Vii. Zware tijden



Dovnload 38.94 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte38.94 Kb.
2 Timotheüs 3, 1-9

VII. Zware tijden



1 En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.

2 Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig.

3 Zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden,

4 Verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods;

5 Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van deze.

6 Want van dezen zijn het, die in de huizen insluipen, en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden geladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden;

7 Vrouwkens, die altijd leren, en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen.

8 Gelijkerwijs nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, alzo staan ook deze de waarheid tegen; mensen, verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof.

9 Maar zij zullen niet meerder toenemen, want hun uitzinnigheid zal allen openbaar worden, gelijk ook die van genen geworden is.
Verklaring
Er is een oud verhaal dat ons vertelt van de inneming van de stad Troje door de Grieken. Dat moet gebeurd zijn in het jaar 1184 v. C. Na tien jaar van beleg rondom die stad. Het verhaal vertelt, dat de Grieken tenslotte een list gebruikten, waardoor Troje in hun handen viel. Op een dag vertrok het Griekse leger in schepen naar een naburig eiland om de indruk te wekken, dat het de aftocht had geblazen. Maar vlak bij de stad lieten zij een groot houten paard achter, dat zij voor hun vertrek hadden gebouwd. Een aantal dappere Griekse helden had zich in de buik van het paard verstopt.
En wat deden toen de inwoners van de stad Troje? Verrukt over het vertrek van de Grieken, haalden zij in triomf het paard binnen. Zij moesten daar zelfs een deel van de muur voor afbreken. Maar in de volgende nacht stapten de Griekse helden uit hun verborgen schuilplaats in de buik van het paard. En samen met het inmiddels weergekeerde Griekse leger veroverden zij daarna Troje en verwoestten de stad.

Het paard van Troje

Het paard van Troje inhalen. Daar hebben wij het vandaag nog maar steeds over. En dan bedoelen we, dat de mens zo dwaas is, dat hij op zijn tijd zijn eigen vijand binnen de stadspoort haalt. Blijkbaar laat een mens zich graag om de tuin leiden. Helaas, wij kunnen niet zeggen, dat dit in de gemeente van Christus nooit gebeurt.


Hand. 20 : 29v

Het is dáártegen dan ook, dat de apostel Paulus Timotheüs in Efeze waarschuwt. Timotheüs moet zachtmoedig met zijn tegenstanders omgaan (slot van 2 Tim. 2). Maar hij moet er inmiddels goed de ogen voor open hebben, dat de vijand listig is. De tijdgeest wordt via een handvol schijnheilige insluipers de poorten van de gemeente binnengevoerd en dreigt daar de zaak tot in de wortel te bederven. Haal het Trojaanse paard (in de vorm van mensen die een gedaante van godzaligheid hebben) niet binnen, Timotheüs.


In de eerste vier verzen van 2 Tim. 3 geeft de apostel met onomwonden woorden de ware aard van Timotheüs' tegenstanders aan. Deze verzen vormen een beschrijving van de mensheid in het laatst der dagen. Timotheüs moet niet met oogkleppen op lopen.
Matth. 24 : 8vv; 1 Tim. 4 : 1; 2 Petr. 3 : 3; Jud. : 18

En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden (vs. 1). Geen enkele reden om er een optimistisch mens- en wereldbeeld op na te houden. 1. Timotheüs leeft in de laatste dagen. Dat zijn de dagen die begonnen zijn met de komst van Christus op de aarde. Ze duren nog maar steeds voort. Ook in de 21e eeuw. Da gen waarin de wetteloosheid hand over hand toeneemt. Omdat de overste van deze wereld, de duivel alles op alles zet om zijn nederlaag die hij door Christus' kruis en opstanding moet incasseren, ongedaan te maken.
Matth. 8 : 28vv; 2 Thess. 2 : 1vv

Zware tijden. Er is sprake van zwaar weer. Het gaat erop of eronder. Bepaald geen tijden om 'ledig te zijn noch om te rusten' (Calvijn). Maar perioden van grimmige, woeste en bezeten tegenstand. Het leven komt eruit te zien zoals de weg in het land der Gadarenen die door de twee bezetenen van Matth. 8 onveilig werd gemaakt. Niemand kon daar zonder kleerscheuren voorbijgaan. 2.

Houdt u gedekt. Het zijn de weeën van de eindtijd. De uiterste consequentie van een mensheid die met God gebroken heeft. Geweldig intelligent, haast oppermachtig. Maar geestelijk aan lager wal geraakt en moreel misdadig. U zou er uw hoofd over kunnen schudden. Ja, maar deze tijdspiegel is er veel meer goed voor om er uzelf in te bekijken. Want wij kunnen wel lopen klagen over de slechte tijden die we beleven. Maar het is beter om zich af te vragen, of wij er zelf ook niet aan meewerken om de tijd zo slecht te maken. Structuren worden uiteindelijk door mensen gemaakt.'

De tijdspiegel

Mi. 7 : 5vv; Matth. 10 : 21, 35; Rom. 1 : 29vv



Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelf (vs. 2a). Dat is de diepste ellende. Het staat geheel in tegenstelling met wat het slot van vers 4 noemt: liefhebbers van God. Een oud verhaal. Het is begonnen in het paradijs. En het blijft maar doorgaan. Het wordt met de dag erger. En in de laatste dagen ligt het er duimen dik bovenop. De zelfbevrediging in allerlei vorm puilt de mensen de ogen uit. Egoïsme ten top gestegen. Als ik het maar heb. Het is alles individualisme wat de klok slaat. Als ik niet voor mezelf zorg, wie zorgt er dan voor mij? Een tijdspiegel. Uw en mijn zelfportret.
Luk. 16 : 14; 1 Tim. 6 : 10

En dan somt de apostel een aantal andere kenmerken van de mensheid uit het laatst der dagen op, die er niet om liegen. 4. Het zijn - om zo te zeggen - allemaal wortelzonden. Geldgierig (vs.2). Geld is de wortel van alle kwaad. Nee, dat niet. Bezeten zijn door geld, dat is kwaad in het kwadraat. Het kwaad van de rijke dwaas die maar één ding ziet: schuren afbreken en grotere bouwen. En dat terwijl `doodshemden geen zakken hebben'. Bezit van veel geld geeft veel aanzien onder de mensen, maar maakt meestal erg ongelukkig.


Jak. 4 : 16; 1 Joh. 2 : 16

En dan: laatdunkend (vs 2). Pralend, ijdel betekent het. Zo zijn de mensen. Opsnijders en grootsprekers. En: hovaardig (vs. 2). IJdeltuiten en hoogmoe-digen. Grootsprekers die zich trots - als een pauw - laten voorstaan op, zich op de borst slaan over eigen bestaan en prestaties. Zo zijn de mensen.


1 Tim. 1 : 20; Tit. 3 : 2; 2 Petr. 2 : 11

En lasteraars (vs. 2). Blasfemisch staat er letterlijk. Zo zijn mensen. Het heiligste naar beneden halen. `Zij zetten hun mond tegen de hemel en hun tong wandelt op de aarde' (Ps. 73 : 9). Vandaag gebeurt dit in het groot. De publiciteitsmedia verloederen en spuien de liederlijkste taal.


Tit. 1 : 16; 3 : 3

Ja en dan: de ouderen ongehoorzaam (vs. 2). Men kan zich afvragen, waarom de apostel opeens op dit punt komt. Zou het kunnen zijn, dat hij - zoals vaker in zijn brieven - de relatie ouders-kinderen voor één van de meest fundamentele hoekstenen van het mens-zijn gehouden wil hebben? M.a.w. waar deze verhouding verstoord is, als kinderen niet meer leren om het ouderlijk gezag te eerbiedigen, daar verpulvert en verpaupert de maatschappij. Iedereen lijkt dan het recht te hebben om tegen iedereen op te staan. En zo zijn de mensen in de laatste dagen. Een tijdspiegel, een zelfportret. Voor jong en oud.


Luk. 6 : 35; Rom. 1 : 21; 1 Tim. 1 : 9

Verder schrijft Paulus, dat de mensen ondankbaar en onheilig zijn. (vs. 2). Zij zijn niet meer blij met het kleine. Ze danken er God niet voor, zich bewust, dat ze alles verzondigd hebben. De toewijding aan God, waardoor het gewone leven in het licht van Gods goedheid en genade wordt gezien, is weg.


En dan somt de apostel nog een aantal dingen op. Zonder natuurlijke liefde (vs. 3). Harteloos, liefdeloos. Sympathieën tussen mensen spelen geen rol meer. Ze hangen werkelijk als los zand aan elkaar. 'Ben ik mijns broeders hoeder?' Zo zijn mensen. Ja en onverzoenlijk (vs. 3). De kleinste verschillen worden onoverbrugbare kloven. Er is geen bereidheid om ergens overheen te stappen en om te zeggen: `Zand erover, we praten er niet meer over.'
1 Tim. 3 : 6v, 11; Tit. 2 : 3

Achterklappers (vs. 3). Letterlijk: duivels. Naar het beeld en de gelijkenis van de satan, de verzoeker en ordeverstoorder die maar het liefste mensen laat struikelen. Verder: onmatig (vs. 3). Als een teugelloos paard dat snuift en briest. Geen zelftucht. Want dat remt de ontwikkeling van de persoonlijkheid, naar men zegt.
Tit. 1 : 12

En: wreed (vs. 3).Ofte wel: ongetemd, verwilderd. Helaas, hoeveel jonge mensen in het bijzonder groeien in het wild op. Zonder leiding. Geen wonder, dat ze de koers in het leven nooit vinden. Zonder liefde tot de goeden (vs. 3) of tot het goede. Deugd en godsvrucht zijn stout veracht. Zo zijn de mensen. Je schrikt ervan. `Ben ik dat, Heere?'


Matth. 26 : 15

En dan gaat het nog weer door. Verraders (vs. 4). Voor een paar honderd gulden vermoordt men elkaar. Als echte Judassen: `Wat wilt gij mij geven en ik zal Hem u overleveren?' En dan ook: roekeloos (vs. 4).Overijld, doldriftig (vgl. Hand. 19 : 36). Als een bok op de haverkist of als een arend die bovenop zijn prooi valt.


1 Tim. 3 : 6; 6 : 4

Ook: opgeblazen (vs. 4). Letterlijk: met rook vervuld. In een constante roes dus. De rage van excelsior - steeds hoger.

Fil. 3 : 19

Zijn de mensen zo? Klopt deze tijdspiegel? Ieder onderzoeke zichzelf. Paulus keert aan het slot van vers 4 weer terug naar het begin van de opsomming. Meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods (vs. 4). Dat is volstrekt in tegenstelling met elkaar. Het één kan met het ander niet samengaan. Voor zijn lusten (valse genoegens van welk soort ook) leven, betekent God haten. Genoegens zijn in dit geval heel duidelijk `Ersatz', plaatsvervanging voor God. 'En maken van de buik hun God.'



Insluipers

Als wij al deze negatieve aanduidingen van de mensheid uit de laatste dagen aan onze gedachten voorbij laten gaan, zouden we kunnen concluderen, dat deze dingen zich ver buiten onze deur - in de grote en Gode vijandige wereld - afspelen. Maar niets is minder waar dan dat. Paulus geeft hier een tijdspiegel waarin het zelfportret van de schijnheilige binnen de gemeente is geschilderd. Onder de fluwelen vacht van z.g. godsvrucht, zitten de gekromde nagels van de roofzuchtige. Het kómt dus allemaal heel nabij. Het gaat hier kennelijk om 'het gezelschap der hypocrieten' binnen de kerk van de Heere God (zie artikel 29 NGB). Een verklaarder van de 2e brief aan Timotheüs schrijft: `Er bevinden zich in onze Kerk of Gemeente, binnen het zichtbare lichaam van belijdende gelovigen, mensen met een onzedelijk karakter en gedrag, met een uiterlijke schijn van godsvrucht, met een verdorven denken en een geloof dat de toets niet kan doorstaan... Zij zijn verdorven, in zedelijk, godsdienstig en intellectueel opzicht. Het is een opmerkelijk juist beeld van de zogenaamde 'tolerante samenleving' die elke denkbare afwijking van de christelijke normen van gerechtigheid en waarheid vlotweg 'gedoogt' en wier geest de Gemeente is binnengeslopen.' 5.


Rom. 2 : 20; Tit. 1 : 16

Paulus schrijft: hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben (vs. 5). Dus: christenen 'pro forma'. Het is alles schone voorgevel. Maar dat is dan ook alles. Het huis zelf is onbewoonbaar. Onder een dekmantel van vroomheid, 6. het mom van christelijkheid worden al de genoemde achttien woorden (van de verzen 2 tot 4) met hun verleugenende inhoud binnen de gemeente geïmporteerd. Import van goddeloosheid. Het Trojaanse paard - met de vijand erin - wordt de stadsmuur binnengehaald. Maar schijn bedriegt. Godzaligheid is niet een stand die men moet ophouden, maar een kracht waardoor men van binnenuit vernieuwd wordt en naar buiten toe veranderd.


Rom. 16 : 17; Hebr. 3 : 13v

Timotheüs moet zich van deze schijnheiligen afkeren. Dus niet alleen hun ideeën schuwen. Heb ook een afkeer van deze (vs. 5). Soms is het noodzakelijk, dat leiders in de gemeente zich van dwaalleraars resoluut afkeren. 7. Hoewel zij als echte herders alles in het werk zullen stellen om mensen, ook de grootste tegenstanders te behouden. 8. Soms hebben ze met bepaalde mensen in die gemeente te breken.

Heel duidelijk. Vriendschappelijkheid heeft zijn grens. Echte herderlijke zorg is niet, dat men iedereen koste wat het kost tolereert. Men kan toch niet geruisloos de fundamenten van de kerk laten ondergraven?
Jammer genoeg is dat vaak de praktijk in de kerken van vandaag. Maar deert het ons dan niet, dat zovele eenvoudige zielen die behoefte hebben aan leiding en die alsmaar misleid worden, daardoor verloren gaan? Hoeveel streken zijn er niet in ons vaderland waar kerkgebouwen slechts monumenten van vergane glorie zijn geworden? Daar kwamen eens de godvruchtigen samen. En nu komt er haast niemand meer samen.
Mark. 12 : 40; Tit. 1 : 11; vgl. 1 Tim. 2 : 9vv; 5 : 3 vv; Tit. 2 : 3vv

De apostel gaat nog even door met waarschuwen. Niemand zegge: 'Ik houd niet van de opgestoken vinger.' Want dezen zijn het, die in de huizen insluipen en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden beladen zijn en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden; vrouwkens die altijd leren en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen (vs. 6, 7). Deze woorden klinken vreemd, als we bedenken, dat Paulus over de vrouwen in de gemeente echt nooit denigrerend schrijft. Uiteraard gaat het dan hier ook niet over vrouwen in het algemeen, maar - zoals het verkleinwoord verraadt - over infantiele, of liever labiele vrouwen die gemakkelijk een prooi worden van insluipers in de gemeente. Het zijn vrouwen die bedekt zijn met zonden. 9. Het zijn gedrevenen, maar dan door een bonte mengeling van begeerten.


Kol. 1 : 9; 1 Tim. 2 : 4; 4 : 3; Tit. 1 : 1; Hebr. 10 : 26; 2 Joh.: 1

Vermoedelijk moeten we denken aan vrouwen die zedelijk aan lager wal zijn geraakt en van haar verleden, ook nadat zij tot de gemeente van Christus zijn gaan be horen, nooit los zijn gekomen. Mannenbezoek is haar welkom. Aandacht vragen is haar eigen. Ze lijken leergierig te zijn. Maar al laten ze zich onderwijzen, ze zeg gen nooit: 'Ik heb de vaste grond gevonden.' 10. Nimmer komt het tot kennis der waarheid. Het blijft alles een labiele zaak.


Is het niet veel beter haar niet die aandacht te geven, waarom ze vragen? Het is zeker verkeerd, als daar steeds mannen langs lopen die niet te vertrouwen zijn. 11. Wat moeten onbetrouwbare mannen bij labiele vrouwen? Tot echte zielzorg zal het dan niet komen. Integendeel, als deze onzekere vrouwen al niet verleid en misbruikt worden door de godsdienstige colporteurs, dan moeten ze op zijn best dienen als religieus propagandamateriaal. 12. Het is niet zo moeilijk om te imponeren bij mentaal en geestelijk verzwakte mensen. Maar daarmee laten de tegenstanders van Timotheüs, de mannen van de schone schijn dan wel zonneklaar zien, van welke soort ze zijn. 13.

Jannes en Jambres - ontzenuwde tegenstand

Ex. 7 : 11, 22; Hand. 13 : 8; 1 Tim. 6 : 5

Paulus roept Timotheüs op om zich te distantiëren van zulk gedoe. Hij noemt deze lieden voluit tegenstanders. Gelijkerwijs nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, alzo staan ook deze de waarheid tegen; mensen, verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof (vs. 8). De vergelijking met Jannes en Jambres is wellicht niet direct duidelijk. Jannes en Jambres zijn naar de Joodse overlevering de twee Egyptische tovenaars geweest, van wie wij lezen, dat zij evenals Mozes hun stok in een slang konden veranderen. Zij leken in de naam en op gezag van hun goden evenveel mans als Mozes. Maar schijn bedriegt. En indrukwekkende toverkunsten zeggen niet alles. Het zwarte gat, de zwarte kunst is er ook in de 21e eeuw goed voor om mensen die God vaarwel hebben gezegd, ietwat het gevoel te geven, dat er buiten hun wereldje nog wel wat bestaat. Maar men wordt er geen cent wijzer van en met een hartverwarmend geloof in een persoonlijke God heeft dit niets te maken. Het soort van Jannes en Jambres bederft de zaak tot in de grond. 14. Het is niet alles goud wat er blinkt. Van een beproefd geloof is hier geen sprake.15
Iemand vraagt na dit alles misschien, of Paulus ook niet een lichtpuntje kan laten schijnen. We zouden kunnen terugvragen: 'Zijn gedeelten uit de Heilige Schrift als die van 2 Tim. 3 : 1-9, niet ter harte te nemen, juist ook in onze dagen? Doen we er niet goed aan om het ons aan te trekken?
Luk. 6 : 11; Rom. 1 : 19vv; Ef. 5 : 12vv; Hebr. 4 : 12; Openb. 2 : 2

Stellig. En dan ontbreekt het lichtpuntje niet. Lezen we vers 9 nog eens: Maar zij zullen niet meerder toenemen; want hun uitzinnigheid zal allen openbaar worden, gelijk ook die van genen geworden is (vs. 9). Van genen, dat wil zeggen: van Jannes en Jambres, de Egyptische tovenaars. Hun onverstand/uitzinnigheid kwam openbaar. Want hun slangen werden verslonden door de staf van Aäron/Mozes. Niet de tovenaars van Egypte zijn aan de winnende hand. Maar de ware herders die vurige pleidooien voeren voor het volk van God: `Laat mijn volk gaan.' De successen van de magische tovenaars van deze wereld die mensen manipuleren, zijn maar voor een tijd. Zij zullen niet meerder toenemen.' 16. De ogen der mensen gaan een keer open. Op de puinhopen van het geseculariseerde bestaan van onze dagen, waarin alles geestelijk en moreel tot op de fundamenten is gesloopt, is daar gelukkig weer een jong geslacht dat hunkert naar gemeenschap met de levende God en dat vraagt naar Zijn wet. En na een lange periode van haat tegen Christus en tegen christenen in landen achter het IJzeren Gordijn, lijkt er in onze tijd enige verademing te komen. Op het beestachtige regiem van Stalin volgt een ietwat ontspannen perestrojka - beleid van Gorbatsjov. 11.


Joh. 16 : 33b

Vergeten we echter niet, dat de zware tijden (vs. 1) voortduren. De weg voor de gemeente van Jezus Christus is moeilijk begaanbaar. Ze is vaak woest en vol gevaren. De gelovigen - ook in de 21e eeuw - hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de machten die werkzaam zijn in een betoverde wereld, vol zwarte kunst en magie. Maar wie ootmoedig en in de kracht des Heeren zijn werk mag doen, zal als Mozes en Aäron wonderen zien gebeuren. De producten van de tegenstanders, het slangengebroed van de duivel wordt verslonden. Wat zeg ik? Eenmaal zei Jezus: 'In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed; Ik heb de wereld overwonnen.'.



Gespreksvragen

1. In de verzen 2-5 van 2 Tim. 3 somt Paulus een lange reeks van zonden op. Kies enkele woorden uit deze lijst en geef van de dingen die genoemd worden voorbeelden uit de tijd waarin wij leven.


2. In onze perikoop wordt uitdrukkelijk gewaarschuwd tegen import van de geest van de tijd in de gemeente van Christus. Ook in onze dagen wordt de gemeente beïnvloed door magie en zwarte kunst. Probeer die invloeden eens nader onder woorden te brengen. En hoe zouden we ons daartegen kunnen wapenen?
3. Elke pastor ontmoet in zijn gemeente op zijn tijd geestelijk labiele mensen. In onze perikoop wordt gezegd, hoe zij niet behandeld moeten worden. Kunt u zeggen, op welke wijze een pastor hen wel tegemoet moet treden?
4. In vers 9 van 2 Tim. 3 schijnt Paulus Timotheüs te willen troosten door te schrijven, dat zijn tegenstanders niet eindeloos aan de gang kunnen blijven. Er komt een kentering. Betekent dit, dat wij ons ook voor onze tijd mogen troosten met de hoop, dat aan moderne atheïstische bewegingen een halt zal worden toegeroepen?
NOTEN
1. Steeds vraagt Paulus extra aandacht van Timotheüs, als hij hem 'onopgeefbare' dingen op het hart wil binden. Vgl. 2 Tim. 2 : 7.
2. De laatste dagen zijn de beslissende dagen aan het einde van de wereldgeschiedenis, ingezet met Christus' victorie over de machten in kruis en opstanding. Daarin maakt de satan zich extra breed. Hij heeft immers nog slechts een kleine tijd. Vgl. ook op 1 Tim. 1 : 4. Het woord tijden ('kairoi') duidt een bestemde tijd of periode aan. Door God bepaald en passend in zijn raadsplan.
3. Zwaar ('chalepos') is een woord dat naast 2 Tim. 3 : 1 alleen nog in Matth. 8 : 28 voorkomt. In het laatste geval wordt het gebruikt van de woestheid van de twee bezetenen in het land der Gadarenen. Niemand kon hen veilig passeren.
4. De verzen 2vv zijn een zogenoemde lastercatalogus, te vergelijken met Rom. 1 : 29-32. Er bestonden ook soortgelijke lijsten in het Hellenisme. De vele bijvoeglijke naamwoorden die Paulus gebruikt (en waarin moeilijk een ordening te ontdekken is), hebben paarsgewijs vaak aan het begin en/of aan het eind eenzelfde klank (b.v. `filautoi' - liefhebbers van zichzelf, en `filarguroi' - geldgierigen).

Wij geven steeds na de cursief gedrukte woorden die in de Nederlandse vertaling staan een weergave van de grondbetekenis van de Griekse woorden.


5. Zie John R.W. Stott, a.w., blz. 90v.
6. Voor het woord godzaligheid zie onze verklaring op 1 Tim. 2 : 2 en 3 : 16 (zie ook 1 Tim.4 : 8; 6 : 3,5,6,11).
7. In 2 Tim. 2 : 22v gaat het meer om de onderkenning van en het breken met de gedachten en werkwijze van de dwaalleraars. Hier roept Paulus Timotheüs op om de dwaalleraars zelf de rug toe te keren.
8. Zie wat hierover gezegd is bij de behandeling van de verzen 24vv van 2 Tim. 2.
9. Het werkwoord 'sopreuo' betekent: opstapelen. Dus deze vrouwen lopen onder een stapel zonden. Of ze er ook onder gebukt zijn gegaan, wordt niet duidelijk. Paulus spreekt niet uitdrukkelijk over zonden (c.q. lusten) op seksueel terrein. H. Bürki (a.w., S. 84) denkt aan een streng ascetische levensinstelling waardoor de begeerten juist onderdrukt worden. De dwaalleraars zouden vooral in die zin hebben gewerkt. Zie ook M. Dibelius, a.w., S. 87. Hij denkt aan gnostici die deze vrouwen tot een streng ascetische levenswandel hebben gebracht.
10. Altijd leren ('manthano') kan betekenen, dat zij het leren ('lernen') als een doel in zichzelf zien. Dus leren om te leren, niet om er vruchtbaar en zegenrijk mee bezig te zijn. Rengstorf in Kittels Theologisches Wörterbuch zum NT, a.w., Bnd. IV, S. 412 vermoedt hier een door nomistisch ingestelde dwaalleraars gestimuleerde intellectualiserende vroomheid, in het bijzonder onder vrouwen (vgl. ook 1 Tim. 5 : 13).
11. Het woord voor binnengaan/insluipen heeft hier een negatieve klank. De bedoelingen zijn duidelijk verkeerd.
12. 'Aichmalotizo' = (krijgs-)gevangennemen.
13. De namen van Jannes en Jambres komen niet voor in het OT. Joodse overleveringen (waarvan we de oorsprong niet kennen) brengen deze Egyptische tovenaars in verband met Bileam. Zij zouden diens begeleiders of dienaren of ook zonen zijn geweest en tijdens de woestijnreis het volk van Israël hebben dwarsgezeten, onder andere door Israël te verlokken tot de zonde met het gouden kalf. Paulus veronderstelt in 2 Tim. 3 : 8 bekendheid met deze traditie. Wellicht bestond er in die tijd een geschrift over Jannes en Dambres. De kern van de legende, nl. hun verzet tegen Mozes, moet in elk geval algemeen bekend zijn geweest en wordt ons ook duidelijk uit het verhaalde in Ex. 7. Het is die tegenstand tegen Mozes, waarop de apostel teruggrijpt. Zie voor de Joodse bronnen waarin Jannes en Jambres voorkomen: Strack-Billerbeck, a.w., Bnd. III, S. 661ff. Zie ook Kittels Theologisches Wörterbuch zum NT, a.w., Bnd. III, S. 192f en M. Dibelius, a.w., S. 87f. Zie verder: E. Schürer, Geschichte des jüdischen Volkes im Zeitalter Jesu Christi, Leipzig 1901-' 11, III, S. 404. J. Calvijn (a.w., blz. 138) schrijft: 'En het kan wel geschied zijn, dat er ten tijde van de heilige Paulus uitleggingen op de profeten zijn geweest, welke op het breedst verklaarden, wat Mozes maar in het kort verhaalt.'
14. Het werkwoord 'kataphtheiro' betekent: tot op de bodem verderven (nog grondiger dan `diaphtheiro' - 1 Tim. 6 : 5).
15. Verwerpelijk aangaande het geloof. Letterlijk: onbeproefd inzake het geloof.
16. 'Prokopto' = voorwaarts dringen, vooruitgang boeken. Dit lijkt in tegenstelling met wat Paulus schrijft in 2 Tim. 2 : 16v ('zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen en hun woord zal voorteten gelijk de kanker') en met 2 Tim. 3 : 13 ('de boze mensen en bedriegers zullen tot erger voortgaan'). Maar dat is slechts schijn. De boze mensen en bedriegers blijven wel aan de gang, maar hun successen zijn slechts voor een tijd. Misschien ziet Paulus in het geval van de indringers in de gemeente van Efeze een kentering komen. Hij bemoedigt Timotheüs. Aldus H. Bürki, a.w., S. 87). Deze wijst erop, dat de geschiedenis der mensheid zich in weeën en golven (vloed- en ebbewegingen) ontwikkelt (vreetgolf, woongolf, seksgolf, pornogolf, stakingsgolf, etc.). Calvijn (a.w., blz. 139) schrijft, dat Paulus hier met allen velen bedoelt.

17. Zie W. Hendriksen, a.w., p. 289



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina