Verwerkingsopdrachten Cliënt en omgeving; saw 3 & 4



Dovnload 25.04 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte25.04 Kb.

Verwerkingsopdrachten

Cliënt en omgeving; saw 3 & 4

ISBN 97890 8524 0815



Thema 9 Mensen met een beperking


Opwarmen en oriënteren
Opdracht 1
Het doel van deze opdracht is dat je je voorkennis over opfrist.
Beantwoord de volgende vragen naar eigen inzicht:


  1. Heb je in je directe omgeving te maken met mensen met een beperking?

  2. Zo ja, welke invloed heeft die beperking op het leven van diegene?

  3. Zo nee, kun je je er een voorstelling van maken wat het betekent voor iemand met een beperking om bijvoorbeeld niet te kunnen zien of horen?

  4. Wat vind je van de plaats die mensen met een beperking in de samenleving hebben, of krijgen toebedeeld?

  5. Wat zouden mensen met een beperking liever willen, denk je: in een groot zorgcentrum met allemaal andere mensen met een beperking wonen, in een kleine woonvorm (bijvoorbeeld een huis in een straat met andere mensen met een beperking) of zelfstandig? En waarom?

  6. Hoe zou je er tegenover staan om met mensen met een beperking te gaan werken? Wat zijn pluspunten en wat zijn minpunten?

  7. Wat vind je ervan dat kinderen met het Downsyndroom steeds vaker naar een gewone basisschool gaan? Wat zijn pluspunten en wat zijn minpunten?




Herkennen en onderscheiden
Opdracht 2
Het doel van deze opdracht is dat je de juiste betekenis van de begrippen uit dit thema kent.
Geef de juiste betekenis van de volgende begrippen door:



  1. Handicap

  2. Beperking

  3. Stoornis

  4. Participatie

  5. Motorische beperking

  6. Neurologische beperking

  7. Orgaanbeperking

  8. Zintuiglijke beperking

  9. Tijdelijke aandoening

  10. Aandoening met progressief verloop

  11. Aandoening met recidiverend verloop

  12. Chronische aandoening

  13. Aangeboren aandoening

  14. niet-aangeboren of verworven aandoening

  15. Prénatale oorzaak

  16. Perinatale oorzaak

  17. Postnatale oorzaak

  18. Interne oorzaak

  19. Externe oorzaak

  20. Verstandelijke beperking

  21. Lichte verstandelijke beperking

  22. Matige verstandelijke beperking

  23. Ernstige verstandelijke beperking

  24. Meervoudige beperking

  25. Hulpvraag

  26. Fasen verliesverwerkingsproces




Begrijpen en toepassen
Opdracht 3
Lees 9.2 en beantwoord de volgende vragen.


  1. Geef voor elke stoornis aan op welk gebied (genoemd onder de sheet achter de bolletjes) deze zich voordoet.

Downsyndroom:

Blindheid:

Spierziekte:

Stotteren:

Hartkwaal:

Verlamde benen:



  1. Tot welke participatieproblemen kúnnen de hierboven genoemde stoornissen bijvoorbeeld leiden? Noem er per stoornis 2 á 3.



Opdracht 4
Lees 9.3.1 en onderstaande cases en beantwoord de vragen per case.
Case

Mevrouw van Hoof loopt met een rollator. Zij moet uitkijken dat ze niet valt, want zij heeft dan een grote kans haar botten te breken.



  1. Heeft mevrouw van Hoof een motorische, neurologische, zintuiglijke of orgaanbeperking?

Case


Meneer Driessen heeft altijd een puffertje op zak want hij krijgt het vaak benauwd en kan dan niet goed meer ademen.

  1. Heeft meneer Driessen een motorische, neurologische, zintuiglijke of orgaanbeperking?

Case


De leidsters van kinderdagverblijf Duimelot hebben instructies gekregen hoe zij om moeten gaan met Julia als die een epileptische aanval krijgt waardoor zij valt.

  1. Heeft Julia een motorische, neurologische, zintuiglijke of orgaanbeperking?




  1. Is de aandoening van mevrouw van Hoof tijdelijk, progressief, recidiverend of chronisch?

  2. Is de aandoening van meneer Driessen tijdelijk, progressief, recidiverend of chronisch?

  3. Is de aandoening van Julia tijdelijk, progressief, recidiverend of chronisch?


Opdracht 5
Bekijk de hulpvragen in 9.4 en bedenk zelf nog meer mogelijke hulpvragen op de verschillende gebieden en/of concrete voorbeelden:

  1. Zelfredzaamheid en zelfstandigheid:

  2. Sociale redzaamheid, sociale contacten:

  3. Wonen:

  4. Werken

  5. Vrijetijdsbesteding



Onderzoeken en oefenen


Opdracht 6
Het doel van deze opdracht is dat je niveaus en aspecten herkent in een praktijksituatie.
Lees de tekst in 9.5 over verliesverwerking en tip 6 en 7.

Deel de groep in groepjes van 3 in. Maak samen de volgende opdracht. Wijs een

woordvoerder aan die verslag doet in de groep.
Case

Joris heeft een dwarslaesie opgelopen bij het zwemmen. Hij zit in een rolstoel en is

opgenomen in een revalidatiecentrum. Een psycholoog en maatschappelijk werkster

hebben hem bij het verwerkingsproces begeleid. Hij werkt nu samen met jou en je

collega’s aan zijn revalidatieprogramma.
Situatie 1

Joris zit in de fase van onzekerheid. Hij is erg bang voor wat er allemaal gaat

gebeuren en over hoe zijn leven eruit zal gaan zien. Hij is erg gespannen en je voelt

de wanhoop doorklinken in zijn woorden: ‘Ook al weet ik nog niet wat ik later wel of

niet kan, ik weet wel dat het niet goed zit.’


  1. Hoe kun je daarop reageren? Speel eventueel even een kort rollenspelletje met elkaar: één is Joris, de ander is de begeleider.

Situatie 2

Joris is erg opgewekt. Hij kijkt alleen naar de positieve dingen. Hij wil niet denken

aan wat hij niet meer kan. Hij bagatelliseert wat er is gebeurd en denkt dat het wel

weer over zal gaan.


  1. In welke fase zou Joris kunnen zitten?

  2. Hoe zou je op hem kunnen reageren in deze fase?

Situatie 3



Joris kan het niet uitstaan dat juist hem dit moest overkomen. Hij is altijd erg voorzichtig geweest. Eén keer een foute inschatting en dan direct dit. Hij is boos en gefrustreerd en reageert dat op jou af. Hij vindt dat je niets goed doet en snauwt je af om niets.

  1. In welke fase zou Joris kunnen zitten?

  2. Hoe kun je reageren als hij weer eens boos en onredelijk is?



Verwerkingsopdrachten thema 9 Cliënt en Omgeving; saw 3 & 4 pagina
© Uitgeverij Angerenstein BV Velp





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina