Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen vzw



Dovnload 366.91 Kb.
Pagina13/14
Datum20.08.2016
Grootte366.91 Kb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14

Bijlage 4: Informeel Vertikaal Overleg Werk en Sociale Economie. Verslag overleg ivm afstraffingsmechanismen, en advies VAP Werkloosheidsvallen



Verslag Informeel Verticaal Overleg Werk en Sociale Economie

26 februari 2007

Aanwezig:

  • Henk Termote (Steunpunt Armoedebestrijding)

  • Toon Walschap (De Link)

  • Frederic Vanhauwaert (Vlaams Netwerk)

  • Diane Moras (APGA)

  • Marc Jans (Departement Werk en Sociale Economie)

  • Johan Troch (Departement Werk en Sociale Economie)

  • Elke Vandermeerschen (Vlaams Netwerk)

  • Gwendolina De Backer (Brussels Platform Armoede)

  • Danny Trimbos (De Link)


Verontschuldigd:

  • Marie-Lousie De Croock (APGA)

  • Ann Van den Cruyce (Departement Werk en Sociale Economie)

  • Ann Verboven (VDAB)

  • Swa Schyvens (Vlaams Netwerk)

  • Saskia De Bruyn (Leren Ondernemen)




  1. Inleidend:

- De uitvoeringsbesluiten lokale diensteneconomie zitten nog in overleg op kabinetsniveau. Vandaar kunnen deze niet tijdens dit overleg aan bod komen.


- Elke Vandermeerschen vervangt Hans Degreve voor de uitvoering van het project het activeren van mensen in armoede naar werk.
- Het Vlaams Netwerk geeft aan dat er momenteel werk wordt geleverd met betrekking tot (het al dan niet) definiëren van mensen in armoede. Vele beleidsmaatregelen worden gericht op specifieke doelgroepen (heel recent de speciale databanken die ontwikkeld werden voor allochtonen en arbeidsgehandicapten). Door het ontbreken van een goede operationele definitie van mensen in armoede worden er geen specifieke maatregelen voor deze doelgroep genomen.
- De Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg geeft aan dat zij op de dienst Doelgroepenbeleid niet echt een generalist in huis hebben die zou kunnen helpen bij het zoeken naar antwoorden in een aantal cases die betrekking hebben op federale materies. Uiteindelijk zou het afdelingshoofd van de dienst, de heer Joseph Remy, bereid zijn om zelf -indien mogelijk- het informele armoedeoverleg bij te wonen. Bovendien kunnen we eventuele vragen met een link naar het federale niveau steeds aan hen voorleggen.
- Het Vlaams Netwerk heeft telefonisch en via mail proberen afspraken te maken met betrekking tot het brengen van nieuwe punten op de werkgroep arbeidsmarktbeleid van de SERV. Momenteel is er nog geen antwoord, Marc en Johan polsen eens.
- Er wordt de laatste hand gelegd aan een Vlaams Actieplan Werkloosheidsvallen. Van zodra het beschikbaar is, bezorgen Marc en Johan dit aan de leden van het verticaal overleg.


  1. Concrete ervaringen uit de praktijk:

Diane geeft aan dat er in Antwerpen vele alleenstaanden geen job kunnen aannemen omdat er een gebrek is aan kinderopvang. Indien de mensen dan de job weigeren, worden ze geschorst. Volgens de vakbonden gaat dit om vrij veel mensen. Als oplossing geeft VDAB soms aan: betaal 20 euro per dag en dan vind je wel opvang of stuur je kinderen op internaat.


Dit is een goed voorbeeld binnen onze afstraffingsmechanismen.
Er is momenteel een Actieplan Flexibele Kinderopvang in opmaak. Johan en Marc kijken na hoe ver deze plannen staan. Het Vlaams Netwerk heeft al een verticaal overleg over kinderopvang gevraagd aan minister Vervotte (eventueel in combinatie met minister Vandenbroucke). Voor dit overleg zal er ook bij Jan Decleir (ACV-nationaal) gepolst worden over hoeveel mensen dit gaat (in Antwerpen zouden dit 2000 mensen zijn).


  1. Buurt- en nabijheidsdiensten

Er komen twee soorten uitvoeringsbesluiten met betrekking tot de lokale diensteneconomie:

- De algemene UV-besluiten bespreken we op deze vergadering van zodra ze klaar zijn. Deze regelen vooral de verantwoordelijkheden van minister van Brempt in deze.

- De specifieke UV-besluiten regelen vooral de combinaties met andere beleidsdomeinen/ministers en regelen dus al meerdere stukjes van de klaverbladfinanciering. Zo komen er specifieke uitvoeringsbesluiten over duurzame ontwikkeling, kinderopvang, …

Het is belangrijk om aan te dringen dat ook ‘buurtontwikkelingsdiensten’ op dit lijstje komt, en liefst ergens bovenaan. Het Vlaams Netwerk neemt contact met kabinet Van Brempt en kabinet Vervotte om dit na te vragen.
De Link had al overleg met Dirk Van de Poel (kabinet Van Brempt) over het oprichten van een pool van ervaringsdeskundigen in de provincie Limburg. Deze zouden een buurt- en nabijheidsdienst vormen die op vraag vorming en advies gaan geven over armoede binnen de provincie.


  1. Project Brussels Platform Armoede binnen de diversiteitsplannen

In samenwerking met het Vlaams Netwerk en het BNCTO heeft het Brussels Platform Armoede een tewerkstellingsproject ingediend binnen de diversiteitsplannen. Dit wordt meer dan waarschijnlijk eerstdaags goedgekeurd en gaat van start op 1 april 2007. Het project loopt voor 1 jaar. De 3 delen van het project zijn:

- vorming en uitwisseling tussen de Brusselse verenigingen waar armen het woord nemen en de diensten voor tewerkstelling en opleiding in Brussel

- een experimenteel toeleidingsproject naar een diversiteitsbedrijf: toeleiding en instroom van mensen in armoede in een bedrijf.

- Vorming en handboek voor de projectontwikkelaars in het kader van de diversiteitsplannen.
De stand van zaken van dit project wordt telkens op dit informele verticale overleg besproken.


  1. Project “Activeren van mensen in armoede naar werk”

Elke licht de stand van zaken toe. Zie bijlage.


Op 17 april vindt er over de eerste resultaten een forum in Brussel plaats. Gelieve deze datum vrij te houden.


  1. Cases Afstraffingsmechanismen

Bij het onderzoeken van de cases kwamen we tot volgende conclusies:

- Er zijn nog vele financiële vallen. Het onderzoek van individuele cases brengt structurele problemen/mechanismen naar voor. In casu stellen de 2 onderzochte cases rond financiële risico’s (nota in bijlage) de volgende drie activeringsrisico's in het licht:

 De verlengde kinderbijslag gehandicapte blijft lopen bij tewerkstelling op maat.

Eens tewerkgesteld in de reguliere arbeidsmarkt, is men die voorgoed kwijt, ook indien men daar niet slaagt en terugstapt naar tewerkstelling op maat.

 Achterstallen in inkomen waarop men recht heeft omwille van administratief trage processen en nalatigheid van de werkgever op vlak van personeelsadministratie kunnen oorzaak zijn van tijdelijk, maar voor mensen in armoede problematisch inkomensverlies.

 Hervallen in werkloosheid gaat samen met verlies van verhoogde kinderbijslag gedurende wachttijd van zes maanden die men in de voorgaande periode van werkloosheid genoot.

- Het is een heel complexe zoektocht om alles uit te zoeken. Voor mensen zal het in de praktijk dus ook heel moeilijk zijn om de consequenties van een bepaalde stap in te schatten. In dit verband wordt nog eens gezegd dat men binnen het departement WSE bezig is met het ontwikkelen van een “Frontoffice tewerkstellingsmaatregelen” die dit gedeeltelijk zal verhelpen (cf. loonlast berekenen). Verder wordt ook nog verwezen naar “de Rechtenverkenner” (minister Vervotte) en “de premiezoeker” (minister Keulen).

- Er zijn een aantal subjectieve drempels: angst om de stap te zetten, angst voor het wegvallen van het huidige sociale netwerk.

- Er is nood aan een centraal meldpunt waar men alle nodige info zou moeten kunnen vragen en vinden. In feite is dat de taak van de lokale werkwinkels.

- Wat verstaat men onder een “passende dienstbetrekking”? Johan zal dit navragen bij de VDAB/RVA.
Samengevat stootten we dus op (1) risico’s gerelateerd aan de houding van de werkgever, (2)

technisch-specifieke risico’s, (3) de complexiteit (zoektocht op zich) en (4) subjectieve drem-pels gerelateerd aan psychologische factoren en sociale netwerken.


We spreken volgende zaken hierover af:

- Elke stuurt, indien ze deze tegenkomt, nog cases met betrekking tot financiële vallen door aan Johan.

- We proberen deze zaken te integreren binnen het project van Elke; de subjectieve drempels en de zoektocht op zich komen daar al heel sterk aan bod. Saskia ging nog iets voorbereiden (cases opzoeken) rond sociale/psychologische drempels.

Frederic Vanhauwaert

Johan Troch


VERTICAAL ARMOEDEOVERLEG – ARMOEDECASES: FINANCIËLE RISICO’S

15 mei 2007
CASE 1: HANDICAP
Jef - ° 1962

- jarenlang tewerkgesteld in beschutte werkplaats

- invaliditeit via mutualiteit

- heeft opleiding gevolgd

- werd door RIZIV niet langer erkend wegens nieuw diploma

- nam (onder druk van werkgever) zelf ontslag in BW en werd dan geschorst van werkloosheidsuit-

keringen; daarom leeft hij bij start van de situatie van leefloon
Hij kan in een gewoon contract tewerkgesteld worden voor 15/38 u - voorlopig zijn er slechts middelen voor 30 maanden loon.

De werkgever krijgt premie via het Vlaams Fonds.

Omdat we weten dat de tewerkstelling tijdelijk is, vragen we op voorhand na of Jef zijn broek niet zal scheuren aan deze tewerkstelling. We zijn o.a. bij een dienst van de tegemoetkomingen FOD geweest en daar werd gezegd dat X onder een bepaald loon moest blijven.
Beginsituatie 01/01/2005
Integratietegemoetkoming: 149.07

Verlengde Kinderbijslag gehandicapte: 117.79

Bijpassing leefloon (in afwachting beroep werkloosheidsuitkering): 343.31
Loon vanaf 1/1/05: 737 € bruto - 636 € netto

WLH-vergoeding is in de loop van 2005 ook in orde gekomen en bedraagt dan als bijpassing op deeltijdse tewerkstelling: 370 €


Antwoord 1 vanwege de Katholieke Vereniging voor Gehandicapten (KVG):

“U geeft een case op waarin wel een aantal essentiële zaken ontbreken (welke woonsituatie?, welke categorie IT?, welk is de financiële situatie in 2006?) om een juiste berekening te kunnen maken. Ik zal dan ook maar in dezelfde zin kunnen antwoorden zoals u uw vraag gesteld hebt.

 

We moeten in principe uitgaan van het netto belastbaar inkomen. U geeft het bruto en het netto inkomen op, maar niet het netto belastbaar. Wij hebben dus een fictieve berekening gemaakt.



Bruto arbeidsinkomen - RSZ = 7.680 Euro + WLH 370 x 12 = 4.440 Euro. Dit wil zeggen dat er geen inkomensvervangende tegemoetkoming kan zijn.

 

We weten de categorie van IT ook niet. Ik veronderstel minstens categorie 2 door wat hij nu krijgt.



Voor de inkomsten uit arbeid is er een vrijstelling van om en nabij de 18.000 Euro op jaarbasis, waar tot 2.683,33 Euro vervangingsinkomen (in zijn geval WLH) kan in begrepen zitten. Hierdoor blijft er nog 1.757 Euro teveel om een volledige IT te kunnen genieten. Als hij dus categorie 2 zou hebben zal hij nog recht hebben op een 1.650 Euro per jaar aan IT of 137,5 Euro per maand.

 

Wat de verlengde kinderbijslag betreft is dit niet zeker dat deze blijft doorlopen. Ook hier hebben we geen gegevens over. Deze kinderbijslag wordt maar verder uitgekeerd in de volgende 2 situaties:



-erkenning door het kinderbijslagfonds als volledig werkonbekwaam

-erkenning als 66% en werkend in een BW of van daaruit werkloos of ziek zijn. Bij een overschakeling naar een gewone tewerkstelling valt deze weg en kan nooit meer terug aangevraagd worden.”


Opvragen van aanvullende gegevens:

- Het netto belastbaar inkomen kennen we niet.

- Categorie IT = bij de aanvang van tewerkstelling was dit 9 punten - nu na nieuw onderzoek 12

punten


- Woonsituatie = Jef is alleenstaande en woont in een sociale woning

- Kinderbijslag = niet duidelijk:

Jef werd een keer opgeroepen voor medisch onderzoek maar had nagelaten door te geven dat hij in de BW aan t werk was. Hij verloor zijn kindergeld maar intussen is kindergeld van 147 € naar 101 € gezakt en terug naar 124 € gestegen, wat onder meer ook te maken heeft met het overlijden van de moeder van Jef waardoor hij wezengeld kreeg. Het is onbekend op welke basis Jef nu kindergeld krijgt.
Antwoord 2 vanwege de KVG:

“Ook als alleenstaande zal hij geen inkomensvervangende tegemoetkoming kunnen krijgen of er zal alleen loon moeten zijn. Maar volgens de gegevens zal er ook nog een stuk WLH zijn.

Bij de kinderbijslag gaat men rekening houden met de tewerkstelling. Wanneer dit een gewone tewerkstelling is (buiten de BW) zal deze kindervergoeding wegvallen en niet meer terugkomen, ook al zou er nadien (na een gewone tewerkstelling) terug in de BW gewerkt worden.

Wat de integratietegemoetkoming betreft blijft hij (cf. de cijfers die u de eerste maal opgaf) een teveel van 1757 Euro per jaar hebben om een volledige IT te genieten. Daar in categorie 3 een jaarbedrag van 5.445 Euro wordt gegenereerd, zal er ongeveer nog een 3.800 Euro op jaarbasis overblijven.

 

Zoals ik in mijn vorige mail al stelde gaat het hier over een benaderende berekening. Ik heb mij moeten baseren op de cijfers die u mij verschafte. Maar ik denk dat u hiermee toch al wel een zicht moet krijgen op de mogelijke financiële implicaties van de tewerkstelling.”


CASE 2: KINDERBIJSLAG
Jan 45 jaar, samenwonend met vriendin en moeder van zijn kinderen.

Vriendin is ten laste van hem en ontvangt geen enkele vorm van uitkering

Er zijn 3 kinderen in het gezin, waarvan een tweeling van 13 jaar en een dochter van 5 jaar.

Zij wonen in een huis van de sociale woningmaatschappij waarvoor zij 236 € huur betaalt.


Situatie A

Jan kreeg een werkloosheidsuitkering van ongeveer 950 € en werkte voor een PWA, waarvoor hij ongeveer 150 € per maand ontving. Er was ook verhoogde kinderbijslag van ongeveer 600 €. In totaal ontving Jan dus een totaal inkomen van 1700 € per maand.


Situatie B

Via een brief van de VDAB met een jobaanbieding bij TIVO, heeft Jan contact opgenomen met de werkgever en kon hij beginnen voor een jaar bij TIVO met een WEP + statuut.

Hij kon beginnen werken met een 4/5 contract. Na twee maanden werd hem de vraag gesteld of hij voltijds kon beginnen werken. Hij wou dit graag doen, maar enkel als hij zekerheid had over het feit of hij zijn verhoogde kinderbijslag zou kunnen blijven ontvangen. De werkgever gaf aan dat er niets zou veranderen, dat hij nog steeds van dezelfde voordelen zou kunnen genieten als voorheen.
In juli begonnen de problemen. Ineens ontving het gezin geen kinderbijslag meer omdat men ging onderzoeken of ze wel recht hadden op verhoogde kinderbijslag, ook waren er een aantal documenten, die de werkgever maandelijks moet invullen, niet in orde.

De vakbond werd ingeschakeld, er moest meermaals heen en weer worden gehold, documenten wor-den verzameld, … dit maakte dat Jan vakantie moest nemen om dit alles in orde te brengen. Helaas heeft het niets opgeleverd want uiteindelijk kreeg hij te horen dat ze geen recht hadden op verhoogde kinderbijslag.


Ook is er wel elke maand een document dat niet in orde is gebracht door de werkgever, wat maakt dat Jan zijn loon vaak niet klopt. Een feestdag is niet uitbetaald, verkeerde berekeningen met uren, …
Momenteel werkt Jan dus 5/5 en heeft hij de volgende inkomsten:

Loon: 745 € van TIVO en 545 € werkloosheidsuitkering en kindergeld voor een bedrag van 500 €. Dit geeft een totaal van 1790 €.


Situatie C

In januari loopt zijn contract ten einde. Er is nog geen uitzicht op werk en dit ondanks het feit dat hem werd verteld dat de werkgever zou kunnen zorgen voor een doorstroming naar de reguliere arbeidsmarkt op het einde van het contract.

De kans is dus reëel dat het gezin vanaf januari terug zal moeten leven van een werkloosheidsuitkering van ongeveer 950 € per maand en een kinderbijslag van 500 € (de eerste 6 maanden, nadien terug verhoogde kinderbijslag). Dit maakt dat Jan en zijn gezin achteraf bekeken slechter af zijn dan toen wanneer hij niet werkte. Jan wil liever gewoon gaan werken, maar hij zegt zelf dat als hij geen werk heeft, hij terug voor het PWA gaat werken om meer inkomsten te hebben.

Ook zal de huur van het gezin naar boven gaan, omdat dit berekend wordt op basis van de inkomsten van het gezin.


Wel zegt Jan dat hij veel heeft bijgeleerd, een aantal opleidingen heeft kunnen volgen zoals het behalen van zijn VCA-attest, sollicitatietraining en het behalen van zijn rijbewijs.

Het werken op zich heeft hij als positief ervaren. De problemen die hij iedere maand weer had met documenten die niet in orde waren, het ervaren van onzekerheid naar de toekomst en dergelijke meer, maakte dat hij soms heeft willen stoppen met de job. Hij zegt dat dit niet leuk is om op zulk een manier te moeten werken. Ook de gebrekkige opvolging en voorbereiding naar een nieuwe job ervaart hij als een negatief punt. Hij heeft het gevoel dat het vooral de werkgever is die een voordeel haalt uit dit statuut.


Antwoord vanwege de Rijksdienst voor Kinderbijslag (RKW)
Situatie A

Jan genoot een uitkeringstoeslag omdat hij als werkloze een activiteit in het raam van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap (PWA) verrichtte.

Deze toeslag wordt niet gekwalificeerd als loon, noch als vervangingsinkomen en bijgevolg kon er verhoogde kinderbijslag als werkloze (barema 42 bis kinderbijslagwet) worden toegekend.
Situatie B

Jan is als werkloze tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma (DSP) bij TIVO (WEP-Plus-Plan).Voor werklozen tewerkgesteld in een DSP heet de tegemoetkoming een integratie-uitkering.

Omdat artikel 7, § 1 bis, eerste lid van de Besluitwet betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders van 28 december 1944 (ingevoegd bij K.B. van 14 november 1996, B.S. van 31 december 1996) dusdanige uitkeringen voor wat betreft de fiscale en sociale wetgeving aanmerkt als loon, wordt betrokkene niet langer beschouwd als vergoede werkloze in de werkloosheidsreglementering, zodat hij in geen geval nog aanspraak kan maken op verhoogde kinderbijslag als werkloze (barema 42 bis kinderbijslagwet).

Diegenen die deeltijds tewerkgesteld zijn in zulk een project en die van de R.V.A. daarbovenop een inkomensgarantie-uikering ontvangen, worden wel gelijkgesteld met vergoede volledig werklozen, die -alle wettelijke voorwaarden vervuld zijnde- recht hebben op de verhoogde schaal voor langdurig werklozen.


Situatie C

Het contract van Jan loopt in januari ten einde en hij wordt opnieuw volledig werkloze.

Vermits de werkloosheidsuitkeringen voortvloeien uit zijn tewerkstelling bij TIVO, zal Jan een nieuwe wachttermijn van 6 maanden moeten doorlopen alvorens hij recht kan hebben op verhoogde kinderbijslag als werkloze.
CASE 3: BEDRIJFSVOORHEFFING
Case

X werkt gedurende 2 jaar deeltijds (1/1/05 - 31/05/2006)

inkomen: loon + werkloosheidsvergoeding + integratietegemoetkoming

april 2007 ontvangt hij belastingsbrief : 249 euro te betalen !

 

Het is niet duidelijk of deze aanslag te maken heeft met te  weinig inhouding door het sociale secretariaat (de berekening fiscoweb geeft een nog hoger bedrag door) en X volgend jaar weer zo'n rekening krijgt dan wel of het om een ontvangst achterstal uit 2004 gaat (hij kreeg in 2004 voorschot OCMW op werkloosheidsvergoeding).



 

code 1250 wedden en lonen - forfait beroepskosten 6953 €

code 1260  - WL 3159 €

1261  - achterstallen 1173,24€

1269 aanvullende ziekteuitkering 1215,36 € (we zoeken nog uit wat dit is)

  

1286  bedrijfsvoorheffing - 605.80


Probleemstelling

Het probleem is dat mensen tijdelijk een hoger inkomen hebben maar door een verkeerde bedrijfs-voorheffing in problemen geraken achteraf, zeker als ze op dat moment niet meer aan het werk zijn.

Sommige sociaal secretariaten springen nonchalant om met de bedrijfsvoorheffing - voor hen is 250 € bijbetalen een peulschil, voor armen is het meer dan een maand leefgeld.

 

X. had eindelijk normaal inkomen en ging er van uit dat dit een reëel inkomen was; achteraf bleek dit dan niet te zijn. “Ik herinner mij nog iemand die door een verkeerde bedrijfsvoorheffing serieus heeft moeten bijbetalen en daardoor in ernstige problemen is geraakt.”



 

Mogelijke oplossing

Een oplossing zou kunnen zijn dat er een degelijk instrument is om een idee te geven wat je werkelijke inkomen is + dat er informatie moet gegeven worden over welke zaken een invloed hebben op die berekening bv. een kind dat niet meer naar school gaat, een echtgenote die werk vindt, enz...

 
CONCLUSIES:

De drie onderzochte cases stellen de volgende vier activeringsrisico's in het licht:

- De verlengde kinderbijslag gehandicapte blijft lopen bij tewerkstelling op maat. Eens tewerkgesteld in de reguliere arbeidsmarkt, is men die voorgoed kwijt, ook indien men daar niet slaagt en terugstapt naar tewerkstelling op maat.

- Achterstallen in inkomen waarop men recht heeft omwille van administratief trage processen en nalatigheid van de werkgever op vlak van personeelsadministratie kunnen oorzaak zijn van tijdelijk, maar voor mensen in armoede problematisch inkomensverlies.

- Hervallen in werkloosheid gaat samen met verlies van verhoogde kinderbijslag gedurende de wachttijd van zes maanden die men in de voorgaande periode van werkloosheid genoot.

- Mensen met tijdelijk een hoger inkomen geraken nadien door een verkeerde bedrijfsvoorhef-fing in de problemen, zeker als ze op dat moment niet meer aan het werk zijn.

Mogelijke oplossing is een degelijk instrument is om een idee te geven wat je werkelijke inkomen is + duidelijke informatieverstrekking over welke zaken een invloed hebben op die berekening bvb. een kind dat niet meer naar school gaat, een echtgenote die werk vindt, enz...

CASE 4: SOCIALE HUUR TE HOOG VOOR WIE WERKT
Probleemstelling

Werkenden betalen meer huur voor hun sociale woning dan niet-werkenden.

De huurprijs van een sociale woning wordt berekend op grond van het belastbare inkomen van de huurder. Dat benadeelt werkenden. Hun huurprijs wordt berekend op het inkomen voor de belastingen afgetrokken zijn. Mensen die van uitkeringen leven, betalen doorgaans geen belastingen. Hun belastbaar inkomen is gelijk aan hun werkelijk inkomen. Werkenden met een laag loon, maar eenzelfde netto-inkomen als uitkeringstrekkers, betalen meer huur. Dat is niet rechtvaardig en vormt een werkloosheidsval in het huurbesluit.

Mogelijke oplossing: werken met het effectieve inkomen, na belastingen
OPM.: RECENTE WETSWIJZIGING I.V.M. DE KINDERBIJSLAG:

Vanaf de 7de maand werkloosheidsuitkering hebben werkzoekenden recht op een sociale toeslag bij de kinderbijslag voor de kinderen in uw gezin. Als zij terug gaan werken, kunnen zij deze toeslag nog maximaal 2 jaar ontvangen. Dit is een recente wijziging in de wetgeving en kan een bijdrage leveren in het wegwerken van werkloosheidsval.



Hoe hoog mag het gezinsinkomen zijn?

 U leeft alleen met de kinderen: uw inkomsten mogen maximum € 1.740,15 bruto per maand bedragen.

 Uw (huwelijks)partner heeft geen inkomsten: uw inkomsten mogen maximum € 2.008,39 bruto per maand bedragen.

 Uw (huwelijks)partner heeft een uitkering, is werknemer of zelfstandige: uw inkomsten mogen samen maximum € 2.008,39 bruto per maand bedragen.

Het kinderbijslagfonds stuurt een formulier Toeslag bij de kinderbijslag - P19 om na te gaan of de sociale toeslag betaald kan worden.

 Welke inkomsten tellen mee?

Welke inkomsten tellen niet mee?

  • alle uitkeringen van de werkloosheid, van de ziekteverzekering, voor arbeidsongevallen, voor beroepsziekten, voor gehandicapten, enz.

  • alle pensioenen en renten

  • PWA-cheques en dienstencheques

  • alle lonen en alle inkomsten als zelfstandige

  • kinderbijslag

  • forfaitaire tegemoetkomingen voor hulp van derden, betaald aan invaliden en gehandicapten

  • onkostenvergoedingen voor onthaalouders betaald door Kind en Gezin

  • alimentatie

  • forfaitaire vergoedingen voor de voogdij over niet begeleide minderjarige vreemdelingen, ten belope van twee opdrachten, en forfaitaire vergoedingen voor administratiekosten voor die voogdij

De bedragen zijn van toepassing sinds 1 oktober 2006.
Advies Vlaams Actieplan Werkloosheidsvallen 2007

Met een aantal partners binnen het verticale overleg werkgelegenheid en sociale economie19, besteden we reeds enige tijd aandacht aan werkloosheidsvallen voor mensen in armoede en afstraffingsmechanismen bij (her)aanvatten van tewerkstelling. Vandaar graag een aantal opmerkingen en suggesties omtrent het Vlaams Actieplan Werkloosheidsvallen 2007.


Vooraf:
Het is positief dat in dit actieplan aandacht besteed wordt aan andere vallen dan enkel financiële. In het bijzonder de uitgebreide aandacht die besteed wordt aan zorgtaken en handicap en ziekte. Toch vrezen we dat bij de invulling hiervan een aantal werkloosheidsvallen voor mensen in armoede met dit actieplan niet weggewerkt worden.
Vaak weerhoudt het complexe (over)leven in armoede op zich mensen in armoede om een baan te kunnen vinden en aanvaarden. Ook diverse mechanismen van uitsluiting vormen zelf reeds een werkloosheidsval. Het actieplan bevat nu enkel instrumentele maatregelen. Het is noodzakelijk om ook aandacht te hebben voor expressieve zaken (bijv. aandacht voor ondersteuning, welzijn op het werk, de gekwetste binnenkant van mensen in armoede,…). Om werkelijk een effect te hebben en armoede te bestrijden dienen instrumentele en expressieve maatregelen gecombineerd te worden. Op deze combinatie zullen we in een volgend advies aan de SERV dieper ingaan. Het onderzoeksrapport ‘Van goede en slechte voorbeelden in het activeren van mensen in armoede naar werk naar mogelijke remedies en oplossingen’ in opdracht van minister Vandenbroucke zal immers medio juli aan de SERV bezorgd worden.
De complexiteit van de structuur van uitkeringen, premies, kortingen, toeslagen, … en fiscaliteit maakt het voor mensen in armoede enorm moeilijk om een duidelijk zicht te hebben op wat tewerkstelling met zich meebrengt. We juichen toe dat men zich daarvan bewust is, en dat een aantal voorstellen ter oplossing worden geformuleerd. Toch blijft het noodzakelijk om nog verdere stappen inzake transparantie te zetten. Iedere werkzoekende heeft immers het recht om te weten waarop hij/zij recht heeft, wat er bij bepaalde keuzes zal gebeuren, … Vandaag de dag moet er al een serieuze zoektocht geleverd worden om op deze vragen een afdoend antwoord te krijgen.
Het is eveneens een goede zaak dat er extra maatregelen komen, die gericht zijn op het wegwerken van werkloosheidsvallen voor alleenstaanden met kinderen, een groep met een enorm armoederisico. Wij vrezen echter dat het gevaar bestaat dat andere mensen in armoede door de heroriëntering een aantal mogelijkheden en kansen ontzegd worden, en dat daardoor de groep die ondervertegenwoordigd is in opleiding en tewerkstelling gewoon verschuift.
Bovendien bevat dit plan vooral ook maatregelen gericht op de groep van langdurig werklozen. Het is dan ook van belang dat deze maatregelen ook gelden voor langdurig werklozen die stappen zetten naar werk en door omstandigheden hierin mislukken. Vaak toont de praktijk aan dat deze mensen door hun korte werkervaring niet meer in aanmerkingen komen voor vele maatregelen.
We expliciteren graag onze bekommernissen en adviezen per hoofdstuk, en voegen ter illustratie daarvan een case uit de realiteit toe.

Advies per hoofstuk:


  • 1. Inkomen

Terecht wordt opgemerkt dat werkzoekenden in de bestaande structuur van uitkeringen en fiscaliteit niet altijd kunnen inschatten of het aanvaarden van een baan effectief financieel meer opbrengt. Wat betreft fiscale maatregelen is voor mensen in armoede enkel een directe verrekening in de kosten zinvol. Ook de fragmentarisering van het inkomen bij mensen die deeltijds werken of in bepaalde statuten tewerkgesteld zijn, en de onstabiliteit ervan, schrikt veel mensen af om te gaan werken. Niet enkel de onduidelijkheid, en de onzekerheid die deze met zich meebrengen, maar eveneens de administratieve rompslomp, die tijdsintensief is, en een extra onzekerheidsfactor met zich meebrengt. (Een stempel te kort, een formulier te laat, en het inkomen kan op zich laten wachten.)

Algemeen stellen we vast dat men meer en meer voordelen op basis van een statuut gaat voorzien. Het lijkt ons beter dit op basis van het inkomen van mensen te blijven doen.

Daarnaast moet ook vermeld worden dat het gaan werken ook betekent dat een informeel circuit (‘gij repareert mijn fiets en ik zorg voor uw kinderen’) volledig of gedeeltijk wegvalt, wat ook financiële gevolgen heeft. Eveneens valt de tijd weg om het leven zo goedkoop mogelijk te organiseren. (naar de goedkoopste supermarkt gaan, voedselbank, alles te voet doen, …).


Een andere factor bij de financiële werkloosheidsval is de huurprijs van de sociale woning, die bij tewerkstelling vaak stijgt. Hierbij verwijzen we graag naar bijgevoegde case.

2.3.1. – 2.3.2. Het is zeer positief dat het aanbod en de toegankelijkheid van kinderopvang voor kwetsbare gezinnen versterkt wordt. Ook de uitbouw van de sociale functie binnen de kinderopvang is van groot belang. In de uitbouw van deze sociale functie moet zeker en vast ook rekening gehouden worden met het expressieve luik. Zo zijn vertrouwen en veiligheid van de kinderen heel belangrijke factoren.

Ondanks alle initiatieven is het van belang even te onderstrepen dat er in Vlaanderen nog steeds een groot gebrek aan kinderopvang is. Ook informatie op maat over mogelijkheden van kinderopvang is een grote vraag van mensen in armoede.

Bovendien zijn er heel weinig mogelijkheden voor mensen die af en toe aan het werk zijn: je komt eerst op een wachtlijst, eenmaal je die plaats kunt opnemen is het niet meer mogelijk je kinderen bij tijdelijke werkloosheid eventjes thuis te houden.

Een laatste factor die we hier willen aanhalen is de kostprijs. Mensen worden alles terugbetaald, maar moeten wel alles voorschieten. Voor mensen in armoede is dit meestal onmogelijk.
2.3.3. Wij vrezen echter dat wat betreft het gebruik van dienstencheques voor de werkende eenoudergezinnen met kinderen tussen 0 en 3 jaar er specifieke maatregelen noodzakelijk zijn om de toegankelijkheid ervan voor mensen in armoede te garanderen. Enkel het direct verrekenen in de kostprijs van dit voordeel kan soelaas bieden voor mensen in armoede.
De tijdelijke doorbetaling van de verhoogde kinderbijslag is positief, we stellen ons echter de vraag wat er mee gebeurt als de tewerkstelling afloopt ? Ook hier willen we ter illustratie verwijzen naar bijgevoegde case.
Werkzoekenden moeten inderdaad duidelijke, volledige en correcte informatie ontvangen omtrent mogelijke premie’s. De éénmalige premie die wordt toegekend aan uitkeringsgerechtigde alleenstaande ouders die een job aanvaarden zou automatisch moeten worden toegekend.
2.3.4. Werk met ruimte voor zorg vraagt zorg voor het welzijn van het hele gezin, alsook de werknemer zelf (bijv. ruimte voor sociaal-expressief leren en groepsvorming op het werk). Mensen in armoede hebben vaak te maken met diverse moeilijkheden, op vlak van gezondheid, administratieve verplichtingen, diverse vormen van begeleiding, zowel de werkende ouder zelf, daarnaast is ook vaak veel zorg vereist voor hun kinderen. Vaak zijn ze voor tewerkstelling voltijds bezig met zich overeind te houden en beslommeringen af te werken, contacten met sociale diensten te onderhouden,… Als ze plots tijdens de kantooruren helemaal niet meer vrij zijn, bestaat de angst en het gevaar dat een aantal zaken snel bergaf gaan. Daarom vraagt werk met ruimte voor zorg ook tijd en de nodige flexibiliteit en ondersteuning. Vakantie en voldoende sociaal verlof tijdens het eerste jaar van tewerkstelling kan hier gedeeltelijk soelaas bieden. Graag verwijzen we hierbij naar het voorbeeld van het schoolverlatersverlof.

Hierbij moet er ook voldoende over gewaakt worden dat niet alle vakantie hieraan gespendeerd wordt. Ook echt op vakantie gaan moet kunnen.




  • 3. Mobiliteit

Veel werkzoekenden in armoede zijn laaggeschoold en komen vooral in aanmerking voor banen op plaatsen die moeilijk bereikbaar zijn met het openbaar vervoer. Meestal hebben zij ook geen auto ter beschikking. De mogelijkheid om toch te solliciteren moet gegarandeerd worden, ook indien openbaar vervoer geen optie is. Dit kan door verplaatsing door iemand van de VDAB, vergoeding van taxirit,… Wat betreft het solliciteren willen we pleiten voor dezelfde regeling als bij verplaatsingen in het kader van opleidingen.

Een aspect dat hierbij ook niet uit het oog mag verloren is de tijd die mensen aan de verplaatsing van en naar het werk spenderen. Een te grote mobiliteitstijd kan een werkloosheidsval op zich zijn.


  • 4. Handicap en ziekte

De situatie waarover sprake in hoofdstuk 4 vertoont veel gelijkenissen met de situatie waarin mensen in armoede leven. Naast een inkomensprobleem hebben mensen in armoede vaak ook gezondheidsproblemen, en ervaren ze de verschillende opgesomde drempels naar werk.

Wij pleiten er dan ook voor dat er binnen het activeringstraject ook aandacht is voor welzijn, het oplossen van diverse (ook administratieve) problemen en empowerment, het sterker maken van de werkzoekende. Dan pas kunnen de wil en mogelijkheid om tewerkstelling aan te vatten versterkt worden. Eveneens dient aangestipt dat om dit activeringstraject zinvol en succesvol te organiseren, er een vertrouwensband nodig is tussen de werkzoekende en de ‘begeleider’.

Het is ook van belang dat voor die mensen het traject, of de begeleiding niet stoppen bij het aanvatten van tewerkstelling, maar dat er een vorm van nazorg wordt geboden (en dit niet enkel bij arbeidszorg).




  • 5. Opleidingsvallen

Competentieachterstand heeft bij mensen in armoede veel te maken met gebrek aan kansen of het niet grijpen van kansen (wat sterk gelinkt is met uitsluitingservaringen en een gekwetste binnenkant). Dit gebeurt al vanaf jonge leeftijd. Zij behoren inderdaad tot de ‘zwakkere groepen’ binnen de werkzoekendenpopulatie die minder participeren aan intensieve opleidingstrajecten. Om die val weg te werken moeten de opleidingstrajecten voor hen haalbaar zijn, dwz dat tijdens die trajecten, tijdens de opleidingen ruimte, tijd en plaats moet zijn voor welzijn, zelfontplooiing, het oplossen van diverse problemen. Ook de intensiteit van de opleiding moet op maat worden aangepast, en er moet iemand zijn (eventueel binnen de opleiding of binnen de VDAB) waar ze kunnen op terugvallen en die hen wegwijs kan maken, en begeleiden bij moeilijkheden. Het vrijwillig karakter, de eigen keuze en een duidelijk perspectief na de opleiding zijn enorm bepalend voor de motivatie en de slaagkansen.


Wij verheugen ons dat er werk gemaakt wordt van de detectie en het verhelpen van laaggeletterdheid. Vaak zijn die laaggeletterdheid zelf en andere basisvaardigheden immers reeds oorzaak van communicatieproblemen tussen de werkzoekende en de VDAB, waardoor de juiste informatie de laaggeletterde werkzoekende niet bereikt, met het missen van afspraken en zelfs uiteindelijke schorsing tot gevolg.
Algemeen moet er binnen de opleidingen voldoende ruimte zijn voor opleidingen op maat, waarbij er aandacht kan zijn voor welzijnsaspecten en het tempo van de mensen zelf.

Ook moet vermeden worden dat bepaalde statuten en daaraan verbonden voordelen abrupt worden afgebroken, na het volgen van een opleiding. Een geleidelijke uitdoving lijkt ons zinvoller. (Bijvoorbeeld invaliditeitsuitkering na het volgen van opleiding ervaringsdeskundige.)




  • 6. Andere drempels


6.1 Het is een goede zaak dat er een reglementering komt over het bewijs voor goed gedrag en zeden. Momenteel wordt dit te pas en te onpas gevraagd.
6.2. Individuele begeleiding aan personen met een schuldenlast kan inderdaad perspectief bieden. Het bestaande aanbod is echter veel te klein, de lange wachtlijsten zorgen ervoor dat er vaak veel te laat aan een afbetaling begonnen worden, waardoor de schulden veel groter geworden zijn. Dit vergt een inspanning van de Vlaamse overheid.

Als tewerkstelling het schuldenvrij worden kan versnellen, en dus het perspectief dichter kan brengen, kan dat inderdaad motiverend werken, maar enkel indien dit gekoppeld wordt aan voelbare inkomensverhoging en vrije keuze (van snellere afbetaling) zal dit echt de werkloosheidsval kunnen wegwerken. Hiertoe moet de federale overheid om inspanningen verzocht worden. Eveneens kan het zinvol zijn om budgetbegeleiding te integreren in tewerkstelling binnen de sociale economie.


6.3. Het hoeft geen betoog dat allochtone armoede toeneemt en dat discriminatie en uitsluiting deel uitmaken van de oorzaken hiervan. Het lijkt ons dan ook allerminst zinvol en constructief om geloofsovertuiging en culturele gebruiken als struikelblok voor vrije beroepskeuze te zien, en deze te beknotten. Al te vaak zijn de belemmeringen die geloofsovertuiging en culturele gebruiken vormen afhankelijk van het respect voor diversiteit van de werkgever. Niet de hoofddoek of de Sabbat, maar de discriminatie bij aanwerving blokkeert de toegang tot de arbeidsmarkt. Ook ‘autochtone’ mensen in armoede ervaren uitsluiting op basis van bijvoorbeeld hun uiterlijk.
6.4 Het is zeer positief dat er werk gemaakt wordt van ‘een makelaarschap in maatregelen’. De communicatie van maatregelen naar mensen in armoede toe is echter niet evident. De drempel naar VDAB toe is vaak nog vrij groot, vaak durven mensen vaak zelf geen vragen stellen, of begrijpen alles niet dadelijk en geven dit niet aan. Het belang van hoe de informatie wordt doorgegeven kan moeilijk overschat worden. Hierbij moet ook rekening gehouden worden met de laaggeletterdheid van veel werkzoekenden. Een sterkere vertrouwensband met de ‘makelaar’ is noodzakelijk opdat het ‘makelaarschap’ succesvol zou kunnen zijn.
De website ‘www.aandeslag.be’ is een goede aanzet. Bij de verdere ontwikkeling ervan moet rekening gehouden worden met de digitale kloof en laaggeletterdheid, wat maakt dat alternatieven noodzakelijk blijven. (De tegenkant van de succesvolle wiscomputer, vaak geven mensen in armoede aan dat ze door de VDAB daarnaar verwezen worden, terwijl ze niet met de computer kunnen werken, of zelfs niet kunnen lezen.)


  • 7. Rechten en plichten van werkzoekenden

Vaak wordt ‘activering’ nu te eng geïnterpreteerd, en te dwingend uitgevoerd. Dit is op langere termijn contraproductief voor een ‘duurzame activering’, een duurzame tewerkstelling, en ontsnappen uit de armoede.

Sommige mensen in armoede niet klaar, het kunnen en willen werken zijn afhankelijk van elkaar. Voor die mensen moet activering in de eerste plaats gericht zijn op het versterken, op welzijn en participatie in het algemeen. Kansen op tewerkstelling maximaliseren kan ook via vrijwilligerswerk gebeuren.
Mensen in armoede voelen dagelijks hoe hun rechten geschonden worden (vb recht op huisvesting), dan heeft een rechten en plichten discours weinig positief effect.
Soms lopen ook een aantal zaken mis in de communicatie tussen VDAB, RVA en werkzoekende, mensen die enorm werkwillig zijn worden geschorst, ze begrijpen niet waarom, en gaan de VDAB als schorsingsmachine, als bestraffende instantie zien. Vaak geven mensen in armoede ook aan weinig verschil te ervaren of te kennen tussen RVA en VDAB. Indien er geen vertrouwen is, zullen tewerkstellingshefbomen hun doel voorbij schieten.
CASE KINDERBIJSLAG
Jan 45 jaar, samenwonend met vriendin en moeder van zijn kinderen.

Vriendin is ten laste van hem en ontvangt geen enkele vorm van uitkering

Er zijn 3 kinderen in het gezin, waarvan een tweeling van 13 jaar en een dochter van 5 jaar.

Zij wonen in een huis van de sociale woningmaatschappij waarvoor zij 236 € huur betaalt.


Situatie A

Jan kreeg een werkloosheidsuitkering van ongeveer 950 € en werkte voor een PWA, waarvoor hij ongeveer 150 € per maand ontving. Er was ook verhoogde kinderbijslag van ongeveer 600 €. In totaal ontving Jan dus een totaal inkomen van 1700 € per maand.


Situatie B

Via een brief van de VDAB met een jobaanbieding bij TIVO, heeft Jan contact opgenomen met de werkgever en kon hij beginnen voor een jaar bij TIVO met een WEP + statuut.

Hij kon beginnen werken met een 4/5 contract. Na twee maanden werd hem de vraag gesteld of hij voltijds kon beginnen werken. Hij wou dit graag doen, maar enkel als hij zekerheid had over het feit of hij zijn verhoogde kinderbijslag zou kunnen blijven ontvangen. De werkgever gaf aan dat er niets zou veranderen, dat hij nog steeds van dezelfde voordelen zou kunnen genieten als voorheen.
In juli begonnen de problemen. Ineens ontving het gezin geen kinderbijslag meer omdat men ging onderzoeken of ze wel recht hadden op verhoogde kinderbijslag, ook waren er een aantal documenten, die de werkgever maandelijks moet invullen, niet in orde.

De vakbond werd ingeschakeld, er moest meermaals heen en weer worden gehold, documenten wor-den verzameld, … dit maakte dat Jan vakantie moest nemen om dit alles in orde te brengen. Helaas heeft het niets opgeleverd want uiteindelijk kreeg hij te horen dat ze geen recht hadden op verhoogde kinderbijslag.


Ook is er wel elke maand een document dat niet in orde is gebracht door de werkgever, wat maakt dat Jan zijn loon vaak niet klopt. Een feestdag is niet uitbetaald, verkeerde berekeningen met uren, …
Momenteel werkt Jan dus 5/5 en heeft hij de volgende inkomsten:

Loon: 745 € van TIVO en 545 € werkloosheidsuitkering en kindergeld voor een bedrag van 500 €. Dit geeft een totaal van 1790 €.


Situatie C

In januari loopt zijn contract ten einde. Er is nog geen uitzicht op werk en dit ondanks het feit dat hem werd verteld dat de werkgever zou kunnen zorgen voor een doorstroming naar de reguliere arbeidsmarkt op het einde van het contract.

De kans is dus reëel dat het gezin vanaf januari terug zal moeten leven van een werkloosheidsuitkering van ongeveer 950 € per maand en een kinderbijslag van 500 € (de eerste 6 maanden, nadien terug verhoogde kinderbijslag). Dit maakt dat Jan en zijn gezin achteraf bekeken slechter af zijn dan toen wanneer hij niet werkte. Jan wil liever gewoon gaan werken, maar hij zegt zelf dat als hij geen werk heeft, hij terug voor het PWA gaat werken om meer inkomsten te hebben.

Ook zal de huur van het gezin naar boven gaan, omdat dit berekend wordt op basis van de inkomsten van het gezin.


Wel zegt Jan dat hij veel heeft bijgeleerd, een aantal opleidingen heeft kunnen volgen zoals het behalen van zijn VCA-attest, sollicitatietraining en het behalen van zijn rijbewijs.

Het werken op zich heeft hij als positief ervaren. De problemen die hij iedere maand weer had met documenten die niet in orde waren, het ervaren van onzekerheid naar de toekomst en dergelijke meer, maakte dat hij soms heeft willen stoppen met de job. Hij zegt dat dit niet leuk is om op zulk een manier te moeten werken. Ook de gebrekkige opvolging en voorbereiding naar een nieuwe job ervaart hij als een negatief punt. Hij heeft het gevoel dat het vooral de werkgever is die een voordeel haalt uit dit statuut.


Antwoord vanwege de Rijksdienst voor Kinderbijslag (RKW)
Situatie A

Jan genoot een uitkeringstoeslag omdat hij als werkloze een activiteit in het raam van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap (PWA) verrichtte.

Deze toeslag wordt niet gekwalificeerd als loon, noch als vervangingsinkomen en bijgevolg kon er verhoogde kinderbijslag als werkloze (barema 42 bis kinderbijslagwet) worden toegekend.
Situatie B

Jan is als werkloze tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma (DSP) bij TIVO (WEP-Plus-Plan).Voor werklozen tewerkgesteld in een DSP heet de tegemoetkoming een integratie-uitkering.

Omdat artikel 7, § 1 bis, eerste lid van de Besluitwet betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders van 28 december 1944 (ingevoegd bij K.B. van 14 november 1996, B.S. van 31 december 1996) dusdanige uitkeringen voor wat betreft de fiscale en sociale wetgeving aanmerkt als loon, wordt betrokkene niet langer beschouwd als vergoede werkloze in de werkloosheidsreglementering, zodat hij in geen geval nog aanspraak kan maken op verhoogde kinderbijslag als werkloze (barema 42 bis kinderbijslagwet).

Diegenen die deeltijds tewerkgesteld zijn in zulk een project en die van de R.V.A. daarbovenop een inkomensgarantie-uikering ontvangen, worden wel gelijkgesteld met vergoede volledig werklozen, die -alle wettelijke voorwaarden vervuld zijnde- recht hebben op de verhoogde schaal voor langdurig werklozen.


Situatie C

Het contract van Jan loopt in januari ten einde en hij wordt opnieuw volledig werkloze.

Vermits de werkloosheidsuitkeringen voortvloeien uit zijn tewerkstelling bij TIVO, zal Jan een nieuwe wachttermijn van 6 maanden moeten doorlopen alvorens hij recht kan hebben op verhoogde kinderbijslag als werkloze.



1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina