegene die haar na staan, en voor alle duistere zaken die zijn vergeten en niet opgehelderd, een leen in de kerk van Sint Maarten te Bolsward, ter ere van God en van Sint Nicolaas en van Sint Johannes de Doper; zij geeft aan het leen de Wijbenga-boerderij te Nijland, zo groot als deze nu is en de pachter haar gebruikt, alsook het huis waar deze in woont en tevens vier pondematen op Englamieden; daarenboven laat zij hiervoor een misgewaad met een kelk van dertig lood zilver na. De eerste priester van het leen, zo wil zij, zal zijn meester Dirk die over de boerderij beschikt; als hij tenminste wil en ertoe in staat is. Vervolgens zullen voor het leen de drie hoofdpriesters te Bolsward altijd vrij hun keuze maken, wie zij ook willen kiezen; zonder dat het stadsbestuur of iemand anders iets hierover heeft te zeggen. En altijd moeten zij een priester kiezen van haar bloed zo lang er een voorhanden is. In het andere geval mogen zij kiezen wie zij willen, op de wijze gezegd gelijk is.
Verder maakt zij Ebela, (de vrouw van Bocka Innes) 1), tot enige erfgenaam van de navolgende goederen, namelijk die tot de Gerlinga-goederen behoren; ook van de helft van alle goederen die zij heeft liggen aan de Hemdijk. Hiervan geniet Inna voorn. het recht van (legatering: aan de kerk of anderszins, als liefdegave of anders), zoals is voorgeschreven. De andere helft laat zij voor al haar zusterskinderen tezamen na en voor Douwe Hidda's kinderen evenzeer; dit met elkaar te verdelen op zodanige voorwaarde: indien zij helpen Inne en Ebel zijn vrouw het hunne te verkrijgen aan de Hemdijk. Maar wie hen niet helpt, die zal zijn deel verspeeld hebben ten gunste van degene die (hen) helpt. Verder Iaat zij hierboven voor Dijwrk Homma na vier pondematen van het Gerlingagoed indien hij tenminste Haring de zes pondematen niet verkocht heeft; heeft hij dit wel gedaan dan wil zij hem niets meer geven. Verder Iaat zij voor Doede Alberts na een pondemaat aldaar. Ook voor Epe Hiddema één aldaar en voor Hidda en haar kinderen eveneens daar één, (gesteld dat zij ook in het testament van hun vader voorkomen).
Verder laat zij voor Hidda haar grijze mantel na en eveneens de voering; als Hessel haar de voering afstaat. Ook zal heer Harich de spang hebben als heer Harich (zich eraan houdt de waarde, hiervan, 20 postulaten, te geven). En is het dat Jetske Hiddesdochter, zijn vrouw, niets meer krijgt van haar kleding, dan laat zij voor Jetske haar nieuwe rok na.
Ook laat zij voor de armste broeder in het klooster uit haar verdeelde goederen een bed na om daarop te slapen; en als de broeder (weggaat) dan zal de priester van haar leen dat bed weer naar zijn huis halen tot er later een andere arme broeder om komt. Ook laat zij een bed na om Gods wil. 2) Ook laat zij voor Gautien, Doeke-dochter, zes pondematen land na in het Gerlinga-goed alsook haar blauwe riem en een blauwe geldzak en een paar blauwe kleren met de schoten, en een bed met wat erbij hoort en een gevoerde deken; tevens een goed linnen laken dat Inna moet geven. En vier paar slagen staan nog aan haar rode weefgetouw welke Inne met de raad van deskundige lieden moet opmaken; voor dit meisje moeten meester Dirk te Bolsward zorgen alsook Lolle Ockingha en Hessen, zijn vrouw.
Verder laat zij voor Gautie na een stoel en een bank met kussens en haar jak en haar linnengoed (?). Ook laat zij voor Sjouk, de dochter van Oege, een kleie zilveren riem van tien loden na; en aan Sjoecke, haar zuster, een gouden ring. Ook laat zij voor een arme vrouw te Staveren een klinkaard na.
Deze laatste wil, wil Bauck, moet voortgang hebben en er moet aan worden vastgehouden volgens hare artikelen; zij wil dat deze laatste wil de geldigheid heeft van een testament of een kodicil of laatste wil, in alle manieren als best en goed mag zijn, volgens het recht, zowel geestelijk als werelds. En voor het geval dat zij een ander testament hierna maakt, dan wil zij dat dit testament evenzeer geldig is en dat andere niet of het moest zijn dat in dat andere testament iets van dit herroepen wordt... van het testament. Voor het geval dat iemand inbreuk wilde maken op dit testament en niet nakomen wat er in geschreven staat die zal verbeurd hebben en verbeuren al de baten, giften en rechten die hem toegeschreven zijn in dit tegenwoordige testament.
Hier zijn bij aanwezig geweest meester Dirck als testamenteur, pastoor te Bolsward, Hendericus en heer Willem, vicarius aldaar, Sippa Tijercx, raadsman Douwe Auckes en Anne Pijters, schepenen te Bolsward, - geroepen en verzocht a1s getuigen. En wij, Teodorus Hendricus en Wilhelmus, Sippa, Douwe en Anne (hebben tot een getuigenis van de waarheid van het bovenstaande) onze zegelen aan deze brief gehangen op verzoek van Bauwk, in het jaar Onzes Heren en op de dag als hiervoor genoemd is.
1) waarschijnlijk: Inne Bockes

2) i.e om vrij te gebruiken
1 pondemaat = 36,75 are

1 are = 100 mtr2


commentaar in het boek DE VIER BOLSWARDER LENEN,
pag 19 - 21

b)Instelling



'...item voort om haer ziel sillgheidt ende voor Faer ende moeder ende haere kijnderen ende alle haere frijeine zielen ende voor alle tuestere secken die verietten sijn ende naet forklaert, so ordonneert hya een pronda in Sinte Martens Tzercke tot Bolswardt thij Godes Eere...'1).
In het Nederlands van deze tijd komt de ontroerende tekst erop neer, dat de vrouw die haar testament maakt, nl. Bauck Hessels wijff, terwille van de zaligheid van haar ziel en voor vader en moeder en haar kinderen en al haar vrienden, en voor alle duistere zaken die vergeten zijn en niet verklaard, een leen wil instellen in de kerk van Sint Maarten te Bolsward ter ere Gods. De tekst dateert van 1452 en vormt een onderdeel van het testament van Bauck Hessels wijff waarbij deze naast vele andere zaken, de instelling regelt van een prebende in de kerk van St. Maarten, de bekende en in de gehele wijde, vlakke omtrek van Bolsward door onder andere de stijlvolle, rijzige toren overal herkende Martinikerk, ook door konkoersen van orgelspel en koormanifestaties vermaard in de hele provincie Friesland en ver daarbuiten.
In deze kerk nu wordt een prebende ingesteld, waaruit het Wijbengaleen ontstaat. De vraag rijst: wat is een prebende? Aanduiding als prebende, net zoals die van 'leen' zijn in de hier bedoelde betekenis thans nauwelijks meer bekend, zodat een korte uitleg van de in de leenwereld gebruikte terminologie niet overbodig lijkt. Een prebende of pronda was hetzelfde als een zg. beneficium. Voor beoefenaars van de geschiedenis van de middeleeuwen is het woord beneficium bekend genoeg maar, om het ietwat moeilijk te maken, die bijzondere middeleeuwse betekenis heeft het woord hierjuist niet. In de meest gebruikte betekenis duidt beneficium een gebied lands aan waarmee een middeleeuwse vorst als leenheer een edelman beleende, d.w.z. deze kreeg dat gebied gedurende zijn leven in leen van de vorst die hem tevens bescherming verleende; de leenman moest op zijn beurt de leenheer trouw beloven en hem steunen met soldaten als de leenheer in oorlog geraakte. Zoals gezegd, de leenrnan kreeg het land in leen: hij mocht de vruchtopbrengst genieten, maar moest het land bij zijn dood weer aan de vorst afstaan die er dan een ander mee kon be-lenen. In dit, als ook in ons hedendaagse woord uit-lenen, valt de oorspronkelijke betekenis van 'in leen geven' nog terug te vinden. Bij het woord ver-lenen is dit niet meer het geval.
Friesland echter, dat tot 1498 niet hij een vorstendom behoorde of een centraal gezag bezat en tot aan die tijd toe van de bekende Friese vrijheid genoot, heeft het leenstelsel in de middeleeuwen niet gekend. Er bestond wel een andere vorm van 'lenen' en 'belenen', die weer in de overige gewesten niet of minder bekend was, namelijk de belening van geestelijken. Dezen krijgen dan een bepaalde boerderij, zoals in het juist genoemde geval, bepaalde losse landerijen of andere bronnen van inkomsten voor de tijd van hun leven in leen, met de verplichting hiervoor zielemissen te lezen voor de overledene(n). Komt de met name aangewezen priester te overlijden, dan vervalt het leen en dienen eveneens in het testament aangewezen funktionarissen en/of familieleden, de zg. collatoren, een andere geestelijke aan te wijzen om de vereiste zielemissen te lezen. De opbrengst van de hiervoor als het ware apart gezette hoeve of landerijen, vervalt vervolgens aan de door de collatoren nieuw benoemde geestelijke. Naar duidelijk zal zijn, was de regeling bedoeld om altoos durend ofwel eeuwig te zijn. Kennelijk had de middeleeuwse mens daar meer vertrouwen in dan de moderne; het vertrouwen van de eerste is overigens vaak erg - en ergerlijk - beschaamd.
Wat het zeldzame van deze Friese lenen betreft, W. Eekhoff vermeldt in zijn genoemde werk naar aanleiding van:
Mr. W.B.S. Boeles: Geestelijke goederen in de provincie Groningen, van de vroegste tijden tot heden:
'Hoogst opmerkelijk is het inderdaad, dat er tusschen deze twee aan elkander gelegen landstreken van gelijke afkomst, ook in het kerkelijk zoo groot verschil bestond, dat deze schrijver van al de bl. 25 door hem vermelde Prebenden, "dikwijls ook leenen genoemd", doch doorgaans Manualen geheeten, geen enkele vermeldt, die de stichting van een bijzonder altaar met een eigen priester ten doel had Allen schijnen daar bestaan te hebben uit schenkingen ten voordeele van den tijdelijken pastoor, of tot verbetering van zijn inkomen:

terwijl slechts enkele voorbeelden bewijzen, dat sommige prebenden geheel of gedeeltelijk aan jongelieden gegeven zijn, om hen in staat te stellen tot het bezoeken van buitenlandsche hoogescholen'. 2)


Vermeldt het testament van Bauck Hessels wijff op de weergegeven wijze de achtergrond van de instelling van de prove, prebende of leen, ook de bronnen van de gelden die tot betaling van de geestelijke dienen - oa. de opbrengst van de boerderij te Nijland waarop thans Klaas Kramer woont (1979) - worden opgesomd. Minder duidelijk is evenwel het waartoe van de instelling en de konkrete opdracht aan de beneficiant, dat wil zeggen: degene die met de vruchtgebruik van genoemde goederen wordt begiftigd. Deze wordt althans in het testament niet met zoveel woorden genoemd: gezien overeenkomstige gevallen mag men echter gevoegelijk aannemen dat de aangewezen, alsmede de later zo mogelijk uit de familie van de stichtster aan te wijzen priesters zielemissen moeten lezen voor degene die het leen heeft ingesteld. wanneer deze is overleden.
pag. 36 en (deels) 37
Wat hier ook van zij in elk geval zal Friesland in het begin van het jaar 1530) na godsdienstige beroeringen en veranderingen reeds sinds ca. 1580 van eredienst veranderen: het Calvinisme wordt dan de heersende, want officiele kerk. 31 Maart van dit jaar komen de gewestelijke staten met hun bekende resolutie 'opt stuck van de beneficie resignatien, nieuwe electien ende distributie van den leenen guederen in Vrieslandt'. 17) Deze zal het leengebeuren voor de komende eeuwen formeel bepalen. Artikel I gelast dat ‘alle priesters ende andere geestelicke personen, zo mans als vrouwen persoonen, sullen affhouden van alle Pauselycke gewoentlycke ceremonien, diensten ende oock haere predicatien, zoe well int heymelick als int openbaer, by verbeurte van haren pensioen, ende voorts arbitralicken gecorrigeert te worden'
Elke 'pauselijke' aktiviteit derhalve, zowel openbaar als heimelijk, is in het vervolg verboden. De rest vloeit uit deze bepaling voort. Uit de titel blijkt dat alle 24 artikelen van de resolutie over de lenen handelen, maar het zou te ver voeren, ook al zijn ze van belang, ze hier alle te citeren. Vooral van betekenis is artikel 8 volgens welk ‘die profyten ende opcompsten van die voorsz. leenguederen sullen worden geconverteert ende gekeert tot onderhoudinge van eerlicke ende degelicke predicanten, schoelmeesters ende alimentatien ende onderhoudenisse van den nootdrufftigen, ende ad alias pias causas, sonder dat die selvige in privatum ende secularem usum sullen worden gedistribueert'. Artikel 12 gelast hen die het recht van collatie hebben, dit te gebruiken 'ten fine voorscreven'; bij de laatste woorden - het voorgeschreven doel - dient men te denken aan het in artikel 8 gestelde nl. dat de leengoederen ter beschikking van de geestelijke overheid blijven, die ze dient te benutten voor de 'onderhoudinge van eerlicke ende degelicke' predikanten of schoolmeesters en voor het onderhoud van de nooddruftigen en andere voor de godsdienst van belang zijnde zaken. Uitdrukkelijk wordt verboden - naar zal blijken niet ten onrechte of ten overvloede - de opbrengsten ten dienste te stellen van persoonlijke en wereldse doeleinden. Artikel 13 verzacht enigermate de bepaling van artikel 2 dat alle beneficies enz. dadelijk ingetrokken moeten worden 'ende toe nyete' gedaan. Omtrent de lenen namelijk die ter begeving staan van bijzondere personen, bepaalt artikel 13: 'Dat zoe verre eenige priesters, possiderende leenen ex iure patronatus, by believen van zyn rechte collecteurs 18), moegen in haere possessie gecontinueert worden mits dat die selvige in alles sullen opholden van hun Pauselicke diensten; accomoderende nochthans tot tgemeene best, zoe nyet als Gereformeerde predicanten, ten minsten hearen immers als schoelmeysters, dorch hun selven ofte yemant anders, naedemaet nyet en betaemt die eeleëmosien in alles vergeeffs te gebruicken ende te genieten'.

Het komt erop neer dat de priesters die een leen als hier bedoeld bezitten de opbrengsten ervan mogen blijven genieten, mits zij ophouden met de Rooms-Katholieke gebruiken van mislezen e.d. en overgaan tot de staat van Calvinistisch predikant of tot die van schoolmeester - zijzelf of iemand anders aan wie zij de inkomsten overdragen - aangezien het nu eenmaal 'niet betaempt die eeleëmosien in alles vergeeffs te gebruicken ende te genieten'.


Namenslijst van gerechtigden (afstammelingen) uit 1838:
Ult de 12 1/2 pagina's tellende namenslijst van gerechtigden (afstammelingen) uit 1838 wordt vermeld op pag 111:
Wijbinga Hantummer-uitburen:

v Andries Jans Jan 14j.

Frans

Aaltje

Jippe

Geertje

Eelkje



Wijbinga Hantummer~uitburen:

Minne Jans 36j.
Het is via Geertje Andries Wijbenga dat de Damstra's nakomeling zijn van Bauck Hessels huisvrouw en als zodanig gerechtigd tot het Wijbengaleen. Zie uit mijn stamboom:
-----------------------------------------------------------------------------------------
GENERATIE V: * EDDE (GEERTS) DAMSTRA *.
Geboren 11-9-1832, s'nachts om 1 uur te Hantum, overleden te Wetzens. Hij trouwde met:
GEERTJE ANDRIES WIJBENGA, geboren 8-4-1835 te Hantum, overleden 23-4-1912 te

Wetzens, dochter van Andries Wijbenga, overleden te Hantum en Trijntje Fransens van der

Dorst, overleden te Wetzens.
Hun kinderen waren:

Eelkje : geboren en overleden te Wetzens, kinderloos.


Geert : geboren 26-12-1857 te Wetzens, overleden te Enschede.

Nakomelingen: Jan, Edde, Trijntje plus nog 2 dochters.


Trijntje : geboren 1-9-1859 te Wetzens, overleden te Wetzens,

gehuwd met Sieger Braaksma, kinderloos.


ANDRIES : Generatie VI.

geboren 2-11-1862 te Wetzens, overleden 26-5-1947 te Veenwouden,


Rinze : geboren 25-1-1867 te Wetzens, overleden te Murmurwoude

vermoedelijk kinderloos.


Grietje : geboren 21-5-1876 te Wetzens, overleden te Niawier,

gehuwd met Gosse Braaksma, 3 kinderen.


-----------------------------------------------------------------------------------------





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina