Vicariaat voor Onderwijs Bisdom Antwerpen Vak rk-godsdienst nascholing godsdienst in S. O



Dovnload 21.08 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte21.08 Kb.
Vicariaat voor Onderwijs Bisdom Antwerpen Vak RK-Godsdienst


NASCHOLING GODSDIENST in S.O. 2003-2004



WEERGAVE VAN MODULE 8

Practicum : didactiek van de metafoor


Werkgroep – Antwerpen

02 oktober 2003

27 november 2003

08 januari 2004

18 maart 2004




02 oktober 2003

Inleidend.

Het gaat ons om de kans die in de metafoor zit om met de klasgroep “naar de diepte” te gaan vanuit de realiteit (voorwerpen, gezegden, woorden…) die de leerlingen niet vreemd is.
Het woordenboek zegt over de metafoor: “het is een beeldspraak die op vergelijking berust, overdrachtelijke uitdrukking” (Encarta Encyclopedie)
Levensbeschouwelijk onderricht, a fortiori godsdienstonderricht, kan uit de aard van de zaak niet aan de oppervlakte van de dingen blijven. Omgekeerd betekent dit ook dat we, zolang we met een klasgroep aan de oppervlakte blijven, er geen ‘levensbeschouwing’ aan te pas kan komen.
De dingen, de woorden… waarvan we vertrekken (die dus de metafoor vormen) moeten deel uitmaken van de leef- en leerwereld van de jongeren (= beginsituatie zoals het nieuwe raamleerplan bedoelt). Zoniet hebben we geen vertrekbasis.
Als ik bv. ‘God’ of een godsbeeld wil ter sprake brengen kan ik voor mezelf wel putten uit mijn opleiding en mijn daaraan gegroeid inzicht. Maar daar ga je niet mee naar de leerlingen.

Vertrek ik daarentegen van de gekende dingen, ook hùn dingen, dan kan ik datgene wat de metafoor reeds aan ‘ervaren betekenis’ heeft bij de jongeren meenemen naar de diepte van de toepassing.

Bv. de uitspraak: God is een ajuin!

Door de verrassende vergelijking wordt spontaan de curiositeit gewekt; de uitspraak lijkt op het eerste zicht respectloos, zelfs lachwekkend. Maar ik kan nu verder spreken over de ajuin, met bij de leerlingen (vaag) een gods-bevraging in het achterhoofd: op het eerste zicht ziet hij er niet zo boeiend uit, schilferig afpellend als oude verf; maar begin ik hem van de schilferige buitenkant te ontdoen en ga ik meer naar binnen toe, is hij niet meer zo dor, integendeel; naargelang ik verder ga krijg ik er gaandeweg “de tranen van in de ogen”…

Hiermee geef je de leerlingen geen theologie, geen gods-verstaan; wel zal het beeld van de ajuin bijblijven en eerder naar een ‘werkbare God’ toe leiden…
We kiezen daarom best dié metaforen die uit de leefwereld van de klasgroep komen: kortsluiting in een gloeilamp kan de leerlingen-elektriciteit ‘een licht doen opgaan’ over ‘relatieproblemen’… Zo gaan we immers aan het werk met de sterke kant van de leerlingen. Mijn taak als leerkracht is het die sterke kant te gebruiken als metafoor om naar diepere zingeving te gaan. Is belangrijk om technisch-gerichte en beroepsleerlingen ‘aan te spreken’; maar niet alleen hen…
Een collega stelt zich daarbij de vraag of het gebruik van de ‘diamant’ als metafoor dan wel voldoende aansluit bij de ervaring van vele leerlingen…
We moeten er ons alleszins voor hoeden dat datgene wat we aan leerlingen willen (bij-)brengen van hen zou vragen om zich –als start- buiten hun leefwereld op te stellen. Daarom faalt het “zuivere overdrachtsmodel” bij de meeste jongeren. Wat we bedoelen over te dragen, aan te bieden, kan alleen wortel schieten en groeien vanuit de leerlingen.

Dat we –liefst- zo’n stevig mogelijke opleiding voor het vak doorworsteld hebben is prima. Dat is en wordt onze eigen innerlijke rijkdom. Maar in onze lesopdracht als leerkracht moeten we geen ‘theologen’ zijn; ook geen sociologen of therapeuten. Oor hebben voor de leerlingen gebeurt het best en het vruchtbaarst op eigen terrein.


Werken met een metafoor in de klas.

Breng je een ‘metafoor’ binnen, kan je best alle leerlingen de kans geven de onmiddellijke betekenis ervan te laten omschrijven. Al die samengebrachte aspecten bieden je een hele rijkdom aan mogelijke kansen om straks verhelderend te werken naar de diepte toe.

Bv. de metafoor “huis” (we doen concreet de oefening):


  • wordt (op)gebouwd

  • in logische volgorde, van onder naar boven, beginnend aan/in de grond

  • fundamenten; zie je nadien niet meer, maar zullen er wel moeten zijn

  • draagmuren

  • ramen, deuren

  • alles dient op elkaar betrokken te zijn, tot een geheel

  • meerdere kamers, maar verschillend

Daarmee gaan we aan het werk.

Een element van voorbeeld:

* het is niet de bedoeling om fundamenten boven te halen en bloot te leggen, al weten (ervaren) we het fundamentele belang ervan en kunnen we ook onze inzichtelijkheid daaromtrent vergroten. Maar het is niet het eerste om te weten (ervaren) wat een “huis” betekent – De metafoor laat de leerling ontdekken dat de (christelijke) levensbeschouwing in eerste instantie niet gaat om het blootleggen van de fundamenten (bv. inzicht hoe Jezus Bevrijder kan zijn; hoe ‘Jezus als Godszoon’ dient begrepen te worden vanuit bijbel en traditie), maar als “huis” (waarde, geloof) waarin te wonen valt. Ja, de fundamenten moeten er natuurlijk zijn; ze zijn van ‘fundamenteel’ belang…

Even terzijde: waar je aan een huis teveel de fundamenten ziet zitten, zijn er wellicht kosten!…


* venstens → zicht op…
* dak → bescherming : met respact de mening van de medeleerlingen kunnen aanhoren; als leerkracht ook de inhoud van het vak beschermen…
* meubilair → leermiddelen…
Zullen we ooit zover geraken dat we met de leerlingen ontdekken dat de “mens” zelf uiteindelijk een belangrijke metafoor kan zijn…
Bedenking van collega’s:

-deze werkwijze ‘vanuit de metafoor’, vanuit de leerlingen, zal niet dezelfde kansen kennen binnen een klasgroep van 2 à 3 leerlingen (in officiële netten).

-om met metaforen in de klas te werken moet je dus ‘scherp kunnen luisteren’ → ontledend luisteren

Onderscheid: metafoor – symbool – tekenen



Metafoor: alles kan metafoor zijn; vanaf het moment dat een voorwerp (→ visuele metaforen), een woord (→ talige metaforen) ervaren wordt als transportmiddel naar het dieperliggende (het transport wordt mogelijk gemaakt door de overeenkomende kentrekken).

De metafoor brengt naar het diepere, maar is het diepere niet.


Symbool: een voorwerp of handeling die een dieperliggende betekenis bovenhaalt en dààr-stelt. Het symbool is niet los te zien van zijn diepere betekenis: het draagt de betekenis in zich. Het koppelt (= betekent) een onzichtbare realiteit aan een zichtbare zaak. Een symbool valt buiten de categorie van het ‘nuttige’.
Teken: wijst naar (verwijst) een betekenis.
Bv. voor de gehuwde ‘betekent’ de trouwring de specifieke relatie (uitbouw) met de partner; de rind is dus ‘symbool’. Voor de buitenstaander, die ziet dat je een trouwring draagt, wijst die ring naar een betekenis (die man/vrouw is getrouwd); is dan een ‘teken’.

De trouwring wordt metafoor wanneer hij me brengt tot de diepere zin van bv. de relatie loopt steeds verder, is nooit aan het eindpunt…



Opdracht naar volgende sessie toe:

De tekening op de titelpagina van de bundel uittesten in een klas.






1/ Wat zie je?



Hoe werkt dat?
2/ Wat komt er uit als méér…



De tekening kan als metafoor wellicht in zovele contexten tot verdieping leiden…



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina