Vlaams Verbond van het Katholiek Basisonderwijs



Dovnload 0.73 Mb.
Pagina10/15
Datum22.07.2016
Grootte0.73 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

9Spelletjes


www.khbo.be/spellenarchief

www.spelinfo.be

http://millennium.arts.kuleuven.ac.be/ejt/EJThome/html/Aanmelding.htm
DOE WAT IK ZEG!
Doelstellingen


Beschrijving

De leerkracht geeft een aantal korte, speelse bewegingsopdrachten, die de leerlingen uitvoeren, zoals:



  • Leg je handen op je hoofd.

  • Geef je buurman een hand.

  • Zwaai je rechterarm rond.

  • Buig 4 keer door je knieën.


Groeperingsvorm

Het spel wordt met de hele groep gespeeld; het wordt centraal geleid door de leerkracht.


Varianten

  • De leerlingen mogen de opdrachten enkel uitvoeren, als ze worden voorafgegaan door ‘Simon zegt...’. Anders blijven ze gewoon staan.

  • De rol van de leerkracht wordt overgenomen door een leerling.

  • De oefening wordt uitgevoerd in een grotere ruimte (bijvoorbeeld de turnzaal). Hoepels liggen verspreid in de zaal. Op een muziekje stappen de leerlingen tussen de hoepels door. Als de muziek stopt, staat iedereen stil en luistert naar de opdracht.
    Enkele voorbeelden:

    • Leg je linkerhand in de hoepel.

    • Leg je rechteroor in de hoepel.

    • Leg je in de hoepel op je rechterzijde.

    • Plaats je linkervoet en je rechterhand in de hoepel.

  • De leerkracht maakt een serie kaartjes, waarop een meervoudige opdracht staat. De leerlingen werken in paren. Leerling A leest het kaartje voor en leerling B voert ze uit. Op deze manier kunnen verschillende opdrachten tegelijkertijd worden uitgevoerd. Enkele voorbeelden:

    • Ga naar de kraan. Neem een drinkbekertje. Vul het voor de helft met water. Geef de plant voor het middelste raam wat water.

    • Ga naar het bord. Zet een wit kruisje in de linkerbovenhoek. Zet een geel vierkantje in de rechterbovenhoek. In de linkerbenedenhoek zet je een rood driehoekje.

    • De leerkracht ‘selecteert’ vooraf de leerlingen die een opdracht mogen uitvoeren door één of meer eigenschappen te noemen, bijvoorbeeld: Deze opdracht is enkel voor de meisjes met een bril op. Nu is het de beurt aan de jongens met witte sokken aan. Alleen kinderen met sandalen aan mogen doen wat ik nu zeg.

GA JE GANG


Doelstellingen

  • luistervaardigheid ontwikkelen

  • lichaamsexpressie


Beschrijving

Voor deze oefening is vrije ruimte nodig. De leerlingen gaan op verschillende manieren rondwandelen. Ze luisteren hierbij naar wat de leerkracht vertelt . Bijvoorbeeld:



  • We lopen samen door een bos. We lopen heel stilletjes op onze tenen, want we willen de dieren niet opschrikken. Nu steken we een riviertje over. We springen van steen tot steen. We lopen samen over een boomstam. Opgelet: val er niet af! De zon is weg. Brrr, wat wordt het fris!

Aanvankelijk wandelt de leerkracht mee en kunnen de leerlingen haar manier van gaan imiteren. Langzamerhand gaat zij naar de kant en laat ze de leerlingen zelf uitzoeken wat er moet gebeuren.
Groeperingsvorm

Het spel wordt met de hele groep gespeeld; het wordt centraal geleid door de leerkracht.


WAAR OF NIET WAAR
Doelstellingen

  • luistervaardigheid ontwikkelen ,

  • zinnen herformuleren


Beschrijving

De leerkracht doet een serie uitspraken die waar of niet waar zijn. De leerlingen reageren snel door ‘waar’ of ‘niet waar’ te roepen (‘juist of fout’, ‘ja of nee’). Indien nodig wordt een zin herhaald.

Enkele voorbeelden:

Mijn boek is groen. Vandaag is het donderdag. Het regent buiten.


Groeperingsvorm

Het spel kan met de hele groep gespeeld worden; het wordt centraal geleid door de

leerkracht.
Varianten


  • Als de leerkracht een uitspraak heeft gedaan, tonen de leerlingen een groen (waar) of een rood (niet waar) kaartje. Op deze manier kunnen alle leerlingen voor zichzelf nadenken en hun mening weergeven. Als een leerling ‘niet waar’ zegt, probeert hij ook uit te leggen wat er niet klopt. De leerlingen herformuleren de zinnen die niet waar zijn zodanig dat ze wel kloppen.

  • De rol van de leerkracht wordt overgenomen door een leerling. De complexiteit van de zinnen kan aangepast worden aan het taalvaardigheidsniveau van de leerlingen.

LUISTEREN EN TEKENEN



Doelstellingen

  • luistervaardigheid ontwikkelen

  • mondelinge informatie visualiseren

  • plaatsaanduidingen begrijpen

  • beschrijvende woorden (bijvoorbeeld kleuren) begrijpen


Beschrijving

De leerlingen krijgen een basistekening die onvolledig is (bijvoorbeeld de basisvormen van een mens, een straat, een kamer, een klas, ...). De leerkracht geeft een duidelijke beschrijving van wat er moet bijgetekend worden en op welke plaats het moet komen. De leerlingen vullen de tekening aan op basis van deze beschrijving.

Achteraf vergelijken ze hun tekening met het origineel.

De opdrachten bij onderstaande tekening luiden bijvoorbeeld:



  • Kleur de mond van de clown rood.

  • Maak zijn kraag geel.

  • Op zijn muts zie je 3 bollen: de bovenste kleur je rood, de middelste oranje en de onderste geel.

  • Kleur de rest van de muts groen.

  • Geef de clown een ballon in zijn linkerhand.


Groeperingsvorm

De opdracht kan met de hele groep uitgevoerd worden (centraal geleid door de leerkracht).

Als de leerkracht de beschrijving vooraf opneemt op een cassette, kunnen de leerlingen de tekenopdracht ook individueel uitvoeren in de luisterhoek.

Meer taalvaardige leerlingen kunnen deze oefening ook twee aan twee doen. Leerling A geeft de beschrijving en leerling B vult de tekening aan.


TEKENEN OP RUITJESPAPIER
Doelstellingen

  • luistervaardigheid ontwikkelen

  • instructies begrijpen

  • plaatsaanduidingen begrijpen


Beschrijving

De leerlingen krijgen een vel ruitjespapier. De leerkracht geeft zeer precieze tekenopdrachten. Als de leerlingen deze correct uitvoeren, ontstaat een bepaalde figuur. Enkele voorbeelden van opdrachten:



  • Zet je pen bovenaan links.

  • Trek een lijn van vijf hokjes (ruitjes) recht naar beneden.

  • Ga nu twee hokjes (ruitjes) naar links.


Groeperingsvormen

Het spel kan met de hele groep gespeeld worden (centraal geleid door de leerkracht) Als de leerkracht de instructies vooraf opneemt op een cassette, kunnen leerlingen deze oefening ook individueel maken in de luisterhoek.

Meer taalvaardige leerlingen kunnen deze oefening ook twee aan twee doen. Leerling A ontwerpt zelf een figuur en geeft de instructies aan leerling B, die ze uitvoert. Achteraf kunnen de rollen dan omgewisseld worden.
Varianten

Op het ruitjespapier worden horizontaal cijfers geplaatst en verticaal letters. De

tekenopdrachten worden nu als volgt gegeven:


  • ‘Trek een lijn van B3 naar C2', enz.

LUISTEREN EN FIGUREN LEGGEN


Doelstellingen

  • luistervaardigheid ontwikkelen

  • instructies begrijpen

  • plaatsaanduidingen begrijpen


Beschrijving

De leerlingen beschikken over een aantal vormen in papier of karton. Met deze vormen moet een figuur gelegd worden volgens de instructies die de leerkracht geeft.


Voorbereiding

De leerkracht demonstreert vooraf de werkwijze aan het bord met vergrote vormen.


Groeperingsvorm

Het spel kan met de hele groep gespeeld worden (centraal geleid door de leerkracht). Als de leerlingen voldoende vertrouwd zijn met de speelwijze en over voldoende woordenschat beschikken, kunnen zij het spel twee aan twee spelen.


Varianten

De rol van de leerkracht kan overgenomen worden door een leerling. Er kan gebruik gemaakt worden van logiblokken, cuisenaire-staafjes of mozaïekfiguurtjes.


EEN PARCOURS AFLEGGEN
Doelstellingen

  • luistervaardigheid ontwikkelen

  • instructies begrijpen

  • plaatsaanduidingen begrijpen


Beschrijving

De leerlingen staan verspreid in het lokaal. Eén leerling wordt geblinddoekt. De leerkracht geeft instructies over het parcours dat de geblinddoekte leerling moet afleggen. Bijvoorbeeld:



  • Doe drie stappen recht vooruit.

  • Ga nu twee stappen schuin naar links.

Zo komt de leerling bij een medeleerling terecht; hij moet raden wie het is en kan hiervoor verschillende strategieën hanteren: de leerling betasten, de leerling laten spreken,....
Groeperingsvorm
Het spel wordt met de hele groep uitgevoerd en geleid door de leerkracht.
Varianten

  • In het parcours worden bepaalde ‘hindernissen aangebracht’ die de leerling moet omzeilen (bijvoorbeeld: ‘Pas op, hier staat een stoel’).

  • De rol van de leerkracht wordt door een leerling overgenomen.

DOMINO
Doelstellingen



  • getallen inoefenen

  • woordenschat activeren en inoefenen

  • inoefenen van meervoudsvormen

  • betekenis en woordbeeld koppelen


Beschrijving

Het spel bestaat uit een reeks steentjes die in twee helften zijn verdeeld. Op elke helft staat een getalbeeld in stipjes (van 1 tot 6). Elk speler krijgt 6 steentjes. De bedoeling is dat er een soort slang wordt gevormd; de spelers proberen hun steentjes kwijt te spelen door ze tegen het vorige steentje aan te leggen en het bijhorend getal te noemen. Als een speler geen steentje kan wegleggen, neemt hij er eentje uit de pot. Winnaar is diegene die het eerst al zijn steentjes kwijt is.


Voorbereiding

De leerlingen kunnen tenminste tellen van 1 tot 10. De leerkracht geeft duidelijke instructies over de speelwijze en demonstreert tegelijkertijd aan de hand van een beperkt aantal steentjes.


Groeperingsvorm

Het spel wordt gespeeld met 3 tot 4 spelers Als de leerlingen vertrouwd zijn met de speelwijze kunnen ze het spel zelfstandig spelen.


Varianten

  • In plaats van getalbeelden staan er afbeeldingen op de kaartjes. Je kunt nu op 2 wijzen spelen:

    • 2 identieke afbeeldingen moeten aan elkaar gelegd worden en benoemd worden

    • bij elkaar horende afbeeldingen moeten aan elkaar gelegd worden en benoemd worden

  • Zet op de ene helft van de kaartjes afbeeldingen en op de andere helft gedrukte woorden (koppeling van betekenis en woordbeeld).

  • Zet op de ene helft van de kaartjes cijfers en op de andere helft dezelfde hoeveelheid afgebeeld (zowel het getal als de afbeelding worden benoemd; gebruik van meervoudsvormen).


Opmerking

Er kan ook gebruik gemaakt worden van bestaande Dominospellen. Bij de ‘Cijferdomino’ van Jumbo staat er op elke helft een cijfer + een kleurrijke afbeelding (bijvoorbeeld 1 ei, 4 visjes, 6 parels ...). Bij de ‘Cijferdomino’ van Ravensburger staan op de ene helft de cijfers van 1 tot en met 9. Op de andere helft staan 1 tot en met 9 dieren, bloemen of voorwerpen. De achtergrondkleuren van de kaartjes die bij elkaar horen zijn gelijk.


KWARTET
Doelstellingen__woordenschat_rond_een_bepaald_thema_herhalen__geheugen_en_concentratievermogen_trainen___Beschrijving'>Doelstellingen__woordenschat_activeren__woorden_spellen__woordbeelden_vormen_(synthese)___Beschrijving'>Doelstellingen

  • ja/nee-vragen formuleren

  • woordenschat activeren en inoefenen

  • geheugen trainen


Beschrijving

In het kaartspel zitten een aantal sets van vier kaarten die bij elkaar horen. De kaarten worden verdeeld over de spelers. Deze trachten een kwartet (een volledige set van 4 bij elkaar horende kaarten) bij elkaar te krijgen door vragen te stellen aan hun medespelers:



  • Speler A heeft van de vervoermiddelen reeds een boot, een auto en een vliegtuig. Hij vraagt aan speler B: ‘.., mag ik van jou de trein?’

  • Speler B antwoordt: ‘Ja, alsjeblief.’ of ‘Nee, die heb ik niet.’

Als het antwoord ‘ja’ is, mag de speler die aan de beurt is nog een vraag stellen. Als het antwoord ‘nee’ is, is het aan de volgende. Als een speler een kwartet bij elkaar heeft, legt hij de vier kaarten op tafel en benoemt ze. Winnaar is diegene die aan het einde van het spel de meeste kwartetten heeft verzameld.
Voorbereiding

Het spel wordt samengesteld uit afbeeldingen van woorden die reeds in de lessen aan bod zijn gekomen. De leerkracht legt de kaarten vooraf op tafel en de leerlingen zoeken de kwartetten bij elkaar; er wordt eventueel verduidelijkt waarom bepaalde kaarten bij elkaar horen.

Het spel wordt een paar keer open gespeeld, waarbij de spelers elkaars kaarten kunnen zien. Hierbij wordt vooral de vraag - antwoordformule ingeoefend.
Groeperingsvorm

Er wordt gespeeld in groepjes van 3 tot 5 spelers. Als de leerlingen vertrouwd zijn met de speelwijze, kunnen zij het spel zelfstandig spelen.


Varianten

Er worden kwartetten gevormd rond de beginletters van woorden (aandacht voor uitspraak). Er worden kwartetten gevormd rond samengestelde woorden (bijvoorbeeld SCHOOL: schooltas, schoolboek, schoolagenda, schoolbel).


Opmerking

Er kan ook gebruik gemaakt worden van bestaande KWARTET - spellen. Ravensburger geeft een spel uit met eenvoudige afbeeldingen van Dick Bruna (bloemen, woningen, vervoermiddelen, rassen, hemellichamen, van ei tot kip). Jumbo heeft een kwartet onder de naam 4=1. Hetzelfde plaatje komt telkens in 4 verschillende kleuren voor. Boven elk plaatje staat de hele serie afgebeeld.


LOTTO
Doelstellingen


Beschrijving

Elke speler krijgt een grote kaart met een 10-tal verschillende afbeeldingen. De spelleider heeft kleine kaartjes met dezelfde afbeeldingen. Hij neemt er één uit een zak of een doos, en zegt het woord dat bij de afbeelding past. Wie de bijbehorende afbeelding op zijn kaart ziet, steekt zijn hand op, herhaalt het woord en legt de afbeelding op zijn kaart. Winnaar is diegene die het eerst zijn tien vakjes heeft gevuld. Als de kaart vol is, roept de leerling ‘bingo!’.


Voorbereiding

Het spel wordt samengesteld uit afbeeldingen van woorden die reeds aan bod zijn gekomen bij bepaalde thema’s.

De leerkracht geeft vooraf aan elke speler een aantal kaartjes met de afbeelding naar boven. Elke speler probeert zoveel mogelijk afbeeldingen te benoemen. Als hij vastzit, bieden de medeleerlingen hulp. De woordenschat die nodig is om het spel te kunnen spelen, wordt op deze manier geactiveerd.

De leerkracht geeft duidelijke instructies over het verloop van het spel en demonstreert tegelijkertijd de speelwijze aan de hand van een beperkt aantal kaartjes.


Groeperingsvorm

Het spel kan met de hele groep gespeeld worden. De leerlingen werken eventueel in paren, waarbij zwakke leerlingen ‘gekoppeld’ kunnen worden aan meer taalvaardige leerlingen.

Als de leerlingen vertrouwd zijn met de speelwijze, kan het spel ook in een kleinere groep gespeeld worden; er wordt een spelleider aangeduid die de kaartjes trekt.
Varianten


  • De rol van de leerkracht kan overgenomen worden door een leerling.

  • Je kunt bepaalde afbeeldingen meerdere keren laten terugkomen op verschillende kaarten; het komt er in dat geval op aan om snel te reageren.

  • In plaats van afbeeldingen zet je getallen op de kaarten.


Opmerking

Er kan ook gebruikt gemaakt worden van bestaande Lottospellen. Ravensburger heeft een versie met plaatjes van Dick Bruna (‘Lottino’). De afbeeldingen op één kaart horen thematisch bij elkaar (bijvoorbeeld dingen die bij het ontbijt horen). De achterkanten van de kaarten kunnen ook gebruikt worden; hierop staan dezelfde voorwerpen afgebeeld als op de voorkanten, maar kriskras door elkaar en in schaduwbeeld. Jumbo geeft de ‘Inleglotto’ uit. De afbeeldingen die door de spelleider getrokken worden, zijn niet precies dezelfde als diegene die de spelers op hun kaart hebben staan. Het zijn aanvullende plaatjes. Iedere speler moet proberen met die bijpassende helften zijn kaart het eerste vol te krijgen.


MEMORY
Doelstellingen

  • woordenschat activeren en inoefenen

  • geheugen trainen

  • betekenis en woordbeeld koppelen


Beschrijving

In een pak van 40 kaartjes zitten er 20 sets (1 set = 2 kaartjes die bij elkaar horen). De kaartjes worden geschud en met de rugzijde naar boven op tafel gelegd. De leerlingen draaien om de beurt 1 kaartje om en proberen de corresponderende afbeelding te vinden door nog 1 kaartje om te draaien. Als ze een set gevonden hebben, mogen ze de twee kaartjes bijhouden, nadat ze de afbeelding hebben benoemd. Zijn de twee omgedraaide kaartjes verschillend, dan worden ze weer op de oorspronkelijke plaats teruggelegd. Winnaar is de leerling die op het einde van het spel de meeste kaartjes heeft verzameld.


Voorbereiding

Het spel wordt samengesteld uit afbeeldingen van woorden die reeds aan bod zijn gekomen bij bepaalde thema’s.

De leerkracht geeft vooraf aan elke speler een aantal kaartjes met de afbeelding naar boven. Elke speler probeert zoveel mogelijk afbeeldingen te benoemen. Als hij vastzit, bieden de medeleerlingen hulp. De woordenschat die nodig is om het spel te kunnen spelen, wordt op deze manier geactiveerd.

De leerkracht geeft duidelijke instructies over het verloop van het spel en demonstreert tegelijkertijd de speelwijze aan de hand van een beperkt aantal kaartjes. De eerste keer kan het spel gespeeld worden met een beperkt aantal sets.


Groeperingsvorm

Er zijn 3 tot 4 spelers per groep.

Als de leerlingen vertrouwd zijn met de speelwijze, kunnen zij het spel zelfstandig spelen.
Varianten


  • Elke set bestaat uit een afbeelding en een gedrukt woord (koppeling woordbeeld en betekenis).

  • Elke set bestaat uit twee voorwerpen die bij elkaar horen (bijvoorbeeld boek - boekentas, mes - vork).

  • Als een speler een set gevonden heeft, gebruikt hij de woorden in een goede zin.

  • Een zwakke leerling draait de kaartjes om, terwijl de andere spelers de afbeeldingen benoemen. Als hij een set heeft, probeert hij zelf de woorden te herhalen.


Opmerking

Er kan ook gebruik gemaakt worden van bestaande MEMORY-spelen. Ravensburger heeft een bijvoorbeeld een mooie uitgave met afbeeldingen van Dick Bruna.


PIM PAM PET
Doelstellingen

  • woorden binnen een bepaalde categorie oproepen

  • letters herkennen en verklanken


Beschrijving

De leerkracht maakt over verschillende thema’s een aantal kaartjes met vragen van

het type: Wat vind je in de keuken? Wat zie je op straat? Wat is er in de klas? Welk kledingstuk begint met ...?

De kaarten liggen op een stapeltje in het midden, met de rugzijde naar boven. De deelnemers zitten rond de tafel. De leerkracht of één van de leerlingen draait het bovenste kaartje om, leest de vraag en draait vervolgens aan een draaischijf met de letters van het alfabet. De letter waarnaar de pijl wijst, moet de beginletter zijn van het gevraagde woord. Wie het snelst een voorwerp met die letter kan noemen, krijgt het kaartje. De leerkracht stelt van tevoren een maximum bedenktijd vast. Als dan niemand een correct antwoord heeft gegeven, komt het kaartje weer onderaan de stapel.


Voorbereiding

De vragen op de kaartjes hebben betrekking op thema’s die in de les behandeld zijn. Het aantal kaartjes kan geleidelijk uitgebreid worden. De leerlingen kunnen de letters van het alfabet herkennen en verklanken.


Groeperingsvorm

Het spel kan gespeeld worden met de hele groep, waarbij er verschillende teams gevormd worden (zwakke leerlingen kunnen dan gekoppeld worden aan meer taalvaardige partners).

Het spel kan ook gespeeld worden in kleine groepjes van 4 tot 5 spelers.
Varianten


  • Enkel de speler of het team dat aan de beurt is, mag een antwoord formuleren. Er wordt een maximum bedenktijd vastgelegd.

  • Met het gevonden woord moet ook een goede zin gemaakt worden.

GALGJE
Doelstellingen



  • woordenschat activeren

  • woorden spellen

  • woordbeelden vormen (synthese)


Beschrijving

De leerkracht neemt een gekend woord met een bepaald aantal letters in gedachten. De eerste en de laatste letter van het woord komen aan het bord. Daartussenin staan evenveel puntjes als er letters weggelaten zijn. De deelnemers proberen het bedoelde woord te raden. Daartoe vragen ze om de beurt een letter. Als die letter in het woord voorkomt, vult de spelleider die in op de puntjes. Iedere keer als er een letter wordt gevraagd die niet in het woord voorkomt, wordt een onderdeel van de galg toegevoegd. Als het poppetje hangt voordat het woord geraden is, mogen er geen letters meer gevraagd worden. De spelleider is dan gewonnen.


Voorbereiding

De leerlingen zijn vertrouwd met schriftelijke woordbeelden.

De leerlingen kennen het alfabet.

De leerlingen kunnen spellen.

De leerlingen beschikken reeds over een zekere basiswoordenschat.
Groeperingsvorm

Het spel kan met de hele groep gespeeld worden. Als de leerlingen vertrouwd zijn met de speelwijze kunnen ze het spel ook twee aan twee spelen. De leerkracht controleert wel de juiste schrijfwijze van de woorden die geraden moeten worden.


IK GA OP REIS
Doelstellingen


Beschrijving

Leerkracht en leerlingen zitten in een kring. De leerkracht neemt een koffer en zegt: ‘Ik ga op reis en ik neem mee: een tandenborstel ...’. De tweede speler herhaalt de uitgangszin en het eerst voorwerp dat in de koffer gaat (een tandenborstel); hij voegt er ook een nieuw voorwerp aan toe. De derde speler herhaalt de zin, de twee voorwerpen en bedenkt een derde. Op deze manier blijft de reeks zich uitbreiden.


Groeperingsvorm

Dit spel kan met de hele groep gespeeld worden.


Varianten

Naargelang van het thema kan de uitgangszin aangepast worden: ‘Ik ga naar de markt en ik koop...’, ‘ik ga naar het station en ik zie...’, ‘ik zit in een restaurant en ik eet...’. De voorwerpen (of afbeeldingen ervan) liggen in het midden. De leerlingen kiezen een voorwerp of een plaatje, rapen het op en formuleren de zin. De voorwerpen of plaatjes worden bijgehouden en dienen als geheugensteuntje.


IK ZIE IK ZIE WAT JIJ NIET ZIET
Doelstellingen

  • woordenschat herhalen

  • aanwijzende en bijvoeglijke naamwoorden gebruiken

  • ja/nee-vragen stellen

  • kleuren inoefenen


Beschrijving

De leerkracht of één van de leerlingen neemt een voorwerp in gedachten dat voor iedereen zichtbaar is. Dan volgt de vaste formule die bij dit spelletje hoort:

A:Ik zie ik zie wat jij niet ziet

Groep: Wat zie je dan?

A: Ik zie, ik zie ... (noemt de kleur van het te raden voorwerp)

De leerlingen stellen om beurt een vraag en noemen steeds de kleur bij het voorwerp, bijvoorbeeld: ‘Is het dat witte krijtje?’, ‘Is het die groene lamp?’. Als het bedoelde voorwerp geraden is, neemt degene die het geraden heeft een ander ding in gedachten en begint het spel weer van voren af aan.


Voorbereiding

De leerkracht oefent eerst het beginversje een paar keer en bedenkt de eerste keren zelf een voorwerp.


Groeperingsvorm

Het spel wordt met de hele groep gespeeld.


Varianten

De leerlingen kiezen een voorwerp op een grote plaat of ze kiezen één voorwerp uit een reeks die in het midden ligt. De mogelijkheden worden zo beperkt en de leerkracht heeft tegelijk vat op de woorden die ze speciaal wil inoefenen.

Als het voorwerp uit de klas moeilijk geraden kan worden, kan de leerling die het gekozen heeft aanwijzingen geven, door te zeggen: ‘koud’ (ver weg), ‘lauw’ (in de buurt), ‘warm’ (dichtbij), ‘heet’ (bijna goed).
KIMSPEL
Doelstellingen


  • woordenschat (rond een bepaald thema) activeren en inoefenen

  • geheugen trainen


Beschrijving

Leerkracht en leerlingen zitten in een kring. De leerkracht legt een 10-tal voorwerpen in het midden. De voorwerpen worden benoemd en de leerlingen bekijken ze aandachtig. Dan gaat er een doek overheen; de leerlingen proberen zich nu zoveel mogelijk van de verborgen voorwerpen te herinneren. Er kan schriftelijk of mondeling gewerkt worden.


Groeperingsvorm
Het spel kan met de hele groep gespeeld worden. In plaats van individueel kunnen de leerlingen ook in paren werken.
TEKST DOORFLUISTEREN
Doelstellingen

  • nauwkeurig luisteren

  • articulatie en uitspraak verzorgen


Beschrijving

De leerlingen fluisteren elkaar een woord, een zin of een korte tekst door. Diegene die begint fluistert het woord/de zin/de tekst in het oor van de rechterbuur. Deze luistert goed en herhaalt zo precies mogelijk wat hij gehoord heeft. Zo gaat het fluisteren het hele rijtje rond. De laatste leerling zegt hardop wat hij verstaan heeft. Daarna maakt de eerste leerling bekend waar het oorspronkelijk over ging. Eventuele verschillen worden opgespoord.


VERRASSINGSZAK
Doelstellingen

  • woordenschat activeren en inoefenen

  • zinnen formuleren die een beschrijving geven


Beschrijving

Een aantal voorwerpen worden in een zak gestopt. Eén leerling wordt geblinddoekt en neemt een voorwerp uit de zak. Hij betast het en raadt wat het is.


Varianten

De andere leerlingen mogen ‘hints’ geven, zoals:” Je gebruikt het om te knippen. Je vindt het in de keuken. Het heeft een groene kleur.”

De leerkracht selecteert voorwerpen rond bepaald thema: dingen uit de natuur, voorwerpen uit de klas, voorwerpen die in de keuken gebruikt worden, kledingstukken, enz.
WIE IS HET?
Doelstellingen


  • ja/nee-vragen stellen

  • woorden inoefenen die een beschrijving geven (kleuren, gelaatskenmerken, vormen, ...)

  • logisch denken ontwikkelen


Beschrijving

De leerkracht of één van de leerlingen schrijft een naam van iemand uit de groep op de achterkant van het bord. De andere leerlingen mogen nu vragen stellen om te achterhalen welke naam is opgeschreven. De vragen mogen alleen met ‘ja’ of ‘nee’ beantwoord worden. Wie de naam raadt, mag een volgende naam op het bord schrijven.

Voorbeelden van vragen:

Is het een jongen? Heeft hij kort haar? Heeft hij een lange broek aan?


Groeperingsvorm

Het spel kan met de hele groep gespeeld worden. Meer taalvaardige leerlingen kunnen het spel twee aan twee spelen (cfr. MB-spel)


Varianten

In plaats van personen, worden voorwerpen uit de klas geraden. Er kan ook geraden worden naar andere (niet-zichtbare) personen


Opmerking

MB geeft een spel uit dat op hetzelfde principe gebaseerd is en dat met 2 spelers gespeeld kan worden (‘Wie is het?’). In het spel zijn twee reeksen kaarten met gezichten. Iedere speler neemt een kaart en zet die in de gleuf vooraan op zijn spelbord. Alle mogelijke gezichten staan ook op het spelbord. Het komt erop aan uit te vissen welk gezicht de tegenspeler op zijn spelbord heeft voordat hij raadt wie er op jouw kaartje staat. Door ja/nee -vragen te stellen aan de tegenspeler kunnen bepaalde gezichten geëlimineerd worden.


WOORDENKETTING
Doelstellingen

  • parate woordkennis activeren

  • schriftelijke woordbeelden koppelen aan gesproken woorden

  • auditieve en visuele analyse


Beschrijving

De leerlingen zitten in de kring en noemen om de beurt een woord dat past in een bepaalde categorie of een bepaald thema. Ze zorgen ervoor dat de eerste letter van het volgende woord dezelfde is als de laatste letter van het voorafgaande woord en maken zo een woordenketting.


Voorbereiding

De leerlingen zijn vertrouwd met schriftelijke woordbeelden.

De leerlingen beschikken reeds over een zekere basiswoordenschat.
Varianten

De leerlingen maken zinnen met twee of meer woorden uit de ketting.

De leerkracht noteert de woorden op het bord terwijl ze genoemd worden, zodat leerlingen het schriftelijk woordbeeld voor zich zien.
HOE VOELT HET AAN?
Doelstellingen


  • zintuiglijke ervaringen beschrijven

  • inoefenen van bijvoeglijke naamwoorden (ruw, glad, zoet, zuur, warm, koud, droog, licht, enz.)


Beschrijving

De spelers zitten per twee met een boek tussen hen in, zodat ze niet kunnen zien wat de ander doet. Elke speler krijgt een reeks prenten en een tabel. Speler A legt de 12 prenten in een bepaalde volgorde op de tafel. Het doel van het spel is dat speler B zijn prenten in dezelfde volgorde als speler A moet leggen. Om dit te kunnen doen, moet speler A een goede beschrijving geven van de smaak, het gevoel, het uitzicht, de geur die op de prenten voorkomen. Speler B mag vragen stellen. Als speler B de prenten juist heeft gelegd, worden de rollen omgekeerd.


PUZZELEN
Doelen__waar_-vragen_formuleren__inoefenen_van_woorden_en_zinswendingen_die_een_plaats_aanduiden___Beschrijving'>Doelen

  • situatie beschrijven

  • zinnen formuleren die alledaagse activiteiten weergeven (constructie: ‘ze zijn aan het ...’)


Beschrijving

Het spel kan met de hele groep gespeeld worden. Er zijn 4 grote prenten, die elk volgens de lijnen verknipt worden. Elke leerling krijgt een deel van één van de prenten. De bedoeling is dat leerlingen zelf uitmaken welke medeleerlingen een deel van dezelfde prent hebben. Dit doen ze door al rondwandelend elkaar een beschrijving te geven van hun deel van de prent. Als ze elkaar gevonden hebben, moeten ze samen gaan zitten en de prent reconstrueren.


WAAR IS MIJN BRIL?
Doelen

  • waar -vragen formuleren

  • inoefenen van woorden en zinswendingen die een plaats aanduiden


Beschrijving

Het spel wordt gespeeld in groepjes van 4. Elke speler krijgt een kaart, waarop een woonkamer staat afgebeeld. De kleine tekeningetjes onderaan zijn afbeeldingen van voorwerpen die ze verloren zijn. Het doel is dat elke speler te weten komt waar die verloren voorwerpen zich bevinden. Dit kan door vragen te stellen aan de medespelers: ‘Waar is mijn kam?’. Als de vindplaats ontdekt is, wordt het voorwerp erbij getekend (op de juiste plaats).


GEVOELENS
Doelen

  • gevoelens beschrijven

  • inoefenen van bijvoeglijke naamwoorden als droevig, blij, moe, boos, enz.


Beschrijving

De leerlingen zitten per twee met een boek tussen hen in, zodat ze niet kunnen zien wat de ander doet. De twee spelers krijgen 12 afbeeldingen van personen en een tabel. Speler A legt de afbeeldingen in een bepaalde volgorde op tafel (hij maakt hiervoor gebruik van de tabel). Het doel van het spel is dat speler B zijn prenten in dezelfde volgorde legt. Om dit te bereiken moet speler A een goede beschrijving geven van de gevoelens die in elke prent zijn uitgedrukt. Speler B mag vragen stellen. Als hij de prenten in de juiste volgorde heeft gelegd, worden de rollen omgewisseld.


UNO

UNO is een perfect spel om kleuren en getalbeelden in te oefenen.

Terug naar inhoudstafel



1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina