Verwerkingsopdrachten Communicatie en Organisatie; saw 3 & 4



Dovnload 29.97 Kb.
Datum04.10.2016
Grootte29.97 Kb.

Verwerkingsopdrachten

Communicatie en Organisatie; saw 3 & 4

ISBN 97890 8524 1508

Thema 7 Intercultureel communiceren



Opwarmen en oriënteren
Opdracht 1
Het doel van deze opdracht is dat je voorkennis over intercultureel communiceren opfrist.
Beantwoord de volgende vragen naar eigen inzicht:


  1. Wat versta jij onder ‘communiceren’?

  2. Waar denk jij aan bij het begrip ‘cultuur’?

  3. Waaraan merk jij dat iemands manier van communiceren met zijn/haar cultuur te maken heeft?

  4. Heb je je weleens vergist in het juist interpreteren van iemands bedoeling? Hoe kwam dat? Had dat met cultuurverschil te maken?

  5. Waarom is het thema ‘intercultureel communiceren’ belangrijk voor saw’ers?

  6. Heb jij de afgelopen week te maken gehad met vooroordelen van de ander? Licht je antwoord toe.

  7. Heb jij de afgelopen week te maken gehad met vooroordelen van jezelf? Licht je antwoord toe.

  8. Wat vind je dat je kunt doen om zo goed mogelijk met mensen met een andere cultuur te communiceren?

  9. Vind je het interessant om je te verdiepen in andere culturen? Waaruit blijkt dat?

  10. Wat zou jij willen leren om beter intercultureel te kunnen communiceren? Licht je antwoord toe.





Herkennen en onderscheiden
Opdracht 2
Het doel van deze opdracht is dat je de juiste betekenis van de begrippen uit dit thema kent.
Geef de juiste betekenis van de volgende begrippen door:

  • het begrip in eigen woorden te formuleren;

  • een voorbeeld te geven waarbij je het begrip toepast.




  1. Taalgebruik

  2. Lichaamstaal

  3. Waarden

  4. Normen

  5. Vooronderstellingen

  6. Vooroordelen

  7. Vaardigheden interculturele communicatie





Begrijpen en toepassen
Opdracht 3
Lees het tintvlak over Latifa in paragraaf 7.2 en beantwoord de volgende vragen:

  1. Welke communicatiestoring is er hier?

  2. Is dit een interculturele communicatiestoring?

  3. Hoe had dit misverstand voorkomen kunnen worden?

Lees het tintvlak over Selam in paragraaf 7.2 en beantwoord de volgende vraag:



  1. Wat heeft deze situatie met cultuurbepaalde lichaamstaal te maken?

  2. Welke cultuurbepaalde lichaamstaal ken jij?

Lees het tintvlak over Lely in pargraaf 7.2 en beantwoord de volgende vragen.



  1. Welke cultuurbepaalde lichaamstaal herken je hier?

  2. Vind je dat Gerard goed reageert? Licht je antwoord toe.


Opdracht 4
Lees het tintvlak over Wilma, Achmed en Abdul in paragraaf 7.3 en beantwoord de volgende vragen:


  1. Welke waarden en normen van Wilma herken je hier?

  2. Welke waarden en normen van Achmed en Abduk herken je hier?

  3. Vind je het terecht dat Wilma aangifte doet?

  4. Kun je begrijpen dat Achmed en Abdulk verbaasd zijn over de aangifte?

  5. Stel je voor dat jij saw’er bent in een centrum voor begeleid wonen, zou je Wilma dan adviseren zich anders te kleden? Licht je antwoord toe.


Opdracht 5
Lees het schema met verschillen tussen westerse en niet-westerse culturen in paragraaf 7.3 en beantwoord de volgende vragen.


  1. Met welke cultuur voel je je het meest verwant? Licht je antwoord toe.

  2. Welke voor- en nadelen heeft het als je als saw’er met cliënten van dezelfde cultuur werkt?

  3. Welke voor- en nadelen heeft het als je als saw’er met cliënten van een hele andere cultuur werkt?


Onderzoeken en oefenen


Opdracht 6
Lees de zes tips in paragraaf 7.5 over de vaardigheden die je moet hebben om op je

werk goed te kunnen communiceren met mensen uit andere culturen.




  1. Beheers jij deze vaardigheden al voldoende? Licht je antwoord toe met

voorbeelden.

  1. Noem drie punten die jij kunt verbeteren in jouw communicatie met mensen

uit andere culturen.
Opdracht 7
Doel

Het doel van deze opdracht is dat je:

- met een probleemoplossend gesprek (zie ook thema 9 uit Communicatie en organisatie; saw 3 & 4) je inleeft in iemand van een andere cultuur;

- je realiseert hoe iemand van een andere cultuur kan reageren op een - voor die cultuur - ongewone situatie.


Werkwijze

- Lees de situatie en lees paragraaf 9.8.

- Vorm drietallen.

- Verdeel de rollen: A is leidinggevende, B is Fatima en C observeert het gesprek tussen A en B.

- Bedenk samen (met z'n drieën) wat voor soort gesprek het moet worden. Geef aan welke kennis-, houdings- en gedragsdoelen A met dit gesprek wil bereiken. Geef ook een motivatie waarom A juist die doelen moet bereiken.

- Geef aan wat er in de aanloop- en planningsfase besproken moet worden.

- Geef aan hoe de themafase moet verlopen.

- Beschrijf hoe dit gesprek moet eindigen.

- Voer dit gesprek.

- Bespreek het gesprek na met behulp van de nabesprekingsvragen en de observaties van C.


Situatie

A is leidinggevende op een kleine afdeling. Op een dag komt saw’er Fatima, die drie maanden geleden voor deze afdeling aangenomen is, niet opdagen. Niemand weet waarom ze er niet is. A belt naar haar huis maar de telefoon wordt niet opgenomen. De volgende dag is Fatima er weer gewoon. Natuurlijk vraagt iedereen waar ze was. Fatima zegt dat haar kleine broertje erg ziek was geworden; de huisarts vond een ziekenhuisopname noodzakelijk. Ze zijn toen met het hele gezin mee naar het ziekenhuis gegaan. Het broertje moest geopereerd worden en dus zijn ze gebleven om de operatie af te wachten. Toen het broertje weer bij kennis was en de artsen zeiden dat alles goed verlopen was en het broertje weer helemaal gezond zou worden, was iedereen erg blij. Het was toen echter al zo laat dat het voor Fatima geen zin meer had om nog naar haar werk te gaan; de dag was al bijna om.


In de Nederlandse cultuur is zomaar van het werk wegblijven hoogst ongebruikelijk. Het feit dat Fatima zich kennelijk van geen kwaad bewust is, geeft aan dat het voor Fatima gewoon was om niet op het werk te komen. Hier ligt dus een probleem voor de leidinggevende en de afdeling. De leidinggevende wil niet dat zoiets nog eens gebeurt en gaat hierover een gesprek voeren met Fatima.
Nabesprekingsvragen
35 Welke waarden en normen zag je bij A?

36 Welke waarden en normen zag je bij Fatima?

37 Heeft A beschreven wat het probleem is en voor wie en waarom het een probleem is?

38 Krijgt Fatima de gelegenheid uit te leggen wat haar kant van het verhaal is?

39 Heeft Fatima begrip voor het probleem van A? Waaruit bleek dat?

40 Zijn cultuurverschillen de oorzaak van het probleem? Waaruit bleek dat?

44 Zijn Fatima en A het met elkaar eens over het probleem? Waaruit bleek dat?

45 Werden er voorstellen voor een oplossing gedaan? Welke voorstellen? Door wie?

46 Wat kun je leren van deze oefening als het gaat om interculturele communicatie? Licht je antwoord toe.

Opdracht 8
Doel

Het doel van deze opdracht is dat je je eigen vooronderstellingen en vooroordelen leert onderkennen.


Werkwijze

- Vorm vijftallen

- Bespreek met elkaar de volgende vragen.
47 Is er verschil in betekenis en gevoelswaarde tussen de volgende uitspraken?

- 'Dat is een Brabander.'

- 'Dat is een Turk.'

- 'Typisch iets voor Belgen.'

- 'Typisch iets voor Surinamers.'
48 Ga met elkaar na wat je denkt bij de volgende beschrijvingen en of vooronderstellingen of vooroordelen de basis vormen voor die gedachten.

- Een niet-Nederlandse oudere vrouw met een lange jurk aan en een hoofddoek op.

- Een niet-Nederlands meisje van ongeveer zestien jaar met westerse kleding en een hoofddoek op.

- Een Turkse man die in de supermarkt bij de vakken met frisdrank staat en aan jou vraagt of je hem wilt vertellen in welke frisdrank geen suiker zit.



- Een Marokkaanse jongen staat bij een fiets en krijgt kennelijk het slot niet open.
49 Vind je dat bij criminaliteit de identiteit en de nationaliteit van de verdachten mag worden genoemd? Waarom wel/niet?
50 Wat doe je als je een collega hebt die vaak discriminerende opmerkingen maakt over bepaalde bevolkingsgroepen? Maakt het verschil of je zelf wel of niet tot zo'n bevolkingsgroep hoort?

Opdracht 9
Lees de zes tips aan het einde van thema 7.


  1. Maak een verslag van 2 à 3 pagina’s A4 waarin je per tip beschrijft waarom je het makkelijk of moeilijk vindt om deze tip uit te voeren / toe te passen.

  2. Laat je verslag aan medeleerlingen lezen en stel elkaar vragen over onduidelijkheden.




Verwerkingsopdrachten thema 7 Communicatie en Organisatie; saw 3 & 4 pagina
© Uitgeverij Angerenstein BV Velp




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina