Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen vzw



Dovnload 366.91 Kb.
Pagina14/14
Datum20.08.2016
Grootte366.91 Kb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14

Bijlage 5: Advies op het voorontwerp van decreet houdende de lokale diensteneconomie

Aangaande het voorontwerp van decreet houdende de lokale diensteneconomie, op voorstel van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen, worden vanuit een aantal partners binnen het verticale overleg werkgelegenheid en sociale economie onderstaande adviezen geformuleerd in het kader van de armoedebestrijding20. Het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, dat dit overleg mee ondersteunt, wenst erop te wijzen dat deze adviezen in de lijn liggen van de vaststellingen en beleidsvoorstellen die het in de loop der jaren geformuleerd heeft. We hopen hiermee een constructieve bijdrage te leveren aan de rol die de lokale diensteneconomie speelt ter bestrijding van de armoede.


Dit voorontwerp, en meer bepaald artikel 7, gaat uit van de filosofie dat verschillende spelers een bijdrage moeten leveren aan de lokale diensteneconomie. Op zich biedt dit heel wat kansen, het is immers een goede zaak dat iedereen zijn verantwoordelijkheid opneemt voor het realiseren van verschillende doelstellingen (kwaliteitsvolle en aanvullende dienstverlening, tewerkstelling van kansengroepen en buurtontwikkeling). Toch bestaat er de vrees bij het lezen van dit voorontwerp dat armoedebestrijding en het werken aan de ontwikkeling van een buurt, oorspronkelijke doelstellingen van buurt- en nabijheidsdiensten in de verdrukking geraken. Voor de initiatieven binnen de lokale diensteneconomie die werk leveren op het vlak van armoedebestrijding, de zogenaamde buurtontwikkelingsdiensten sociale cohesie en armoede, zal het heel moeilijk worden om binnen de voorgestelde klaverbladfinanciering de noodzakelijke partners te vinden. Dit terwijl deze buurtontwikkelingsdiensten toch een grote maatschappelijke meerwaarde betekenen. Ten opzichte van andere initiatieven binnen de lokale diensteneconomie is het zo dat er door de aandacht voor minvermogende groepen minder op klanteninkomsten kan gerekend worden, wat op een andere plaats binnen het klaverblad zal moeten gecompenseerd worden. Er is dan ook nood aan een structurele oplossing binnen de klaverbladfinanciering van deze buurtontwikkelingsdiensten. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan het welzijnsbeleid, vermits het hier armoedebestrijding betreft.
Over de financiering waarvan sprake in artikel 8 adviseren wij om op het vlak van omkadering de 1/10-norm aan te passen door een basissubsidiëring te voorzien voor initiatieven binnen de lokale diensteneconomie die minder dan 10 doelgroepwerknemers in loondienst zullen hebben. Dit zou de kleinere initiatieven binnen de lokale diensteneconomie ook een aantal kansen geven. Bovendien zijn deze kleinere initiatieven vaak net die initiatieven die zich richten op armoedebestrijding, maatschappelijke integratie en sociale cohesie binnen kansarme buurten.
Vervolgens willen we met dit advies inspelen op de operationalisering van dit voorontwerp van decreet. De partners die meeschreven aan dit advies, evenals het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, zijn vragende partij om deel te nemen aan de Ronde Tafels waar de uitvoeringsbesluiten van dit voorontwerp van decreet worden opgemaakt.

Ondermeer is er de bezorgdheid aangaande de operationalisering van het begrip ‘doelgroepwerknemers’, zie punt 3° in artikel 2. In het kader van de armoedebestrijding dringen we erop aan om er enerzijds voor te zorgen dat niet-uitkeringsgerechtigde werklozen ook onder het begrip ‘doelgroepwerknemer’ kunnen begrepen worden. Anderzijds is het zo dat personen die activeringsstappen naar werk gezet hebben, maar om één of andere reden mislukt zijn, voor deze mislukking niet mogen afgestraft worden. Het zou dan ook geen goede zaak zijn om in de voorwaarden om als doelgroepwerknemer erkend te worden bepalingen als ‘reeds drie jaar werkloos’ op te nemen. We pleiten eerder voor formuleringen in de zin van ‘X aantal maanden werkloos gedurende de afgelopen Y jaar’. Het afbakenen van de doelgroep mag immers niet leiden tot nieuwe uitsluitingen en tot nieuwe werkloosheidsvallen. We dringen er met andere woorden op aan om de criteria niet alleen vast te leggen op basis van statistische gegevens m.b.t. een momentopname van de arbeidsmarktpositie van betrokkenen, maar om daarbij ook zoveel als mogelijk rekening te houden met een loopbaanperspectief.


Als vierde punt in dit advies willen we er op aandringen dat de ondersteuningsstructuur die voorzien is binnen dit voorontwerp van decreet zo vlug mogelijk operationeel zal zijn na opmaak van de uitvoeringsbesluiten. De nodige voorbereidingen kunnen nu al starten. Initiatieven in de lokale diensteneconomie zullen immers alle steun kunnen gebruiken in de realisatie van het klaverblad.
Vervolgens is het belangrijk dat de initiatieven binnen de lokale diensteconomie zowel bij de toeleiding van doelgroepwerknemers naar de lokale diensteneconomie zelf, als bij de doorgroei van de doelgroepwerknemers sterk betrokken worden. Voor de toeleiding naar initiatieven binnen de lokale diensteneconomie moet er financiële ruimte binnen de klaverbladfinanciering gecreëerd worden. Aangaande de doorgroei van doelgroepwerknemers willen we meegeven dat er enerzijds een grote expertise voor trajectbegeleiding is binnen de initiatieven van de lokale diensteneconomie zelf en vragen wij om daar dan ook optimaal gebruik van te maken. Anderzijds is het zo dat er in heel veel gevallen een sterke vertrouwensband is tussen de doelgroepwerknemers en de begeleiding binnen het initiatief van de lokale diensteneconomie. Deze band kan zeker en vast verder aangewend worden bij verdere denk- en beleidsprocessen over activering van mensen in armoede (cf. de nood aan een degelijke begeleiding naar werk door een vertrouwenspersoon).

Met betrekking tot dit doorgroeien en doorstromen, zoals vermeld in punt 4° van §1 van artikel 4, wil dit advies meegeven dat dit zeker en vast niet te eng geïnterpreteerd mag worden. Van doorgroeien en doorstromen mag niet louter gesproken worden als er een andere werkgever is. Ook binnen de initiatieven van de lokale diensteneconomie zelf is er doorgroei mogelijk op vlak van taakinhoud en verantwoordelijkheden.

M.b.t. de evaluatie van de doorstroom- en doorgroeimogelijkheden van een doelgroepwerknemer, iets wat nog moet geoperationaliseerd worden, willen we drie zaken meegeven: Ten eerste is het noodzakelijk dat deze evaluatie samen met de persoon in kwestie en een vertrouwenspersoon binnen het initiatief van de lokale diensteneconomie gebeurt. Vervolgens is het zo dat doorgroeien voor mensen in armoede niet hetzelfde is als doorgroeien voor de buitenwereld. Zo is bijvoorbeeld iemand in armoede, die na een bepaalde periode werken erin slaagt te formuleren welke steun zij nodig heeft om haar werk goed te doen en ook daadwerkelijk om die steun vraagt, gegroeid als doelgroepwerknemer. Dat is ook zo bijvoorbeeld bij iemand die na voortdurend korte en wisselende jobs gedurende maanden een contract bij dezelfde werkgever behoudt. Doorgroeien moet dus voldoende rekening houden met de leefwereld van de mensen in armoede zelf en mag in het kader van de armoedebestrijding niet worden verengd tot begeleiding op de werkplek. Ten derde vinden we dat dergelijke evaluatie niet louter op basis van kwantitatieve (bijv. doorstromingspercentages), maar ook op basis van kwalitatieve zaken (bijv. inspanningen binnen de buurtdienst, VTO-beleid binnen de organisatie, participatie) moet gemaakt worden.
Punt 7° van §1 van artikel 4 heeft het over een toegankelijke dienstverlening binnen de lokale diensteneconomie. Hierbij wil dit advies meegeven dat dit voldoende ruim moet gezien worden: een goed en laagdrempelig onthaalbeleid, financiële laagdrempeligheid,… opdat de dienstverlening ook effectief en voldoende gebruikt wordt door buurtbewoners die in armoede leven.

Ook de noodzaak aan vorming willen we hier even beklemtonen. Vorming binnen de initiatieven van de lokale diensteneconomie mag niet louter instrumenteel gericht zijn. Armoede is immers een complex gegeven, een schending van rechten en kansen op vele gebieden. Het bieden van vormings- en groeikansen op alle verschillende domeinen is een manier om van werk een instrument van armoedebestrijding te maken.


Ten slotte vinden wij dat er op termijn enerzijds nood is aan een evaluatie van de uitvoering van dit decreet en van het groeipad dat verbonden is aan dit voorontwerp van decreet met bijzondere aandacht voor de effecten in het kader van armoedebestrijding (zowel op vlak van dienstverlening naar als tewerkstelling van kansengroepen). Tegelijk lijkt het ons nu reeds zinvol om met een wetenschappelijk en participatief onderzoek de kansen en mogelijkheden van dit voorontwerp van decreet binnen de armoedebestrijding na te gaan.


1 Wat ‘kwalitatieve tewerkstelling’ is, wordt besproken in Hoofdstuk 2

2 Zie Bijlage 1: ‘Overzicht van de afgenomen interviews’

3 Zie Bijlage 2: ‘Forumdag Activering’ voor programma van de verschillende werkgroepen en een lijst van de aanwezigen

4 Zie Bijlage 3: Stuurgroep: samenstelling en verslagen

5 Opleiding Ervaringsdeskundige in de Armoede en Sociale Uitsluiting, De Link vzw

6 De praktijk van Leren Ondernemen is in dit kader interessant, al gebeurt deze zonder ondersteuning in het kader van de proeftuinen.

7 Hierbij willen we ook verwijzen naar ‘Een blik op het bereiken van laaggeschoolde jongeren door de VDAB’, het rapport van project van Artevelde Hogeschool

8 Zie Jaarboek armoede en sociale uitsluiting 2004

9 Zie hiervoor bijlage 4, de verslagen ivm Afstraffingsmechanismen van het Informeel Vertikaal Overleg WSE en het advies Vlaams Actieplan Werkloosheidsvallen

10 Het is interessant om in dit verband te kijken naar de veranderde perceptie van Kind en Gezin door mensen in armoede: een evolutie van het beeld van een bestraffende, ‘gevaarlijke’ instantie naar een welzijnspartner is hier zichtbaar. Ook bij de perceptie van de VDAB zou dit moeten kunnen, al vraagt dit tijd en een andere werkwijze.

11 Graag verwijzen we hierbij naar de 5 kloven waar mensen in armoede mee worstelen, volgens De Link

12 Hier verwijzen we nogmaals naar de verslagen van het Informeel Vertikaal Overleg WSE

13 Zie nogmaals de verslagen over 'Afstraffingsmechanismen' van het Informeel Vertikaal Overleg, bijlage 4

14 Zie in dit kader ook het advies van het IVO WSE, bijlage 6 Bijlage 5: Advies op het voorontwerp van decreet houdende de lokale diensteneconomie

15 In dit kader verwijzen we graag naar het memorandum van Vlaams Platform PWA: 'PWA's en PWA/DCO's hebben toekomst !' en de 'Reflecties over de 'tewerkstellings' stelsels' van het Steunpunt Armoedebestrijding, die beiden de getuigenissen van geïnterviewden en onze bevindingen omtrent verschuivingen in tewerkstellingsstelsels bevestigen

16 Zo interviewden we onder andere een aantal Berbers die daarvan getuigden

18 De namen van de personen die hier vermeld worden zijn om evidente redenen fictief

19 Antwerps Platform Generatiearmen vzw, Brussels Platform Armoede vzw, De Lage Drempel vzw, De Link vzw, Leren Ondernemen vzw en het Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen vzw.

Het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, dat dit overleg mee ondersteunt, wenst erop te wijzen dat deze adviezen in de lijn liggen van de vaststellingen en beleidsvoorstellen die het in de loop der jaren geformuleerd heeft.




20 De Link vzw, Antwerps Platform Generatiearmen vzw, Leren Ondernemen vzw, ATD Vierde Wereld en het Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen.



1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina