Vlaams Verbond van het Katholiek Basisonderwijs



Dovnload 0.73 Mb.
Pagina4/15
Datum22.07.2016
Grootte0.73 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

3Doelenlijst Anderstalige Nieuwkomers


(Deze doelenlijst is opgesteld door het Steunpunt NT2)

TAALVAARDIGHEID NEDERLANDS



Doelen : Omschrijving


Tussendoelen 1


  1. De leerlingen




    1. voeren mondeling geformuleerde instructies voor concrete handelingen in de hier- en – nu klascontext uit
      Doel 1

      Voorbeelden:

      Neem de twee afbeeldingen en leg ze naast elkaar.
      Je moet / Jullie moeten precies op de lijnen knippen.
      Ik wil dat je/ jullie eerst goed kijkt/kijken en dan een figuur uitkiest/uitkiezen.
      We gaan nu de afbeelding goed bekijken.
      Doe dat niet zo vlug.
      Je mag / Jullie mogen niet direct antwoorden: eerst goed kijken.
      Kun je /Kunnen jullie eerst even luisteren?
      Wil je (eens even) aan het bord komen?
      Kom eens kijken.
      Pas op dat je niet te vlug knipt, (want…)
      Mag ik even kijken naar je oplossing?





    1. begrijpen mondeling geformuleerde mededelingen, vragen en reacties van de leerkracht met betrekking tot concrete gebeurtenissen in de klascontext en tot handelingen die zijzelf uivoeren in de klas en/of in het kader van schoolse opdrachten
      Doel 2

      Voorbeelden:

      Kijk: dit is een tangrampuzzel.
      Kijk: deze lijnen zijn recht en deze zijn krom
      Kijk goed: op deze afbeelding zie je een klas met 12 leerlingen.
      Inderdaad: op deze foto staat de leerkracht naast de tafel. En waar zie je hem op de andere foto?
      Kijk: het water loopt weg uit het buisje.
      Kunnen jullie zien welk dier staat afgebeeld?
      Hoeveel stoelen zie je op de linkse afbeelding?
      Welke figuur heb je gemaakt/gekozen/…?
      Wie heeft de oplossing gevonden?
      Heeft iedereen nu een blad papier?
      Wie heeft (g)een blauwe stift? Wie heeft een meetlat nodig?
      Wat heb je nodig?
      Heb je iets nodig?
      Wil je een andere schaar?
      Neem je deze of die figuur?
      Dit blad is voor jou.
      Van wie is deze ringmap? Is dat van jou?
      Prima. Uitstekend. Dat ziet er goed uit.



    2. begrijpen de gangbare vaste formules voor een aantal sociale plichtplegingen en voor het oplossen van communicatieproblemen.
      Doel 3

      Voorbeelden

      Dag. Goedemorgen.
      Tot morgen. Tot volgende week.
      Alstublieft/Alsjeblief.
      Bedankt. Dankjewel.
      Excuseer. Sorry. Het spijt me.
      Het is niet erg.
      Gelukkige verjaardag. Proficiat.
      Ik begrijp je niet (goed).
      Wat zeg je?
      Zeg dat nog eens./Herhaal dat nog eens (even)./ Kan je dat nog eens zeggen / herhalen?
      Begrijpen jullie dat?





    1. begrijpen vragen en mededelingen in formele schoolse situaties die op henzelf betrekking hebben
      Doel 4

      Voorbeelden

      Hoe heet je?
      Waar kom je vandaan?
      Hoe oud ben je?
      Ben je ziek geweest? Heb je een briefje van de dokter?
      Je bent te laat. Is de bus niet gekomen?
      Kunnen je ouders donderdag naar school komen om met mij te praten?
      Je moet nu naar lokaal 2.



Toelichting

Woordenschat en betekenisstructuren die de leerlingen receptief kunnen hanteren hebben o.m. betrekking op :



  • de klasvoorwerpen: van schrijfmateriaal tot klasmeubilair

  • organisatievormen: van alleen werken tot werken per twee, per drie, in groep

  • plaatsaanduidingen: van de voorzetsels in-op-onder-achter-voor-naast-tussen tot uitdrukkingen als rechts/links van, aan het eind van de gang, op het gelijkvloers en naar de andere kant

  • de schoollokalen: van klaslokaal tot speelplaats naar toilet en refter

  • het bereiken van de school: van gangbare vervoermiddelen tot bushalte en trottoir

  • tijdsaanduidingen: van nu en eerst/dan/daarna tot straks en morgen

  • telwoorden

  • delen van het lichaam: van hoofd en mond tot been en voet over buik en rug

  • schoolse handelingen: belangrijke handelingen die in de klas geregeld moeten worden uitgevoerd, van zitten en kijken tot zoeken en raden

  • gedragssturing: van gebods- (Je moet hier knippen en Knip hier ) en verbodsbepaling (Jullie mogen niet knippen) tot uitnodiging (Kun je/wil je dat even knippen?) over toelating (Jullie mogen nu knippen) en intentieverklaring (Ik zal dat even voor je knippen)

  • beschrijvende termen: van groot/klein en kort/lang naar donker/licht en hoog/laag over recht/schuin, veel/weinig en vol/leeg

  • uitdrukken van een oordeel : van Dat vind ik (te) moeilijk tot Dat heb je goed gedaan

  • vergelijking en gradatie van kwaliteiten: van nogal groot, heel groot en even groot tot groter en grootst over te groot

  • uitdrukken van gevoelens: boos-bang-blij-verdrietig

  • bezitsaanduidingen: van jou en niet van mij

  • vragen: van Heb je de twee mannetjes getekend? over Wat? Wie ? Waar? tot Hoeveel? Hoe? Waarom? Welk(e) ?

  • verwijzingen naar verleden en toekomst: van We gaan daar nu aan beginnen tot Hoeveel mannetjes hebben jullie getekend?

  • ontkenningen: van Niet naast de lijn knippen tot Er ligt geen gom op de tafel


Integratiemogelijkheden

Leerlingen die deze tussendoelen in mindere of meerdere mate hebben bereikt kunnen deelnemen aan lessen lichamelijke en plastische opvoeding en andere handelingsgerichte activiteiten zoals deelnemen aan uitstappen, het schooltuintje onderhouden, werken met rekenstaafjes,…
Tussendoelen 2


  1. De leerlingen




    1. reageren met een kort antwoord op gesloten vragen met betrekking tot concrete gebeurtenissen in de hier-en-nu context en tot handelingen die zijzelf uitvoeren in de klas (en)of in het kader van schoolse opdrachten. Hierbij worden zowel inhoud als formulering van het antwoord vanuit de taak aangereikt.
      Doel 5

      Voorbeelden
      (Is deze lijn recht of krom?) Recht
      (Heb jij al een blad?) Neen.
      (Hoeveel balpennen liggen er op de tafel?) Negen.
      (Welk voorwerp is het zwaarst?) Het boek.





    1. gebruiken korte vaste formules voor een aantal sociale plichtplegingen en voor het oplossen van communicatieproblemen
      Doel 6

      Voorbeelden

      Dag. Goedemorgen.
      Tot morgen.
      Alstublieft/Alsjeblief.
      Bedankt. Dankjewel.
      Excuseer. Sorry.





    1. reageren met een kort mondeling antwoord op gesloten vragen met betrekking tot formele schoolse situaties die op henzelf betrekking hebben
      Doel 7

      Voorbeelden
      (Hoe heet je?) Karim.
      (Waar kom je vandaan?) Turkije.
      (Hoe oud ben je? ) 8 jaar.
      (Ben je ziek geweest?) Ja.(Heb je een briefje van de dokter?) Nee
      (Kunnen je ouders donderdag naar school komen om met mij te praten? ) Donderdag niet.



Toelichting
Voor de woordenschat en betekenisstructuren die de leerlingen receptief kunnen hanteren, zie tussendoelen 1 en de voorbeelden bij 2.2 en 2.3
Tussendoelen 3


  1. De leerlingen

    1. begrijpen mondeling geformuleerde informatie (mededelingen, vragen, reacties) en instructies m.b.t. een binnen de klas gebrachte wereld, gerelateerd aan de schoolse kennisdomeinen. Hierbij wordt een sterke (visuele en/of talige) contextualisering wordt geboden
      Doel 8
      Voorbeelden

      (Weet je nog waarom je bijna nooit egels te zien krijgt in de winter?) Omdat ze een winterslaap houden.
      (Waarom is Hennie zo boos?) Omdat ze altijd over de kat struikelt.





    1. reageren met een mondeling antwoord op vragen over fysische en cognitieve handelingen die ze uitvoeren en over informatie die ze krijgen (zoals die onder 3.1 is beschreven). Hierbij worden de inhoud, maar niet noodzakelijk de formulering van het antwoord vanuit de taak aangereikt.
      Doel 9

      Voorbeelden

      (Blijft het potlood vastzitten aan de magneet? )Nee, want er zit geen ijzer in.
      (Wat denk je dat er gebeurt als ik nu het ei in het water leg?) Het zal zinken omdat het zwaarder is dan water.
      (Wat betekent dit teken voor jou?) Het betekent dat je daar niet mag roken.
      (Begrijp je waarom dit fout is?) Omdat de twee lijnen elkaar kruisen.
      (Weet je nog welke voorwerpen magneten aantrekken?) Voorwerpen waar ijzer in zit.
      (Waarom is Hennie zo boos?) Omdat ze altijd over de kat struikelt.





    1. gebruiken de gangbare vaste formules voor een aantal sociale plichtplegingen en voor het oplossen van communicatieproblemen
      Doel 10

      Voorbeelden

      Tot volgende week.
      Het spijt me.
      Het is niet erg.
      Gelukkige verjaardag. Proficiat.
      Wat zegt u? / Hoezo?
      Ik begrijp je niet./ Ik begrijp niet wat je zegt.
      Wat bedoel je?
      Wat betekent…?
      Wil u/Kunt u dat nog eens zeggen/herhalen?
      Begrijpt u mij?





    1. halen uit kort geschreven teksten (labels bij afbeeldingen) m.b.t. onderwerpen waarrond ze voorafgaand mondelinge informatie hebben gekregen, de informatie die hen wordt gevraagd.
      Doel 11

      Voorbeelden

      Maan. Zwaar. Licht. Zwemmen.


Toelichting

Woordenschat en betekenisstructuren die de leerlingen receptief kunnen hanteren hebben betrekking op



  • ‘elementen’ uit de waarneembare werkelijkheid: planten, dieren en andere natuurverschijnselen, onderdelen van het menselijk lichaam, mensensoorten (de brandweer, baby’s, de dokter,…) en allerlei voorwerpen zoals eens steen, een touw, een magneet,…

  • de waarneembare handelingen die deze elementen uitvoeren

  • de waarneembare kenmerken die ze vertonen.

De leerlingen kunnen deze woordenschat en betekenisstructuren ook gedeeltelijk productief hanteren voor zover dat nodig is om te antwoorden op vragen zoals die geformuleerd worden onder 3.2 Verder kunnen ze de gangbare vaste formules vermeld onder 3.3 productief gebruiken.


Integratiemogelijkheden

Leerlingen die deze tussendoelen min of meer hebben bereikt kunnen deelnemen aan lessen die in grote mate worden geënt op de zintuiglijke werkelijkheid, bijvoorbeeld bepaalde onderdelen van, wereldoriëntatie, natuurkunde of aardrijkskunde.

Tussendoelen 4


  1. De leerlingen




    1. halen de hen gevraagde informatie uit mondeling geformuleerde teksten. Deze teksten hebben betrekking op een (daar – en -toen-) wereld die (doordat hij zich in het verleden of op een andere plaats bevindt) noodzakelijk in taal wordt opgeroepen. Hierbij wordt een sterke (visuele en/of talige) contextualisering geboden.
      Doel 12

      Voorbeelden van tekstonderwerpen:

      Hoe leven de indianen?
      Spelletjes uit vreemde landen.
      De olifant die zijn slurf wou ruilen.
      Leven op de boerderij: vroeger en nu.
      Gevaarlijke situaties in het verkeer.





    1. halen uit korte geschreven teksten, sterk visueel ondersteunde teksten waarrond ze voorafgaand mondelinge informatie hebben gekregen, de informatie die hen wordt gevraagd.
      Doel 13

      Voorbeelden van teksten:

      Eerst wordt alle oud papier opgehaald.
      Bram vindt een wereldbol. Een vreemde wereldbol.
      Bij droog weer kan de boer morgen op de akker werken.
      Overdag slaapt een uil meestal in een boom.





    1. reageren mondeling op vragen die gesteld worden naar aanleiding van aan hen voorgelegde informatie (zie 4.1). Hierbij worden de inhoud, maar niet noodzakelijk de formulering van het antwoord vanuit de taak aangereikt.
      Doel 14





    1. reageren met een kort schriftelijk antwoord op een invuloefening met betrekking tot teksten zoals die onder 4.1 en 4.2 zijn beschreven. Inhoud en formulering van het antwoord worden vanuit de taak aangereikt.
      Doel 15

      Voorbeelden

      (Vul het juiste antwoord in. Kies uit de antwoorden hieronder. In welke soort woningen leefden de indianen? (De indianen leefden ….a. in een iglo, b. in een strooien hut, c. in een wigwam.) In een wigwam.
      (Vul in: gevaarlijk of niet gevaarlijk. In het donker met een fiets rijden waarvan het achterlicht stuk is, is …….) Gevaarlijk.



Toelichting

Woordenschat en betekenisstructuren die de leerlingen receptief kunnen hanteren hebben betrekking op:



  • ‘dezelfde elementen’ als die vermeld onder tussendoelen 3, maar dan uit de werkelijkheid van daar-en-toen.

  • klassen van waarneembare elementen (woning, gesteente, materiaal, benodigdheden, vorm)


Integratiemogelijkheden
Leerlingen die deze tussendoelen min of meer hebben bereikt, zijn normaal gezien voldoende gewapend om aan de meeste lessen in het eerste en tweede leerjaar deel te nemen, mits de leerkracht wel oog blijft hebben voor de specifieke noden van deze leerlingen.
Tussendoelen 5


  1. De leerlingen:




    1. halen de hen gevraagde informatie uit mondeling geformuleerde teksten; deze teksten hebben betrekking op een (daar- en- toen- )wereld die (doordat hij zich in het verleden of op een andere plaats bevindt) noodzakelijk in taal wordt opgeroepen. Hierbij wordt in beperkte mate (visuele en/of talige) contextualisering geboden.
      Doel 16

      Voorbeelden van tekstonderwerpen: zie reeks 4



    2. halen de hen gevraagde informatie uit korte of middellange informatieve en instructiegevende geschreven teksten, waarbij (visuele en/of talige) contextualisering in beperkte mate wordt geboden.
      Doel 17

      Voorbeelden van tekstonderwerpen: zie reeks 4



    3. reageren mondeling op vragen die gesteld worden naar aanleiding van aan hen voorgelegde informatie (zie 5.1 en 5.2). Hierbij wordt de inhoud, maar niet noodzakelijk de formulering van het antwoord vanuit de taak aangereikt.
      Doel 18



    4. reageren schriftelijk op een invuloefening met betrekking tot teksten zoals die onder 5.1 en 5.2 zijn beschreven. Hierbij worden de inhoud en de formulering van het antwoord vanuit de taak aangereikt.
      Doel 19

      Voor voorbeelden van invuloefeningen zie 4.4


Integratiemogelijkheden

Leerlingen die deze tussendoelen min of meer hebben bereikt, zijn normaal gezien voldoende gewapend om aan de meeste lessen in het derde en vierde leerjaar deel te nemen, mits de leerkracht wel oog blijft hebben voor de specifieke noden van deze leerlingen.
Tussendoelen 6



  1. De leerlingen

    1. halen de hen gevraagde informatie uit informatieve teksten (mondeling en schriftelijk). Deze teksten hebben betrekking op een wereld die (doordat hij vanuit een abstraherend perspectief wordt benaderd) noodzakelijk in taal wordt opgeroepen. Contextualisering wordt daarbij in ruime mate geboden.
      Doel 20

      Voorbeelden van tekstonderwerpen:

      Wat en hoe van een gezonde voeding.
      Hoe kan je zeer zware lasten optillen?
      Een methode om hoogten te schatten.



    2. reageren mondeling op vragen die gesteld worden naar aanleiding van aan hen voorgelegde informatie (zie 6.1). Hierbij wordt de inhoud, maar niet noodzakelijk de formulering van het antwoord vanuit de taak aangereikt.
      Doel 21



    3. reageren schriftelijk op een invuloefening met betrekking tot teksten zoals die onder 6.1 zijn beschreven. Hierbij worden de inhoud en de formulering van het antwoord vanuit de taak aangereikt.
      Doel 22

      Voor voorbeelden:
      Geef drie voorbeelden van een natuurlijke lichtbron.
      Hoe ontstaat neerslag? Zoek het in de tekst.
      Vul in: schaduw, lichtbreking, straal, weerkaatsing. De ….van het licht kan je makkelijk waarnemen met behulp van een reflector.



Toelichting:

Woordenschat en betekenisstructuren die de leerlingen receptief kunnen hanteren hebben betrekking:


op abstracte begrippen, zoals:

  • algemene categoriebenamingen: bijvoorbeeld manier/wijze, methode, techniek, middel, instrument, toestel, systeem, onderdeel, plaats/gebied, omgeving, milieu, tijd, periode/tijdstip, moment, handeling, gebeurtenis, proces, situatie, activiteit, toestand, verschijnsel, gewoonte, omstandigheid, element, teken, symbool, enz.

  • logische verbanden: oorzaak, reden, oorsprong, aanleiding, gevolg, resultaat, functie, doel, bedoeling, enz.

Leerlingen moeten deze begrippen ook productief kunnen hanteren in zoverre dit nodig is om aan doelstelling 6.2 en 6.3 te kunnen beantwoorden.

In 6.3 bedoelen wij met gesloten vragen die vragen waarvan de leerkracht op voorhand het antwoord kent en waarop maar één antwoord mogelijk is. Met open vragen bedoelen wij het omgekeerde.


Uitbreidingsdoelen


  1. De leerlingen



    1. halen de hen gevraagde informatie uit informatieve teksten (mondeling en schriftelijk). Deze teksten hebben betrekking op een wereld die (doordat hij vanuit een abstraherend perspectief wordt benaderd) noodzakelijk in taal wordt opgeroepen. Contextualisering wordt daarbij in beperkte mate geboden.
      Doel 23

      Voorbeelden van tekstonderwerpen (zie 6.1)



    2. reageren mondeling op vragen die gesteld worden naar aanleiding van aan hen voorgelegde informatie (zie 7.1). Hierbij wordt de inhoud, maar niet noodzakelijk de formulering van het antwoord vanuit de taak aangereikt.
      Doel 24



    3. reageren schriftelijk op gesloten vragen en invuloefeningen met betrekking tot teksten zoals die onder 7.1 zijn beschreven.
      Doel 25

      Voor voorbeelden: zie 6.3




    1. reageren schriftelijk op open toetsvragen met betrekking tot teksten zoals die onder 7.1 zijn beschreven. Hierbij wordt de inhoud aangereikt in lessen die de toets voorafgaan. De formulering van het antwoord wordt niet noodzakelijk vanuit de toetsvraag aangereikt.
      Doel 26

      Voorbeelden:

      Wat is het verschil tussen kunstmatige en natuurlijke lichtbronnen?
      Hoe maakten de holbewoners vuur?



Toelichting

Voor de meeste leerlingen zal het niet haalbaar zijn om deze uitbreidingsdoelstellingen te halen in het eerste leerjaar dat ze op een Nederlandstalige school belanden. Toch moeten leerlingen die in het zesde leerjaar zitten, in staat zijn om deze doelstellingen te halen. Het is daarom belangrijk dat de leerkracht die hen het jaar daarop in de klas krijgt, aan deze doelstellingen verder werkt.


Aanvullingen bij taalvaardigheid Nederlands:

Doel 27 ……………………………………………………………………………………………………..

Doel 28 ……………………………………………………………………………………………………..

Doel 29 ……………………………………………………………………………………………………..

Doel 30 ………………………………………………………………………………………………………



DOELEN NT2 VERWERVING JONGE KINDEREN

Doelen voor heel jonge kinderen vind je in de publicatie: ‘Een referentiekader voor doelstellingen rond vroege NT2-verwerving in Nederland en Vlaanderen’. Je kan de publicatie downloaden van: http://taalunieversum.org/ (klikken op Onderwijs/Primair/Tweede Taal/ Publicaties)

Terug naar inhoudstafel



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina