Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen vzw



Dovnload 366.91 Kb.
Pagina4/14
Datum20.08.2016
Grootte366.91 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

1.3 Stappen en keuzes: een niet lineair, soms tergend langzaam traject


1.3.1. Motivatie mogelijk maken en versterken



Valkuilen:

  • Angst en onzekerheid

  • Laag zelfbeeld

  • Isolement

  • Welzijnsgerelateerde problemen

  • Gebrek aan (het zien van) perspectief

  • Afstraffingsmechanismen


Hefbomen:

  • Opbouwen van zelfwaardering

  • Activeren in brede zin

  • Begeleiding

  • Samenwerken van diverse diensten

  • Correcte informatie

Zoals reeds in 1.2 aangeduid, is het noodzakelijk om mensen in armoede een aantal hefbomen aan te bieden, om hun mogelijkheden en motivatie te versterken. Deze hefbomen zijn niet allemaal rechtstreeks gericht op de ‘snelst mogelijke weg naar werk’, maar zijn wel gericht op het bereiken van duurzame activering en tewerkstelling.


Om het ‘kunnen’ en dus op termijn ook de motivatie te versterken, zijn volgens ons de volgende hefbomen van belang:
- Werken aan zelfkennis, zelfwaardering, zelfvertrouwen

- Mensen uit het isolement helpen

- Het oplossen van een aantal concrete welzijnsgerelateerde problemen

- Perspectief en keuzemogelijkheden

- Wegwerken van risico’s en afstraffingsmechanismen

1.3.1.1. Werken aan zelfkennis, zelfwaardering, zelfvertrouwen

Verschillende mensen gaven hun onzekerheid en laag zelfbeeld aan als belangrijkste drempel, die hen tegenhoudt om werk te kunnen zoeken. De angst om opnieuw te mislukken, om afgewezen te worden, om nog dieper meegesleurd te worden door de spiraal van teleurstellingen, houdt hen tegen om stappen te durven zetten.

In de opleiding ervaringsdeskundige wordt enorm veel aandacht besteed aan ‘de binnenkant van armoede’. Cursisten leren zichzelf kennen en waarderen, ze krijgen inzicht in armoedemechanismen, ze worden sterker gemaakt. Dit wordt door de ervaringsdeskundigen zelf ook aangegeven als onontbeerlijk voor het ‘kunnen willen’.

In de afgenomen interviews verwijzen mensen in armoede vaak naar het gemis van 'zelfwaarderingscursussen, zoals er ook assertiviteitscursussen bestaan'.

Zelfwaardering kan natuurlijk moeilijk op korte tijd, via een cursus opgebouwd worden, maar toch kunnen via een dergelijke cursus of vooropleiding, mits een aantal flankerende voorwaarden, de eerste hefbomen daartoe aangereikt worden.

1.3.1.2. Mensen uit het isolement helpen



Valkuilen:

  • Isolement


Hefbomen:

  • Lidmaatschap van een vereniging

  • Vrijwilligerswerk

Ik ging enkele jaren naar de moedergroep. Langzaam maar zeker begon het beter te gaan met mij. Ik kwam stillekes aan terug onder de mensen en begon weer dingen te doen. Na twee jaar kreeg ik zelfs een wep+ contract.” (Uit interview van een ervaringsdeskundige)


Een ander aspect dat noodzakelijk is, voor men over werk kan denken of spreken, is het minimaal participeren aan de samenleving. Sommige mensen in armoede leven compleet geïsoleerd van de samenleving, hebben zo goed als geen contact met andere mensen, en hebben ook een enorme drempel naar de buitenwereld toe. Dit door een combinatie van schaamte en angst. Om terug vertrouwen op te bouwen, in zichzelf en andere mensen, is het noodzakelijk om mensen stapsgewijs te stimuleren. Dit kan gaan van het ontmoeten van andere mensen, in eerste instantie, (bijvoorbeeld door lidmaatschap van een vereniging), en in een volgende stap ook een aantal taken uit te voeren, zo talenten ontdekken en ontplooien. Dit kan bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk uit te oefenen. Voor mensen in armoede is dit een waardevolle, soms noodzakelijke, zinvolle stap in de richting naar duurzame activering. Vrijwilligerswerk moet dan ook niet enkel toegelaten, maar ook geherwaardeerd worden.
ACTIE 8: VRIJWILLIGERSWERK, ONDER ANDERE IN EEN VERENIGING WAAR ARMEN HET WOORD NEMEN, WORDT ERKEND ALS STAP NAAR WERK, ALS ZINVOL ONDERDEEL VAN EEN ACTIVERINGSTRAJECT.


1.3.1.3. Het oplossen van een aantal concrete welzijnsgerelateerde problemen

Een aantal concrete, niet arbeidsgerelateerde zaken kunnen mensen tegenhouden om de stap naar werk te durven en te kunnen zetten. Iemand met problemen rond huisvesting, schulden, gezondheid, jeugdzorg,… heeft soms niet de ruimte, de kracht, of de solide basis die noodzakelijk is om te gaan werken. Indien men dan gedwongen wordt, is de kans op mislukking reëel. De kloof die dan ontstaat tussen de persoon in armoede en de arbeidsmarkt zal nog moeilijker te overbruggen vallen. Vaak is het dan ook noodzakelijk dat daartoe eerst een aantal problemen in kaart gebracht, en zo mogelijk opgelost worden, zonder dat de directe druk ‘gaan werken of geschorst worden, dus totale miserie’ constant als een zwaard van Damocles boven hun hoofd hangt. Hoe dit concreet moet gebeuren, beschrijven we in 1.3.2


Good Practice: Een ervaringsdeskundige van de VDAB vertelde dat één van haar cliënten in dure, slechte huisvesting zat, en dat dit een enorme invloed had op zijn emotionele toestand. Samen met hem sprak ze haar netwerk aan, en vond een betere woning voor een betere prijs. Naast het vertrouwen dat ze daar mee gewonnen heeft, heeft ze ervoor gezorgd dat de kracht en motivatie van die werkzoekende om ‘werk te gaan zoeken en vooruit te geraken’ enorm zijn toegenomen.
ACTIE 9: VOORTRAJECT, WAARIN ER AANDACHT IS VOOR WELZIJN, VOOR HET VERSTERKEN VAN HET ZELFBEELD EN VOOR HET OPLOSSEN VAN CONCRETE ZAKEN DIE DE ALGEMENE LEVENSKWALITEIT BETREFFEN. HIERBIJ WERKEN VERSCHILLENDE DIENSTEN SAMEN.

EEN ‘CURSUS ZELFWAARDERING’ VORMT HIER EEN ONDERDEEL VAN.




1.3.1.4. Perspectief en keuzemogelijkheden

Mensen in armoede hebben vaak het gevoel in een uitzichtloze situatie te zitten. Dat werkt enorm verlammend. Waarom zouden ze moeite doen, als er toch nooit iets lukt, als er toch geen uitweg is? Vaak voelen ze zich verstoten, afgeschreven, en zien ze geen kans tot beterschap in hun situatie. Dit werkt erg demotiverend voor het ondernemen van stappen naar werk, of het nu gaat om het volgen van een opleiding, het actief meewerken met de trajectbegeleider of het actief solliciteren.


Perspectief hangt ook samen met het zelf actief richting te kunnen geven aan het leven, dat wil zeggen met keuzemogelijkheden. Mensen hebben het gevoel dat hun leven geleefd wordt, dat hun acties daar weinig invloed op uitoefenen, en dat er weinig positieve keuzemogelijkheden zijn. Belangrijk hierbij is dat de verschillende opties aangegeven worden, waardoor de mensen zelf bewust die keuzes kunnen maken.
Ik heb zoveel assistenten, begeleiders gehad in mijn leven, bij alle mogelijke diensten. Er was er maar éne goeie tussen, dat was degene die mij uitlegde wat de mogelijkheden waren, die mij hielp om zelf daaruit keuzes te maken’ (Uit interview van ervaringsdeskundige)
Vaak terugkomend is het gevoel dat de enige job die voor hen voorhanden is, een vernederende job is, 'het vuile werk opknappen, doen wat niemand anders wil doen', ook in sociale tewerkstellingsprojecten. Dat is soms een motivatie om te vluchten van VDAB en RVA (die meestal in 1 adem genoemd worden in dit kader). Mensen geven aan dat ze, indien ze een job aangeboden krijgen die een verbetering van hun situatie zou betekenen, , daar wel direct op zouden ingaan.

Het belang van 'perspectief op werk' na het volgen van een opleiding kan moeilijk onderschat worden bij de motivatie om een opleiding te volgen. Dit komt verder aan bod in ‘1.3.3. Verdere stappen op weg naar werk.’


Dit belang van perspectief en keuzemogelijkheden is enorm sterk bij mensen in armoede met een zware schuldenlast, vaak geven ze aan dat het 'geen zin heeft om te gaan werken want ze pakken toch alles af'.

Het in kaart brengen van de schuldenlast, en de mogelijke afbetalingstermijnen kan duidelijkheid scheppen, en eventueel perspectief bieden ‘uitzicht op het schuldenvrij worden’, indien de schuldenlast nog overzichtelijk is. Ook kan zo duidelijk gemaakt worden dat gaan werken financieel toch voordelen oplevert, ook al moet men veel afbetalen.

Als tewerkstelling het schuldenvrij worden kan versnellen, en dus het perspectief dichter kan brengen, kan dit motiverend werken. Om de werkloosheidsval die hier speelt echt weg te werken, is het noodzakelijk dat dit gekoppeld wordt aan voelbare inkomensverhoging en vrije keuze (van snellere afbetaling). Dit wil zeggen dat mensen zelf kunnen kiezen welk deel van het extra inkomen ze gebruiken om hun levensstandaard op te krikken, en welk deel ze gebruiken om sneller de schulden af te betalen. Daarnaast is het ook van belang om preventief te werken, zeker om het heropbouwen van een schuldenlast te vermijden. Ook hier kan een koppeling aan tewerkstelling, bijvoorbeeld in de vorm van een (voor)opleiding, waarin onder meer gewerkt wordt aan versterken van zelfwaarde, welzijn, en cursus budgetbeheer soelaas bieden. Dit vereist vanzelfsprekend een nauwere samenwerking tussen diverse (welzijnsgerelateerde) diensten en de VDAB.
‘Perspectief’ ligt op de grens van de zogenaamde instrumentele en de zogenaamde expressieve component. Als ‘perspectief’ begrepen wordt als ‘het krijgen van reële jobkansen en het daardoor sneller afbouwen van schuldenlast’, is dit eerder een instrumentele component. Zowel de ‘instrumentele oorzaak’ van de uitzichtloze situatie (het opbouwen van schuldenlast) als de ‘instrumentele vooruitgang’ (afbouwen van schuldenlast door tewerkstelling) zijn ook beiden sterk verweven met de expressieve component. Dit is dan het welzijn en het zelfgevoel die er mee gepaard gaan.

1.3.1.5. Wegwerken van risico’s en afstraffingsmechanismen

Een andere valkuil met betrekking tot motivatie, met het ‘kunnen willen werken’ is de angst om te verliezen wat zeker en dierbaar is, bijvoorbeeld de zorg voor de kinderen, het sociaal netwerk, inkomen, de nodige begeleiding… Soms is deze angst, ‘het risico dat je neemt als je gaat werken’ terecht (bijvoorbeeld het verliezen van een deel van het sociaal netwerk), soms is die angst gestoeld op onjuiste of onvolledige informatie.


Vaak denkt men beter thuis te blijven, voor de veiligheid, dan is men zeker. Anders weet je niet wat er allemaal kan gebeuren, wat je riskeert.” (Uit interview van iemand van een vereniging)
Ik weigerde een aangeboden job, omdat ik in begeleiding was, en wekelijks verschillende controlerende instanties op bezoek kreeg, en als alles o.k. zou zijn, zou ik dan na een jaar mijn kinderen terug krijgen. Daarom durfde ik niet gaan werken. Uiteindelijk heb ik nog een half jaar langer moeten wachten voor ik mijn kinderen terugkreeg, doordat ik de job geweigerd had.” (Uit werkgroep op de Forumdag Activering)
Ik durfde ook niet gaan werken, ik had schrik om mijn kinderen kwijt te geraken. Bij de rechtbank was dat al wel eens tegen mij gebruikt, toen ik daarvoor nog werkte.” (Uit interview van iemand van een vereniging)
Om deze risico’s juist te kunnen inschatten en te vermijden, is er een intensieve samenwerking tussen verschillende diensten (VDAB, OCMW, Kind en Gezin, Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg,…) nodig. Welke vorm dit concreet kan aannemen, stellen we voor in 1.3.2.
Om te kunnen inschatten of de angst al dan niet terecht is, (en de onterechte angst te kunnen overwinnen), is het immens belangrijk dat mensen volledige en juiste informatie krijgen. In het kader van het Informeel Vertikaal Overleg WSE, hebben we een aantal situaties te geanalyseerd, en bekeken of er effectief sprake was van afstraffingsmechanismen. In een aantal gevallen was dit inderdaad zo, daarvoor moeten vanzelfsprekend oplossingen voor komen.9 Frappant was echter de moeilijkheid, en de lange complexe zoektocht doorheen diverse diensten om alle effectieve gevolgen van tewerkstelling (wat gebeurt er met de kinderbijslag, met de huur van de sociale woning, met de eventuele latere uitkering, met het statuut,…) in kaart te kunnen brengen. Medewerkers van de VDAB moeten het volledige plaatje kunnen laten zien, pas dan kunnen mensen echt een keuze maken, en zullen ze eerder geneigd zijn om de stap te durven zetten.
ACTIE 10: ER KOMT EEN WEBSITE, EEN SOORT DATABANK WAAROP DE TRAJECTBEGELEIDER DUIDELIJK KAN ZIEN, WAT DE IMPLICATIES ZIJN VAN HET AANVATTEN VAN TEWERKSTELLING. IMPLICATIES MET BETREKKING TOT DE PERSOONLIJKE SITUATIE, OP VLAK VAN HET INKOMEN EN HET STATUUT. OOK DE IMPLICATIES OP DE PERSOONLIJKE SITUATIE INDIEN HET EEN TIJDELIJKE JOB BETREFT, OF MEN NA KORTE TIJD DE JOB TERUG VERLIEST, MOETEN IN KAART GEBRACHT WORDEN.
HIERIN WORDT NIET ENKEL HET INKOMEN VAN TEWERKSTELLING OF UITKERING IN REKENING GEBRACHT, MAAR EVENEENS WAT ER GEBEURT MET HET KINDERGELD, DE HUUR VAN DE SOCIALE WONING, ANDERE PREMIES,… ZOWEL BIJ HET AANVATTEN VAN TEWERKSTELLING, ALS BIJ VERDERZETTEN OF STOPZETTEN.
VANZELFSPREKEND MOET HIERBIJ DE NODIGE AANDACHT BESTEED WORDEN AAN HET RESPECTEREN VAN DE PRIVACY VAN DE WERKZOEKENDE.

1.3.2. Begeleiding: ‘de werkmaat en trajectbegeleider’




Valkuilen:

  • Te snelle gerichtheid op werk

  • Telkens andere begeleiders

  • Dreiging van schorsing

  • Wantrouwen

  • Weinig kennis over armoede


Hefbomen:

Versterken van het ‘kunnen willen’ vraagt kennis en vertrouwensvolle begeleiding


In 1.3.1. gingen we dieper in op de verwevenheid van willen en kunnen, en de noodzaak van versterkende maatregelen, die ook de motivatie ten goede komen.

Hier schetsen we wie daar een rol in kan of moet spelen, en hoe dit concreet kan gebeuren.


Een vaak terugkomende factor in de interviews, is een ingrijpende wending die veroorzaakt werd doordat een persoon in het leven kwam van de werkzoekende. Deze factor, dit breekpunt, samen met de aangegeven drempels of tekortkomingen die mensen nu in de trajectbegeleiding ervaren, werkte enorm inspirerend.
Het duidelijkste voorbeeld daarvan is een nieuwe relatie, al dan niet met iemand die een minder complexe armoedeproblematiek heeft. De impact op zelfbeeld, vertrouwen, motivatie, 'zin in het leven' en perspectief zijn nauwelijks te onderschatten. Vanzelfsprekend ligt het niet binnen de mogelijkheden van het beleid om hier ingrijpend op in te spelen. Maar ook een persoon die in het leven komt van de werkzoekende in armoede, waarmee een minder hechte of andere band tot stand komt dan een liefdesrelatie, kan een gelijkaardige wending veroorzaken, en dat opent wel heel wat perspectieven.
Dit kan bijvoorbeeld zijn het ontmoeten van een werker van een vereniging waar armen het woord nemen, en het lid worden van die vereniging, of een medewerker van een buurthuis leren kennen, en zich gaan thuisvoelen in dat buurthuis. Dit kan eveneens het gevoel van gewaardeerd te worden geven, het zelfbeeld opkrikken, een eerste belangrijke stap in een activeringstraject beteken.
Eerst was ik niet zo happig om deel te nemen aan de activiteiten van de vereniging, maar de komst van Erwin veranderde alles. De manier waarop die met mij omging was zo anders dan alle andere. Hij gaf je het gevoel op dezelfde hoogte te staan. Dit leidde uiteindelijk tot mijn inschrijving bij de Link” (Uit interview van een ervaringsdeskundige)
Ook binnen een aantal opleidingen, waar de begeleider en/of instructeur een ruime aandacht hebben voor het welzijn van de cursist, voor niet arbeidsgerelateerde problemen zien we een dergelijk fenomeen. De slaagkansen binnen een dergelijke opleidingen zijn ook beduidend hoger. (zie 1.3.3 Opleiding)
Vanuit deze vaststellingen zijn we vertrokken om een begeleidingsmodel uit te werken waarbij dit element ('wending door een persoon die in het leven komt') niet meer aan het toeval overgelaten wordt, maar ingebed zit in de trajectbegeleiding.
De eerste vereisten waar de begeleiding aan moet voldoen, is dat er een vertrouwensrelatie is met een welbepaalde persoon. Die persoon moet het gevoel geven dat hij gelooft in de werkzoekende, en moet door zijn houding vertrouwen uitstralen. Aangezien deze persoon, deze begeleider de rol moet opnemen van 'persoon die in het leven komt', zij het vanzelfsprekend op andere wijze dan een geliefde, hebben we de begeleider 'werkmaat' gedoopt.

De vereisten waar deze werkmaat moet aan voldoen, zijn niet evident, maar niet onmogelijk.


ACTIE 11: ER WORDT EEN SYSTEEM ONTWIKKELD WAARBIJ DE WERKZOEKENDE IN ARMOEDE EEN ‘WERKMAAT’ KAN KIEZEN, DIE HEM BEGELEIDT BIJ ALLE STAPPEN IN HET TRAJECT, DAT UITEINDELIJK OP KWALITATIEVE TEWERKSTELLING IS GERICHT. DIT SYSTEEM VOORZIET OOK VOOR EEN KORTE DEGELIJKE OPLEIDING VOOR DIE WERKMAAT, WAARIN INZICHT IN ARMOEDEMECHANISMEN CENTRAAL STAAT.
Vaak gaven mensen in de interviews aan dat ze het enorm moeilijk vinden om telkens opnieuw hun verhaal te doen aan de verschillende begeleiders.
Als het dan al eens klikt, en je het idee hebt dat ze het eindelijk begrepen hebben, is het de volgende keer weer een andere, die andere dingen zegt'. (Uit Overleggroep Werk VN)
Een vertrouwensrelatie opbouwen vraagt tijd en continuïteit. Daartoe is het van belang dat het telkens één en dezelfde persoon is, dat die persoon respect heeft voor de werkzoekende in armoede, en kennis van, inzicht in mechanismen van armoedeproblematiek.
Naast continuïteit is het ook nodig dat er effectief vertrouwen KAN zijn, dat de persoon in armoede weet dat 'wat hij of zij zegt niet tegen hem of haar kan gebruikt worden'. Dat wil zeggen dat men iemand heeft waarmee in vertrouwen gepraat kan worden over moeilijkheden en twijfels, zonder dat dit direct tot sancties en transmissie leidt.

Daarnaast is het ook noodzakelijk dat het klikt tussen de werkmaat en de werkzoekende. Daarbij is het van belang dat er keuzemogelijkheid is, dat een werkmaat niet zomaar aangesteld wordt.


Om deze redenen pleiten we ervoor om een systeem te ontwikkelen waarbij een werkzoekende in armoede van bij het begin van het traject beroep kan doen op een werkmaat, en dat hij die zelf kan kiezen. Dit kan iemand zijn van de VDAB, (bijvoorbeeld ervaringdeskundige van de VDAB) maar ook iemand (daartoe opgeleid) 'extern', bijvoorbeeld een werker van een vereniging waar armen het woord nemen, een medewerker van een buurtdienst of van een vereniging van allochtonen,… Idealiter is het iemand waarmee de werkzoekende reeds een vertrouwensband heeft, zodat de werkmaat niet de zoveelste nieuwe begeleider wordt.
Het lijkt ons zinvol dat er gekozen kan worden voor iemand buiten de VDAB. Door negatieve ervaringen in het verleden, hebben een aantal mensen in armoede hun vertrouwen in de VDAB verloren. Dat vertrouwen kan niet zomaar hersteld worden. Vaak verwisselen mensen in armoede ook VDAB en RVA in hun taalgebruik. Ze ervaren beide als twee facetten van één en dezelfde schorsingsmachine, die hun leven nog ellendiger kan maken.10 Om tot een succesvolle activering te komen is vertrouwen echter noodzakelijk, zonder vertrouwen zal de werkzoekende niet altijd correcte en volledige informatie kunnen geven, waardoor het heel moeilijk wordt om een succesvol traject uit te tekenen.
Zouden jullie niet gewoon binnen de VDAB kunnen werken?”
Nee. Veel mensen hebben slechte ervaringen met de VDAB. Als je daar je bureau hebt dan wordt jij geassocieerd met deze slechte ervaringen. Dan ben ook jij iemand van de VDAB.

Neutraal terrein is een bewuste keuze. (uit interview van Activeringsconsulent FMV)”
De belangrijkste taken van de werkmaat zijn 'er zijn' voor de werkzoekende, naast (en niet boven) hem staan, en hem bijstaan in alle fases van het activeringstraject. Hierbij is vooral de emotionele, expressieve component van belang. Het is niet de bedoeling dat de werkmaat de (eerder instrumentele) taken van de VDAB consulent overneemt.
Het 'er zijn' betekent in de eerste plaats luisteren, tijd nemen voor een gesprek, bijstaan, af en toe meegaan naar een bepaalde dienst, bemiddelen bij eventuele misverstanden, miscommunicatie bij een bepaalde dienst. Vaak geven mensen in armoede immers aan dat ze een aantal zaken niet begrepen, maar hun consulent niet om uitleg of herhaling durfden te vragen. ‘Er zijn’ betekent ook solidaire hulpverlening die oog heeft voor de verbetering van de levenssituatie van de mens in armoede.
De VDAB doet de trajectbegeleiding van de cliënt. FMV ondersteunt dit traject. Vaak weten mensen namelijk nog altijd niet goed wat of hoe als ze bij de VDAB buitenkomen. Dan komen ze nog eens langs bij de activeringsconsulent van FMV, die de zaken nog eens duidelijk uitlegt. We moeten soms alles helemaal uitspellen en concretiseren voor sommige mensen.” (uit interview van Activeringsconsulent FMV)”
Heel belangrijk is ook het opvangen van de werkzoekende bij tegenslagen. Dit wordt vaak aangegeven als een ernstig gemis in het huidige traject naar werk.
Niet alle mensen in armoede zijn aangesloten bij een vereniging, hebben contacten binnen een organisatie, hebben banden met een buurtwerker. Een aantal mensen in armoede leven relatief geïsoleerd, en de netwerken die ze hebben bestaan vaak uit mensen die in een gelijkaardige situatie zitten. Niet alle armen hebben het eerder vermelde wantrouwen naar de VDAB toe. Daarom is het ook noodzakelijk dat voor mensen in armoede die zelf geen werkmaat voordragen, ze wel beroep kunnen doen op een werkmaat van de VDAB. Indien de werkmaat iemand van de VDAB is, heeft die ook een duidelijk herkenbare (en erkende) andere rol dan de trajectbegeleider. Nu reeds nemen de ervaringsdeskundige binnen de VDAB al gedeeltelijk een dergelijke rol op zich. Zij zijn dan ook best geplaatst om als werkmaat de werkzoekende in armoede te begeleiden.
Of de werkmaat nu iemand van de VDAB is, of een extern persoon, het is belangrijk dat de werkmaat goed communiceert met de begeleider van VDAB (of OCMW). Hiervan moet de werkzoekende zelf ook steeds op de hoogte gebracht worden en hij moet deel hebben in de communicatie. Een goede opleiding, deontologische code en duidelijke afspraken hieromtrent zijn absoluut noodzakelijk.

Naast een goede communicatie tussen de werkmaat en de trajectbegeleider, is het ook van belang dat de verschillende diensten waar de werkzoekende mee te maken heeft beter met elkaar communiceren en dat er afstemming is tussen verschillende begeleiders. Vandaag komt het nog vaak voor dat mensen bijvoorbeeld niet naar de jeugdrechtbank gaan omdat ze een afspraak hebben bij de VDAB of omgekeerd, of dat ze niet durven gaan werken, omdat ze zich dan niet meer kunnen houden aan de afspraken met jeugdrechtbank, OCMW… (bijvoorbeeld intensieve gezinsondersteuning, taalles…)

Ook binnen de VDAB moet er veel beter gecommuniceerd worden door de verschillende personen en diensten. Niet enkel op vlak van communicatie en afspraken, maar ook inhoudelijk krijgen mensen in armoede vaak tegenstrijdige signalen: de jeugdrechtbank legt bijvoorbeeld soms andere prioriteiten dan de VDAB.
Het invoeren van een ‘werkmaat-systeem’ neemt niet weg, dat er ook bij alle consulenten en trajectbegeleiders van de VDAB een grotere kennis van armoede moet zijn en dat er meer begrip, meer tijd en ruimte nodig is voor zaken die met het algemeen welzijn van de werkzoekende in armoede te maken hebben. Tijdens de vormingen aan de consulenten van VDAB werd door deze laatste vaak aangegeven dat dit voor hen een pijnpunt is. Vaak voelen consulenten en trajectbegeleiders de nood meer tijd en ruimte voor te hebben, en zijn ze ook van mening dat dit constructiever zou zijn voor het succesvol activeren, maar komen ze er niet aan toe door de tijdsdruk, en de resultaten die ze moeten behalen.

Idealiter evolueert de trajectbegeleider naar een werkmaat. Dit veronderstelt niet enkel meer tijd, ruimte, aandacht en kennis, maar ook een andere houding van de trajectbegeleider en een andere relatie tussen die begeleider en de werkzoekende. Indien de begeleider meer een partner wordt, en zo gepercipieerd wordt, in plaats van een ‘controleur’ zal de werkzoekende veel opener kunnen zijn, wat de kans op succes enorm doet toenemen.


Als die van de VDAB bellen, dan weet je meestal dat er iets fout is. Gewoon om te vragen hoe het gaat, of er geen probleem is, of het lukt met de opleiding, of je het naar je zin hebt… daarvoor bellen ze niet’ (Uit Overleggroep Werk VN)
ACTIE 12: BINNEN ELK VDAB KANTOOR WORDT EEN ‘TRAGE TRAJECTBEGELEIDER’ AANGEDUID, WAAR WERKZOEKENDE MET EEN ARMOEDEPROBLEMATIEK DOOR BEGELEID WORDEN. EEN ‘TRAGE TRAJECTBEGELEIDER’ IS EEN TRAJECTBEGELEIDER DIE MEER TIJD EN RUIMTE HEEFT, DIE NIET BELEMMERD WORDT DOOR DE DRUK SNELLE RESULTATEN TE BEHALEN.
Deze zaken werden bediscussieerd in de Werkgroep Armoede van de VDAB. Opmerkingen die daar gegeven werden:


  • Vroeger waren het de mensen van de sociale dienst die deze rol vervulden, misschien moeten we dat terug herwaarderen, er zijn goede voorbeelden, maar soms werden mensen daar ook ‘gedumpt’

  • Er moet vooral gekeken worden welke vertrouwenspersonen er al zijn, binnen bestaande hulpverleningsdiensten

  • Zo moet er een netwerk met duidelijke doelstellingen opgebouwd worden

  • Misschien kan dit uitgewerkt worden in de vorm van een proefproject

Daarnaast is het meewerken aan activering voor verenigingen waar armen het woord nemen soms dansen op een slappe koord. De mensen in armoede die nu niet bereikt worden door de activeringsinstanties, worden wel bereikt door de verenigingen. Dit onder andere door het vertrouwen in de medewerkers, door de veilige en eigen omgeving, doordat mensen daar gewoon zichzelf kunnen zijn, zonder dat ze constant geconfronteerd worden met bedreigingen en verplichtingen. Als dit vertrouwen beschadigd wordt, zullen mensen afhaken, en dikwijls in een compleet isolement belanden. Het is daarom belangrijk dat in verenigingen op vrijwillige basis in het werkmaat-systeem kunnen instappen. Een aantal werkers van de verenigingen vervullen immers reeds deze rol, soms naast hun takenpakket, een beetje informeel, op eigen initiatief. Binnen enkele andere verenigingen wordt er actief rond activering gewerkt. Nog andere verenigingen hebben schrik of weerstand om hier in mee te stappen. Het is essentieel dat zowel de werker van de vereniging, de persoon in armoede en de vereniging als geheel zelf de keuze kunnen maken of ze hier willen instappen.


Het werkmaat-systeem vertoont een aantal gelijkenissen met de methodologie die Instant A heeft ontwikkeld, in het bijzonder de ‘velcrocoaching’. Gelijkenissen zijn onder andere het sectoroverschrijdend werken, de sociale begeleiding, de intensieve, continue begeleiding,… Toch zijn er ook een aantal opmerkelijke verschillen. Terwijl er bij de velcrocoaching vooral sprake is van het ‘vastpakken en vasthouden’ van de jongere, denken wij de werkzoekende in armoede op een andere wijze te benaderen. De verwevenheid van het welzijn van de werkzoekende en de mogelijkheden om aan het werk te gaan, verdienen onze extra aandacht. Daardoor is de zo snel mogelijk op werk gerichte aanpak volgens ons minder zinvol, en verhoogt een breder interpretatie van activering, en een geleidelijk proces naar werk, de kansen op een duurzame tewerkstelling. Die benadering is ons inziens essentieel om net die groep te bereiken, die vaak als ‘de harde kern’ wordt beschreven. Het gaat om mensen die een aantal kansen nodig hebben, kansen die ze vroeger niet gehad hebben, om hun competenties en hun positie op de arbeidsmarkt te versterken. Hierin is de keuze van de werkzoekende zelf immens belangrijk. Hij wordt bij de evolutie die doorgemaakt wordt bijgestaan, door een ‘maat’.

1.3.3. Verdere stappen op weg naar werk

Activering is een sneltrein, die moeilijk is voor mensen in armoede om op te klimmen’


De verdere stappen moeten op maat en tempo van de werkzoekende gebeuren. Hij moet daarin zelf ook keuzes kunnen maken, en aangeven wat voor hem haalbaar is. Nogmaals dient het benadrukt te worden dat de verschillende stappen die hier beschreven worden niet noodzakelijk de chronologische stappen van een lineair traject vormen, maar dat er ruimte moet zijn voor het bekomen van tegenslagen en het krijgen van nieuwe kansen.


1.3.3.1. Vertrekken van competenties, samen versterken

Indien een werkzoekende in armoede duidelijk gemotiveerd is om te gaan werken, maar er zelf niet in slaagt om werk te vinden, is het belangrijk dat trajectbegeleider en de werkmaat samen een traject uittekenen naar duurzaam werk. Hierbij moet vertrokken worden van de competenties, verlangens en interesses van de werkzoekende. Mensen in armoede hebben soms het gevoel dat hun leven geleefd wordt, dat ze zelf geen invloed kunnen uitoefenen op de loop der zaken, dat ze een passieve speelbal zijn. Vandaar het belang van het actief betrekken van de werkzoekende bij het opstellen van het traject. Hij moet zelf actief positieve keuzes kunnen maken. Vaak voelen mensen zich ook alleen in hun zoektocht, verwachten ze steun en ondersteuning, maar vinden ze die niet. Ze hebben het gevoel dat ook de trajectbegeleider niet in hen gelooft. Naast de eerder besproken maatregelen ter versterking van het zelfbeeld, is het belangrijk dat tijdens het traject de werkzoekende steeds mee beslist, en hierin ook benaderd wordt als een competent iemand.


Ik weet zeker, als ik de deur uit ben, dat dat papierke waar ze alles over mij opgeschreven heeft, al in de vuilbak ligt” (Uit interview van iemand van een vereniging)

Je mag de persoon nooit onderschatten. Als je de persoon onderschat dan ben je zelf niet meer gemotiveerd hem te helpen. Andersom, als je iemand ziet als competent, ben je veel gemotiveerder hem ook te helpen.” (Uit interview van activeringsconsulent FMV)




1.3.3.2. Opleiding

Vertrekkende van die competenties, is het vaak nodig deze nog te versterken, en is het volgen van een opleiding daartoe een zinvolle onderneming. Deze onderneming is echter niet evident voor mensen in armoede.



Valkuilen:

  • drempel naar opleiding is te hoog

  • met zekere dwang gestuurd worden naar opleiding

  • niveau van opleiding is te hoog waar het soms niet vereist is

  • ritme van opleiding is te zwaar

  • zonder perspectief geen motivatie

  • het leven wordt zwaarder, de tijd beperkter


Hefbomen:

  • vrije keuze

  • intensievere toeleiding naar opleiding

  • toelatingsvoorwaarden onder de loep nemen

  • opleiding op maat van mensen in armoede

  • opleiding met perspectief op werk

Een eerste valkuil die we vaak tegenkwamen met betrekking tot opleiding is dat mensen in armoede dikwijls geen toegang hebben tot diverse opleidingen. Vaak hebben mensen niet de juiste of voldoende competenties om aan de vereisten te voldoen. De gevraagde theoretische kennis of capaciteiten voor een aantal technische beroepen zijn vaak een enorme drempel. De eisen om deel te nemen aan een opleiding moeten gewijzigd worden. Dit kan door meer nadruk te leggen op praktische proeven in tegenstelling tot theorie of behaalde diploma’s, of door vooropleidingen in te stellen. Eveneens zijn de wachttijden voor een opleiding vaak heel demotiverend.


ACTIE 13: OPLEIDINGEN WORDEN TOEGANKELIJKER GEMAAKT VOOR MENSEN IN ARMOEDE, INDIEN ZE EEN BEPAALDE OPLEIDING WENSEN TE VOLGEN, WORDT IN DE TOELATINGSPROEF REKENING GEHOUDEN MET HUN ERVARING, KNOW HOW, EN DE (LAGE) SCHOLING DIE ZE GENOTEN.

PRAKTISCHE VAARDIGHEDEN WORDEN MEER GEWAARDEERD.



INDIEN NODIG WORDT EEN VOOROPLEIDING INGESTELD.
Zoals we reeds eerder aangaven is het belangrijk dat men zelf actief keuzes kan maken. Dit geldt niet in het minst voor het volgen van een opleiding. Mensen in armoede voelen zich vaak in een bepaalde richting geduwd. Ze durven soms weinig hun eigen wensen en keuzes duidelijk maken, durven niet te protesteren en vangen een opleiding aan waarvoor ze niet gemotiveerd zijn of waarvan ze zelf vrezen dat ze die niet aankunnen. Dit loopt meestal niet goed af.
Mensen worden gepusht om een opleiding te volgen, maar soms kunnen de mensen die opleiding niet aan. Zonder hierover melding te maken (omdat ze het aan niemand durven zeggen) blijven de mensen weg uit de opleiding waardoor een schorsing volgt.” (Uit interview van iemand van een vereniging)
We merken ook een tendens om ‘kansengroepen’ in de richting van ‘kansenberoepen’ (knelpuntfuncties) en opleidingen daartoe te duwen. Dit lijkt ons weinig zinvol, als dit niet overeenstemt met de positieve vrije keuze van de mensen in armoede zelf. Motivatie is van enorm belang voor de slaagkansen bij het volgen van een opleiding. Indien mensen in een bepaalde richting geduwd worden, zal de motivatie snel beneden alle peil zakken. De werkgelegenheidskansen bij knelpuntfuncties kunnen stimulerend zijn om te kiezen voor een dergelijke opleiding, maar dat moet steeds een bewuste vrije keuze kunnen blijven. Indien er inderdaad voor een dergelijke opleiding gekozen wordt, zal het perspectief een erg motiverende werking hebben.
Het belang van perspectief op werk na het volgen van een opleiding kan immers moeilijk onderschat worden. Een aantal mensen hebben reeds diverse opleidingen achter de rug, zonder dat dat resulteerde in tewerkstelling. Daardoor raken ze compleet gedemotiveerd. Mensen geven in de interviews vaak aan bereid te zijn om het even welk werk te doen, maar niet om een opleiding te volgen. Als je hen echter de vraag stelt of ze wel bereid zouden zijn een opleiding te volgen, als daar ook tewerkstelling aan gekoppeld zou zijn, is alle weerstand veelal dadelijk verdwenen. Zelfs indien daartoe grote inspanningen moeten worden geleverd, en serieuze drempels moeten worden overwonnen.
Waarom zouden ze mij aannemen, als ze die jonk die juist van ’t school zijn kunnen aannemen, die zijn veel goedkoper, ik maak me geen illusies meer. Ik ben nog goed genoeg om te wachten tot het voor mij gedaan is'…’Ik heb nooit leren lezen en schrijven, ik ga niet meer naar school, das niets voor mij’… ‘Indien ze me een job aanbieden zou ik nog wel naar school gaan, maar dan niet voor nen interim van twee weken hé” (Uit interview van iemand van een vereniging)
In een aantal projecten waarbij jongeren en langdurig werklozen een werkervaringsproject uitvoeren of opleiding volgen, wordt er nauw samengewerkt met de bedrijfswereld, en worden de mensen ook effectief begeleid tot ze passend werk hebben. Eveneens krijgen bedrijven ondersteuning en informatie over tewerkstellingsmaatregelen en -mogelijkheden, hebben ze een aanspreekpunt bij het inwerken van nieuwe werknemers. De deelnemers aan die opleiding en mensen van het werkervaringsproject, zijn zich goed bewust van de percentages van geslaagde uitstroom. Dit werkt extreem motiverend, zowel om in te schrijven voor het traject of de opleiding, als om dit vol te houden, ook als het soms wat moeilijker gaat. (Dit wel in combinatie met een intensieve begeleiding, die ook aandacht besteedt aan eventuele niet-arbeidsmarktgerelateerde problemen.)
ACTIE 14: SAMENWERKINGSVERBANDEN WORDEN AFGESLOTEN TUSSEN BEDRIJVEN, VDAB, TEWERKSTELLINGSPROJECTEN EN OPLEIDINGSCENTRA, GERICHT OP HET VERHOGEN VAN PARTICIPATIE VAN MENSEN IN ARMOEDE AAN OPLEIDINGEN, WAARAAN TEWERKSTELLING GEKOPPELD WORDT.
Ook indien voorgaande voorwaarden vervuld zijn (toegang tot de opleiding, vrije keuze en perspectief) is het met succes volgen van een opleiding voor mensen in armoede geen evidentie. Tijdens het volgen van de opleiding wordt het leven immers een stuk zwaarder, en de thuissituatie niet minder complex, hun problemen zijn niet zomaar opgelost. Ze hebben bijvoorbeeld minder tijd om een aantal problemen op te lossen, om het leven op een zo goedkope manier mogelijk te organiseren, om hun contacten te onderhouden,…
ACTIE 15: OOK TIJDENS HET VOLGEN VAN EEN OPLEIDING KUNNEN MENSEN IN ARMOEDE TERUGVALLEN OP HUN WERKMAAT. DE WERKMAAT CONTACTEERT HEN OP REGELMATIGE BASIS, WACHT NIET TOT MENSEN HEM CONTACTEREN ALS HET TE LAAT IS, ALS ZE OP HET PUNT STAAN OM AF TE HAKEN. WAAR NODIG EN MOGELIJK COMMUNICEERT DE WERKMAAT MET DE OPLEIDINGSVERSTREKKER EN DE TRAJECTBEGELEIDER OVER DE GANG VAN ZAKEN.
Daarnaast zijn ook veel opleidingen op zich erg zwaar voor mensen in armoede, zeker als ze langdurig werkloos zijn. De eisen en het tempo liggen vaak vrij hoog, en er zijn weinig mensen waar ze op terug kunnen vallen.
ACTIE 16: ER KOMEN MEER MOGELIJKHEDEN OM OPLEIDINGEN OP MAAT TE VOLGEN, AFHANKELIJK VAN DE DRAAGKRACHT VAN MENSEN IN ARMOEDE. DAT WIL ZEGGEN DAT MENSEN EEN OPLEIDING KUNNEN VOLGEN OP HET TEMPO DAT HAALBAAR IS VOOR HEN, DAT ER RUIMTE IS VOOR NIEUWE KANSEN BIJ MISLUKKING, EN DAT ER TIJDENS DE OPLEIDING AANDACHT, TIJD EN RUIMTE VOOR WELZIJN, VOOR HET OPLOSSEN VAN PROBLEMEN WORDT INGEBOUWD.
EEN OPLEIDING OP MAAT KAN BETEKENEN DEELTIJDS, EEN GELEIDELIJKE OPBOUW, WERKEN IN MODULES…
Hierboven gaven we reeds aan dat het zinvol kan zijn om een voortraject te volgen, waarbij het welzijn en het zelfbeeld van mensen in armoede versterkt worden. Daarnaast is het ook noodzakelijk dat binnen reguliere opleidingen meer aandacht komt voor welzijn, en specifiek voor het versterken van bepaalde competenties. Mensen geven de nood aan om in opleidingen zichzelf te leren ontdekken, zich te ontwikkelen en te groeien. Zoals er bijvoorbeeld nu reeds ruimte is om Nederlandse les te volgen, zou dit ook mogelijk gemaakt moeten worden om welzijnsgerelateerde problemen op te lossen.
Niet enkel bepaalde beroepsgerichte opleidingen verdienen de aandacht. Het is van belang dat alle werkzoekenden in armoede, op welke leeftijd ook, de kans krijgen achterstand in te halen. Hierbij denken we in het bijzonder aan het ontwikkelen van basiscompetenties, die nodig zijn voor het basis-functioneren in onze maatschappij. Hier is het wegwerken van drempels bij de Centra van Basiseducatie (CBE) (schrijven, lezen, ICT, NT2, …), de examencommissie  en de Tweede Kans Afdelingen (TKO) van de CVO’s van belang. Niet alleen baren de prijsverhogingen van verschillende CVO-opleidingen ons zorgen, maar ook organisatorische drempels zoals verplichte regelmatige aanwezigheden en het bemoeilijken om te werken met kleine groepjes van overheidswege moeten versoepeld worden. Bij CBE en TKO is het inleven in de leefwereld van armen eveneens noodzakelijk. Ook hier kan het betrekken van een ervaringsdeskundige binnen de werking zinvol zijn.


1.3.3.3 Het vinden van een job

Als mensen een opleiding met succes volbracht hebben, wordt van hen verwacht dat ze op zoek gaan naar werk. Het is van belang om te onderzoeken of de persoon effectief klaar is om te gaan werken, en welke vorm van tewerkstelling hij aankan. Aangezien het proces naar werk bij mensen in armoede niet altijd even lineair verloopt, is het mogelijk dat de werkzoekende in armoede na de opleiding nog nood heeft aan andere vormen van versterking. Of indien de opleiding niet afgemaakt is, dat de werkzoekende een nieuwe kans krijgt.

Indien de persoon wel aangeeft klaar te zijn om aan het werk te gaan, wil dit nog niet zeggen dat hij ook in staat is om zelfstandig een kwalitatieve, duurzame job te vinden. Wederom is dit natuurlijk afhankelijk van persoon tot persoon. Sommige mensen hebben hiertoe een intensievere begeleiding nodig dan andere. Over het algemeen volstaat een verwijzing naar de WIS computer niet. Naast sollicitatietraining is het ook zinvol dat vacatures doorgegeven en samen besproken worden en dat er ook hulp aangeboden wordt om effectief te gaan solliciteren. Dit kan bijvoorbeeld door problemen in verband met kinderopvang en mobiliteit op te lossen. Ook indien de werkzoekende na een sollicitatie een negatief antwoord krijgt, is het belangrijk om hier na te gaan wat de oorzaak is (eventueel contact op te nemen met de werkgever), en hem te ondersteunen in de verdere zoektocht.


1.3.3.4. Begeleiding op de werkvloer

In grote bedrijven kan er een stuk begeleiding zijn op de werkvloer, bij een kleine ondernemer is dat moeilijker. Wat wel kan, is zoals je hebt bij begeleid wonen, dat je iemand hebt, een consulent, waar je regelmatig naar toe kan gaan, maar ik denk niet dat dat op de werkvloer kan gebeuren. Ik zou er au fond geen problemen mee hebben, moest er bijvoorbeeld een consulent zijn om daar af en toe mee te gaan praten, dat wij kunnen zeggen hoe het loopt, maar niet continu in de winkel zelf. Als kleine ondernemers is er een personeelstekort, dan moet je inderdaad ook zelf initiatieven nemen en nadenken waar gaan we nog mensen kunnen vinden die het werk willen doen.. “ (Uit interview van Nico Volckeryck, ondervoorzitter Unizo Antwerpen)


Zinvol, duurzaam activeren van mensen in armoede stopt niet met het aanvatten van tewerkstelling. Men loopt anders het gevaar dat alle energie en moeite terug weggeveegd worden en dat bij mislukking de afstand tot de arbeidsmarkt enkel maar groter geworden is. De ervaring van mislukking is immers sterk aanwezig in het leven van mensen in armoede. Elke negatieve ervaring op dit vlak versterkt enkel de negatieve spiraal waarin mensen zich bevinden, of dit althans zo aanvoelen.

Er moet ook op de werkvloer een aanspreekpunt, vertrouwenspersoon zijn, en het contact met en blijvende begeleiding van de werkmaat. De duur daarvan kan zijn 'zolang dat nodig is', vaak kan dat het eerste werkjaar zijn. Een geleidelijke afbouw van die begeleiding moet parallel gebeuren met het opbouwen van een vertrouwensrelatie met iemand op de werkvloer (bij voorkeur iemand die ook vorming over armoede gevolgd heeft, cfr infra, bijvoorbeeld délegé's). Personeelsdienst, vakbonden en overheidsdiensten moeten daartoe op elkaar ingestemd zijn. Het systeem van ‘peterschap’ op de werkvloer, dat nu reeds door sommige bedrijven wordt gehanteerd kan hier zeer zinvol zijn. Dit is niet enkel zinvol voor de nieuwe werknemer in armoede, maar eveneens voor de oudere werknemer, die op deze manier ook nieuwe zinvolle taken krijgt, die ook voor hem de werkbaarheid verhogen. Ook voor deze ‘peters’ zou vorming een meerwaarde kunnen betekenen.


ACTIE 17: BEGELEIDING DOOR DE WERKMAAT LOOPT VERDER ALS DE PERSOON AAN HET WERK IS EN OP DE WERKVLOER IS EEN AANSPREEKPUNT, BIJVOORBEELD EEN PETER BIJ DE OUDERE WERKNEMERS.
Vaak geven werkgevers aan wel mensen in armoede in dienst te willen nemen, maar zijn ze van mening dat mensen in armoede dikwijls worstelen met attitudeproblemen. Bij die zogenaamde attitudeproblemen worden ‘stiptheid’ en het ‘omgaan met gezag’ als de twee hardnekkigste problemen gezien. Mensen in armoede hebben in hun jeugd een aantal vaardigheden, die voor andere mensen evident zijn, niet geleerd. Niet thuis, niet op school, en ook niet daarna. Zonder de problemen te willen negeren, spreken wij daarom liever over de zogenaamde vaardigheidskloof, in plaats van over attitudeproblemen.11 Deze vaardigheidskloof is niet onoverkomelijk, maar wel complex om te overbruggen. Daarvoor is er tijd nodig, en is een goede begeleiding noodzakelijk. Wederzijds respect kan daar een belangrijke rol in spelen. Als iemand bijvoorbeeld langdurig werkloos is, en jaren niet vroeg heeft moeten opstaan, zal het niet evident zijn om plots wel telkens vroeg uit de veren te zijn. Dit wil niet zeggen dat die persoon het ‘nooit zal leren’, maar dat hij gestimuleerd moet worden om op tijd te zijn, met begrip dat het voor die persoon geen evidentie is. Na verloop van tijd zal dit wel zo worden. Het omgaan met gezag kan mits begrip, begeleiding en respect geleerd worden. Mensen in armoede zijn vaak meervoudig gekwetst, voelen zich vaak uitgesloten, vernederd en aangevallen, en zijn daardoor extra gevoelig voor de manier waarop ze benaderd worden. Het aanleren van bepaalde attitudes en vaardigheden is een proces dat tijd, inspanningen en ondersteuning vraagt.
Mensen moeten indien het in het begin even fout loopt ook nieuwe kansen krijgen. Indien de tewerkstelling stopgezet wordt, om welke reden dan ook, moet de persoon goed opgevangen worden, eveneens door de werkmaat. Bovendien moet de persoon die stappen naar de arbeidsmarkt zette, minstens in de positie komen die hij had voor hij de grote stap naar werk zette. Het systeem mag deze personen niet extra bestraffen12.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina