Vervangingswoorden



Dovnload 31.89 Kb.
Datum27.08.2016
Grootte31.89 Kb.
VERVANGINGSWOORDEN
Wanneer de personen of dingen waar het over gaat duidelijk zijn uit de context van een gesprek of tekst gebruiken we geen volledige omschrijvingen maar vervangingswoorden. Traditioneel wordt er een onderscheid gemaakt tussen voornaamwoorden, voornaamwoordelijke bijwoorden en bijwoorden.


  1. Voornaamwoorden

Voornaamwoorden worden gebruikt ter vervanging van een nominale constituent die als onafhankelijk zinsdeel functioneert.

Jan leest het boek.

Hij leest het.

    1. Persoonlijke voornaamwoorden

Naar de spreker en de aangesprokene of de groep waartoe ze behoren wordt altijd met een voornaamwoord verwezen, respectievelijk die van de eerste en de tweede persoon. Zij zijn immers altijd contextueel gegeven.

Als ze onderwerp zijn van de zin hebben ze de volgende vormen:

Enkelvoud: 1ste persoon: Ik kom morgen.

2de persoon: Jij hebt me dat zelf verteld (met nadruk)

Je hebt me dat verteld. (zonder nadruk)

Gisteren heb je me dat verteld.

Meervoud: 1ste persoon: Wij gaan dat probleem oplossen. (met nadruk)



We gaan naar zee. (zonder nadruk)

Morgen gaan we naar zee.

2de persoon: Jullie gaan naar zee.

Als ze geen onderwerp zijn hebben ze de volgende vormen/

Enkelvoud: 1ste persoon: Je moet het me geven.



Aan mij hoef je dat niet wijs te maken. (met nadruk)

2de persoon: Ik had het je toch gezegd.

Meervoud: 1ste persoon: Ze hadden ons niet verwittigd.



2de persoon: Ze hebben jullie beet genomen.

Naar personen die niet deelnemen aan het gesprek en voorwerpen of abstracta wordt verwezen met de pronomina van de derde persoon. Als ze onderwerp zijn van de zin hebben ze de volgende vormen:

Personen:

Enkelvoud: vrouwen: Zij komt morgen (met nadruk)



Ze komt morgen. (zonder nadruk)

Morgen komt ze.

Mannen: Hij komt morgen.

Morgen komt hij. (uitspraak ‘ie’)

Meervoud: Zij komen morgen. (met nadruk)

Ze komen morgen.

Morgen komen ze.

Niet personen:

Enkelvoud: DE-woorden: De koffer zat zo vol dat hij niet dicht kon.



HET-woorden: Het raam zat klemvast. Het kon niet meer open.

Meervoud: De ramen stonden allemaal open. Ze lieten de wind binnen.




Opmerking

Nederlanders maken doorgaans geen onderscheid meer tussen mannelijke en vrouwelijke DE-woorden. Ze zeggen dus van de deur dat hij open staat, van de regering dat hij gevallen is of zelfs van de koe dat hij melk geeft.

Vlamingen maken dat ondrscheid wel en zeggen dus van de deur dat ze open staat, van de regering dat ze gevallen is, en zeer zeker van de koe dat ze melk geeft. Dat gebruik varieert echter sterk alnaargelang je te maken hebt met een Vlaming, een Brabander of een Limburger.

Er bestaat een officiële lijst die bepaalt of DE-woorden mannelijk of vrouwelijk zijn. Ze stemt echter niet overeen met het reële taalgebruik.

Een middel om aan de moeilijkheid te onstsnappen is het gebruik van het aanwijzend voornaamwoord die in de eerste positie van de zin.

Als ze geen onderwerp zijn van de zin hebben ze de volgende vormen:

Personen:

Enkelvoud: Vrouwen: Ik heb het haar verteld. (uitspraak ‘r’ zonder nadruk)



Ik heb het ze verteld.

Aan haar hoef je dat niet te vertellen.

Mannen: Ik heb het hem verteld. (uitspraak ‘m’ zonder nadruk)



Aan hem hoef je dat niet te vertellen;

Meervoud; Ik heb het hen verteld.



Ik heb het ze verteld (zonder nadruk)

Aan hen hoef je dat niet te vertellen.

Niet personen:

Enkelvoud: DE-woorden: De koffer zat zo vol dat ik hem niet dicht kreeg. (uitspraak ‘m’)

HET-woorden: Het raam zat zo vast dat ik het niet open kreeg.

(uitspraak ‘t’)


Het gebruik van ‘haar’ voor vrouwelijke DE-woorden is ook voor Belgische Nederlandstaligen hoogst ongebruikelijk. Meestal wordt ‘ze’ gebruikt.

Meervoud: De deuren en de ramen zaten klem, niemand kreeg ze open.


1.2. Aanwijzende voornaamwoorden

Voornaamwoorden die kunnen gebruikt worden om naar personen (met uitzindering van de spreker en toehoorders) of zaken die daadwerkelijk aanwezig zijn in de context worden aanwijzende voornaamwoorden genoemd. Zij worden echter hoofdzakelijk als gewone voornaamwoorden gebruikt en verwijzen dan naar personen, zaken of begrippen die uit de voorafgande tekst of dialoog zijn gegeven.

Voor personen en zaken die met een DE-woord worden aangeduid:

Die man, die heb ik gisteren nog gesproken

Die koffer, die weegt veel te zwaar.

Die man, ik heb die gisteren nog gesproken.

Die koffer, ik krijg die maar niet dicht.

Voor zaken of begrippen die met een HET-woord worden aangeduid:



Dat mes, dat snijdt niet zo best meer.

Het idee dat men mensen zomaar kan folteren, ik heb dat nooit aanvaaard.

In het meervoud in alle gevallen:



Studenten, die kun je meestal vertrouwen.

Die messen, die kun je beter vervangen.

Die gedichten, ik heb die nooit uit het hoofd kunnen leren.


Opmerking

In het taalgebruik van heel wat Nederlanders functioneren die en dat de facto als algemene voornaamwoorden voor de derde persoon, vooral in aanvangspositie. Na het vervoegde werkwoord functioneren ze als de beklemtoonde variant van de persoonlijke voornaamwoorden.


Naast die en dat kent het Nederlands ook nog de aanwijzende voornaamwoorden deze en dit. Traditioneel wordt gesteld dat deze laatste twee gebruikt worden om te verwijzen naaar personen of zaken in de nabijheid en de eerste twee naar personen of zaken verderaf. Vaak gaatr het echter alleen maar om het creëren van een kontrast:



Wil je die koekjes?

Nee, ik heb liever deze.

Wil je dat gebak?

Nee, ik heb liever dit?

Dit geldt ook bij zuiver voornaamwoordelijk gebruik.


2. Voornaamwoordelijke bijwoorden

Om te verwijzen naar nominale constituenten die niet-personen aanduiden gebruikt het Nederlands daar of er in combinatie met het voorzetsel. Oorspronkelijk zijn die woorden bijwoorden van plaats (zie infra), vandaar de traditionele benaming ‘voornaamwoordelijke bijwoorden’. ‘Daar” wordt gebruikt in aanvangspositie of met nadruk. Het voorzetsel kan worden verbonden met ‘daar’of het komt aan het begin van de werkwoordelijke eindgroep.



Daarover moeten we nog spreken.

Daar moeten we nog over spreken.

We moeten daar nog over spreken.

We moeten er nog over spreken.

In deze constructie veranderen de voorzetsels ‘met’ en ‘tot’ resepctievelijk in ‘mee’ en ‘toe’.



Daar speel je niet mee.

Hij wilde zich er niet toe lenen.


Opmerking

Voor personen wordt gebruik gemaakt van de voornaamwoorden van de derde persoon.



Met hem valt niet te praten.

Met haar valt niet te praten.

Het gebruik van ‘daar’ heeft een negatieve bijklank



Dat mens, daar valt niet mee te praten.




  1. Bijwoorden

De bijwoorden van plaats en tijd functioneren in feite op deelfde manier als voornaamwoorden en worden daarom samen met hen behandeld.

    1. Bijwoorden van plaats

Het Nederlands kent de volgende bepaalde bijwoorden van plaats:

ER

HIER

DAAR

‘Er’ is de gewone onbeklemtoonde vorm:

Ik dacht dat mijn sleutels op tafel lagen maar ze liggen er niet.

‘Hier’ verwijst naar de plaats waar de spreker zich bevindt:



Hier liggen mijn sleutels in elk geval niet.

‘Daar verwijst met nadruk naar om het even welke bekende plaats.



Ik dacht dat mijn sleutels op tagel lagen maar daar liggen ze niet.

Opmerking

Als je op de afwezigheid van een collega wil wijzen is het dus fout om te zeggen ‘Hij is niet daar’. Juist is ‘Hij is niet hier’. Het meest gebruikelijke is echter om te zeggen ‘Hij is er niet



Daarnaast bestaat er ook een onbepaald bijwoord van plaats ‘ergens’ met een negative vorm ‘nergens’.

Ik zoek nu al urenlang naar mijn sleutels maar ik kan ze nergens vinden. Ik moet ze toch ergens hebben neergelegd.


    1. Bijwoorden van tijd.

Het Nederlands kent één algemeen bepaald bijwoord van tijd dat kan worden gebruikt om naar om het even welk bekend moment op de tijdsas te verwijzen: ‘dan’.



En ‘s avonds, dan gingen we nog even zwemmen.

Morgen, na het ontbijt, dan gaan we zwemmen.
Het onbepaalde equivalent is ‘ooit’, met zijn negatieve variant ‘nooit’

Ik heb dat ooit moeten studeren, maar ik heb het nooit begrepen.
Naar opeenvolgende momenten op de tijdsas wordt verwezen met ‘eerst’, ‘daarna’, ‘tenslotte’ of ‘uiteindelijk’.

eerst daarna tenslotte

uiteindelijk
Eerst ontbijten we, daarna gaan we zwemmen en tenslotte doen we de boodschappen.

Uiteindelijk ga je altijd slapen.

Ter afwisseling kan ook ‘dan’ worden gebruikt binnen een dergelijke opeenvolging.



Eerst ontbijten we, dan gaan we zwemmen, daarna doen we de boodschappen en tenslotte drinken we een aperitief op een terasje

‘Later’ verwijst naar een moment of periode die volgt



Eerst gebruikten de mensen hout om zich te verwarmen en later werd steenkool gebruikt.

Later zullen er mensen wonen op Mars.

‘Nu verwijst naar het moment van spreken en ‘toen’ naar om het even welk moment of periode in het verleden.






toen nu


Toen reden de mensen nog met paard en kar.

Nu kan je overal met de auto naartoe.
Voor een moment dat onmiddellijk voorafgaart wordt ‘net’of ‘daarnet’ gebruikt.

Ik heb dat net gelezen.

Ik heb hem daarnet nog gesproken.

Het bijwoord ‘pas’ heeft de waarde ‘nog maar net’



Ik heb dat boek pas uit.

Voor eem moment in de heel nabije toekomst wordt ‘straks’ gebruikt.



Straks gaan we een biertje drinken.

Tot straks!


Opmerking

In Vaanderen hoor je heel vaak de combinatie ‘daarstraks’ met dezelfde betekenis als ‘daarnet’. Hoewel het in feite om een wancombinatie gaat is het gebruik ervan helemaal ingeburgerd in het Zuidnerderlands.






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina