Vlaamse codex ruimtelijke ordening


§2. De vermoede meerwaarde van een perceel wordt berekend overeenkomstig volgende tabel



Dovnload 1.09 Mb.
Pagina7/20
Datum25.07.2016
Grootte1.09 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   20
§2. De vermoede meerwaarde van een perceel wordt berekend overeenkomstig volgende tabel:

Aard van de bestemmingswijziging

Bedrag van de vermoede meerwaarde

per m²


Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 1°

86,31 euro

Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 2°

85,92 euro

Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 3°

83,73 euro

Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 4°

85,65 euro

Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 5°

54,89 euro

Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 6°

58,02 euro

Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 7°

57,63 euro

Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 8°

55,44 euro

Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 9°

57,36 euro

Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 10°

1,92 euro

Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 11°

2,58 euro

Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 12°

2,19 euro

Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 13°

0,39 euro

Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 14°

2,85 euro

Wijziging als vermeld in art. 2.6.4, 15°

2,46 euro

Indien het perceel het voorwerp uitmaakt van meerdere gelijktijdige bestemmingswijzigingen, wordt de vermoede meerwaarde van het perceel berekend als de optelsom van de producten van de respectievelijke oppervlaktes van elke wijziging en het bedrag van de vermoede meerwaarde per m², zoals weergegeven in de tabel, opgenomen in het eerste lid.


Indien een zone die nog niet is afgebakend met toepassing van artikel 2.2.3, §2, eerste lid, onder meerdere categorieën van gebiedsaanduiding valt, wordt de vermoede meerwaarde berekend aan de hand van de categorie waaronder de meerderheid van de functies van de zone ressorteert.
Art. 2.6.11. Voor de berekening van de planbatenheffing wordt het bedrag van de vermoede meerwaarde van een perceel verdeeld in schijven, die elk onderworpen worden aan een specifiek heffingspercentage.
Deze berekening gebeurt aan de hand van volgende tabel:

Gedeelte van de vermoede meerwaarde

Percentage toepasselijk op het overeenstemmend gedeelte

Totale bedrag van de heffing over het voorgaand gedeelte

van 0,01 tot en met 12.500 EUR

1 t.h.

/

van 12.500 tot en met 25.000 EUR

2 t.h.

125 EUR

van 25.000 tot en met 50.000 EUR

3 t.h.

375 EUR

van 50.000 tot en met 100.000 EUR

5 t.h.

1.125 EUR

van 100.000 tot en met 150.000 EUR

8 t.h.

3.625 EUR

van 150.000 tot en met 200.000 EUR

14 t.h.

7.625 EUR

van 200.000 tot en met 250.000 EUR

18 t.h.

14.625 EUR

van 250.000 tot en met 500.000 EUR

24 t.h.

23.625 EUR

boven de 500.000 EUR

30 t.h.

83.625 EUR


Art. 2.6.12. §1. De in artikel 2.6.10, §2, eerste lid, opgenomen vermoede meerwaarden per m² worden vijfjaarlijks geactualiseerd. De Vlaamse Regering legt daartoe vijfjaarlijks een voorstel voor aan de decreetgever, op grond van het evaluatierapport, vermeld in artikel 2.6.19, tweede lid. De cyclus van vijf jaar vangt aan op 1 januari 2009.
Indien op 31 december van het laatste jaar van de cyclus van vijf jaar, vermeld in het eerste lid, geen actualisering is doorgevoerd, wordt het bedrag van de verschuldigde planbatenheffing, als bepaald overeenkomstig artikel 2.6.10 en 2.6.11, vanaf 1 januari van het daaropvolgende jaar geactualiseerd door dit te vermenigvuldigen met de gezondheidsindex voor de maand volgend op de maand van de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan of het bijzonder plan van aanleg, en te delen door de gezondheidsindex voor de maand volgend op de maand van de inwerkingtreding van het decreet waarin het toepasselijke bedrag van de vermoede meerwaarde per m² voor het laatst werd vastgesteld of aangepast.
§2. In afwijking van §1 legt de Vlaamse Regering reeds uiterlijk op 31 december 2011 een eerste voorstel tot actualisering van de vermoede meerwaarden per m² voor de bestemmingswijzigingen, vermeld in artikel 2.6.4, 14° en 15°, aan de decreetgever voor. Het voorstel is gebaseerd op een specifieke evaluatie betreffende deze bestemmingswijzigingen.
De regeling, vermeld in het eerste lid, stelt de bestemmingswijzigingen, vermeld in artikel 2.6.4, 14° en 15°, niet vrij van de globale vijfjaarlijkse evaluatie en actualisering, vermeld in §1, eerste lid. De regeling, vermeld in §1, tweede lid, is ook op deze bestemmingswijzigingen onverkort van toepassing.
Onderafdeling 4. Inkohiering en invordering
Art. 2.6.13. §1. De belastingschuld wordt eisbaar gemaakt door middel van kohieren die worden vastgesteld op basis van door het departement aangeleverde gegevens en die ten minste volgende elementen omvatten:

1° een verwijzing naar de bepalingen van deze afdeling;

2° de grondslag van de heffing en een verwijzing naar het ruimtelijk uitvoeringsplan of bijzonder plan van aanleg dat de bestemmingswijziging omvat die geldt als grondslag van de planbatenheffing;

3° de identiteit van de heffingsplichtige;

4° het te betalen bedrag;

5° het artikelnummer;

6° de datum van uitvoerbaarverklaring.
Het departement verzamelt, ontsluit en beheert voormelde gegevens in een geoloket planbaten. De initiërende overheden en de betrokken instanties leveren, elk voor wat hun verantwoordelijkheid betreft, de gegevens digitaal aan overeenkomstig de technische richtlijnen van het departement.
De kohieren worden door de daartoe door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaar uitvoerbaar verklaard, uiterlijk op 31 december van het jaar, volgend op het kalenderjaar van de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan of het bijzonder plan van aanleg dat de bestemmingswijziging omvat die geldt als grondslag van de planbatenheffing.
De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen omtrent de inhoud en de vormgeving van de kohieren.
§2. Het aanslagbiljet dat wordt verstuurd naar de heffingsplichtige, bevat de gegevens, vermeld in het kohier, alsook:

1° het aanslagjaar waarvoor de planbatenheffing verschuldigd is, zijnde het jaar van inkohiering;

2° de verzendingsdatum;

3° de berekeningswijze van het bedrag van de planbatenheffing;

4° de berekeningswijze van de betalingstermijn;

5° de termijn waarbinnen de heffingsplichtige bezwaar kan indienen, de benaming en het adres van de instantie die bevoegd is om deze te ontvangen en de formaliteiten die daarbij moeten worden nageleefd.


Onderafdeling 5. Betalingstermijn en bezwarenregeling
Art. 2.6.14. [§ 1. De planbatenheffing is betaalbaar binnen een termijn van :

1° vijftien kalenderdagen vanaf de datum van het verlijden van de authentieke akte betreffende een overdracht ten bezwarende titel, door de heffingsplichtige, van enig zakelijk recht met betrekking tot het perceel.

2° zes maanden na het verlenen, in laatste administratieve aanleg, van :


  1. een stedenbouwkundige vergunning voor bouwwerken, vermeld in artikel 4.2.1, 1°, voor zover voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden :

1) de betrokken bouwwerken betreffen niet enkel afbraakwerken of bodemsaneringswerken;

2) voor het verrichten van de betrokken bouwwerken is de medewerking van een architect vereist;

3) de vergunning kon vóór de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan of het bijzonder plan van aanleg niet worden verleend;


  1. een verkavelingsvergunning.

Indien een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning, vermeld in het eerste lid, 2°, uitdrukkelijk melding maakt van verschillende fasen van een bouw- of verkavelingsproject, wordt de planbatenheffing gefaseerd betaald overeenkomstig de daartoe door de Vlaamse Regering bepaalde regelen. Binnen een termijn van zes maanden na de aanvang van elke fase wordt de voor die fase verschuldigde heffing betaald.]



(Gew. dec. 18/12/2009)
§2. Indien een verrichting, vermeld in §1, eerste lid, plaatsvond vóór de verzending van het aanslagbiljet, moet de planbatenheffing betaald worden binnen een termijn van zes maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
§3. Indien in de periode tussen de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan of het bijzonder plan van aanleg en een verrichting, vermeld in §1, eerste lid, een tweede bestemmingswijziging in werking treedt, wordt de eerste bestemmingswijziging voor de toepassing van deze afdeling geacht nooit te hebben plaatsgevonden.
Art. 2.6.15. Een bonificatie wordt verleend aan de heffingsplichtige die de planbatenheffing betaalt binnen het jaar na de datum waarop het aanslagbiljet is verstuurd, terwijl het heffingsbedrag in de periode tussen de verzending van het aanslagbiljet en de betaling nog niet moest worden betaald:

1° ofwel omdat op het ogenblik van de betaling nog geen rechtshandelingen, vermeld in artikel 2.6.14, §1, eerste lid, werden gesteld;

2° ofwel omdat de heffing op het ogenblik van de betaling opgeschort was ingevolge een van de redenen, vermeld in artikel 2.6.7.
De bonificatie bedraagt vijftien procent van het bedrag van deze voorafbetaling.
De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van deze bonificatieregeling.
Art. 2.6.16. §1. De heffingsplichtige kan bij de Vlaamse Belastingdienst een gemotiveerd bezwaar indienen tegen een aanslag. Hij voegt bij het bezwaarschrift de nodige bewijskrachtige stukken om zijn bezwaren te staven.
Het bezwaar wordt op straffe van verval ingediend binnen een termijn van drie maanden [vanaf de derde werkdag volgend op de betekening van het aanslagbiljet].
(gew. dec. 8/7/2011)
§2. De Vlaamse Belastingdienst bezorgt aan de heffingsplichtige een ontvangstmelding die de datum van ontvangst van het bezwaar vermeldt.
§3. De Vlaamse Belastingdienst kan de heffingsplichtige verzoeken alle stukken voor te leggen of te verstrekken die nuttig kunnen zijn om over het bezwaar te beslissen.
§4. De beslissing van de Vlaamse Belastingdienst wordt per beveiligde zending aan de heffingsplichtige bezorgd.
§5. Het indienen van een bezwaarschrift schort de verplichting tot betaling van de planbatenheffing niet op. Het indienen van een bezwaarschrift schort evenmin het lopen van de nalatigheidsintresten op.
§6. De Vlaamse Belastingdienst sluit met het departement een protocol over de advisering over de ruimtelijke aspecten van ingediende bezwaren.
De Vlaamse Regering kan nadere procedurele regelen bepalen betreffende de indiening en behandeling van het bezwaar.
Onderafdeling 6. Toewijzing en aanwending van de opbrengsten
Art. 2.6.17. §1. Er wordt een Planbatenfonds opgericht, hierna het Fonds te noemen. Het Fonds is een begrotingsfonds in de zin van artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991. Het Fonds wordt beheerd door de Vlaamse Regering.
§2. Aan het Fonds worden de inkomsten van de planbatenheffing rechtstreeks toegewezen.
§3. Onverminderd artikel 2.2.1, §2, vierde lid, worden uitgaven ten laste van het Fonds aangerekend als volgt:

1° overeenkomstig een door de Vlaamse Regering vastgestelde methodiek worden bedragen voorafgenomen ter dekking van de inningskosten en de kosten ingevolge de toepassing van artikel 2.6.6, tweede lid;

2° de inkomsten die voortkomen uit een gewestelijke bestemmingswijziging naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding “bedrijvigheid” valt, worden gestort in het Rubiconfonds, vermeld in artikel 28 van het decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003;

3° de inkomsten die voortkomen uit een provinciale of gemeentelijke bestemmingswijziging naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding “bedrijvigheid” valt, worden doorgestort naar de betrokken provincie, respectievelijk gemeente;

4° de inkomsten die voortkomen uit planbatenheffingen die voortvloeien uit een planologische oplossing in de zin van artikel 5.4.2, worden doorgestort naar de gemeente waar de planologische oplossing haar beslag had;

5° de overblijvende middelen worden gestort op een rekening van het grondfonds, vermeld in artikel 5.6.3, en aangewend voor activeringsprojecten, vermeld in het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, met dien verstande dat de door de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen betaalde heffingen te allen tijde worden ingezet voor strategische projecten voor een doelgroepengericht woonbeleid.


Provincies en gemeenten bewerkstelligen bij de opmaak van hun begrotingen dat ten minste een equivalent van de in het vorige begrotingsjaar doorgestorte inkomsten, vermeld in het eerste lid, 3°, bestemd wordt binnen het lokale ruimtelijke beleid, zoals in het bijzonder de verwezenlijking van de ontvoogdingsvoorwaarden, vermeld in artikel 7.2.1, §1, het voldoen van planschadevergoedingen en de aanwending van het instrument “planologische ruil”, zijnde de omwisseling van gebiedsbestemmingen vanuit een samenhangende visie op de duurzame ruimtelijke ordening van het volledige plangebied.
Onderafdeling 7. Overige bepalingen
Sectie 1. Suppletieve toepassing van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992
Art. 2.6.18. Onverminderd de uitzonderingen gesteld bij of krachtens deze codex, zijn de bepalingen van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, in het bijzonder deze met betrekking tot de inning en invordering, de nalatigheids- en moratoire intresten, de vervolgingen, de voorrechten, de wettelijke hypotheek, [de aansprakelijkheid en plichten van sommige ministeriële officieren, openbare ambtenaren en andere personen,] de verjaring en de vestiging van de belastingen, zoals ze van toepassing zijn voor de onroerende voorheffing in het Vlaams Gewest, doch met uitzondering van titel VII, hoofdstuk VIII, afdeling IVbis, van toepassing op de planbatenheffing.
(gew. dec. 16/7/2010)
Sectie 2. Evaluatie
Art. 2.6.19. De Vlaamse Regering werkt een evaluatiemechanisme uit dat toelaat om de effectiviteit van de planbatenregeling op te volgen en om het adequaat karakter van de tariefregeling te bewaken.
Het evaluatiemechanisme leidt vijfjaarlijks tot een globaal evaluatierapport dat voorgelegd wordt aan de Vlaamse Regering en aan het Vlaams Parlement.
TITEL III. Bijzonderheden betreffende sommige grootschalige stedenbouwkundige projecten
HOOFDSTUK I. Ruimtelijke projecten van gewestelijk en strategisch belang
AFDELING 1. Criteria
Art. 3.1.1. §1. De decreetgever kan op verzoek van de Vlaamse Regering verklaren dat een ruimtelijk project van gewestelijk en strategisch belang is. Dit verzoek kan niet worden verricht voor projecten waarvoor gebruik wordt gemaakt van de delegatieregeling, vermeld in artikel 2.2.1, §2.
De Vlaamse Regering staaft in het verzoek dat voldaan is aan alle hiernavolgende vereisten:

1° het ruimtelijk project bestaat uit een samenhangend geheel van structurele maatregelen, waarbij grootschalige publieke infrastructuren worden verwezenlijkt in combinatie met de ontwikkeling van het omliggende gebied;

2° het ruimtelijk project is onontbeerlijk voor een dringend noodzakelijke verbetering van woonkwaliteit, milieukwaliteit, economische ontwikkeling en/of bereikbaarheid;

3° het ruimtelijk project is niet in belangrijke mate gericht op werken ten behoeve van inrichtingen waarvoor een socio-economische vergunning moet worden gevraagd;

4° de doelstelling van het ruimtelijk project kan niet via een andere weg worden gerealiseerd, of slechts door middel van alternatieven die een manifeste sociale, economische, financiële, ruimtelijke of milieugebonden meerkost impliceren;

5° het ruimtelijk project heeft een ongebruikelijk grote rechtstreekse en onrechtstreekse socio-economische en ruimtelijke impact;

6° het ruimtelijk project noopt tot ongebruikelijke investeringen en inspanningen op het vlak van ontwikkeling en beheer.
Indien in het verzoek wordt gestaafd dat het ruimtelijk project betrekking heeft op de inplanting van grootschalige publieke infrastructuren die dringend noodzakelijk zijn omwille van dwingende redenen van het veiligheidsbeleid, het defensiebeleid, het asielbeleid en/of het justitieel beleid, dan gelden de vereisten van het tweede lid, 1° en 2°, niet.
Indien de Vlaamse Regering gebruik wenst te maken van de geïntegreerde plannings- en uitvoeringsprocedure, vermeld in afdeling 3, onderbouwt zij ten slotte waarom het project bij de opmaak of de laatste algehele herziening van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen niet voorzienbaar was.
§2. De decreetgever beslist over het verzoek binnen een vervaltermijn van zestig dagen, die ingaat de dag na deze van de indiening van het verzoek bij het Vlaams Parlement. Deze zestigdagentermijn wordt geschorst tijdens de periode vanaf 11 juli tot en met de vierde maandag van september van het betrokken kalenderjaar. In het kalenderjaar waarin verkiezingen voor het Vlaams Parlement worden gehouden, wordt de zestigdagentermijn geschorst tijdens de periode vanaf 1 mei tot en met de vierde maandag van september van het betrokken kalenderjaar.
Indien het Vlaams Parlement geen beslissing neemt binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt het verzoek geacht te zijn afgewezen.
AFDELING 2. Administratiefrechtelijke faciliteiten
Art. 3.1.2. §1. De Vlaamse Regering kan ten behoeve van goedkeuringen, machtigingen, vergunningen, subsidies en andere steunmaatregelen voor handelingen en verrichtingen in het kader van een ruimtelijk project van gewestelijk en strategisch belang afwijken van de inhoud en de vormgeving van het aanvraagdossier, de chronologie van het procedureverloop en de duur van de behandeltermijnen, vastgesteld bij of krachtens deze codex of de hiernavolgende decreten:

1° het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten;

2° het decreet van 28 juli 1985 betreffende de milieuvergunning;

3° het bosdecreet van 13 juni 1990;

4° het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium;

5° het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;

6° het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;

7° het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg;

8° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;

9° het decreet van 31 januari 2003 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid;

10° het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid;

11° het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen;

12° het decreet van 11 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.
De Vlaamse Regering kan aan de afwijkingen, vermeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden.
De afwijkingen en de eventuele daaraan verbonden voorwaarden worden opgenomen in een door de Vlaamse Regering vastgestelde lijst, die aan het Vlaams Parlement wordt bezorgd. Indien in de lijst afwijkingen op wetskrachtige bepalingen zijn opgenomen, hebben deze eerst gevolg indien zij door de decreetgever zijn bekrachtigd. De decreetgever beslist over de bekrachtiging binnen een ordetermijn van zestig dagen na de indiening van de lijst bij het Vlaams Parlement. Deze zestigdagentermijn wordt geschorst tijdens de periode vanaf 11 juli tot en met de vierde maandag van september van het betrokken kalenderjaar. In het kalenderjaar waarin verkiezingen voor het Vlaams Parlement worden gehouden, wordt de zestigdagentermijn geschorst tijdens de periode vanaf 1 mei tot en met de vierde maandag van september van het betrokken kalenderjaar.
§2. De afwijkingsregeling, vermeld in §1, kan nimmer worden aangewend om vrijstelling te verlenen van de materiële verplichtingen die zijn vastgesteld bij of krachtens de decreten, vermeld in §1, eerste lid.
§3. De Vlaamse Regering kan nimmer afwijkingen verlenen op materiële of procedurele regelen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan internationaalrechtelijke of Europese verplichtingen.
AFDELING 3. Geïntegreerde plannings- en uitvoeringsprocedure
Art. 3.1.3. §1. Indien de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan dat vorm geeft aan een ruimtelijk project van gewestelijk en strategisch belang, noopt tot een herziening van het bindende en desgevallend het richtinggevende gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, worden die opmaak en die herziening onderworpen aan de hierna chronologisch opgenomen procedureregelen.
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, vervangen deze procedureregelen de procedures, vermeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 2, en hoofdstuk II, afdeling 2.
§2. De Vlaamse Regering beslist tot de opmaak van de voorontwerpen van de plannen.
Het verzoek, vermeld in artikel 3.1.1, §1, wordt uiterlijk naar aanleiding van deze beslissing tot opmaak bij het Vlaams Parlement ingediend.
§3. De Vlaamse Regering organiseert omtrent de voorontwerpen een plenaire vergadering met:

1° de deputaties van de bij het project betrokken provincies;

2° de colleges van burgemeester en schepenen van de bij het project betrokken gemeenten;

3° de door de Vlaamse Regering aangewezen gewestelijke diensten.


Bij de organisatie van de plenaire vergadering worden de voorschriften van artikel 2.2.6, §1, tweede tot en met [zevende lid], in acht genomen.
(gew. dec. 18/11/2011)
De Vlaamse Regering onderwerpt het voorontwerp van structuurplanaanpassing daarenboven aan het […] advies van de strategische adviesraad.
(gew. dec. 18/11/2011)



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   20


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina