Vijf activiteiten staan binnen de sic centraal



Dovnload 45.27 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte45.27 Kb.
Verspreid over dit jaar worden in de Burcht in Amsterdam vijf lezingen gegeven. Voorzitter van de Stichting voor Industriebeleid en Communicatie ( SIC ), W. van der Stokker, opent de tweede bijeenkomst over de toekomst van de industrie en de arbeidsmarkt van de nieuwe Nederlandse industrie, waarbij hij de doelstelling en de activiteiten van de SIC schetst.
De SIC heeft als doelstelling activiteiten te ontwikkelen om de maakindustrie te stimuleren. SIC wil actuele kennis van en inzicht in de industriele ontwikkelingen verwerven, aandacht vragen voor deze ontwikkelingen en daarmee voor de plaats en de betekenis van de Nederlandse industrie. Ze wil het industriebeleid van de overheid en de sociale partners stimuleren en meedenken over de richting die dit beleid uit moet gaan.
Vijf activiteiten staan binnen de SIC centraal:

  • Wetenschappelijk onderzoek ( in opdracht van de SIC wordt de industriemonitor

geproduceerd door de Stichting voor Economisch Onderzoek van de Universiteit van

A”dam )


  • Het SIC bulletin voor Industriebeleid

  • De internetsite www.industriebeleid.nl

  • Vestiging van een leerstoel industriebeleid aan een Universiteit.

  • Een lezingencyclus. Daarvan is deze bijeenkomst van 3 april, de tweede.

Hieronder het verslag van de lezing door de heer A. Kraaijeveld, voorzitter van werkgeversorganisatie FME-CWM.




Een nieuwe industrie, een nieuwe overheid

De maakindustrie dreigt een ondergeschoven kind te worden in onze moderne wereld. De snelle jongens en meisjes uit de ICT-sector halen hun neus op voor bedrijven die nog daadwerkelijk producten maken. Zij leven al in een virtuele wereld. Zij realiseren zich niet dat ook zij gebruik maken van concrete producten die met machines of zelfs soms nog met de hand zijn gemaakt. Toch zouden zij de kost niet kunnen verdienen zonder computer, zonder auto, zonder mobiele telefoon en zonder van Bommel-schoenen.


De industrie is het fundament onder onze economische ontwikkeling. Nederland kent nu weliswaar een door diensten gedomineerde economie. Maar ook aan het begin van de 21e eeuw zorgt de industrie nog steeds voor een kwart van de toegevoegde waarde in de marktsector.
Ik vind het daarom een uitstekend initiatief van de Stichting voor Industriebeleid en Communicatie (SIC) structureel aandacht te gaan besteden aan de industrie. Het streven naar imagoverbetering is met name ook voor de metalektro-sector hard nodig. Het doet me dan ook groot genoegen als voorzitter van de Vereniging FME-CWM, de grootste organisatie van industriële werkgevers in Nederland, een bijdrage te kunnen leveren aan dat debat.
Ik zei al de industrie vormt het fundament onder onze economie. En de metaalindustrie vormt op haar beurt weer de ruggengraat van alle industriële activiteiten. Immers, de productie en afzet van alle soorten industrieproducten zijn slechts mogelijk dankzij producten en diensten uit de metalektro-sector. Denkt u maar aan machines, lopende bandsytemen en transportmiddelen. Onderhoud en reparatie zijn noodzakelijke diensten om de industriële bedrijven aan de gang te houden. Metalen, en ook kunststoffen die wij eveneens tot onze bedrijfstak mogen rekenen, zijn niet weg te denken uit ons dagelijks leven.
Het economisch belang van de metalektro-sector wordt duidelijk met de volgende cijfers: Onze omzet bedraagt meer dan 100 miljard gulden per jaar. Daarmee is de metalektro-sector de grootste bedrijfstak in de industrie. De metalektro biedt aan bijna 300.000 mensen werk en is daarmee ook de grootste industriële werkgever in Nederland. Ons aandeel in de totale Nederlandse export bedraagt maar liefst 41 procent.
Dat economisch belang is niet vandaag of gisteren. Al in de pre-historie had het vervaardigen en gebruiken van gereedschap vooruitgang tot gevolg. Hulpmiddelen die de primitieve mens in staat stelden meer voedsel te verbouwen en meer beesten te doden, brachten een hogere levensstandaard.
Eerst waren de ploegen en de speren nog van hout en steen. Maar toen de metalen werden ontdekt, was, zoals u allen weet, het hek van de dam. Ik spring daarom naar het begin van de 18e eeuw.
Dat is de periode dat de Engelsman Abraham Darby cokes ging gebruiken om grote hoeveelheden ijzererts uit te smelten. Hij kreeg met dit procédé een betere kwaliteit smeed- en gietijzer. En zette daarmee ongemerkt de industriële revolutie in gang. Na het steen, brons en ijzer, brak het tijdperk van staal aan.
De ontwikkeling van de industrie raakte in een stroomversnelling door de introductie van de stoommachine. De Industriële Revolutie leidde tot een versnelde economische ontwikkeling.
Dames en heren,
De lange voorgeschiedenis van de metalektro-industrie is altijd leuk om te vertellen. Maar vandaag de dag werkt die historie niet in ons voordeel. Het beeld van de metalektro-sector blijft voor de buitenstaander het beeld van een ver verleden: de smid die met zweetdruppels op zijn voorhoofd op het aambeeld ijzeren staven bewerkt. Of de zwartgeblakerde stoker die steenkool in een oven schept. En, natuurlijk de mannen met vegen smeerolie op hun gezicht die in vuile, donkerblauwe overalls machines bouwen. En ik hoef ú niet te vertellen dat die beelden al lang niet meer stroken met de werkelijkheid.
Neem nou een van oudsher bekend industrieel bedrijf als Stork. Deze machinebouwer pur sang, opgericht in 1868, heeft zich ontwikkeld tot een veelzijdig technisch conglomeraat van ontwerpers, fabrieken en dienstverlenende bedrijven. Ik kan u verzekeren dat links en rechts in die fabrieken meer medewerkers witte jassen en witte haarkapjes dragen, dan blauwe overalls.


Nieuwe industrie


Uiteraard ben ik trots dat de metaalindustie geldt als de ‘aartsvader van de industrie’ en ook dat de metalektro-sector nog steeds op de bovenste sport staat van de industriële ladder. Het ouderwetse imago ligt me echter zwaar op de maag. Het is mijn eer te na dat wij nog steeds niet bekend staan als een moderne bedrijfstak.
Want dat is de metalektro-sector wel degelijk. En die modernisering gaat vanzelfsprekend door. In onze sector zien wij een toenemende differentiatie van functies. Het ontwikkelen van producten, het ontwerpen van productiesystemen, de fabricage, de verkoop en de after sales services worden steeds meer uit elkaar getrokken. We zien dat bedrijven zich steeds meer gaan specialiseren.
Nieuwe toepassingen van al bestaande technologieën hebben in de afgelopen jaren ervoor gezorgd dat nieuwe sectoren zijn ontstaan: De ICT-sector, de biotechnologie en de ruimtevaarttechnologie.
Net als in de Industriële Revolutie, heeft deze technologische revolutie een flinke versnelling veroorzaakt in groei en welvaartsvermeerdering. Onderzoek heeft een verband tussen innovatie en welvaartsgroei aangetoond. Waar zit nog Research & Development? Amper meer in Nederland. In de bedrijfstak Metalektro bedrijft alleen nog Philips echt research. Verder vindt research veelal plaats bij universiteiten en hogescholen. Dit is een ontwikkeling die we in de gaten moeten houden. De economische groei van de afgelopen jaren kan voor 40 procent worden verklaard uit de technische vooruitgang. Een analyse van het ministerie van Economische Zaken stelt dat één gulden die extra wordt besteed aan innovatie zich op den duur vertaalt in een stijging van onze welvaart met 10 gulden.
De opgeklopte aandacht voor internet- en telecom-bedrijven is inmiddels passé. De maakindustrie moet van deze nieuwe realiteit profiteren en zichzelf weer op de kaart zetten...als vernieuwende industrie.
Neem nu bijvoorbeeld de machinebouw: De vernieuwing die daar plaatsvindt, is het meest zichtbaar op het gebied van onderhoud van machines. Veel onderhoud is gebasseerd op automatisering in de machine zelf. Als daaraan een pakket software wordt toegevoegd, is zelfs onderhoud op afstand mogelijk. ‘Condition monitoring’, noemen ze dat. Het betekent dat een machine in China kan staan en toch vanuit Nederland onderhouden wordt. Met behulp van een computer wordt namelijk met de machine gecommuniceerd. In die machine zitten analyseprogramma’s ingebouwd waardoor je gegevens op afstand kunt lezen.
Het is zelfs al mogelijk dat een machine zélf op basis van gebruik en slijtage kan aangeven wanneer ze de geest gaat geven. De leverancier kan daarop inspelen door ervoor te zorgen dat tijdig vervangende onderdelen ter plaatse zijn. Dit levert uiteraard besparingen op en tevreden klanten. In de toekomst zal internet een grote rol gaan spelen bij dit soort onderhoud-activiteiten.
De maakindustrie maakt nog een tweede verandering door. Bedrijven doen niet meer alles zelf. De Nederlandse machinebouwers, bijvoorbeeld IHC of DAF, richten zich steeds meer op het ontwerpen van machines en besteden het maken vervolgens steeds vaker uit aan toeleveranciers. Aan het einde van dat proces keren de onderdelen terug bij de machinebouwer die ze uiteindelijk assembleert. En zo is het een kop-staart-bedrijf geworden.
We zijn in de afgelopen 15 minuten door de hele ontwikkeling van de industrie gelopen, van prehistorie tot moderne tijd. Maar we hebben dat gedaan zonder de overheid te noemen. Heeft de industrie dan helemaal geen overheid nodig?
Dat wil ik niet beweren. Maar, haar rol moet een voorwaarden scheppende zijn en geen sturende. Na de debacles van de jaren zeventig en tachtig is de overheid zelf daar ook van overtuigd.
De overheid moet zorgen voor goed onderwijs (want dat is nu onder de maat), een goede infrastructuur voor onderzoek en ontwikkeling en nieuwe technologieën stimuleren die voor bedrijven te omvangrijk en te duur zijn, zoals ruimtevaart en geavanceerde defensie en militaire systemen. Kortom het stimuleren van kennis. Daarnaast niet te vergeten een goed fiscaal klimaat. Neem bijvoorbeeld de Nederlandse vennootschapbelasting. Deze belastingsvorm zou geharmoniseerd moeten worden in de lijn van omringende landen.
Het ministerie van Economische Zaken spreekt in dit geval van een kenniseconomie. Ik heb het liever over een talenteneconomie. Waarom? Kenniseconomie doet vooral de gedachten uitgaan naar het hoofd. Terwijl we zo verschrikkelijk veel behoefte hebben aan mensen die wat ze in hun hoofd hebben, met hun handen kunnen maken. Ik ben van huis uit scheikundige. Het was misschien wel leuk dat ik het periodiek systeem van Mendelejew uit mijn hoofd leerde, maar het was vooral zo leuk dat ik met mijn handen mooie verbindingen kon maken die wel of niet ontploften.
Kennis ontwikkelt zich op dit moment zich zo snel dat individuele mensen en bedrijven het niet meer kunnen bijbenen. De enige oplossing om bij te blijven is samenwerken, kennis delen oftewel clusteren.
In gewone-mensen-taal staat clusteren voor: twee weten er meer dan een. En ook door sparren, met elkaar discussieren en onderzoeken komen we op een hoger kennisniveau. Het doel van clustervorming is dan ook het stimuleren van innovatieve samenwerking en van netwerkvorming tussen bedrijven en kennisinstellingen en tussen bedrijven onderling.
Het ministerie van Economische Zaken is van mening dat clustervorming hoogwaardige bedrijven in Nederland verankert. En het is dan ook een grote voorstander van betere samenwerking tussen bedrijven. Het wil met name de samenwerking tussen grote en kleine bedrijven versterken. Dit moet bijdragen aan het verhogen van de concurrentiekracht van Nederland en het bedrijfsleven als geheel. De overheid wil daar bij helpen en heeft daarvoor een beleid geformuleerd.
Op het gebied van innovatieve clustervorming onderscheidt EZ drie rollen voor de overheid:
Rol 1. Voorwaardenscheppend. De overheid creëert gunstige en stabiele voorwaarden waaronder bedrijven hun concurrentievermogen en innovatie-potentieel kunnen vergroten.
Rol 2. Makelaar en een schakelaar. De overheid identificeert en stimuleert mogelijkheden van innovatieve clustervorming door strategische informatievoorziening en brengt vragers en aanbieders bij elkaar.
Rol 3. De overheid als veeleisende marktpartij die moet voorzien in maatschappelijke behoeften. Hoe moeilijk deze definitie voor EZ is, blijkt wel uit de uitleg die het ministerie aan deze rol geeft. De overheid moet voorzien in een aantal maatschappelijke behoeften met een publiek karakter en moet daarbij innovatieve clustervorming actief initiëren. Kortom de overheid denkt nog na hoe dat precies ingevuld moet worden. Maar wij denken daarbij aan initiatieven als de zweeftrein, internet voor iedereen enzovoort.
Ik vind dat Economische Zaken zich vooral tot de eerste twee rollen zou moeten beperken. Op het eerste gezicht lijkt het interessant voor de overheid om een voortrekkersrol te spelen bij een bepaalde technologische ontwikkeling, maar misschien is het toch beter dat we de markt laten bepalen wat interessant is of niet.

In plaats van de rol als marktpartij zou de overheid meer kunnen doen voor de publiek-private-samenwerking. En daarbij denk ik vooral aan het onderwijs, wetenschap en onderzoek. Als voorbeeld van een PPS noem ik de samenwerking ingebieden als bijvoorbeeld Kosovo. Hier moet een wederopbouw plaatsvinden. Het is duidelijk dat bedrijven - civiele troepen - hierin een grote bijdrage zouden kunnen hebben. Toch gebeurt dat nog te weinig.


In Nederland kennen we voor onderwijs, onderzoek en ontwikkeling drie geldstromen.
De eerste is de directe geldstroom naar het onderwijs en de wetenschap door de overheid. Het geld voor universiteiten, het hogere, middelbare en het lagere onderwijs.
De tweede geldstroom, ook afkomstig van de overheid, is specifiek gericht op stimuleren van bepaalde onderzoeken. In het bepalen van onderzoeksonderwerpen moet het bedrijfsleven meer inspraak krijgen.
De derde geldstroom is afkomstig van het bedrijfleven. Dat sponsort hoogleraren, geeft geld voor specifiek onderzoek en bepaalde opleidingen.
In het rapport van Economische Zaken ‘Ruimte voor Economische Vernieuwing’ beklaagt EZ zich erover dat bepaalde innovatieve projecten niet van de grond komen door gebrek aan geld. Er is genoeg geld, zegt EZ, maar dat wordt niet ingezet voor innovatie.
Dat verbaast mij niets. Innovatie wordt in Nederland veel te veel gezien als het verzinnen van iets totaal nieuws. Ik zie innovatie vooral als een voortdurende verbetering van een al bestaand product. Wat wij heden ten dage high tech noemen is voortgekomen uit zaken die al langer bestonden. Het is daarom, denk ik, net zo belangrijk om bedrijven te ondersteunen met het verder ontwikkelen van hun bestaande producten, in plaats van het financieel belonen van mensen die steeds op nieuw een nieuw wiel uitvinden.
En als de overheid zich beklaagt dat er zo weinig aandacht is binnen het technisch onderwijs voor ondernemerschap, zou ik als Economische Zaken toch eerst hand in eigen boezem steken en kijken naar de obstakels die er liggen voor het starten van een technisch bedrijf. Een technisch bedrijf begin je niet zomaar vanaf je zolderkamer. Daar is veel geld voor nodig en bovendien een locatie die voldoet aan alle regels op het gebied van geluidshinder en milieu.
Een overheid moet de ruimte geven aan ondernemers, moet voorwaarden scheppend zijn. Wat de overheid vooral niet moet doen is obstakels opwerpen en het bedrijfsleven voor de voeten lopen, bijvoorbeeld door te strenge regelgeving. Of, en dat is van de laatste tijd, allerlei sociale afspraken willen vastleggen in de wet.

Nieuwe werknemer

Waarom willen wij in Nederland altijd alles regelen? De nieuwste rage op dat gebied zijn de verlofregelingen. We hadden al zwangerschapsverlof, maar daar konden alleen vrouwen van gebruik maken. Dus kregen we ouderschapsverlof en nu is mevrouw Verstand – nee, ik maak daar geen grap over – bezig met een wettelijke verlofregeling voor iedereen. Binnenkort weten een heleboel kindertjes opeens wie hun vader is, want dan hebben we ook het wettelijk recht op zaaddonorschapsverlof. En daar zullen al die voorheen anonieme zaaddonnors graag gebruik van maken.


Zonder gekheid. Het is toch van de zotte dat individuele werknemers en werkgevers een wettelijke regeling moeten hebben om afspraken te maken over het verzorgen van een zieke moeder, vader, kinderen of andere naasten. Niet alleen kost het de werkgevers verschrikkelijk veel geld en met de forse loonkostenstijgingen van de afgelopen jaren is dat mogelijk voor een heleboel bedrijven de nekslag, maar het druist in tegen de flexibilisering van arbeid waar we net zo hard aan gewerkt hebben.
Nu is het helemaal niet de bedoeling om zaken als een sabbatical leave of andere soorten van verlof onmogelijk te maken. Integendeel. Het kan voor een medewerker die dat verlof nodig heeft, geregeld worden. Maar laten werknemers en werkgevers daar samen afspraken over maken.
Ik hoor u nu bijna allemaal denken ‘wat heeft dit met industriebeleid te maken’. Alles, dames en heren.
Zoals u weet heeft de metalektro-sector heel veel moeite om goed gekwalificeerd personeel te vinden. Daarnaast moet onze sector zijn best doen om mensen binnen te houden en aan de andere kant gaan de technische ontwikkelingen binnen onze sector ook zo snel dat medewerkers regelmatig bijgeschoold en omgeschoold moeten worden. Die wisselwerking wordt met een mooi woord ook wel employability genoemd. En de overheid heeft daar ook zo haar ideeën over.
Maar laat ik hier een ding voorop stellen:
Employability-beleid is altijd maatwerk per onderneming. Per bedrijf is de samenstelling van het personeel verschillend. Dus willen wij ook niet per sector allerlei afspraken maken. Ook hier moet het samenspel van de individuele werkgever en de werknemer voorop staan. Wij hoeven niet te sturen. Wij moeten voorwaarden scheppen. Dat is informatie geven aan bedrijven. Ze begeleiden in die hele wirwar van cursussen; welke onderneming heeft behoefte aan wat. Een indicatie geven van de kosten en de voordelen.
We hebben echter een probleem. Dat begint al in het beroepsonderwijs waar een groot deel van de jongeren zonder diploma vanaf komt. Waarom verlaten ze school? Omdat ze geld willen verdienen. Geld dat ze nodig hebben voor hun mobiele telefoon, voor hun scooter, kleding etc. etc. Met dat probleem kampen we al jaren. Volgens de Arbeidsvoorziening verlaten per jaar in totaal zo’n 100.000 jongeren school zonder diploma.


Wij vinden gecombineerd leren en werken op alle niveaus een hele goede oplossing. Wij willen iedere leerling die nu een opleiding werktuigbouw, elektrotechniek, elektronica of informatica volgt wel een arbeidscontract voor enkele dagen aanbieden MITS deze wel, samen met ons, zijn of haar studie afmaakt. Voor MTS-ers en HTS-ers bestaat al het studiebaancontract, waaronder leerlingen afwisselend leren en werken. Laat elke mbo-er en hbo-er die daar interesse in heeft zich melden bij onze 3000 ondernemingen.
Onze sector heeft behoefte aan mensen met talent. We hebben het in Nederland voortdurend over de kenniseconomie, maar kennis is meer dan informatie- en telecommunicatietechnologie. Kennis is ook vmbo-ers en mts-ers opleiden tot goede vaklieden. En ik zei het al eerder deze middag: Laten we die term kenniseconomie nu eens vervangen door talenteconomie. En mensen gaan stimuleren om dingen te gaan doen waar ze goed in zijn, waar hun talenten liggen. Dat betekent kinderen testen op wat ze kunnen en niet op wat ze niet kunnen, zoals bij de citotoets. Dat betekent ook mensen niet laten verpieteren in de WAO, in de WW of op hangplekken. Ze de kans geven wat van hun leven te maken.
En dat laatste brengt mij bij een van mijn stokpaardjes. Het wachten is nog op de aanbevelingen van de commissie Donner. De commissie die de regering moet helpen bij het oplossen van het WAO-probleem. En als ik de uitgelekte berichten in de pers mag geloven, gaat de commissie Donner de goede kant op. Mensen met psychische problemen horen niet in de WAO thuis. Sterker nog volgens WAO-expert Hoogduin is de WAO de reden van de psychische problemen. En dat verbaast mij niet.
Sociale zekerheid, dames en heren, daar is het allemaal begonnen. Geen sociale Onzekerheid, nee sociale ZEKERHEID. We hebben met het genereuze stelsel van sociale zekerheid de Nederlandse bevolking minder weerbaar gemaakt, minder verantwoordelijk voor hun eigen leven. De overheid heeft tegen mensen gezegd ‘u hoeft zich geen zorgen te maken over uw financiële toekomst, daar zorgt de overheid voor’. Niet alleen kunnen we dat nu niet meer met z’n allen betalen. We hebben onszelf daarmee ook watjes gemaakt. Ik heb de hele WAO en alle instanties daarom heen ooit de slachtofferindustrie gedoopt. Als we al die mensen die nu met hun psychische problemen in de WAO zitten nu eens van hun slachtoffer-syndroom afhelpen en verantwoordelijk maken voor hun eigen leven, ze weer leren dat ze talenten en mogelijkheden hebben. Dan moet het wel goed komen met de WAO. Dan kan de WAO weer een 100 procent uitkering worden voor de mensen die chronisch ziek zijn of door hun werk fysiek niet meer in staat zijn te werken. Al de mensen die aan gevaarlijke sporten en andere activiteiten doen, moeten zich daarvoor individueel verzekeren.

Nieuwe werkgever

Na de Nieuwe Industrie en de Nieuwe Werknemer verwacht u natuurlijk dat ik de Nieuwe Werkgever ga introduceren. Daar wacht ik nog even mee, want er moet me eerst nog iets van het hart. In sommige kringen is namelijk niet alleen het beeld van de metalektro-bedrijven verouderd, maar ook dat van de ondernemers die er de leiding hebben. Er zijn nog steeds mensen, bestudeerde mensen die ondernemers afschilderen als kapitalistische uitzuigers die bij wijze van spreken hun dagen slijten in de bibliotheek van hun kapitale villa, genietend van een dikke sigaar en een goed glas cognac. En dit natuurlijk terwijl de arbeiders hun ruggen krom werken en met een hongerloontje naar huis gaan.


Ik dacht dat dit vooroorlogse denken lang en breed begraven was. Maar het PvdA-Tweede Kamerlid Rik Hindriks is het levende bewijs van het tegendeel. Een column van zijn hand die eind januari in Het Financieele Dagblad stond afgedrukt, is bij mij finaal in het verkeerde keelgat geschoten. Hindriks maakt weliswaar met bijna iedereen die in Nederland een directe verantwoordelijkheid heeft voor het economisch beleid de kachel aan. Maar hij richt zijn giftigste pijlen op de werkgevers. Vrij vertaald beticht hij hen ervan ordinaire zakkenvullers te zijn die alleen maar geld willen verdienen.
De teneur van zijn verhaal is dat ondernemend Nederland slechts uit eigenbelang blijft vragen om verdere loonmatiging en meer lastenverlichting voor het bedrijfsleven. Bovendien stelt het PvdA-Kamerlid en nu citeer ik: “Nederlandse werkgevers hebben last van een vorm van geestelijke luiheid. Het gaat al jaren zo goed dat ze het maken van echte keuzes verleerd zijn.” Einde citaat.
Ik heb de stellige indruk dat Hindriks economisch niet helemaal bij de les is. Ondernemers, ook in de metalektro-industrie, dringen inderdaad aan op een beperking van de loonsverhogingen. Maar aan deze opstelling liggen goede economische redenen ten grondslag.
Immers, de Nederlandse conjunctuur is over haar top heen. Gezien de florissante jaren die we achter de rug hebben, is een vertraging in de groei niet iets om dramatisch over te doen. En, om te voorkomen dat de economische motor oververhit raakt, is het misschien juist wel goed even een tandje terug te schakelen.
Maar we zullen er met zijn allen echter wel voor moeten blijven zorgen dat de groei op peil blijft. En, dat kan alleen als we de concurrentie met het buitenland aan kunnen. Met hoge lonen, die nog gebaseerd zijn op de hoge economische groei van de afgelopen jaren zullen we onszelf nog verder uit de markt prijzen. Ik zeg bewust ‘nog verder’. Want de Nederlandse concurrentiepositie verslechtert toch al in een rap tempo.
Dit blijkt onder meer uit een recent rapport van de Europese Commissie. De crux is dat de arbeidsproductiviteit in Nederland onvoldoende stijgt om de hogere loonkosten te compenseren.
De Europese Commissie heeft berekend dat de loonkosten per eenheid product dit jaar in Nederland met 2,8 procent zullen stijgen. Voor het hele eurogebied is de toename slechts 1,2 procent. Als we alleen naar Duitsland kijken, lopen we nog verder uit de pas. De loonkostenstijging is daar in 2001 slechts 0,2 procent.
Deze zorgwekkende ontwikkeling wordt nog versterkt doordat de goei van de arbeidsproductiviteit steeds verder achterblijft bij die van andere Europese landen.
De Europese Commissie rekent ons voor dat in de periode 1996 tot 2002 de Nederlandse concurrentiepositie met 1,9 procent verslechtert. Alles bij elkaar opgeteld, bedraagt de verslechtering aan het einde van dit jaar dus 11,2 procent. De meeste bedrijven voelen dat nu al in hun marges.
Om het tij te keren, is een kostenbeheersing noodzakelijk. Daar hoort loonmatiging ook bij. Verder moeten we er voor zorgen dat Nederland zijn gunstige investeringsklimaat weet te behouden. Lastenverlichting, zoals een verlaging van de vennootschapsbelasting die in veel landen lager is dan bij ons, is daarvoor een adequaat instrument. Rik Hindriks, in de Tweede Kamer woordvoerder economische zaken voor de PvdA, zou zich eerst eens moeten verdiepen in de materie voordat hij zijn pijlen uit de koker haalt.
Dames en heren,
De toekomst ziet er conjunctureel de komende tijd er wat minder rooskleurig uit. Maar we zijn de afgelopen jaren dan ook vreselijk verwend geraakt aan een economische groei van gemiddeld bijna 4 procent. Het CPB heeft de afgelopen maanden gestaag de groeiverwachting naar beneden bijgesteld. Maar de FNV houdt vast aan een looneis van 4 procent. Als ik heel gemeen ben dan denk ik aan een dubbele agenda van de FNV. Want als Nederland weer in de ban zal zijn van grootscheepse reorganisaties, worden weer meer mensen lid van een vakbond. Maar zo slecht kan Lodewijk de Waal niet zijn, toch?
We hebben de groei van de afgelopen jaren bereikt door loonmatiging, flexibilisering en de inzet van meer mensen in het arbeidsproces. Die ontwikkeling moeten we niet stoppen. Sterker nog: We zullen leaner en meaner moeten worden. Meer inspanningen doen voor technologische vernieuwing, meer mensen weerbaarder maken en op die manier onze productiviteit verhogen. De overheid kan daar een grote rol inspelen. Niet door nieuwe regels, maar juist door minder regels. Door regulering die nuttig is, die mensen begrijpen en die handhaafbaar is. Een overheid die de ruimte geeft aan individuen en aan ondernemers.
Ik dank u voor uw aandacht!







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina