Verzekeringsplicht en schadevergoeding brandweervrijwilligers



Dovnload 32.85 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte32.85 Kb.
Verzekeringsplicht en schadevergoeding brandweervrijwilligers

VNG-notitie mei 2010



Inleiding


Brandweervrijwilligers moeten hun werkzaamheden vaak onder uitzonderlijke omstandigheden verrichten, waarbij zij een meer dan gemiddelde kans op schade aan lijf en goed lopen. Dat is de reden dat in de rechtspositieregeling voor gemeenteambtenaren (CAR) is geregeld dat de werkgever ten behoeve van alle leden van het korps vrijwillige brandweer een ongevallenverzekering afsluit die bij (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid of overlijden als gevolg van een dienstongeval tot uitkering komt.

Verder is geregeld dat medische kosten die niet door de zorgverzekering worden gedekt en schade aan privé eigendommen door de werkgever (d.i. gemeente of veiligheidsregio) worden vergoed.

Deze rechtspositionele schadevergoedingsregelingen zullen niet in alle gevallen leiden tot een volledige vergoeding van de geleden schade; in deze gevallen kan het gebeuren dat zgn. ‘restschade’ voor rekening van de brandweervrijwilliger blijft. Dit is anders als een ander (bijvoorbeeld de gemeente in diens hoedanigheid van werkgever) schuld heeft aan het ontstaan van de schade en daarvoor aansprakelijk is. Indien dat het geval is, kan dat leiden tot een volledige vergoeding van de geleden schade. Beide grondslagen voor schadevergoeding kunnen naast elkaar bestaan en worden afzonderlijk getoetst.
In deze notitie zal nader worden ingegaan op de verschillende aspecten van verzekering en schadevergoeding in het geval van de brandweervrijwilliger. In paragraaf 1 zal als eerste worden ingegaan op de schadevergoeding op grond van de rechtspositieregeling zoals geregeld in hoofdstuk 19 van de CAR. Daarbij wordt met name ingegaan op de ongevallenverzekering die door de werkgever wordt afgesloten.

Paragraaf 2 gaat over de gevallen waarin (rest)schade mogelijk voor vergoeding in aanmerking komt op grond van aansprakelijkheid van de werkgever. Van belang zijn de factoren op grond waarvan tot aansprakelijkheid kan worden geconcludeerd.

In paragraaf 3 wordt ingegaan op de verschillen die er in geval van langdurende arbeidsongeschiktheid zijn tussen brandweervrijwilligers die een dienstverband bij een (hoofd)werkgever hebben en vrijwilligers die als zelfstandig ondernemer in hun levensonderhoud voorzien.

Tot slot zal in paragraaf 4 op hoofdlijnen worden geschetst wat de praktische gang van zaken is, als een brandweervrijwilliger tijdens zijn brandweeractiviteiten schade oploopt.


Voor de goede orde wordt benadrukt dat het navolgende uitsluitend betrekking heeft op situaties waarin de brandweervrijwilliger schade heeft geleden als gevolg van ongevallen tijdens (of direct verbandhoudend met) activiteiten van het korps vrijwillige brandweer.
Aan deze tekst kunnen geen rechten worden ontleend. Voor verzekerden is bepalend hetgeen in de verzekeringsvoorwaarden is opgenomen.

1. Schadevergoeding op grond van de rechtspositieregeling: Hoofdstuk 19 CAR

In artikel 19:25 CAR is geregeld dat de werkgever ten behoeve van de brandweervrijwilliger een ongevallenverzekering afsluit, die overeenkomstig de polisvoorwaarden uitkeert bij overlijden en bij tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval.

Verder is geregeld dat medische kosten die het gevolg zijn van een dienstongeval en die voor rekening komen van de vrijwilliger door de werkgever worden vergoed (art 19:26 CAR). Ook schade aan kleding, uitrusting en privé motorrijtuig, die het gevolg is van de door de brandweervrijwilliger verrichtte werkzaamheden, komen voor vergoeding door de werkgever in aanmerking (art 19:28 CAR).
Cruciaal bij genoemde CAR-bepalingen is het begrip ‘dienstongeval’. Alleen die schade komt voor vergoeding in aanmerking die het gevolg is van een dienstongeval.
Dienstongeval.

Om schade te kunnen claimen op grond van artikel 19:25 – 27 CAR, is vereist dat deze een causaal gevolg is van een dienstongeval, zoals omschreven in de polis van de ongevallenverzekering die ten behoeve van de brandweervrijwilligers is afgesloten. Daarbij is niet van belang of de werkgever tekort is geschoten in zijn zorgplicht voor veilige arbeidsomstandigheden (zie hieronder paragraaf 3) of op andere gronden een verwijt gemaakt kan worden met betrekking tot het ontstaan van letsel of ziekte.

Als de geleden schade het gevolg is van een dienstongeval en dit ook als zodanig door de werkgever wordt erkend, heeft de brandweervrijwilliger recht op schadevergoeding op grond van de CAR; en in het verlengde daarvan de ongevallenverzekering.
In de praktijk doen zich nog wel eens problemen voor bij het vaststellen van het causaal verband tussen ongeval en schade.

Zo is het in veel gevallen moeilijk om eenduidig vast te stellen of de geleden schade een rechtstreeks gevolg is van de werkzaamheden. Zijn de rugklachten het gevolg van de opgedragen werkzaamheden in een bepaalde situatie of had de betrokken brandweervrijwilliger al een zwakke rug. In deze gevallen is het ‘condicio sine qua non-beginsel’ (‘noodzakelijke voorwaarde’) leidend. Dat komt er op neer dat het verrichten van een bepaalde handeling of het zich voordoen van een bepaalde gebeurtenis, noodzakelijk is voor het ontstaan van de schade (materiële schade, letsel, overlijden, arbeidsongeschiktheid etc); zonder deze zou de schade niet zijn ontstaan.

In veel gevallen kan slechts na advies van een medicus worden vastgesteld dat er een (medisch) causaal verband is tussen het ongeval en de klachten of dat er sprake is van andere – buiten het werk als vrijwilliger gelegen - factoren.

Bij geschillen over dienstongevallen die resulteren in arbeidsongeschiktheid op psychische gronden, wordt door de rechter gekeken of er sprake was van zodanige abnormale of excessieve omstandigheden waaronder de werkzaamheden moesten worden verricht, dat verwacht moet worden dat deze ongeacht de persoon van de functionaris tot arbeidsongeschiktheid zal leiden.


Voor de goede orde wordt hier opgemerkt, dat het aanmerken van een ongeval als ‘dienstongeval’ niet zondermeer tot gevolg heeft dat de benadeelde brandweervrijwilliger zijn schade vergoed kan krijgen op grond van de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding (art. 6:95 – 110 BW). Daarvoor is behalve het causale verband tussen ongeval en schade ook nodig dat er sprake is van aansprakelijkheid als gevolg van een verwijtbare tekortkoming van een ander. Dit laatste zal in paragraaf 2 worden toegespitst op een tekortschieten in de zorgplicht van de werkgever.
Ongevallenverzekering.

De ongevallenverzekering die door de werkgever ten behoeve van de leden van het korps vrijwillige brandweer wordt afgesloten heeft het karakter van een zgn. ‘sommenverzekering’. Een dergelijke verzekering verleent dekking bij ongevallen in verband met activiteiten van de vrijwillige brandweer, inclusief het reizen naar- en het komen van de plaats waar de activiteiten plaats vinden. Schade als gevolg van opzet of grove schuld van de brandweervrijwilliger, is van vergoeding uitgesloten. Daarbij gaat het om verwijtbare gedragingen van de brandweervrijwilliger, waarbij deze bijvoorbeeld willens en wetens duidelijke veiligheidsregels heeft overtreden; dit komt in de praktijk vrijwel niet voor.

De schade die wordt gedekt is de schade van de betrokken vrijwilliger en diens nabestaanden, die het gevolg is van letsel, arbeidsongeschiktheid of overlijden.
De essentie van een sommenverzekering is, dat het gaat om verzekerde bedragen, die los staan van de feitelijk geleden - en nog te lijden - schade. Op het moment waarop de verzekering wordt afgesloten, staat vast welk geldbedrag (‘som’) de verzekeringsmaatschappij zal uitkeren als de verzekerde gebeurtenis (het ongeval en het daaruit volgende letsel) zich voordoet.
Gezien de aard van de verzekering en het feit dat de schuldvraag (aansprakelijkheid) voor het tot uitkering komen van de ongevallenverzekering niet aan de orde is, kan de brandweervrijwilliger er niet zondermeer vanuit gaan dat hij zijn schade volledig vergoed zal krijgen. Voorzover de verzekerde som niet toereikend is om de schade volledig te compenseren, komt de ‘restschade’ voor zijn rekening. Dit is alleen anders als met betrekking tot de geleden schade een ‘aansprakelijke partij’ kan worden aangewezen (zie hieronder).
Uitkeringen op grond van de ongevallenverzekering.

Als de verzekerde komt te overlijden, wordt aan de nabestaanden een bedrag ineens uitgekeerd dat van te voren bekend is. Daarnaast wordt aan de nabestaanden een jaarlijkse rente-uitkering uitgekeerd.


Bij (gedeeltelijke) tijdelijke arbeidsongeschiktheid wordt een daguitkering uitgekeerd die is gebaseerd op het maximum dagloon ziektewet, gedurende een periode van maximaal 3 jaar.
Bij blijvende invaliditeit (of verminderde validiteit) is de hoogte van de uitkering afhankelijk van de aard van het letsel (invaliditeitstabel) en een daaraan gerelateerd percentage van de verzekerde som. Het gaat daarbij om letsel aan ledematen en zintuigen. Bijvoorbeeld bij verlies van een been wordt 75% van het verzekerde bedrag uitgekeerd, aangevuld met een jaarlijkse rente-uitkering.
Omdat de schadevergoeding op grond van een sommenverzekering is gebaseerd op een bepaald norminkomen en niet is gerelateerd aan de daadwerkelijk geleden schade, kan het uitgekeerde bedrag door de verzekeraar niet worden verhaald op een eventueel aansprakelijke derde (regres).
De verzekerde sommen, schadepercentages en rentepercentages zijn opgenomen in de polisvoorwaarden, waarvan de brandweervrijwilliger een exemplaar krijgt.
Aanvullingen op de ongevallen verzekering.

Op dit moment zijn er in Nederland twee verzekeringsmaatschappijen, die een ongevallenverzekering aanbieden die specifiek zijn gericht op zowel de vrijwillige als de beroepsbrandweer. Dit zijn Mercer (via VNG-verzekeringen) en Centraal Beheer Achmea.


Bij beide maatschappijen kan de standaardpolis - voor rekening van de werkgever - worden uitgebreid met meerdere standaardfaciliteiten, zoals bijvoorbeeld een eigendommenverzekering, trauma verzekering (i.v.m. psychisch-/ emotioneel letsel; o.a. PTS), WGA-hiaat (i.v.m. langdurende arbeidsongeschiktheid), molestverzekering en hypotheekverzekering. Het is aan de werkgever om te bepalen of en in hoeverre aanvullingen in de collectieve polis worden opgenomen.

2. Schadevergoeding op grond van aansprakelijkheid (van de werkgever).

Bij schadevergoeding op grond van de algemene aansprakelijkheidsnorm, krijgt degene die de schade heeft geleden deze in beginsel volledige vergoed op grond van de wettelijke verplichting tot schadevergoeding (art.6:95 BW e.v.). In vrijwel alle gevallen komt deze schadevergoeding voor rekening van de aansprakelijkheidsverzekering van de aansprakelijke partij.

Omdat zowel de wetgever als de rechter in Nederland zeer terughoudend zijn met het toekennen van smartengeld of vergoeding van ‘shockschade’, moet er vanuit worden gegaan, dat het alleen vermogensschade is die voor vergoeding in aanmerking komt.
Zorgplicht van de werkgever.

Artikel 7:658 BW schept voor de private werkgever de verplichting op om te zorgen voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer en de door hem/haar te gebruiken werktuigen. De wettelijke zorgplicht van de werkgever – en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid – houden nauw verband met de zeggenschap van de werkgever over de inrichting van de werkplek en diens bevoegdheid om aanwijzingen te geven over de wijze waarop de werkzaamheden moeten worden verricht. Schiet de werkgever in deze ‘zorgplicht’ tekort, dan is hij aansprakelijk voor de schade die daarvan het gevolg is. Als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in 2000 gelden deze bepaling indirect ook voor de overheidswerkgever1. Vanaf dat moment heeft ook de ambtenaar – en in diens voetspoor de brandweervrijwilliger - in voorkomende gevallen recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de betrokken overheidswerkgever aantoont dat hij al het nodige heeft gedaan om deze schade te voorkomen, de schade niet het gevolg is van een tekort schieten in de zorgplicht, of aantoont dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

In het kader van brandweeractiviteiten, wordt het fundament van de aansprakelijkheid, vrijwel altijd gevormd door een schending van de zorgplicht van de werkgever.

Ten aanzien van het korps vrijwillige brandweer, rust deze ‘zorgplicht’ op het bevoegd gezag van de gemeente (college van B&W) of de veiligheidsregio (bestuur).


Een toereikende invulling van de zorgplicht door de werkgever komt ondermeer tot uiting in2:

  • een correcte naleving van Arbowetgeving waaronder een periodieke RI&E

  • Het beschikbaar stellen van adequate materialen en beschermingsmiddelen

  • Gedegen opleiding en scholing van de brandweervrijwilligers aangevuld met gerichte voorlichting en instructies

  • Duidelijke bevelvoering en structureel toezicht op de naleving van veiligheidsvoorschriften

  • Geneeskundig onderzoek en periodieke keuringen

  • Doeltreffende nazorg na calamiteiten.

Gezien het bijzondere karakter van de werkzaamheden van de (vrijwillige) brandweer en met name de onvermijdelijkheid van het nemen van bepaalde risico’s (om erger te voorkomen), in combinatie met de vaak beperkte invloed van de werkgever op de omstandigheden waaronder brandweerlieden in voorkomende gevallen hun werkzaamheden verrichten, laat een schending van de zorgplicht zich vaak niet eenvoudig vaststellen. Daarbij komen vragen aan de orde als: waarom was het genomen risico noodzakelijk, en wat is er gedaan om de verwezenlijking van voorzienbare risico’s zoveel mogelijk te voorkomen?


Behalve op grond van tekortschieten in de zorgplicht, kan de gemeente ook aansprakelijk zijn voor schade die het gevolg is van een fout van ondergeschikten (bijv. een collega brandweervrijwilliger) of het werken met ondeugdelijke materialen.
Schadevergoeding op grond van aansprakelijkheid.

In het geval waarin a.) de werkgever zijn zorgplicht ten aanzien van de arbeidsomstandigheden niet of onvoldoende is nagekomen en b.) deze tekortkoming heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade van de brandweervrijwilliger, is de werkgever aansprakelijk voor de geleden schade. In dat geval kan de brandweervrijwilliger aanspraak maken op een volledige vergoeding van de (rest)schade.


De begroting van de schade geschiedt door een zo concreet mogelijke vaststelling van wat feitelijk na het ongeval aan inkomen is of zal worden ontvangen en wat dat zou zijn geweest als er geen ongeval had plaatsgevonden (o.a. verlies van arbeidsvermogen en carrièreschade). De bewijslast hiervan rust in beginsel op de benadeelde, maar er worden geen strenge eisen aan gesteld, omdat het de veroorzaker is die de benadeelde de kans heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent deze hypothetische situatie. De benadeelde zal zijn schade voldoende aannemelijk moeten maken.
De vermogenscomponenten die in aanmerking komen bij de berekening van het verlies van arbeidsvermogen zijn salaris, loon of bezoldiging en andere voordelen in verband met de arbeid.
Hierbij kan gedacht worden aan onkostenvergoedingen, bonussen, de auto van de zaak, bijdragen van de werkgever in pensioen- en ziektekostenregelingen etc.
Het verlies van arbeidsvermogen bestaat niet alleen uit inkomensnadeel, maar kan ook gevolgen hebben voor het dagelijks leven doordat men bepaalde werkzaamheden niet meer kan verrichten en daarvoor voortaan kosten moet maken (verlies aan zelfwerkzaamheid, huishoudelijke hulp etc.).

3. De rechtsposities van werknemer en zelfstandig ondernemer als vrijwilliger bij het korps vrijwillige brandweer.

Sinds jaar en dag worden in Nederland de vrijwilligers voor het korps vrijwillige brandweer gerekruteerd uit alle geledingen van de samenleving. Dit heeft ondermeer tot gevolg dat er zich onder de vrijwilligers bij de brandweer zowel werknemers als zelfstandig ondernemers bevinden.

Het onderscheid tussen enerzijds werknemers die buiten de brandweer bij een werkgever hun hoofdbetrekking hebben en anderzijds zelfstandig ondernemers (tegenwoordig vaak ZZP-ers) is van belang, omdat de laatstgenoemde groep bij arbeidsongeschiktheid geen beroep kan doen op de werknemersverzekeringen. Zelfstandig ondernemers worden geacht zelf een voorziening te treffen om bij (langdurende) arbeidsongeschiktheid hun inkomen op peil te houden.
Dit is een probleem omdat de standaard ongevallenverzekeringen voor de vrijwillige brandweer die in Nederland op de markt zijn, de rechtspositie van de werknemer – met inbegrip van de werknemers-verzekeringen - als uitgangspunt nemen.

E.e.a. betekent dat een zelfstandig ondernemer die geen arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten en die als gevolg van zijn brandweeractiviteiten langdurend arbeidsongeschikt is geworden, na de periode waarin hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ontvangen op grond van de ongevallenverzekering (maximaal 3 jaar), terugvalt op zijn eigen vermogen of, bij het ontbreken daarvan, een bijstandsuitkering (WWB)


In het geval waarin de zelfstandige – brandweervrijwilliger wel een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten, is het van belang om na te gaan hoe deze zich verhoudt tot diens activiteiten bij de vrijwillige brandweer. Indien van deze activiteiten geen aantekening is gemaakt kan het gebeuren dat de brandweervrijwilliger die als gevolg van zijn brandweeractiviteiten arbeidsongeschikt is geworden, alsnog wordt geconfronteerd met een uitsluiting.

Uitgangspunt is de eigen verantwoordelijkheid van de brandweervrijwilliger. Echter, omdat de zelfstandig ondernemer buiten het vangnet van de werknemersverzekering valt, zal deze bij of voor diens aanstelling als brandweervrijwilliger goed moeten worden geïnformeerd over de eventuele gevolgen van langdurende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een dienstongeval.

Op grond van art. 19:27 CAR kan een aanvullende verzekering worden afgesloten die tot uitkering komt bij langdurende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een brandweerongeval.

In het geval waarin de brandweervrijwilliger al in zijn hoedanigheid van zelfstandig ondernemer een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten, wordt geadviseerd om te onderzoeken of de activiteiten ten behoeve van de vrijwilliger brandweer, niet tot de uitsluitingsgronden worden gerekend. Verschillende verzekeringsmaatschappijen bieden de mogelijkheid om tegen geringe kosten een individueel verzekeringsadvies te geven dat is gebaseerd op het verzekeringspakket van de betrokken vrijwilliger. Uiteraard kan een dergelijk advies ook worden betrokken van een onafhankelijk adviseur.


Regres hoofdwerkgever.

Op grond van art. 6:107a BW heeft de werkgever in geval van arbeidsongeschiktheid van een werknemer een afgeleid verhaalsrecht, op grond waarvan deze zijn schade kan verhalen op degene die aansprakelijk is voor het ontstaan daarvan.

Dit betekent dat in het geval waarin de arbeidsongeschiktheid van een brandweervrijwilliger het gevolg is van een tekortschieten in de zorgplicht, de hoofdwerkgever van de brandweervrijwilliger de netto loonkosten en de (redelijke) kosten van re-integratie (art. 6:107a lid 3 j° 7:658a BW) kan verhalen op de aansprakelijkheidsverzekering van de gemeente of de veiligheidsregio.

4. De praktische gang van zaken in geval een brandweervrijwilliger schade heeft geleden als gevolg van een dienstongeval (zonder aansprakelijkstelling).

Tenzij anders overeengekomen, meldt een brandweervrijwilliger zijn schade z.s.m. bij de gemeente of veiligheidsregio die de ongevallenverzekering heeft afgesloten. Deze meldt de schade onmiddellijk bij de verzekeringsmaatschappij.



In geval van arbeidsongeschiktheid, wordt deze beoordeeld door de medisch adviseur van de verzekeringsmaatschappij. Na beoordeling keert de verzekeringsmaatschappij de schadevergoeding en/of uitkering uit aan de gemeente of de veiligheidsregio; deze keert de schadevergoeding en/of de uitkering overeenkomstig de fiscale regelgeving uit aan de brandweervrijwilliger of diens nabestaanden. Mocht er sprake zijn van restschade dan komt de aansprakelijkheidsverzekering in beeld. De verzekeraar zal de aansprakelijkheid voor de restschade beoordelen en dit namens de werkgever richting de benadeelde partij(en) afwikkelen.
Medische kosten worden in eerste instantie gedeclareerd bij de eigen zorgverzekering. Aan de hand van de verstrekte informatie zal deze mogelijk worden verhaald op de aansprakelijkheidsverzekering van de werkgever.


1 CRvB 22-06-2000, LJN AB0072)

2 zie o.a. CRvB 29-03-2001,TAR 2001,74




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina