Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel



Dovnload 67.13 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte67.13 Kb.

Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs

Guimardstraat 1, 1040 Brussel



Mededeling

referentienr. : M-VVKSO-2003-016

datum : 2003-02-20

gewijzigd : 2006-01-31

contact : Dienst Leerlingen en schoolorganisatie, dls@vsko.be

Ann Henderickx, ann.henderickx@vsko.be, 02 507 07 25

Bart Beliën, bart.belien@vsko.be, 02 507 07 34

School en echtscheiding


  1. Inleiding

Als directie, leerkracht of opvoeder worden we vaker geconfronteerd met kinderen van gescheiden ouders. Meer en meer kinderen maken een scheiding van hun ouders mee. Zij worden er op steeds jongere leeftijd mee geconfronteerd. Daarmee gepaard gaand wonen steeds meer kinderen in éénoudergezinnen en stiefgezinnen.

    1. Enkele cijfers

Om slechts enkele cijfers te geven: in het jaar 2004 werden in België 43 3261 huwelijken gesloten en vonden 31 418 echtscheidingen plaats. In datzelfde jaar zien we voor Vlaanderen resp. 24 172 huwelijken en 16 171 echtscheidingen. Er bestaan verschillen tussen de gewesten. Het Vlaamse Gewest telt verhoudingsgewijs minder kinderen met gescheiden ouders dan de twee andere gewesten.

Er bestaan op 1 januari 2004 belangrijke gemeentelijke verschillen binnen het Vlaamse Gewest. De hoogste concentraties kinderen met gescheiden ouders worden aangetroffen in de (groot)steden, de kuststreek en rond het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Het aandeel kinderen met gescheiden ouders varieert tussen de gemeenten van 8% tot 35%2. In 1991 was de variatie tussen de steden en gemeenten nog groter. De gemeentelijke verschillen inzake het aandeel kinderen met scheidingservaring namen af in de periode 1991 - 2004. Het merendeel van de gemeenten die in 1991 hoge aandelen kinderen met een scheidingservaring hadden, zijn in 2004 nog steeds de koplopers. Maar het zijn juist de gemeenten met in het verleden (zeer) lage aandelen kinderen met een scheidingservaring, die in de jaren negentig de grootste stijging meemaakten.



Ruim 20% van de 0- tot 17-jarigen in het Vlaamse Gewest heeft een scheiding van de ouders meegemaakt. Het gaat in totaal om circa 250.000 kinderen die ervaring hebben met een (echt)scheiding van hun ouders of een overlijden van een ouder.

Hoe ouder de kinderen zijn, hoe groter de kans dat zij een scheiding van hun ouders meemaakten: 10% van de 0- tot 2-jarigen versus bijna 26% van de 12- tot 17-jarigen.



    1. Diverse samenlevingsvormen

In overeenstemming met bovenstaande trend zijn de samenlevingsvormen in diversiteit toegenomen. Het aantal éénoudergezinnen, voornamelijk vrouwen, en alleenstaanden met kinderen groeit. Wanneer het gaat om twee-oudergezinnen zijn het vaak niet langer ouders in een eerste huwelijk met biologische kinderen. Scholen hebben ook te maken met pleeggezinnen, kinderen met holebi-ouders, ideologisch gekleurde gezinsvormen als leefgemeenschappen en nieuw-samengestelde gezinnen.

Nieuw-samengestelde gezinnen ontstaan wanneer vader en/of moeder gaat samenleven (of huwt) met een nieuwe partner die mogelijk zelf kinderen uit een vorig huwelijk heeft. Leerlingen kunnen op deze wijze deel uitmaken van één of twee nieuw-samengestelde gezinnen en hebben dan ook één of twee stiefouders en mogelijk stiefbroers en –zussen.

Inspelend op al deze evoluties introduceert de onderwijsreglementering3 het begrip “leefeenheid”. Het betreft: “leerlingen met ten minste één gemeenschappelijke ouder of ouders en leerlingen met eenzelfde hoofdverblijfplaats”. Bv.: een kind dat tot dezelfde leefeenheid behoort als een reeds ingeschreven leerling, heeft voor de inschrijving voorrang op alle andere nieuwe leerlingen.


    1. Impact op de school

Als ouders uit elkaar gaan, is dit een ingrijpende gebeurtenis. Niemand blijft er onberoerd bij. Een scheiding gaat niet alleen gepaard met een heleboel feitelijke veranderingen; de relationele ommekeer brengt heel wat spanningen en emotionele instabiliteit teweeg. De school als tweede opvoedingsmilieu wordt hoe dan ook vaak zeer direct geconfronteerd met wat zich in het gezin afspeelt. De school zal dus moeten bepalen hoe ze hierop kan inspelen.

Kinderen ondersteunen betekent op een gepaste wijze en gemeend aandacht besteden aan de veranderingen in hun leefwereld. Deze aandacht komt zowel relationeel tot uiting in sociaal-emotionele opvang en ondersteuning door de leerkracht, als op een meer praktisch niveau in het soepel omgaan met de behoeften van het kind.

We pleiten er dan ook voor dat de school aandacht besteedt aan het uitbouwen van een beleid m.b.t. de relatie school-gezin waarin zoveel mogelijk recht wordt gedaan aan de eigenheid van elk gezin. De uitbouw van een dergelijk ondersteunend schoolbeleid impliceert: een houding van openheid en begrip, een goede informatie-uitwisseling en communicatie, een curriculum inhoudelijk afgestemd op de heterogene leefwereld van kinderen en daarbij aansluitend het toepassen van een aantal didactische methodieken en technieken in de klaspraktijk.

We willen binnen het kader van deze tekst suggesties formuleren die op dit vlak kunnen leiden tot een preventief schoolbeleid. Om de bestaande wetgeving en de omzendbrief betreffende de organisatie van het ouderlijk gezag te kunnen toelichten, geven we de lezer eerst nog enkele courante begrippen mee. We besteden daarna uitvoerig aandacht aan concrete situaties waarmee scholen geconfronteerd (kunnen) worden. Daarbij verwoorden we, binnen de wettelijke verplichtingen, mogelijke benaderingen en praktische richtlijnen. Wie daarna nog meer informatie wil kan de bibliografie bekijken.

Deze mededeling kwam tot stand in nauwe samenwerking met de Werkgroep Relationele en Seksuele vorming (VSKO, Pedagogisch Bureau).


    1. Begrippenkader

In het kader van de organisatie van het ouderlijk gezag worden nogal wat begrippen door elkaar gebruikt vandaar deze korte lijst.4

Bilocatieregeling is een verblijfsregeling. We spreken van bilocatieregeling wanneer de ouders beslissen om de kinderen afwisselend bij elk van hen te laten wonen voor bepaalde periodes.

Co-ouderschap: de wet zelf gebruikt de term niet. Concreet betekent dit dat beide ouders verantwoordelijk blijven voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in dat men als vader of moeder samen met de mede-ouder optreedt voor alle handelingen en beslissingen die genomen moeten worden. De essentie van het co-ouderschap is de blijvende betrokkenheid van de ouders bij alle aspecten van de opvoeding van hun kinderen.

Exclusief ouderlijk gezag: toewijzing van de uitsluitende uitoefening van het ouderlijk gezag aan één van beide ouders. De rechter kan dit opdragen maar is niet daartoe verplicht.

In dit systeem voorziet de wet ook de mogelijkheid om de uitsluitende uitoefening aan één van de ouders op te dragen, maar om tegelijk te bepalen dat een aantal belangrijke beslissingen m.b.t. de opvoeding van het kind alleen met de instemming van beide ouders kunnen genomen worden. Dit wordt wel eens de gemengde vorm genoemd en houdt een hele waaier van concrete uitspraken in over de uitoefening van het ouderlijk gezag.



Hoorrecht: het recht van elke minderjarige die over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt, in elk geding dat hem betreft, op zijn verzoek of bij beslissing van de rechter, gehoord te worden door de rechter of door de persoon door de rechter aangeduid.

Omgangsrecht: in geval van exclusieve gezagsuitoefening door één ouder zal de rechter bepalen op welke wijze de ouder die niet met de uitoefening van het ouderlijk gezag belast is, persoonlijk contact met het kind onderhoudt.

Ook grootouders en iedere andere persoon (bv. stiefouder) die een bijzondere affectieve band met het kind kan aantonen, kunnen via de rechter omgangsrecht aanvragen.

Het is niet aangewezen om de verblijfsregeling omgangsrecht te noemen. De term ‘omgangsrecht’ blijft voorbehouden voor het systeem van de uitsluitende gezaguitoefening. Andere bronnen gebruiken hier bij voorkeur het begrip recht op persoonlijk contact in plaats van omgangsrecht. De term bezoekrecht kan beter volledig verlaten worden.

Verblijfsregeling: regeling die ouders dienen te treffen omtrent hetgeen de wet noemt: “de organisatie van de huisvesting van het kind”. Alle mogelijke formules zijn hierbij denkbaar, gaande van een bilocatieregeling tot bestendig verblijf bij één ouder onderbroken door korte verblijfperiodes bij de andere ouder, enz…

De verblijfsregeling is een concretisering van het recht van elke ouder op persoonlijk contact. De rechter kan een bepaalde verblijfsregeling ook opleggen.



Stiefouder: de term stiefouder slaat op diegene die samenwoont of gehuwd is met de juridische ouder. De stiefouder oefent in geen geval het ouderlijk gezag uit ten aanzien van het stiefkind, zelfs niet indien de echtgenoot-ouder overlijdt. Als de stiefouder het stiefkind geadopteerd heeft, kan hij/zij wel het ouderlijk gezag uitoefenen.

  1. Een preventief schoolbeleid

Een preventief schoolbeleid is een beleid dat recht doet aan de noden en behoeften van leerlingen die met de scheiding van hun ouders geconfronteerd worden.

    1. Zorg en aandacht voor het kind

Als ouders scheiden is dit een ingrijpende en vaak traumatische gebeurtenis. Scheiden is een emotioneel proces dat drie à vijf jaar in beslag neemt en zowel geldt voor jonge als oudere leerlingen, voor jongens en meisjes, voor zeer conflictueuze of voor eerdere rustige scheidingen. Het kind loopt als het ware een rouwproces door. De manier waarop kinderen deze ‘verliessituatie’ verwerken, is erg verschillend en in grote mate afhankelijk van hun leeftijd en ontwikkelingsniveau. Kinderen en jongeren zullen eerder via hun gedrag duidelijk maken dat ze ergens mee zitten dan er over te praten. De leerkracht, opvoeder of zelfs een vertrouwensleerling kan hierin een belangrijke rol spelen. Een luisterend oor, openheid, begrip en wat extra aandacht op school kunnen goed doen, zonder het kind in een uitzonderingspositie te brengen. Concrete methodieken of werkvormen kunnen ondersteuning bieden in het verwerkingsproces van de leerling b.v. kringgesprek, rollenspel, stellingenspel, tekenopdracht, schrijfopdracht, filosoferen met kinderen, …

Mogelijke reacties van kinderen, tijdens, voor of na de echtscheiding:



  • concentratieproblemen: omdat een stuk basiszekerheid is weggevallen, kunnen ze er hun aandacht moeilijk bijhouden;

  • angst en onzekerheid: ze zijn onzeker over wat de toekomst zal brengen;

  • schuldgevoelens: kinderen denken vaak dat zij aan de basis liggen van de echtscheiding en voelen zich schuldig;

  • schaamte: ze schamen zich voor de scheiding. Hoe zal de omgeving reageren? Wat zullen de leerkrachten, de medeleerlingen en de vrienden denken?

  • agressie: een stuk basiszekerheid valt weg, dat kan agressie meebrengen;

  • parentificatie: sommige kinderen nemen in een eenoudergezin de ontbrekende ouderrol op zich, wat voor hen erg belastend kan zijn;

  • loyaliteitsconflict: moeten kiezen tussen een biologische ouder die op het achterplan geraakt en de stiefouder;

  • faalangst: dit kan leiden tot een negatief zelfbeeld;

  • herwonnen zelfvertrouwen: na verloop van tijd voelen de kinderen dat ze de situatie aankunnen en dat ze zelfstandiger en zelfzekerder geworden zijn. Dit geeft hen een goed gevoel:

  • herenigingswens: ze hopen dat het nog goed komt tussen de ouders.

Later, na de crisisperiode, wanneer de rust in het gezin terugkeert en er een hernieuwde stabiliteit is, hoeft de echtscheiding geen blijvende negatieve gevolgen te hebben.

    1. Externe hulp

Wanneer de leerkracht, opvoeder of vertrouwensleraar opmerkt dat een jongere zwaar te lijden heeft onder de echtscheiding, dan zal in eerste instantie een hulpvraag aan het CLB worden gesteld. De CLB-medewerkers beschikken over de nodige professionaliteit om op vragen en ondersteuningsbehoeften van scholen, leerlingen en ouders in te gaan. In tweede instantie kan het CLB doorverwijzen. In dat geval wordt de verdere begeleiding of behandeling door een hulpverlener van een andere dienst aangeraden of eraan toevertrouwd en verder opgevolgd vanuit het CLB.

    1. Eerbied voor elk kind

Prioritair in deze openheid is het respect en de eerbied voor elk kind los van de gezinssituatie. Dit betekent een daadwerkelijk besef, zowel bij het schoolbeleid als in de concrete lespraktijk dat onze kinderen in erg verscheiden gezinssituaties opgroeien.

    1. Openheid en begrip

Een houding van openheid en begrip wordt door de ouders en de kinderen, zeker bij crisismomenten, als ondersteunend ervaren. In volle crisis is de school misschien de enige houvast of het enige rustpunt voor de betrokken jongere. De school probeert zich zo goed mogelijk in de beleving van de jongere te plaatsen: wat betekent de verblijfsregeling voor de jongere? Wat hoort en ziet de jongere allemaal? Enz.

De openheid van een school kan op dit terrein ook getoetst worden aan de wijze waarop relationele vorming wordt aangeboden. Ruimer dan seksuele voorlichting kunnen sociale vaardigheden ingeoefend worden: conflicthantering, communicatie en leren omgaan met eigen gevoelens en die van anderen.

Ook praktisch/administratief kan een schoolbeleid daar rekening mee houden.

Voorbeeld

Een rapport meegeven en verwachten dat het de volgende ochtend getekend terug komt, is voor sommige kinderen niet haalbaar. Wanneer er fraaie punten op staan kunnen we ons indenken dat de leerling die ook aan de andere ouder (bij wie hij/zij tijdens het weekend verblijft) wil laten zien.


    1. Neutraal tegenover beide ouders

Er moet een ernstige zorg bij de school bestaan om bij echtscheidingen of betwistingen neutraal tegenover beide ouders te zijn. De meeste leerlingen verkiezen immers ook loyaal aan vader en moeder te blijven. Kinderen mogen niet gevoel of het idee krijgen dat ze mogen of moeten kiezen tussen hun beide ouders. De school kan evenmin partij kiezen voor een ouder. Hoe dat concreet kan gebeuren, wordt verduidelijkt in punt 4.

Het lijkt ons ook essentieel dat de school deze boodschap van onpartijdigheid bekend maakt aan de ouders en de betrokken kinderen. Wanneer een leerling expliciet de kant van één ouder kiest zal die opdracht niet eenvoudig zijn en een heus gesprek vereisen. Toch zullen de meeste leerlingen die houding van de school begrijpen.



    1. Buiten elke betwisting blijven

Een echtscheiding, een rechtsgeding treft alleen de betrokken partijen. De school is hier geen betrokken partij en moet niet proberen conflicten tussen ouders op te lossen. Indien er een regeling werd getroffen die niet werkzaam is en ingaat tegen het belang van het kind, kan de school hen doorverwijzen naar een jeugdrechtbank.

    1. Betrokkenheid van beide ouders bij de opvoeding stimuleren

Een goede samenwerking en communicatie met beide ouders zal het kind ten goede komen. In volle crisis kunnen zelfs ouders soms heel emotioneel reageren. Benader hen steeds als volwaardige partners in zaken die de opvoeding van hun kind aanbelangen. Stimuleer de communicatie indien mogelijk tussen het kind en de ouder(s), tussen de ouders onderling. Zorg voor voldoende informatie verkregen bij ouders en leerlingen maar wees tegelijkertijd discreet in het omgaan ermee.

    1. Correcte toepassing van de wetgeving

Eenduidigheid over de gebruikte terminologie is vaak zoek. Uitspraken gedaan vóór 3 juni 1995 (datum van de inwerkingtreding van de wet van 13 april 1995 betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag die de regeling van het ouderlijk gezag in het Burgerlijk Wetboek ingrijpend wijzigde) blijven hun uitwerking behouden, tenzij de ouders een nieuwe uitspraak vragen in het licht van de huidige wetgeving.

Wanneer de school bijvoorbeeld bij de inschrijving informeert naar de organisatie van het ouderlijk gezag, zal vrij snel blijken, dat streven naar eenvormige terminologie zeer moeilijk blijft en de verzamelde informatie niet steeds uitsluitsel biedt. We verwijzen hiervoor naar punt 3 en de bijlage bij deze Mededeling.



  1. De wetgeving

De wetgeving over echtscheiding, organisatie van het ouderlijk gezag, het omgangsrecht, het hoorrecht van minderjarigen enz. is aan fundamentele wijzigingen onderhevig (zie o.m. de wet van 13 april 1995 betreffende de gezamenlijke uitvoering van het ouderlijk gezag. Alles wijst erop dat, mede gezien de evoluties in onze samenleving, aan het familierecht verder gesleuteld zal worden (bv. objectieve criteria voor en de afdwingbaarheid van de alimentatie…).

    1. Enkele belangrijke wetten

Op 30 juni 1994 kwam er een nieuwe wet op de echtscheiding. Deze wet zorgt voor een grondige inkorting van de procedure bij scheiding met onderlinge toestemming.

Sinds 1 oktober 1994 is er hoorrecht van minderjarigen5 . Bij betwistingen tussen ouders over de organisatie van het ouderlijk gezag of de verblijfsregeling is de jeugdrechter verplicht kinderen vanaf 12 jaar op te roepen voor een gesprek en hun mening te horen.

Op 13 april 1995 volgt de wet betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze wet vertrekt van het principe dat beide ouders, samenlevend of niet, gezamenlijk instaan voor de opvoeding van hun kinderen (het zogenaamde co-ouderschap).

De grootouders en iedereen die een bijzondere affectieve band met het kind kunnen aantonen hebben recht op persoonlijk contact (zie bijlage, punt 5).

Door de wet van 19 februari 2001 betreffende proceduregebonden bemiddeling in familiezaken kunnen de scheidende partijen beroep doen op een bemiddelaar. Dit kan een notaris zijn, een advocaat of welzijnswerker. De bemiddelaar praat de geschilpunten met de beide partijen uit.

De wet van 16 april 2002 kort de termijn voor echtscheiding op grond van feitelijke scheiding in van vijf naar twee jaar.



    1. Omzendbrief

Scholen kunnen zich voor de concrete dagelijkse werking baseren op de ministeriële omzendbrief NO/20005/01 (13AC) van 14 april 2005 betreffende ouderlijk gezag in onderwijsaangelegenheden6. De omzendbrief bevat slechts aanbevelingen over de wijze waarop de school kan handelen. Er wordt bovenaan immers uitdrukkelijk vermeld dat het gaat om een informatieve omzendbrief.

De vroegere omzendbrief7 bevatte twee bijlagen: de wet van 13 april 1995 betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag en een uittreksel uit het Burgerlijk wetboek, meer bepaald de door de wet gewijzigde artikelen 371 – 375bis van het B.W. Deze bijlagen zijn weggevallen. Omdat de huidige omzendbrief het wettelijke kader weinig toelicht, geven we de relevante artikels uit het Burgerlijk wetboek mee als bijlage bij deze Mededeling (M-VVKSO-2003-016-B01).



    1. Wetgeving betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag

      1. Basisprincipe

De wet gaat uit van het volgende basisprincipe: de ouders oefenen , samenlevend of niet-samenlevend, gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. Men spreekt hier van co-ouderschap, al gebruikt de wet deze term niet.

Dit ouderlijk gezag geldt zowel op het vlak van het gezag over de persoon van de minderjarige als wat betreft het beheer van de goederen. In de schoolcontext zullen we hoofdzakelijk met het eerste te maken hebben.

Het gezag over de persoon van de minderjarige houdt alle beslissingen in die moeten genomen worden in het kader van de huisvesting van het kind, de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding, zijn ontspanning, zijn godsdienstige of levensbeschouwelijke keuze. De opsomming in art. 374 B.W. is niet limitatief.

Dit zou betekenen dat voor elk van deze beslissingen de beide ouders samen moeten optreden. In de praktijk is dit natuurlijk niet haalbaar. Om die reden voorziet de wet in een ‘vermoeden van instemming’ (zie punt 4.2.1.1).

Voor de school is hiermee een eerste aandachtspunt geformuleerd.


      1. Afwijkingen van het basisprincipe

Indien de ouders niet samenleven en er onenigheid bestaat over sommige aspecten die met het kind te maken hebben, dan kan de rechter (hij is niet verplicht):

  • de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders (het zogenaamde ‘exclusieve ouderlijk gezag’);

  • bepalen welke beslissingen over de opvoeding alleen met instemming van beide ouders kunnen worden genomen, bijvoorbeeld medische ingrepen, schoolaangelegenheden (de zogenaamde ‘gemengde regeling’).

Voor de organisatie van het schoolleven is het belangrijk te weten dat in beide bovenstaande gevallen de andere ouder steeds het recht bewaart om:

  • toezicht te houden op de opvoeding van het kind;

  • bij de andere ouder of bij derden alle nuttige informatie in te winnen over de opvoeding van het kind;

  • zich in het belang van het kind te wenden tot de jeugdrechtbank.

Indien een ouder uit het ouderlijk gezag ontzet is, heeft hij in beginsel bovenstaande rechten niet.

  1. Praktische en administratieve aspecten die verband houden met nieuwe samenlevingsvormen

    1. Inleiding

Een school die adequaat wil inspelen op de sociale tendensen die gezinsveranderingen met zich meebrengen, moet een strategie hanteren die anticipeert op allerlei mogelijke (praktische en administratieve) problemen die de aandacht voor kinderen in nieuwe gezinsvormen met zich meebrengt.

Complexe (gezin)situaties worden de school en de klas binnengebracht. Ze geven duidelijke signalen dat we deze verscheidenheid en complexiteit moeten erkennen en respecteren. De keerzijde van die complexiteit is het toenemende aantal onduidelijkheden en het verlies van een eenvormig referentiekader. We kunnen er niet langer van uitgaan dat beide (biologische) ouders in gelijke mate het ouderlijk gezag waarnemen en even intens betrokken zijn bij de opvoeding van hun kind(eren).

De school wordt in toenemende mate geconfronteerd met vragen als: mogen we deze leerling inschrijven? Wie moet verwittigd, uitgenodigd worden voor een oudercontact? Hoe gaan we om met een (groot)ouder die tijdens de lesuren vraagt (klein)zoon of (klein)dochter te zien? Wat met de vraag van één ouder naar informatie over het sociaal-emotioneel functioneren van zoon of dochter op school?


    1. Concrete vragen en situatie waarmee de school geconfronteerd wordt

Globaal kunnen de vragen en de situaties waarmee de school geconfronteerd worden ingedeeld worden in volgende thematieken:

  • in- en uitschrijvingen van leerlingen;

  • andere handelingen die een beslissing van ouders vereisen;

  • informatie over de jongere inwinnen;

  • persoonlijk contact met de jongere;

  • hoorrecht van minderjarigen.

      1. In- en uitschrijvingen van leerlingen

De personen die het ouderlijk gezag uitoefenen, nemen in verband met de opvoeding van de minderjarige een aantal beslissingen. Daarvan zijn, voor de onderwijsinstellingen, de schoolkeuze en de studiekeuze de belangrijkste.

        1. Gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag en vermoeden van instemming

Zowel bij samenlevende als bij niet-samenlevende ouders wordt het ouderlijk gezag in principe gezamenlijk uitgeoefend. Dit co-ouderschap houdt in dat men als vader of als moeder samen met de mede-ouder optreedt voor alle beslissingen die moeten genomen worden. De wetgever heeft hiermee de bedoeling gehad blijvende betrokkenheid van de ouders, bij alle aspecten van de opvoeding van hun kind, te bevorderen.

De gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag is strikt genomen in de praktijk niet haalbaar. Om die reden heeft de wetgever voorzien in het ‘vermoeden van instemming’.

Het vermoeden van instemming houdt in dat ten opzichte van derden te goeder trouw, elke ouder die een handeling stelt, geacht wordt op te treden met instemming van de andere ouder (art. 373, 2de lid B.W. en art. 376, 2de lid B.W.).

De wetgever maakt hier geen onderscheid tussen gewone, dagelijkse beslissingen (de deelname van het kind aan de sportdag) en meer fundamentele beslissingen (een medische ingreep of een inschrijving in een school). Sommige praktijkjuristen betreuren dit.8



Voorbeeld
Eén ouder komt zoon/dochter inschrijven in de school. De school mag er vanuit gaan dat dit gebeurt met (stilzwijgende) instemming van de andere ouder. Wanneer de school echter weet heeft, of weet had moeten hebben van het ontbreken van die instemming – bv. door een eerdere ervaring met een broer of zus – dan handelt zij niet te goeder trouw als ze toch in-of uitschrijft.


        1. Betwistingen

  • In geval de ouders die een gezamenlijke beslissing moeten nemen niet tot een akkoord komen, kan één van hen de zaak aanhangig maken bij de jeugdrechtbank (art. 373, 3de lid B.W.). De bevoegde rechter kan in dat geval de uitoefening van (bepaalde aspecten van) het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders (art. 374, 2de lid B.W.).

  • Als co-ouders hun kind in een verschillende school willen inschrijven dan kan de school hier geen standpunt innemen. Haar houding zal neutraal zijn en ze zal die positie van onpartijdigheid ook kenbaar maken aan de beide ouders en de betrokken leerling. De ouder die niet akkoord gaat met de inschrijving kan in het belang van het kind, verhaal aantekenen bij de (jeugd)rechter. De school schrijft niet in maar wacht het vonnis in kortgeding af .

  • De rechter heeft aan één ouder het exclusief ouderlijk gezag toegekend (zie punt 3.3.2). Dat betekent dat deze ouder het alleenrecht heeft om te beslissen waar de leerling school loopt.

  • Scholen worden meestal geconfronteerd met een ouder die alleen optreedt en bv. zoon/dochter inschrijft of uitschrijft. Achteraf blijkt dat de andere (niet aanwezige) ouder niet akkoord gaat.

  • Bij co-ouderschap blijft de jongere ingeschreven in de school die hem te goeder trouw inschreef en volgt daar de lessen. De ouder die niet akkoord gaat met de inschrijving kan verhaal aantekenen bij de (jeugd)rechter. De school voert het vonnis uit.

  • Als de school op het ogenblik van de inschrijving wist of kon weten dat de afwezige ouder (mogelijk) niet akkoord gaat met inschrijving9, mag ze de leerling niet inschrijven. Indien dit toch gebeurd is, vond er geen rechtsgeldige inschrijving plaats. Dit betekent dat de afwezige ouder bij een rechter de nietigverklaring van de inschrijving kan vragen en eventueel een schadevergoeding kan eisen.

  • Kreeg één ouder van de rechter het exclusief ouderlijk gezag toegekend, dan beslist deze ouder waar het kind school loopt.

  • Een ouder schrijft zijn zoon/dochter in de loop van het schooljaar in in een andere school. De nieuwe school die uitgaat van het vermoeden van instemming, vraagt het dossier op in de oude school. Daar blijkt dat de leerling niet is uitgeschreven en de andere ouder dat ook niet wenst te doen.

  • Als de school te goeder trouw handelt wordt bij co-ouderschap aangenomen dat de leerling toch ingeschreven is in de nieuwe school. De eerste school schrijft de leerling bijgevolg uit. De leerling opnieuw inschrijven in de eerste school kan niet meer te goeder trouw gebeuren. De school heeft immers weet van het gebrek aan instemming. De ouder die niet akkoord is met de inschrijving in de nieuwe school kan wel verhaal aantekenen bij de (jeugd)rechter. De (jeugd)rechtbank beslist zelf waar de leerling wordt ingeschreven of geeft aan welke ouder het recht heeft de schoolkeuze te bepalen.

  • De ouder die door de rechter het exclusief ouderlijk gezag toegekend kreeg beslist. Stel dat dit de ouder was die het kind inschreef in de eerste school, dan kan de inschrijving in de tweede school niet doorgaan.

        1. Praktisch

Om betwistingen te voorkomen en om in het geval van co-ouderschap gelijke rechten aan beide ouders te verzekeren, kan de school bij de inschrijving van een nieuwe leerling zelf het initiatief nemen door:

  • bij het intakegesprek te informeren naar de organisatie van het ouderlijk gezag, de gezinssamenstelling (mogelijke stiefouders, stiefbroers en –zussen, half-broers en –zussen), de verblijfsregeling, …

    De praktijk wijst echter uit dat de school, indien het inschrijvingsformulier een invulrubriek bevat betreffende de organisatie van het ouderlijk gezag, vaak onjuiste informatie krijgt. Zo wordt bv. nog vaak gesproken van hoederecht en verwart men de regeling m.b.t. het ouderlijk gezag dikwijls met de verblijfsregeling.

    Informeren naar de organisatie van het ouderlijk gezag kan uitsluitend kaderen in een intakegesprek, als basis voor de leerlingenbegeleiding. Het gaat niet om een administratieve formaliteit. Exacte informatie is overigens alleen mogelijk indien het vonnis wordt voorgelegd. Maar ook dan moet de school behoedzaam met deze informatie omspringen, soms legt een ouder immers niet het meest recente vonnis voor, omdat dit voor hem minder gunstig is.


  • Aan het inschrijvingsformulier dat door de inschrijvende ouder wordt getekend, wordt daarom volgende tekst toegevoegd:

    De inschrijvende ouder verklaart t.o.v. de school in toepassing van de artikels 374 B.W. en 375 B.W. te handelen met de instemming van de andere ouder.

    Tijdens het intakegesprek wordt uitdrukkelijk op deze verklaring gewezen, zodat de inschrijvende ouder zich bewust is van de inhoud.


      1. Andere handelingen die een beslissing van ouders vereisen

Naast de in- en uitschrijving moeten ouders zich akkoord verklaren met de studiekeuze van hun kind, toestemming geven om tijdens de middag de school te verlaten, toestemming geven voor een extra-murosactiviteit in het buitenland, afwezigheidbewijzen handtekenen, enz.

De school mag er ook hier van uitgaan dat de ene ouder handelt met instemming van de andere ouder (zie punt 4.2.1.1). Wanneer de school echter weet heeft, of weet had moeten hebben van het ontbreken van die instemming – bv. door een eerdere ervaring met een broer of zus – dan zal ze bij de andere ouder informeren naar de instemming.



      1. Informatie inwinnen over een jongere

        1. Regelgeving

Ouders hebben recht op informatie (toezicht) over het functioneren van hun zoon/dochter op school. Bij samenlevende ouders stelt die communicatie meestal geen probleem. Bij niet samenlevende ouders kan dat moeilijker liggen.

Artikel 374 B.W. stelt dat ook de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, het recht behoudt om toezicht te houden op de opvoeding van zijn/haar kind. Om dit te verwezenlijken kan die ouder informatie inwinnen bij de andere ouder of, indien dit niet vlot, bij derden i.c. de school.

De ouder die ontzet is uit het ouderlijk gezag heeft in beginsel geen beslissingsrecht en geen recht op informatie.


        1. Praktisch

  • In de dagelijkse schoolpraktijk betekent dit dat beide ouders geïnformeerd moeten worden over de schoolresultaten, begeleidingsactiviteiten, buitenschoolse activiteiten, uitnodigingen voor het oudercontact, proclamatie…. Wanneer een tuchtprocedure tegen een minderjarige leerling wordt opgestart zal de school er uitdrukkelijk over waken dat beide ouders op de hoogte worden gebracht.

  • Bij de inschrijving kan al duidelijk worden dat de ouders niet samenleven. Omdat het belangrijk is dat beide ouders bij het onderwijs van hun kind betrokken zijn, kan al van bij de inschrijving een begin gemaakt worden over de communicatie. Welke informatie kan via welk kanaal worden doorgegeven? Wat geven de ouders aan elkaar door? Wat kan via de leerling aan beide ouders worden doorgegeven? Via de schoolagenda?

  • Indien een ouder met wie er tot nog toe geen communicatie was, bij de school om informatie vraagt dan zal de school daar vanzelfsprekend op ingaan als het een redelijke vraag betreft. De school kan niet verplicht worden om het volledige pedagogisch dossier te kopiëren, een verslag op te maken van alle gesprekken die hebben plaats gevonden met een leerlingbegeleider, een vragenlijst in te vullen enz. Bovendien lijkt enige voorzichtigheid hier op zijn plaats. Dit kan verantwoord worden vanuit het volgende:

  • het komt voor dat een ouder (of zijn advocaat) via de school informatie probeert te bekomen die gebruikt wordt om een wijziging van het vonnis te verkrijgen;

  • van een leerling die tot een redelijke behartiging van zijn belangen in staat is, moet aanvaard kunnen worden dat hij iemand in vertrouwen neemt.10

  • Het gebeurt dat grootouders geen informatie krijgen van de ouders van hun kleinkind en zich om die reden tot de school wenden. De school moet niet ingaan op die vraag naar informatie van grootouders betreffende hun kleinkind. Zij is hier geen derde in de zin van art. 373 B.W. De school zal hen aanraden zich tot de rechtbank te wenden.

      1. Contact met een jongere (omgangsrecht)

        1. Regelgeving

Beide ouders hebben recht op persoonlijk contact met hun kind. In het geval van exclusief ouderlijk gezag, blijft de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, een recht van persoonlijk contact t.a.v. zijn kind behouden. De wijze waarop hij dat persoonlijk contact onderhoudt kan door de rechter worden vastgelegd. Dat persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige reden worden geweigerd (art. 374 B.W., 4de lid).

Ook grootouders hebben recht op persoonlijk contact met het kind, zij het wel op een andere rechtsgrond dan deze van de ouders. Dit recht is voor de grootouders een principieel recht. Bij gebrek aan overeenkomst, beslist de jeugdrechtbank. De uitoefeningsmodaliteiten van het omgangsrecht van de grootouders worden door de rechter bepaald op grond van het belang van het kind (art. 375bis B.W.). Het burgerlijk wetboek bepaalt hier niet dat dit persoonlijk contact enkel om bijzonder ernstige reden kan geweigerd worden.

Personen die een ‘bijzondere affectieve band’ met het kind kunnen aantonen (bv. gewezen pleegouders) hebben het virtuele recht op persoonlijk contact. Dit betekent dat het altijd en enkel door de rechter wordt toegekend of geweigerd.


        1. Praktisch

Scholen krijgen wel eens de vraag van een ouder/grootouder om hun kind/kleinkind te spreken tijdens de schooluren of de middagpauze.

Vanuit menselijk standpunt is men geneigd in te gaan op zo’n vraag. Toch is dit niet de juiste houding:



  • de school kan immers niet inschatten hoe de leerling zelf zal reageren wanneer hij met een familielid in contact wordt gebracht;

  • de vastgelegde omgangsregeling moet nageleefd worden en tenzij het vonnis wordt voorgelegd, kan de school niet weten wat daarin beslist is.11 Omdat de school t.a.v. alle betrokkenen een neutrale positie inneemt, creëert zij geen gelegenheden om het omgangsrecht met bepaalde personen mogelijk te maken.

Het is daarom aan te raden de ouder/grootouder te verwijzen naar de jeugdrechtbank om een nieuwe regeling te vragen of de naleving van de bestaande regeling te eisen. De school kan ook leerlingen aanraden zich tot de jeugdrechtbank te wenden (zie punt 4.2.4).

      1. Hoorrecht van de minderjarige

        1. Regelgeving

In toepassing van het Internationaal Verdrag van het Kind (art. 12)12 kan een minderjarige die over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt in een geding dat hemzelf betreft, op eigen verzoek of door een beslissing van de rechter gehoord worden (art. 931 Ger.W.).

Art. 931 Ger.W. bepaalt:

“…Evenwel kan een minderjarige die over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt, in elk geding dat hem betreft, op zijn verzoek of bij beslissing van de rechter, worden gehoord door de rechter of door de persoon die deze aanwijst, onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende zijn vrijwillige tussenkomst en zijn toestemming. (…)
Wanneer een minderjarige het verzoek om gehoord te worden aan de rechter bij wie de zaak aanhangig is, of aan de procureur des Konings heeft gericht, kan het onderhoud slechts worden geweigerd bij een speciaal gemotiveerde beslissing, gegrond op het gegeven dat de minderjarige niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt
. (…).
Wanneer de rechter beslist om een minderjarige te horen, kan laatstgenoemde weigeren gehoord te worden.”


        1. Praktisch

De school kan ook een leerling die zich niet goed voelt bij een (niet-nageleefde) bestaande omgangsregeling en/of verblijfsregeling enz. , aanraden om zich tot de jeugdrechter te wenden. Dit kan enkel wanneer daar een geding aanhangig werd gemaakt. Een eenvoudige handgeschreven brief volstaat. Een minderjarige heeft (nog) geen procesbekwaamheid, dat betekent dat hij zelf geen zaak aanhangig kan maken.

Het gebeurt dat een leerling komt melden dat hij afwezig zal zijn omdat hij gehoord zal worden door de jeugdrechter. Deze afwezigheid is van rechtswege gewettigd13. De leerling is niet verplicht op het verzoek van de rechter in te gaan en kan, wanneer hij voor de rechter verschijnt, verklaren dat hij niet wenst te spreken.

De rechter kan voor het onderhoud een geschikte plaats en persoon aanwijzen. Het onderhoud kan ook op school plaatsvinden bv. met een maatschappelijk assistent.


  1. Bibliografie

Provinciale Dienst Volksgezondheid, Kind & (echt)scheiding binnen de schoolcontext. Ondersteunende brochure voor scholen. Limburg, 2003, 87 p.

Provinciale Dienst Volksgezondheid, Kinderen in een echtscheidingssituatie: de sociaaljuridische aspecten. Brochure voor scholen, CLB’s en buitenschoolse kinderopvang. Limburg, 2003, 63 p.

Colpin, H., Verhaeghe, J.P., Vandemeulebroucke L., Ghesquière, P., Nieuwe gezinsvormen en onderwijsparticipatie in Vlaanderen. Conclusies en aanbevelingen. K.U.Leuven en RUG
(http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/bijlagen0201/colpin1.htm)

JACOBS, M., (red.), Kinderen en scheiding. Kinderrechtencommissariaat dossier, mei 2005.

Jeugd en Seksualiteit, Uit Elkaar. Brochure over kinderen en echtscheiding voor leerkrachten, directies en opvoeders, Mechelen, 1998, 35 p.

JACOBS, T., e.a., Gezinsontbinding in Vlaanderen, Panelstudie van Belgische huishoudens, Antwerpen, UIA, 2000. Overgenomen uit De Standaard van 13 januari 2000.



SENAEVE, P., Co-ouderschap en omgangsrecht. Commentaar op de wet van 13 april 1995, Maklu, 1995, 165 p.



Bijlage (pdf)

  • M-VVKSO-2003-016-B01 (Relevante artikels uit het Burgerlijk Wetboek)



1 Gegevens van de FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie.
http://www.statbel.fgov.be > producten > bevolking (toegang: 16 jan. 2006).

2 Gegevens van het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudies.
http://www.cbgs.be > publicaties > CBGS (toegang: 16 jan. 2006).

3 Het decreet van 28 februari 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I, art. II.1, 4°bis
http://www.ond.vlaanderen.be/edulex > rubrieken wetgeving > niveau-overschrijdend deel > gelijke onderwijskansen.

4 De meeste van deze omschrijvingen halen we uit P. SENAEVE, Co-ouderschap en omgangsrecht.

5 Wet van 30 juni 1994 houdende wijziging van artikel 931 van het Gerechtelijk wetboek en van de bepalingen betreffende de procedures van echtscheiding.

6 http://www.ond.vlaanderen.be/edulex > rubrieken omzendbrieven > niveau-overschrijdend deel > algemeen

7 Ministeriële omzendbrief 13 AC/WJ/SH van 22 januari 1997.

8 Zie bijvoorbeeld R. UYTENDAELE, in P. SENAEVE (red.), Co-ouderschap en omgangsrecht, p. 165.

9 De school is dan niet langer te goeder trouw, maar te kwader trouw.

10 Meer verduidelijking over het geven van informatie aan ouders vindt u onder punt 3.3 van de Mededeling van 1 juni 2005 betreffende “Enkele deontologische en juridische aspecten van leerlingenbegeleiding in het gewoon secundair onderwijs” (M-VVKSO-2005-076).

11 Maar ook dan moet de school behoedzaam met deze informatie omspringen, soms leggen grootouders immers niet het meest recente vonnis voor, omdat dit voor hem minder gunstig is.

12 De Staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.
Hiertoe wordt het kind met name in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze. die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht”.


13 Ministeriële omzendbrief SO/2005/04 van 8 juli 2005 betreffende “Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds secundair onderwijs”, punt 2.2.6.c.
http://www.ond.vlaanderen.be/edulex > rubrieken omzendbrieven > secundair onderwijs > leerplicht.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina