Vlaams Verbond van het Katholiek Basisonderwijs



Dovnload 0.73 Mb.
Pagina15/15
Datum22.07.2016
Grootte0.73 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

14Woonwagenwerk


Tekst over woonwagenbewoners van Toon Machiels.

Vlaams minderhedencentrum VZW.

Vooruitgangsstraat 323, 1030 Brussel

(02/205 00 50 en 02/205 00 60)

Meer info over woonwagenwerk vind je op : www.vmc.be
De boer bewerkt de grond.

De zigeuner bewerkt de boer.

Il y aura toujours un mur entre toi et moi.


INHOUD

aWOONWAGENBEWONERS: EEN DOELGROEP, VEEL DEELGROEPEN

GROEPEN

  • Rom-Zigeuners

  • Manoesj-Zigeuners

  • Voyageurs

  • Roma

  • Buitenlandse Zigeuners

  • Foorreizigers, Schippers, Circusreizigers
AANTALLEN

bHISTORIEK

ZIGEUNERS

  • De eerste migratie of de komst van de Manoesjen

  • De tweede migratie of de komst van de Roms

  • De derde migratie of de komst van de Oost-Europese Roma
VOYAGEURS OF AUTOCHTONE RONDTREKKENDEN
DE PLAATS VAN NOMADEN IN DE SEDENTAIRE SAMENLEVING

cWOONWAGENBEWONERS: DRIE KENMERKEN

WIJ EN ZIJ
HIER EN NU
FLEXIBILITEIT

dCULTURELE EIGENHEDEN

WONEN
HUISHOUDEN
ONDERWIJS
ARBEID
GODSDIENST
GEZONDHEID

eHET VLAAMS CENTRUM WOONWAGENWERK

FOORWERK
DE WELVAARTSTAAT
DE OVERHEID
OVERLEG
KANSARMOEDEBELEID

aWOONWAGENBEWONERS: EÉN DOELGROEP, VEEL DEELGROEPEN


Woonwagenbewoners vormen verre van een homogene bevolkingsgroep. De

verschillende ‘deelgroepen’ hebben een eigen geschiedenis en specifieke (cultuur)kenmerken. Toch zijn er onderling heel wat bindingen.


GROEPEN
ROM-ZIGEUNERS:

Individuen die deel uitmaken van deze groep noemen we Rom (meervoud Roms). Zij kwamen wellicht vanaf midden vorige eeuw in verschillende golven in ons land aan. Zij leven sterk nomadisch, hechten grote waarde aan familiale banden en spreken steeds hun Romanes, met als tweede taal het Frans. De vrouwen dragen bij voorkeur hun traditionele klederdracht. Mede daardoor zijn zij misschien de meest opgemerkte groep, hoewel ze in aantal het kleinst zijn.
MÀNOESJ-ZIGEUNERS:

De Manoesjen vertoeven sinds de 15e eeuw in onze contreien. Hun levenspatroon lijkt sterk op dat van de Voyageurs (zie verder). Gemengde huwelijken tussen deze twee groepen komen dan ook geregeld voor. Als eerste taal spreken zij hun Manoesj gevolgd door het Nederlands. In Nederland worden zij ook wel Sinti genoemd.
VOYAGEURS:

Voyageurs zijn autochtone Belgen die van de trekkende handelaars en ambachtslui van vroeger afstammen. Diegenen die nog in een woonwagen verblijven, staan vandaag vaak op gemeentelijke terreinen. Velen onder hen wonen, al dan niet gedwongen, in huizen maar blijven zowel voor zichzelf als voor de groep echte Voyageurs. In Vlaanderen zijn zij Nederlandstalig.
ROMA:

Roma zijn Oost-Europese zigeuners die zich in België concentreren in de grote agglomeraties met een sterke wisseling naargelang de seizoenen. Hun eerste taal is meestal een Romanes - dat per groep sterk verschilt -, gevolgd door de taal van het land waar ze vandaan komen. De taal van het West-Europese land (Italië, Duitsland) waar ze eerst verbleven, komt op de derde plaats. Nederlands is dus pas hun vierde of vijfde taal. Door hun precaire verblijfssituatie - velen zitten in de asielprocedure – kunnen zij niet op de arbeidsmarkt terecht en evenmin bij de reguliere sociale voorzieningen.
BUITENLANDSE ZIGEUNERS

Onafhankelijk van de Roma trekken er in de zomermaanden grote aantallen Zigeuners uit EU-landen door België. De groepen variëren van 30 tot 150 caravans en hebben vaak familiale of sociale banden met de Belgische Zigeuners.
FOORREIZIGERS, SCHIPPERS, CIRCUSREIZIGERS... .

Zij behoren niet tot de doelgroep van het woonwagenwerk. Binnen de hulpverlening bouwden ze hun eigen circuit uit. Toch vinden velen onder hen via familiebanden of beroepsactiviteiten aansluiting bij de Voyageurs.
AANTALLEN

Het aantal Voyageurs en Zigeuners kunnen we enkel schatten. Ten eerste willen Voyageurs en Zigeuners niet geregistreerd worden. De Tweede Wereldoorlog ligt immers nog vers in het collectief geheugen. Ten tweede is er geen enkele objectieve basis waarop een Voyageur of een Zigeuner identificeerbaar is. Hun identiteit staat niet op hun paspoort maar is sociaal bepaald. Kortom: Zigeuner is al wie door andere Zigeuners als dusdanig erkend wordt.
Het VCW dient dus op basis van “horen zeggen” binnen de doelgroep schattingen te maken. Hierbij moeten we dan nog rekening houden met de vage grenzen tussen Rom, Manoesj, Voyageur en burger. In elke stamboom kom je wel één van deze groepen tegen. Daarom is het onmogelijk om de exacte omvang van onze doelgroep weer te geven, zoals dat bijvoorbeeld wel kan voor migranten, vluchtelingen en langdurige werklozen. Uit ervaring in de regio’s weten we dat onze werking steeds meer doelgroepleden aantrekt die tot dan toe voor ons onbekend waren. We schatten het aantal Zigeuners en Voyageurs in België momenteel op zo’n 10.000 individuen. Het aantal woonwagenbewoners dat nog effectief in een wagen verblijft, bedraagt 650 individuen. Op diegenen die in huizen verblijven, hebben we geen volledig zicht. Let wel: veel woonwagenbewoners wonen tijdelijk of definitief in huizen maar blijven onverminderd opgenomen in hun oorspronkelijk milieu. De spreiding van Voyageurs en Zigeuners in huizen en in woonwagens verschilt zeer sterk per regio. In Limburg bijvoorbeeld woont de helft van de Voyageurs in huizen. In het Meetjesland is dat tachtig percent. In de meeste regio’s kennen we de verhouding niet.
Hoe komen we dan tot ons cijfer van 10.000?

Een volledige telling in Limburg bij het begin van de jaren ‘90 bracht ons op het afgeronde getal van 1.000 Voyageurs. Via onze werking hebben meerdere gezinnen zich sindsdien als Voyageur bekendgemaakt. Geëxtrapoleerd naar de 5 andere provincies en Brussel schatten we het aantal Voyageurs op 8.000. Tellen we die bij onze schatting van 1.300 Manoesjen en de 700 Roms met winterplaats in België (eigen telling) dan komen we tot het afgeronde getal van 10.000 individuen. Het aantal Oost-Europese Zigeuners is nog moeilijker te bepalen. Uit onze contacten leiden we af dat er in Brussel, Gent, Antwerpen, Tienen en het Waasland steeds meer families verblijven. In de rest van Vlaanderen vinden we hen in kleinere concentraties. Dit doet ons het aantal Oost-Europese Roma in Vlaanderen schatten op 10.000, al moeten we met dit getal voorzichtig omgaan. top


bHISTORIEK

ZIGEUNERS

De zigeunerpopulatie in België splitsen we geschiedkundig op in twee groepen: de Manoesjen en de Rom-Zigeuners. De Manoesjen arriveerden in onze streken in de vijftiende eeuw. De Roms daarentegen kwamen met de tweede migratie vanaf ongeveer 1856. Sindsdien is de tijd niet stil blijven staan. Een derde migratie, die van de Oost-Europese Zigeuners, is momenteel volop aan de gang.
DE EERSTE MIGRATIE OF DE KOMST VAN DE MANOESJEN

Deze vindt in West - Europa plaats in de 15e eeuw en luidt de komst in van de mogelijke voorouders van de Belgische Manoesj - zigeuners. Reeds in de 10e eeuw startten zigeuners hun omzwervingen vanuit Indië. Onderzoekers achterhaalden vrij exact hun trekroute door hun taal aandachtig te bestuderen. De Zigeunertaal gaat terug tot het Sanskriet (een Indo-Europese taal die tot de Aziatische taalgroep behoort) en andere nog in Indië gesproken talen. Natuurlijk slopen er in de loop van de geschiedenis talloze nieuwe woorden en uitdrukkingen in de Zigeunertaal. Deze taalevolutie bracht de trekroute nauwkeurig in beeld. Welk deel van Indië nu werkelijk de bakermat van deze groep zigeuners is, daar zijn onderzoekers het niet over eens. Ook de reden van hun vertrek is onduidelijk. Hongersnood, oorlogsdreiging en armoede zijn de meest vermelde oorzaken.

Omstreeks 1420 arriveerden kleine mobiele groepen Zigeuners in de Nederlanden. Zij beweerden pelgrims te zijn uit de onbekende landstreek “Klein - Egypte”. Om hun beweringen te staven, toonden zij vaak geleide- en beschermingsbrieven van de Roomse Koning Sigismund, van Paus Martinus V, en van andere lagere machthebbers. Aanvankelijk wachtte hen een gastvrij onthaal. Lang bleef dit echter niet duren.

Vanaf de 16e eeuw nam de gastvrijheid in de steden langzamerhand af. Te veel Zigeuners hadden immers de weg naar West - Europa en de Nederlanden gevonden. De geleidebrieven verloren hun geloofwaardigheid. Bij de gilden groeide het ongenoegen over de handelspraktijken van de Zigeuners. Gevolg: de eerste uitwijzingsdecreten werden uitgevaardigd. In de Nederlanden voerde de overheid een hard beleid.

In de 17e en 18e eeuw waren de Zigeuners in onze gewesten vaak het slachtoffer van massale vervolgingen of zware repressie, zodat ze geregeld op de vlucht sloegen. Na meedogenloze jachtpartijen bleven er nog weinig van hen over zodat de overheid niet eens de moeite meer deed om ze op te sporen.

Pas rond de 19e eeuw waagden verschillende verdreven Zigeunergroepen zich opnieuw in onze gebieden. De vervolgingen werden minder hard. Zigeuners assimileren en hun cultuur laten verdwijnen, was toen de leuze. Vandaag verblijven de Mànoesjen vooral in de driehoek Brussel – Antwerpen - Gent. Zij wonen meestal in een woonwagen op een familiaal terrein.

DE TWEEDE MIGRATIE OF DE KOMST VAN DE ROMS

De tweede migratie dateert van de tweede helft van de 19e eeuw. Na de totale afschaffing van de slavernij in 1856 in de Roemeense Prinsdommen Moldavië en Walachije (vandaar hun naam Vlach - Roma), trokken Rom - Zigeuners naar Rusland en West - Europa. Ook verlieten verschillende groepen Hongarije op zoek naar betere oorden. De Rom –Zigeuners die toen in België arriveerden, werden tot 1933 vooral geweerd. “Vreemde” Zigeuners konden zich niet inschrijven: ze hadden identiteit noch nationaliteit. Men beschouwde hen als landlopers. Ze trokken in ons land rond en overleefden dankzij hun grote inventiviteit. Van 1933 tot 1965 werden ze geduld. Ze kregen een reisblad, gevolgd door de onterende “Zigeunerkaart”, uitgereikt door het Ministerie van Justitie. Deze kaart was geen identiteitsdocument maar een toelating tot verblijf van drie maanden in België. Elke maand moesten de Zigeuners zich bij de rijkswacht aanbieden om de kaart te viseren.

De Duitse bezetting was de hardste en pijnlijkste periode in hun recente geschiedenis. De Nazi’s hanteerden een uitroeiingspolitiek. Naar schatting verloren 250.000 Europese Zigeuners (sommige bronnen spreken van 500.000) het leven in Duitse concentratiekampen. Vanaf 1965 kregen Zigeuners een permanente verblijfsstatus. Uitwijzingen waren niet meer mogelijk. Pas in 1975 volgde de afschaffing van de Zigeunerkaart. Ze konden zich van dan af inschrijven in het gemeentelijke vreemdelingenregister. Ze kregen eindelijk een identiteit. Een nationaliteit is nog iets anders.



De Roms van vandaag leven, zeker in de zomermaanden, sterk nomadisch. Hun winterstandplaatsen bevinden zich hoofdzakelijk in de driehoek Brussel – Antwerpen - Leuven. Hun eerste taal is het Romanes, gevolgd door het Frans. Het Nederlands komt pas op de derde plaats.
DE DERDE MIGRATIE OF DE KOMST VAN DE OOST-EUROPESE ROMA

De trek van Oost- naar West - Europa is nooit echt stilgevallen. Deze migratie kent een nieuw hoogtepunt tijdens de communistische machtsovernames in Centraal- en Oost- Europa, maar meest nog na de val van het IJzeren Gordijn. Ook de oorlogssituaties in voormalig Joegoslavië spelen een rol. De derde migratie bracht naar onze schatting op tien jaar tijd al evenveel Zigeuners naar België als de vorige twee migraties samen dat op vijf eeuwen deden. Deze nieuwe inwijkelingen noemen we de Roma. Hun verblijfssituatie is onzeker. Zij beschikken over voorlopige documenten. Slechts enkelen slaagden erin het statuut van vluchteling te bekomen. Door hun sterke familiale solidariteit verkiezen ze een leven als illegaal in West - Europa boven het staatsburgerschap in het Oosten. Deze Roma leven bijna allen in huizen maar blijven echter zeer mobiel. Verhuizen van stad naar stad of van land naar land, is schering en inslag.
VOYAGEURS OF AUTOCHTONE RONDTREKKENDEN

Voyageurs hebben een totaal andere voorgeschiedenis dan Zigeuners. Zij stammen af van de verpauperde stedelingen die in de eerste helft van de vorige eeuw poogden te overleven dankzij een trekkend bestaan. Opeenvolgende hongersnoden veroordeelden immers brede lagen van de bevolking tot uitzichtloze armoede. Deze Voyageurs onderscheidden zich van de vagebonden of landlopers door in familieverband op weg te gaan. Omdat ze zich in hetzelfde milieu en op dezelfde markt als de Manoesjen bevonden, zien we een grote overeenkomst in gebruiken en cultuur tussen beide groepen. Gemengde huwelijken komen dan ook zeer veel voor.
Toch bestonden er vóór die tijd reeds autochtone rondtrekkenden. Historische documenten rond bijvoorbeeld hun taal, het Bargoens, vormen een interessante aanwijzing. Reeds in de 17e eeuw bestonden er al woordenlijsten van. Vergelijken we die met het hedendaagse Bargoens in Vlaanderen, dan valt het meteen op dat ze praktisch identiek zijn. Grote verschilpunten zien we met het Bargoens uit andere streken. Maar toch bevatten al deze varianten woorden uit het Manoesj, het Hebreeuws, het land van herkomst en de omringende landen. Daaruit concluderen we dat autochtone rondtrekkenden een eigen ontwikkeling hebben gehad - naast die van de Zigeuners - met cultuuroverdracht van de éne generatie op de andere.
DE PLAATS VAN NOMADEN IN DE SEDENTAIRE SAMENLEVING.

In de Middeleeuwen brachten rondtrekkende groepen allerlei goederen van de producent naar de consument. Door een tekort aan winkels was de plattelandsbevolking afhankelijk van leurders om zich met bepaalde goederen te bevoorraden. Die leurders waren vaak ook gespecialiseerde ambachtslui zoals scharenslijpers, bezembinders en mandenvlechters en brachten dikwijls nieuws over de aanpalende dorpen over. Dit deed hun populariteit onder de dorpelingen stijgen.

Maar ook dit bleef niet duren. Er ontstond verzet, ingegeven door de angst van de stedelijke gilden voor de concurrentie uit het platteland. Hun verbodsmaatregelen hadden weinig resultaat omdat de economische nood aan leurhandel te groot was.


Toch verklaart dit voor een stuk de sterke repressie tegen alle rondtrekkende groepen. Het trekken in een wagen was er aanvankelijk niet bij. Men verplaatste zich te voet. Overnachten gebeurde in tenten of in boerenschuren. Pas vanaf het einde van de vorige eeuw schaften leurders zich karren aan. Aanvankelijk gebruikten ze kruiwagens, verbrede scharenslijperskarretjes en hondenkarretjes. Pas later stapten ze over op platte wagens en huifkarren bespannen met paarden. Echte woonwagens verschijnen pas na de Eerste Wereldoorlog. De toenemende mobiliteit van elke burger en de goedkoper wordende productiemethoden van gebruiksgoederen ondermijnen het economische belang van de rondtrekkende. Sedentarisatie, marginaliteit en armoede zijn het gevolg.
Conclusie: De flexibiliteit van de Zigeuner staat blijkbaar zwaar onder druk van een zeer snel veranderende samenleving waarin ze moeten zien te overleven. top

cWOONWAGENBEWONERS: DRIE KENMERKEN


Onder woonwagenbewoners verstaan we dus Zigeuners en Voyageurs. Ze vormen verre van een homogene groep. Toch zochten antropologen en etnologen eeuwenlang naar hun gemeenschappelijke kenmerken die men vanuit de buitenwereld kan vaststellen. Hun zelfidentificatie vormt daarbij het uitgangspunt. In geen enkele van hun talen komt er een woord voor dat het begrip “Zigeuner” omvat. Ze kennen beide groepen wel een woord voor niet-zigeuner. In de Romanesdialecten is dat het woord “gadgo”, dat “boer” betekent, het meest verbreid. Onder de Voyageurs is het woord “boer” in talloze Bargoense variaties sterk in trek. Een Zigeuner of Voyageur bestempelt zich dus als “niet boer”. Dit betekent dat er elementen moeten zijn waarmee we een identiteit kunnen uittekenen. Het Vlaams Centrum Woonwagenwerk (VCW) volgt hierin de benaderingswijze van Alain Reyniers, antropoloog aan de universiteit van Louvain la Neuve

In zijn benadering staan drie kenmerken centraal:



  • Wij en Zij

  • Hier en Nu

  • Flexibiliteit

Ook al trekt nog maar een kleine fractie van de Zigeuners en Voyageurs rond, toch moeten we hun cultuur steeds bekijken in het licht van een nomadisch bestaan. Tenslotte moeten we ons realiseren dat deze kenmerken zeker niet voor elke Zigeuner of Voyageur opgaan. De plaats van het individu en het gezelschap waarbinnen hij zich bevindt, oefenen hierop een belangrijke invloed uit.
WIJ EN ZIJ

De clan vormt de basis van de nomadische maatschappij. Dit is een uitgebreid familie of groepsverband waarin ook niet-bloedverwanten opgenomen kunnen zijn. Deze clans vormen een eenheid tegenover de burgermaatschappij. Daarom ziet Reyniers een fundamenteel onderscheid tussen ‘wij’ (de Zigeuners en Voyageurs) en ‘zij ‘ (de burgers). Deze scheiding is vooral gevoelsmatig en zit zeer diep. Een fundamenteel wantrouwen tegenover alles wat van buitenuit komt, is hiervan het gevolg. Oorzaken vallen moeilijk te achterhalen. Soms zorgen objectieve feiten, dan weer puur vooroordeel ervoor dat er een wederzijdse afstoting ontstaat tussen de woonwagenbewoner en de hem omringende maatschappij.
HIER EN NU

Nomadisme betekent rondtrekken. Ongebondenheid aan tijd en ruimte zijn hiervan het gevolg. Woonwagenbewoners leven in een eeuwigdurend nu. Ze plannen weinig op lange termijn. Hun leven, werken en wonen vormen een eenheid. Daarom vindt de opdeling in levenssferen van de burgermaatschappij (school, werk, thuis, ontspanning, godsdienst) weinig aansluiting in hun denkwereld. Het groot vertrouwen in “geluk hebben” past ook in dit kader. Op het vlak van gezondheid spreken zij vaak in termen van: ‘ik heb het geluk niet ziek te zijn’.
FLEXIBILITEIT

Onder alle omstandigheden uw plan trekken, is een leuze die er bij woonwagenbewoners van kindsaf ingelepeld wordt. Iedereen moet snel en accuraat kunnen reageren op de dingen die zich voordoen. Daarom dienen de jongeren meerdere beroepen te kennen, veel psychologisch doorzicht te verwerven en zich te kunnen handhaven in alle mogelijke situaties en sociale relaties. Hun fierheid moet hun allround vakmanschap worden. Als een beroep vandaag niet meer loont, schakelen ze morgen over op een ander (tweedehandsauto’s, schroot, ambulante handel, ...). In loondienst werken, trekt hen niet aan. Zelfstandige arbeid wordt hoog in het vaandel gedragen. top

dCULTURELE EIGENHEDEN.

WONEN
WIJ EN ZIJ
In de loop van de geschiedenis veranderde de woonvorm van woonwagenbewoners sterk. Schuren, tenten en karren moesten plaatsruimen voor stacaravans, woonwagens en chalets. Hun mobiele woonvorm vormt voor de Belgische Voyageurs en Zigeuners het symbool bij uitstek van de kloof tussen henzelf en de sedentairen. Het is nog één van de weinige uiterlijke tekenen van hun identiteit. Het begrip ‘wonen’ vullen zij anders in.
Centraal staat het samen - wonen in groep. Het kerngezin dat in een huis verblijft, komt maar zelden en meestal tijdelijk voor. Hierdoor binden ze zich minder aan één plaats. Veranderingen binnen de groep spelen dan weer wel een rol. In functie hiervan kiezen ze een verblijfplaats. De lokale context van de burgermaatschappij’ (buurtleven, verenigingsleven, sportinfrastructuur,…) is bij deze keuze niet bepalend.
Toch verblijven steeds meer woonwagenbewoners noodgedwongen in een huis. Een structureel tekort aan standplaatsen en de discriminatie vanuit de burgermaatschappij zijn hiervan de oorzaak. Soms speelt ook de behoefte aan meer comfort mee. Gezinnen ruilen de stacaravan in voor een chalet en soms voor een huis. Ondanks alles blijven zij zich steeds als woonwagenbewoners bestempelen.
VOORBEELDEN:
Zigeuners en Voyageurs staan in familieverband. Omdat ze niet met burgers verblijven, mijden ze vaak de officiële campings. Voor wat betreft de inrichting van de woonwagen hebben zigeuners en Voyageurs een eigen stijl. Dit vind je bij alle woonwagenbewoners terug. (zie ook punt 4.2 Huishouden) Er is een duidelijke groepsvoorkeur voor bepaalde automerken en caravans, ook deze mode kan variëren. Psychosomatische klachten komen zeer veel voor bij Zigeuners en Voyageurs die in een huis zijn gaan wonen. Vaak nemen ze hun toevlucht tot geestelijken die dan het huis moeten komen overlezen, soms meermaals per jaar.
HIER EN NU
Het leven van de woonwagenbewoners speelt zich af in het hier en nu (overlevingscultuur). Ook in hun wooncultuur vinden we dit terug. Het wonen is iets tijdelijks en onderhevig aan de familiale en sociale veranderingen van het moment. Daarom spreken we eerder van ‘staan’. Vandaag verblijven ze op terrein A in stad B, enkele weken later wonen ze in huis C in stad D.
VOORBEELDEN:
Zigeuners en Voyageurs verhuizen soms tienmaal per jaar .Zelfs een huis kopen is nooit iets definitiefs. Het bijbouwen gebeurt praktisch nooit in duurzame materialen. Als men geld nodig heeft, kan men de wagen verkopen. Vaak zien we dat Zigeuners en Voyageurs een huis huren/kopen en erachter gaan staan met de woonwagen.
FLEXIBILITEIT

De woonwagen is een flexibele woonvorm. Hij is relatief goedkoop, vlot verplaatsbaar en snel verhandelbaar. Dit illustreert hun overlevingscultuur, gebaseerd op flexibiliteit. Rusteloosheid en zich opgejaagd voelen, zijn hier nauw mee verbonden. Woonwagenbewoners verhuizen vaak omwille van de druk uit de maatschappij. Dit vereist de noodzakelijke flexibiliteit. (financiële middelen, discriminatie bij het huren van huizen, familiale problemen, familieruzies,…)
Voorbeelden:
Een gezin koopt een huis. Zij doen een volledige verbouwing, maar verhuizen door moeilijkheden met de familie die in de buurt woont. Ook de drang om weer rond te trekken kan ervoor zorgen dat ze alles weer verkopen.
HUISHOUDEN
WIJ EN ZIJ

Zigeuners en Voyageurs gebruiken elementen uit de burgerwereld om hun typische levensstijl samen te stellen. Omdat velen onder hen nog nauwelijks rondtrekken, richten ze hun wagen of chalet rijkelijker in dan voordien. Ze houden van meubelen met veel franjes, weelderige gordijnen, porseleinen beeldjes, spiegels en ander blinkend materiaal. Een huis of een wagen van een Voyageur is meteen herkenbaar. Plaasteren beeldjes, plastieken bloemen en afwasbare zetelovertrekken zijn erg in trek. Een woning waar dit ontbreekt, is een huis zonder stijl en ziel. Indruk maken op familie en vrienden speelt hierbij ook een rol.

Rondtrekkende Zigeuners bezitten niet zoveel kleine accessoires omdat die tijdens het rijden zelden blijven staan. Toch hechten ook zij veel belang aan de inrichting van de wagen. Het interieur moet er steeds onberispelijk uitzien. Nieuw en blinkend zijn de sleutelwoorden. De woning krijgt dagelijks een grondige beurt. Is een voorwerp een beetje versleten of te lang in gebruik, vervang het dan door nieuwe dingen. Die zijn zuiver en worden niet “besmeurd” door allerlei binnenkomende onzuiverheden. Dit laatste komt meestal van buitenstaanders, burgers of ongewenste bezoekers. Bleekwater reinigt een kopje waaruit een burger gedronken heeft. Deze vorm van zuiverheid sluit nauw aan bij het begrip marimé (‘reinheid’ zie hoofdstuk gezondheid). Alles wat niet-woonwagenbewoners aanraken, is onrein. Zuiveren betekent strenge regels volgen. De angst is immers groot dat burgers door aanraking slechte dingen doorgeven (bijvoorbeeld bacteriën of kwade geesten).

Graag geziene gasten wacht een zeer warm onthaal. Het aanbieden van een kop koffie of een gezamenlijke maaltijd, zijn tekens van aanvaarding. Weigeren staat gelijk aan het negeren van hun gastvrijheid. Woonwagenbewoners verwachten dat gasten zich aan de regels van het huishouden houden. Zwijgen over onderwerpen die onrein of marimé zijn en schoenen uittrekken als je de wagen binnenstapt, zijn hier voorbeelden van.

HIER EN NU

Voyageurs volgen een eigen interieurmode. Dit kost geld. Wie over de nodige middelen beschikt, hoort erbij. Is dit niet het geval dan verfraai je je interieur met van familie of vrienden gekregen of met kleinere, betaalbare voorwerpen. Het interieur, net zoals de wagen waar je met rijdt, bepaalt iemands status. Nieuwe trends past men jaarlijks in, meubels worden vernieuwd. Voor Zigeuners spelen de allernieuwste caravanmodellen een belangrijke rol. Woonwagens worden snel ingewisseld, waarbij ook de volledige huisraad verandert. Een caravan ouder dan vijf jaar, is uit de mode.

Gasten, vandaag goed ontvangen, kunnen morgen niet meer welkom zijn. Mogelijke reden: de gast heeft iets gezegd of gedaan dat woonwagenbewoners niet accepteren. Buitenstaanders maken snel fouten omdat ze niet ingelicht worden over de regels en taboes. Ze moeten het zelf te weten komen. Als Zigeuners en Voyageurs merken dat een burger zijn best doet om zich aan hun levensstijl aan te passen, dan wordt hij makkelijker aanvaard.


FLEXIBILITEIT

In het huishouden bestaan er strenge regels inzake properheid. Hoe belangrijk is deze netheid op andere domeinen? Soms schijnen er helemaal geen regels te bestaan. De kinderen van Voyageurs en Zigeuners lopen vaak rond met vuile kleren, zwarte handen en voeten, ongekamde haren en de tanden nooit gepoetst. Het is meestal dit beeld dat bij de burgers over woonwagenbewoners blijft hangen. De omgeving rond het woonwagenterrein is soms bezaaid met zwerfvuil. Die omgeving zien zij als eigendom van de burgers. Burgers moeten de nodige voorzieningen treffen (containers e.d.) wanneer woonwagenbewoners er zich komen vestigen. Een wekelijkse huisvuilophaling leidt al snel tot een proper woonwagenterrein.
ONDERWIJS
WIJ EN ZIJ

De school behoort fundamenteel tot de burgermaatschappij. Voyageurs en Zigeuners bekijken het daarom met een grote dosis wantrouwen. Op school kunnen kinderen burgermanieren leren en dat vormt een bedreiging voor de Voyageurs - en Zigeunercultuur. Daarom komen conflicten tussen school en doelgroep veelvuldig voor. De school wekt weinig interesse op, ook omdat de leerstof voor de ouders te moeilijk is en ze niet begrijpen waar hun kinderen mee bezig zijn. Die kinderen maken vaak een identiteitscrisis door. Ze zwijgen over hun afkomst op school en de leerstof wordt vaak thuis niet gewaardeerd. De school staat haaks op het Voyageurs - of Zigeunerleven. Een stabiel stenen gebouw waar je moet luisteren naar een burger, waar vooraf alles bepaald is en op gezette tijden gebeurt, komt in conflict met hun flexibiliteit die ze met de moedermelk meekregen.

Thuis is het leven in alle opzichten flexibel. Men vertrekt, al dan niet met de woonwagen,wanneer en waarheen men maar wilt (bijvoorbeeld bij ziekte van een familielid, een begrafenis,…).

Gehoorzaamheidstraining behoort niet tot de Voyageurs - of Zigeunercultuur. Zeker een burger gehoorzamen, vormt een probleem. Vaak merken we dat Voyageurs en Zigeuners zich achtergesteld voelen - soms zonder objectieve redenen -, waarbij ze hun gevoel bevestigd zien dat “men hen niet moet hebben”.

Leven, werken en wonen vormen thuis een eenheid. Activiteiten gebeuren als ze nodig zijn, onafhankelijk van tijd of plaats. Je eet als je honger hebt. Ben je moe, dan ga je slapen. Voyageurs en Zigeuners ambiëren geen centrale plaatsen in de burgermaatschappij. “Wij moeten geen advocaat of minister worden”, is een vaak gehoorde uitspraak. Het onderwijs daarentegen is precies gestoeld op zulke carrièreplanning.


HIER EN NU

Het onderwijs heeft, zoals veel voorzieningen, voor woonwagenbewoners een louter instrumentele betekenis: het dient om te leren lezen, schrijven en rekenen. Algemene vorming is ballast. Het nut ervan wordt niet (h)erkend en weegt steeds meer op de onderwijsmotivatie. Het resultaat van het schoollopen is pas zichtbaar op zo ‘n lange termijn dat het in de ogen van woonwagenbewoners onmogelijk haalbaar lijkt. Dit gegeven remt hun motivatie af. Reeds vanaf de pubertijd schakelen ouders hun kinderen in hun beroepsleven in. Hierdoor nemen de afwezigheden op school met de leeftijd toe. Via een inschrijving is men in regel met de leerplichtwet, maar schoollopen wordt door 16-18-jarigen vermeden.
FLEXIBILITEIT

Zigeuners en Voyageurs voelen zich niet gauw verbonden met een instituut, dus ook niet met een school. Gevolg: kinderen van woonwagenbewoners wisselen vaak van school, meestal naar aanleiding van een conflict. Het deeltijds onderwijs oefent een sterke aantrekkingskracht uit op de jonge Voyageurs en Zigeuners. Ook al hebben ze vaak de capaciteiten om meer beloftevolle richtingen te volgen, de vrijheid binnen het deeltijds onderwijs krijgt snel voorrang op de mogelijke carrièrekansen die andere richtingen bieden. De Voyageurs en Zigeuners die rondtrekken (bijv. de meeste Belgische Roms) kunnen hun kinderen vaak niet naar school sturen. Er is in het Vlaamse onderwijsbestel geen voorziening voor deze kinderen.
ARBEID
WIJ EN ZIJ

Het sociale netwerk vormt de basis van de zigeunereconomie. Je moet over enorm veel en veelzijdige mondelinge informatie beschikken om steeds tijdig de juiste transactie te sluiten. Nomaden trekken rond in familieverband en komen steeds in een vreemde omgeving met andere gewoonten. Het eerste waarop ze kunnen terugvallen is hun eigen, vertrouwde omgeving; namelijk de familie (= wij). Van de vreemde, dikwijls vijandige omgeving (= zij), distantiëren ze zich en beperken ze hun contacten tot het voor hen nuttige. Hun sociale netwerk reikt zo verder dan de familie, hetgeen een noodzaak blijft voor hun inkomsten.
De Zigeuner bewerkt de boer zoals de boer zijn land bewerkt. Landbouwmethoden kunnen variëren van roofbouw tot ecologische teelttechnieken.”

Deze uitspraken illustreren de zigeunereconomie. De overgrote meerderheid van Zigeuners en Voyageurs slagen er -soms na meerdere generaties- in om met hun omgeving een evenwichtige relatie op te bouwen. Diegenen die er (nog) niet in lukken, bezorgen hun ‘volksgenoten’ een slechte naam.


Zigeuners en Voyageurs werken het liefst als zelfstandige. Zo kunnen ze hun tijdsbesteding en sociale verplichtingen het best combineren met hun inkomensverwerving. Daarenboven is het werken onder gezag van een gadgo/boer erg ongewenst. Loondienst is dan ook (momenteel) hoogstens iets tijdelijks. Toch neemt de interesse voor loonarbeid toe naarmate woonwagenbewoners verburgerlijken. Tewerkstelling als (ongebonden) interim of in de sector van de sociale tewerkstelling vormt zo een opstap naar een vaste tewerkstelling.
Nomadisme heeft (had) ook zijn typische ambulante beroepen die niet plaatsgebonden zijn en geen investeringen of opleiding vragen. Vandaar activiteiten zoals: leuren, seizoenarbeid (in de landbouw, kermissen), kleine ambachten (herstellen van huisgerief, slijpen van scharen en boren) en schroothandel. Deze kleinschalige traditionele activiteiten verdwijnen omdat ze weinig rendabel zijn.
HIER EN NU

Bij de traditionele activiteiten is de relatie arbeid – product - betaling nog aanwezig. In de grote bedrijven heeft ieder zijn deeltaak en ontvangt men zijn (vast) loon per veertien dagen of per maand. Vanuit het leven in het ‘hier en nu’ hebben de woonwagenbewoners het er moeilijk mee dat die directe relatie verdwenen is. Daarom spreekt arbeid in loondienst hen dan ook weinig aan. Een fundamenteel kenmerk van de Zigeunereconomie is het verrichten van arbeid of het aanbieden van diensten aan de meest en de snelst biedende. Zelfs in Oost - Europa, waar de Roma decennia lang gedwongen werden tot loonarbeid, herneemt de typische Zigeunereconomie opnieuw zijn oude gang.
FLEXIBILITEIT

Bij woonwagenbewoners behoort het tot de levenstaak van de man om onder alle omstandigheden in te staan voor de overleving van zijn gezin. Hij moet meerdere vakken beheersen om op diverse vragen in te kunnen gaan. Dit uit zich in hun voorkeur voor zelfstandige activiteiten in de ‘niches’ van de burgereconomie, marktsegmenten die op de goegemeente geen aantrekkingskracht uitoefenen wegens te vuil, te onregelmatig of te armoedig.
Flexibiliteit is doorslaggevend in het onderhandelingsproces met de gadgo. De rijkdom van de Zigeuner groeit of daalt naarmate hij meer gadgo kan overtuigen om handel met hem te drijven. Goed onderhandelen betekent het correct inschatten van gevoeligheden en daarop alert en assertief reageren. De hele opvoeding is gericht op het verwerven van deze vaardigheid (zie ook bij hoofdstuk 3 Onderwijs).
Ondanks hun grote flexibiliteit hebben de zigeuners en Voyageurs het niet gemakkelijk op de arbeidsmarkt. Werken aan hoogtechnologische producten (bv. moderne auto’s) vraagt een dito opleiding en goed uitgeruste werkplaatsen. ‘Arbeid’ heeft immers een band met ‘onderwijs’ voor wat de opleiding betreft en met ‘huisvesting’ als we over werkplaatsen spreken. Ook stellen we vast dat de (over)reglementering rond milieu, vestigingsvoorschriften en BTW voor hen een belemmering vormt omdat het scholing en administratieve opvolging vraagt.
GODSDIENST
WIJ EN ZIJ

Religie, het bestaan van een God en het Kwaad maken een wezenlijk deel uit van de leefwereld van Voyageurs en Zigeuners. Ze hanteren rituelen om het Kwade te bezweren en om God aan hun kant te krijgen. Deze gebruiken zijn terug te vinden in verschillende godsdienstige belevingen of binnen overtuigingen die niet onder de noemer ‘godsdienst’ vallen. Zo worden er rituelen uitgevoerd om een gunst te bekomen of om iets ongewenst over iemand anders af te roepen.
Toch voelen woonwagenbewoners zich niet verbonden met een gevestigde structuur of Kerk. Rituelen, zoals een bedevaart, doop, begrafenis of vormsel, vinden plaats binnen de eigen groep. Het instituut kerk behoort immers tot de gadgo/boerenwereld.
Binnen eenzelfde familie kunnen verschillende godsdienstige stromingen harmonieus naast elkaar bestaan: de grootouders kunnen katholiek zijn, de ouders protestant en de kinderen ongelovig. Familiale banden zijn belangrijker dan rituelen voor de eigenheid van de Voyageurs en Zigeuners. Toch geniet de idee van ‘met zijn allen tot dezelfde ritus behoren’ de voorkeur bij velen onder hen.
Voyageurs bekennen zich meestal tot het katholieke geloof. Hun eigen aalmoezeniers organiseren vooral in het trekseizoen bedevaarten waar de Voyageurs onder elkaar hun geloof beleven. Het groepsgevoel bindt de deelnemers.
Roms daarentegen behoren meestal tot een (protestantse) pinksterbeweging van hun eigen groep. Predikers (pasteurs) uit de eigen familie, gaan de diensten voor. Twee maal per week komen zij samen. In het trekseizoen organiseren ze vaak conventions (bedevaarten) die bijna altijd een internationaal karakter hebben. Daar wordt ter plaatse gedoopt.
Het geloof van de Manoesjen leunde dicht aan bij het katholieke geloof van de Voyageurs. Tegenwoordig volgen meerdere groepen de interne (protestantse) Pinksterbeweging. De praktijk ervan loopt parallel met het geloof van de Roms, al beleven beide groepen het afzonderlijk. Godsdienst bezorgt hen dus een eigenheid, zowel tegenover de burgerwereld als tegenover de verschillende groepen onderling.
Elke groep bestempelt zijn eigen geloof als het Ware en put hieruit een groepsidentiteit. Daarom begeven Voyageurs zich weinig in het parochieleven in hun buurt. Voor dopen doen ze beroep op hun eigen aalmoezeniers of wachten op een bedevaart om dit ritueel te voltrekken. Ook de eerste communie vieren ze onder elkaar. Protestantse groepen hebben eigen predikers. Dit duidt op hun afstand met de burgermaatschappij en wakkert hun etnisch bewustzijn aan. Het protestants geloof in België loopt dan ook gestructureerd volgens deze etnische groepen. Manoesjen en Roms kennen dan ook hun eigen pasteurs en bijeenkomsten. De katholieken vereren Onze Lieve Vrouw. Protestanten doen dit niet. Gezien het universeel karakter van de Mariaverering bij bijna alle Voyageurs en Zigeuners vroeger, is dit een opvallende trendbreuk. Sommigen zien hierin een poging om de min of meer sterke positie van de vrouw (zeker bij de Manoesjen) terug te dringen.
HIER EN NU

Zoals de relatie van woonwagenbewoners met de burger er een is van “ecologie/economie”, zo wordt ook de relatie met God en het Kwaad bepaald door het nut dat eruit voortvloeit. Religie is vooral nuttig om voordelen te bekomen en nadelen te bezweren. Geluk en ongeluk zijn vaak het resultaat van het nakomen van beloften, het offeren van kaarsen, de deelname aan bedevaarten (eerder in een katholieke omgeving) en het formuleren van smeekbeden tijdens vieringen (protestantse omgeving). Ook hier vormt het magische wereldbeeld het fundament voor de relatie met het bovennatuurlijke. Dit komt telkens weer op de voorgrond: het onbegrijpelijke inzichtelijk, “grijpbaar” maken. Dit geldt zowel voor Roms, Manoesjen als voor Voyageurs. Vandaar wellicht ook het succes van min of meer dissidente godsdienstbeoefenaars zoals exorcisten, overlezers en genezers.
Katholieken leggen veel sterker de nadruk op de ethiek als integrerend deel van de godsdienst dan protestanten. Concreet bevat de boodschap van de katholieke priesters tal van richtlijnen voor het dagelijkse samenleven. De protestanten hebben een eerdere “verticale” godsdienstbeleving, namelijk de persoonlijke band van het individu met God. De bekering van een individu tot de nieuwe christelijke beweging gaat vaak gepaard met een spectaculaire morele ommekeer zoals stoppen met drinken en afzweren van geweld. Dit wordt vaak als een rechtstreekse ingreep van God ervaren, vergelijkbaar met een genezing of een roeping. Toch stellen we vast dat er een losse band bestaat tussen godsdienst en moraal. Het belijden van naastenliefde in de kerk betekent niet dat er achteraf geen slaande ruzie met de buurman kan ontstaan. Hierin is er geen verschil met de burgerwereld.
FLEXIBILITEIT

Ook op godsdienstig vlak zijn woonwagenbewoners flexibel. Sommige Manoesj -groepen bekeren zich tot het protestantse geloof om even later weer naar de veilige Roomse stal terug te keren. Andere bekeerlingen doen met de dood voor ogen terug beroep op de katholieke aalmoezenier voor de laatste sacramenten en hun begrafenis.

Overtuigde katholieke Voyageurs en Zigeuners vinden we ook terug op de conventions van de protestantse volksgenoten. Hun aanwezigheid is voor geen van de partijen een probleem. Een katholieke woonwagenwerker kan zonder problemen een gebedsstonde houden met een protestantse Romfamilie.

Sommige mohammedaanse Roma gaan zonder problemen naar katholieke bedevaartsoorden opgedragen aan Maria.
We zien ook dat Zigeuners de godsdienst overnemen van de sedentaire maatschappij waarin ze verblijven. In West - Europa zijn ze katholiek, in Bosnië en Kosovo moslim, terwijl de in Oost-Europese zigeuners orthodox kunnen zijn. Toch is het opvallend dat Voyageurs en Zigeuners katholiek zijn in landen als Engeland, Nederland en Duitsland.
Zoals in alle bevolkingsgroepen is ook bij Voyageurs en Zigeuners een ontkerstening aan de gang. Bij de Voyageurs is deze wellicht sterker omdat godsdienst bij hen weinig etnische meerwaarde heeft. Dit neemt niet weg dat tal van volksgelovige elementen het leven blijven bepalen, ook bij Voyageurs die nooit deelnemen aan religieuze bijeenkomsten.
VOORBEELDEN:
Een Rom moest naar de kerk om zijn kind te laten dopen. Hij had een afspraak met een priester in een katholieke kerk op het stadsplein. Daar aangekomen merkte hij dat de protestantse kerk groter was dan de katholieke. Zijn kind is protestants gedoopt.
Een ouder katholiek koppel waarvan de dochter een fervent aanhangster werd van de pinksterbeweging, sympathiseert met het enthousiasme van hun dochter. Doch zelf kunnen zij zich naar eigen zeggen niet tot deze beweging bekeren omdat hun ouders, die reeds overleden zijn, hiervoor geen toelating meer kunnen geven.
Noorse Vandria (Sinti) zijn protestants, maar aanbidding van heiligen en Maria is voor hen geen echt probleem.

GEZONDHEID
WIJ EN ZIJ

Bij Zigeuners en Voyageurs neemt het begrip ‘reinheid of marimé’ een belangrijke plaats in hun leven in. Veel van hun handelingen volgen een hygiënische code. Bij het koken bijvoorbeeld belanden de aardappelen nooit in een kom bestemd voor de afwas. Vlees dient eerst grondig afgespoeld alvorens het bereid wordt. Een koffiekop waaruit een burger dronk, wordt apart in bleekwater afgewassen.
Dit begrip marimé speelt ook bij de lichamelijke kant van het leven. Op spreken over de geslachtsdelen wanneer het over gezondheid gaat, rust een taboe.

Gevolg: zigeunervrouwen hebben niet de gewoonte om zich medisch te laten begeleiden tijdens de zwangerschap. Ook wanneer de vrouw menstrueert, dienen bepaalde regels in acht genomen te worden.


De kloof tussen hen en de burgers zorgt ook voor problemen. Bijvoorbeeld bij de consultaties van Kind&Gezin: een zigeunervrouw zal haar kindje niet op de onderzoekstafel willen leggen wanneer er juist een burger voor haar bij de dokter geweest is. Alles wat burgers aanraken, is onrein. Vandaar ook de angst om naar het ziekenhuis te gaan. Deze kloof vind je tegenwoordig minder terug bij Voyageurs. Zij zijn hierin soepeler.
HIER EN NU

Gezondheid is een belangrijk onderwerp bij Zigeuners en Voyageurs. God of het lot bepalen of je al dan niet ziek bent. Bid je veel en val je in de gratie van God, dan zul je genezen. Dokters en medicatie worden dan terzijde geschoven. Een doktersafspraak, enkele dagen op voorhand gemaakt, wordt niet meer nagekomen. Het correct innemen van medicatie vormt in dit licht een probleem. Voel je je vandaag beter dan ben je genezen en behoef je geen pilletjes of poedertjes meer. Dit stuit op onbegrip bij de behandelende artsen.
In dit kader behaalt preventieve gezondheidszorg weinig succes. Problemen in de toekomst bestaan niet. Gezondheid wordt op korte termijn geëvalueerd. Aandringen om te stoppen met roken of om de voeding aan te passen, heeft geen zin als je vandaag gezond bent. Wat er in de toekomst gebeurt, zijn zorgen voor later. Omdat woonwagenbewoners veel voorgeschreven medicatie niet innemen, hebben ze een grote huisapotheek. Ze geven pillen niet zelden aan elkaar door, stellen zelf een diagnose en dienen dan de bijhorende medicatie toe.
FLEXIBILITEIT

Vaak vertrouwen woonwagenbewoners op een waarzegger die hun gezondheid voorspelt. Bij slecht nieuws volgt al dan niet een doktersonderzoek top

eHET VLAAMS CENTRUM WOONWAGENWERK

FOORWERK

De georganiseerde hulp aan woonwagenbewoners dateert van het jaar 1868 toen het Foorwerk/Oeuvre Foraine in Antwerpen officieel boven de doopvont werd gehouden. Dit gebeurde op initiatief van een pater Capucijn in samenwerking met een aantal mensen uit de hogere stand. Op korte tijd verrezen overal in Vlaanderen kleine kernen van vrijwilligers die de foorreizigers met raad en daad bijstonden. Deze kernen werkten erg onafhankelijk van elkaar. Zij richtten zicht tot foorreizigers, maar indertijd betekende dit ook Voyageurs en Zigeuners. Onder deze populaties heerste zeer grote armoede.
De bloeiende werking kenmerkte zich door een combinatie van apostolaat en patronage. Zij kaderde in een stroming binnen de katholieke Kerk om door talrijke broederschappen en lekencongregaties haar positie in de samenleving te versterken. Dit was een reactie op de toenemende ontkerkelijking, vooral na de liberale machtsovername in 1947. Deze kernen verspreidden zich over heel Vlaanderen, evenwel zonder veel organisatie en coördinatie.
Na 1910 trachtte onder meer Kardinaal Mercier er meer structuur in te brengen. Toch nam na de Eerste Wereldoorlog de werking van deze kernen geleidelijk af. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog ontstonden er nieuwe initiatieven: priester De Baere poogde met zgn. Hoogdagen de Voyageurs en foorreizigers bijeen te brengen. Maar toen hij mordicus de kinderen ook onderwijs wilde laten volgen door hen in internaten onder te brengen, had hij het bij de Zigeuners en Voyageurs verkorven. De Hoogdagen luidden een traditie in van bedevaarten.
DE WELVAARTSTAAT

Na de Tweede Wereldoorlog veranderden de problemen waarmee de Zigeuners en Voyageurs te maken hadden. De welvaarts - en verzorgingsstaat kwam eraan, de groeiende administratie vereiste een andere aanpak. De foorkramers ontwikkelden een syndicale aanpak om hun situatie te verbeteren en een efficiënt sociaal dienstbetoon te ontwikkelen. Het apostolaat bleef aanwezig door haar aalmoezeniers en kapelwagens. Voyageurs en Zigeuners deden beroep op allerlei personen om hen te helpen.
De toenemende verstedelijking en mobiliteit, de technologische ontwikkeling, de opkomst van de wegwerpmaatschappij en van de supermarkten hertekenden het landschap voor de woonwagenbewoners grondig. Het werd er niet gemakkelijker op. Om hen te helpen moesten de vrijwilligers steeds meer tijd investeren en zich inwerken in de reglementeringen. In de jaren ‘60 ontstonden de eerste vzw’s die zich met woonwagenwerk bezig hielden.
De ontwikkeling van de welvaarts - en verzorgingsstaat ging gepaard met de opvatting dat iedereen recht had op huisvesting, onderwijs, inkomen en gezondheid. De marginaliteit van de woonwagenbevolking was in tegenspraak met de beginselen van deze democratische verzorgingsstaat. Eind jaren zestig werfde het woonwagenwerk Zwaluwnest een maatschappelijk werker aan om de sociale administratieve begeleiding gestructureerd te laten verlopen. In Antwerpen werd een persoon fulltime ingezet bij de vzw Keree Amende om de problemen van de Rom - Zigeuners te ontrafelen. Problemen met standplaatsen bereikten een hoogtepunt. De overheden slaagden er niet in de woonwagenbewoners hun recht op minimale voorzieningen te verzekeren. Bond Zonder Naam forceerde in 1974 in Mortsel een ingericht terrein en in 1976 startte er een onderwijsproject voor Zigeunerkinderen.
DE OVERHEID

Maar ook de prille Vlaamse overheid kreeg oog voor de sociale problematiek en met name voor de vaststelling dat economische ontwikkeling niet automatisch leidt tot welzijn van iedereen. De eerste aanzetten werden gegeven. Met enige zin voor reglementaire soepelheid kregen bovengenoemde initiatieven - zij het zeer beperkte - geldelijke steun. In 1975 verdween de fameuze Zigeunerkaart. Deze kaart was een identiteitskaart voor Zigeuners, die daardoor ingeschreven werden bij, jawel, het Ministerie van Justitie. Met haar interesse voor het sociale opende de overheid de doos van Pandora: de jarenlange verwaarloosde sociale problemen van deelgroepen in de bevolking sprongen de overheid naar de hals. De overheid moest structureren om het overleg en de subsidieregelingen in de hand te houden. In 1975 besloot het Ministerie van Cultuur om de organisatie van de sociale initiatieven te ordenen. Ze werden ingedeeld in categoriale, functionele of territoriale opbouwwerken. Federaties en overlegorganen zouden per deelsector de verschillende initiatieven vertegenwoordigen.
OVERLEG

De bestaande woonwagenwerken moesten bijgevolg in een overkoepelend overlegorgaan samengebracht worden. De toegekende subsidies zouden vanuit dit orgaan verdeeld worden onder de afzonderlijke verenigingen. Ook de verschillende woonwagenwerkers, vooral vrijwilligers en georganiseerd in vzw’s, beseften dat een overkoepeling zinvol was. Besprekingen met de betrokken overheden zouden eenvoudiger verlopen als de belangen van de woonwagenbewoners door één organisatie vertegenwoordigd werden. Door een betere coördinatie tussen de initiatieven bereikte men ongetwijfeld betere resultaten.
Op 19 februari 1977 ontstond het Vlaams Overleg Woonwagenwerk (VOW) als een pluralistisch, nationaal overlegorgaan dat de culturele en sociale begeleiding van woonwagenbewoners en Zigeuners zou coördineren. Dit gebeurde in samenwerking met de aangesloten verenigingen die de belangen van Zigeuners en woonwagenbewoners behartigden. Als jonge, overkoepelende werking was het voor het VOW van groot belang de autonomie van de aangesloten leden te respecteren. Zij hadden immers een belangrijke werking uitgebouwd en een vertrouwensrelatie ontwikkeld met het doelpubliek. Het VOW ondersteunde deze werkingen en trad op als gesprekspartner met diverse overheden, pers en publiek. Prioriteit nummer één: de standplaatsenproblematiek.
De subsidie aan het VOW, die ondanks beloften op beterschap steevast op het einde van het werkingsjaar werd uitbetaald, liet toe één persoon in dienst te nemen en een deel van de werkingskosten van enkele aangesloten woonwagenwerken te vergoeden. Twee woonwagenwerken hadden op eigen kosten een woonwagenwerker in dienst voor sociaal - administratieve begeleiding en voor een Zigeuneronderwijsproject in Mortsel. Enkele vrijwilligers en vrijgestelde aalmoezeniers waren (meer dan) fulltime bezig met de begeleiding van woonwagenbewoners. De sterkte van de woonwagenwerking bestond vooral uit het grote engagement en de kennis van het doelpubliek.
In de jaren ‘80 ontstonden de zgn. nep - statuten. De sociale sector kon eindelijk aan personeel geraken. Het was echter tijdelijk en precair personeel. Werkingskosten stonden niet op het programma. De vertrouwensband met de doelgroep die continuïteit vereist en de hoge verplaatsingsonkosten die niet te verhalen waren, verhinderden dat het VOW zich in het avontuur van de nep - statuten stortte. Toen in 1985 het DAC -statuut toegekend werd voor 5 jaar, schreef ook het VOW een project uit, dat deels werd goedgekeurd. Het VOW kon met 2 werknemers uitbreiden.
Na de staatshervorming van 1981 ontstond de Vlaamse Administratie met een administratie Welzijn. Voor het eerst kon iemand van de overheid zich inhoudelijk inlaten met de problematiek, zij het dat diezelfde persoon ook de ganse migrantenproblematiek en nog andere sectoren er in haar eentje bij moest nemen. Maar het VOW had op zijn minst een officiële partner bij de Vlaamse overheid. Dit resulteerde in een eerste (index)aanpassing van de subsidie en in 1983 in een subsidieregeling voor gemeenten, OCMW’s en provincies die woonwagenterreinen inrichten. Deze subsidie, sensibilisering, lobbying, overtuigingskracht en perscampagnes overtuigden de meeste gemeenten, die gedurende decennia een groep woonwagengezinnen op hun grondgebied gedoogden, de woonsituatie van woonwagenbewoners te saneren.
KANSARMOEDEBELEID

In 1989 besliste de Vlaamse Regering een bedrag dat toekwam aan de gemeenten, te reserveren voor de bestrijding van kansarmoede. Gemeenten konden projecten indienen bij het Vlaams Fonds voor de Integratie van Achtergestelden (het zgn. VFIA of Fonds Lenssens) en bij het Fonds Van den Bossche. Gemeenten konden, bijna voor het eerst, een actief sociaal beleid voeren ten aanzien van maatschappelijk kwetsbare bevolkingsgroepen. Tot dan toe bleef dit vooral een zaak van het OCMW en dan nog in het kader van een individuele steunverlening. Het VFIA werd opgevolgd door het VFIK (Vlaams Fonds Integratie Kansarmoede) en het SIF (Sociaal Impulsfonds). Ook voor het VOW betekende het kansarmoedebeleid van de overheid een nieuwe sprong voorwaarts. Geleidelijk aan verruimde de werking met vier personeelsleden, die de regio’s systematischer contacteerden en opvolgden. De jarenlang verwaarloosde onderwijsproblematiek kreeg een impuls door de inzet van schoolopbouwwerkers. Weliswaar in een beperkte regio, maar ervaring kon worden opgebouwd. Het VOW kon haar deskundigheid uitbouwen.
De professionalisering van het woonwagenwerk moest zich ook doorzetten in de structurele omkadering die een gezamenlijke aanpak, een sterke inhoudelijke en methodische samenwerking mogelijk maakte. Eind 1992 versterkte de organisatiestructuur van het VOW. De overheid ondersteunde dit initiatief door een substantiële verhoging van de middelen. Europese middelen maakten verdere initiatieven, vooral op het vlak van onderwijs, mogelijk.
Toch kon het VOW geen evenwichtige werking uitbouwen. Haar potentieel aan man/vrouwkracht werd teveel gehypothekeerd door de tijdelijkheid van de projecten en de noodzaak de begroting op te stellen op basis van een dertigtal kleine en grote subsidianten, die elk hun invalshoek hadden. Regionale en inhoudelijke onevenwichten in de werking bleven aldus een dagelijkse realiteit. Met het decreet inzake het Vlaams beleid ten aanzien van etnisch - culturele minderheden hoopt het VOW, ondertussen omgevormd tot Vlaams Centrum Woonwagenwerk (VCW), dat in samenspraak met de overheid dit evenwicht inhoudelijk en regionaal beter bereikt kan worden. Daarnaast moet een programmering op langere termijn reële slagkracht krijgen. Marginaliteit, uitsluiting, discriminatie en maatschappelijke kwetsbaarheid zijn niet gebaat met enkele sporadische en alleenstaande projecten, zoals duidelijk blijkt uit bovenstaande historiek. Het vereist een coherente, integrale, continue en niet-vrijblijvende inspanning van alle betrokkenen. top
Terug naar inhoudstafel

15Nuttige links


Naast de links die we in de vorige hoofdstukken verwerkten geven we u hier nog een lijstje met interessante links voor scholen die met anderstalige nieuwkomers werken.

Goede praktijkvoorbeelden uit de hulpverlening aan vluchtelingen

2005


Praktijkhandboek

Federatie van Diensten voor Geestelijke Gezondheidszorg vzw

Fedasil

tel. 09-2335099



email fdgg@fdgg.be

http://www.fedasil.be/home

Pictogrammen:

http://www.deschoolbrug.be/deschoolbrug.html

http://www.sclera.be/

Vertaalprogramma’s

http://www.turnhout.be/pag.asp?site=1&pagid=60801

www.babelfish.altavista.com/babelfish/tr

www.google.com/language_tools?hl=en

www.tranexp.com:2000/intertran

www.logos.it/lang/transl_en.html

www.systransoft.com

www.worldlingo.com/products_services/worldlingo_translator.html

www.lingolex.com/translationsoftware.htm

www.verbix.com/webverbix/index.asp

Andere interessante websites

http://www.hetpaleis.be/articles.php?id=18&parent=56 website van een theaterhuis dat werkt met anderstalige nieuwkomers

www.steunpuntico.be website met informatie over intercultureel onderwijs

www.cego.be website van het Centrum voor ErvaringsGericht Onderwijs

www.nt2.be website van het Centrum voor Taal En Onderwijs

www.armoede.be portaalsite rond armoede in België

www.digikids.be

www.onderstroom.be website rond energie besparen

www.rekenweb.nl website met rekenspelletjes

http://www.vmc.be/links.aspx website van het Vlaams Minderheden Centrum

http://www.kms.be/ website van Kerkwerk Multicultureel Samenleven

http://www.diversiteit.be/CNTR/default.aspx website van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding

http://www.allemaalanders.be/ kinderwebsite van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding

http://www.ieder1.be/ website voor jongeren rond diversiteit

http://www.december18.net/web/general/start.php portaal voor de promotie en de bescherming van de rechten van de migrant.

http://www.orcasite.be/NL/NL_home.php portaal van de Organisatie van Clandestiene Arbeidsmigranten

http://www.medimmigrant.be/ website van het Medisch Steunpunt Mensen Zonder Papieren

http://www.picum.org/ Platform for international cooperation on undocumented migrants

http://www.rechtvaardigheidenvrede.be/ website van het Netwerk Rechtvaardigheid en Vrede

http://www.caritas-int.be/ website van Caritas International

http://www.vluchtelingenwerk.be/ website van Vluchtelingenwerk Vlaanderen

http://www.minderhedenforum.be/ website van het Minderhedenforum

http://nt2.startkabel.nl/ website met allerlei linken

Terug naar inhoudstafel



1 Je vindt meer informatie over de TPR- methode op: http://homepage.mac.com/ssalto/

en in:

Learning Another Language through Actions :the Complete Teacher's Guidebook’



James Asher

The Natural Approach.Language Acquisition in the Classroom’. Krashen

TPR, Handleiding en lesboek voor Nederlands als 2de taal’ Elena De Ru

Tweede Taal verwerving Via Total Physical Response’: video van 26 minuten uitleenbaar bij het CBW,Provinciale Materialenbank




2 Tijdens een taalles over straatkinderen werd de link gelegd naar het niet in een bed kunnen slapen. Twee van de drie Kosovaarse vluchtelingen vertelden dat ze een maand in de Albanese bossen onder takken hebben geslapen. De derde zei niets met woorden, maar heel veel was af te lezen op zijn gezichtje en houding.

Vademecum Anderstalige Nieuwkomers


1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina