Vlaamse overheid



Dovnload 15.94 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte15.94 Kb.



VLAAMSE OVERHEID





14 DECEMBER 2012

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de vastlegging van een tijdspad en quota voor het toegankelijk maken van omroepprogramma's en betreffende het verstrekken van subsidies ter uitvoering van artikel 151 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie




De Vlaamse Regering,
Gelet op het besluit van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen;
Gelet op het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie, artikel 151, § 4 en § 5;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 20 juli 2012 en op 5 november 2012;
Gelet op het advies van de Sectorraad Media van de Raad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media, gegeven op 5 september 2012;
Gelet op advies 52.364/3 van de Raad van State, gegeven op 4 december 2012, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Overwegende dat er geen enkel verband is tussen de verplichtingen die in de artikelen 2, 3 en 4 worden opgelegd aan de private televisieomroeporganisaties enerzijds en de subsidies die aan de particuliere televisieomroeporganisaties kunnen worden toegekend met toepassing van de artikelen 5 tot en met 13;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding;
Na beraadslaging,
Besluit :
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° administratie : het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media;
2° audiobeschrijving : een techniek om audiovisuele producties zoals film en televisieprogramma's toegankelijk te maken voor blinden en slechtzienden. Een voice-over beschrijft de visuele elementen;
3° auditieve ondertiteling : een auditieve weergave van de ondertiteling bij niet-Nederlandstalige films en dialogen;
4° marktaandeel : het aandeel in het totale kijkcijferbereik op de televisieomroepmarkt voor een bepaalde periode;
5° ondertiteling : een tekstuele versie van de dialoog die op het scherm wordt afgebeeld of oproepbaar is;
6° Vlaamse Gebarentaal : afgekort VGT, is de visueel-gestuele natuurlijke taal die gebruikt wordt door Dove mensen en Vlaamse Gebarentaalgebruikers in de Vlaamse Gemeenschap en in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
Art. 2. Onder voorbehoud van de artikelen 3 en 4 moeten de private televisieomroeporganisaties voor de omroepprogramma's die na de inwerkingtreding van dit besluit gedurende een kalenderjaar een marktaandeel hebben van 30 % of meer, uiterlijk 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar :
1° 80 % van alle zendtijd die besteed wordt aan programma's ondertitelen tussen 13 uur en 24 uur;
2° een compatibel signaal voor auditieve ondertiteling uitsturen;
3° minstens één Nederlandstalig fictieprogramma toegankelijk maken door middel van audiobeschrijving tussen 13 uur en 24 uur;
4° het hoofdjournaal toegankelijk maken door middel van Vlaamse Gebarentaal.
De ondertitelingsverplichting, vermeld in het eerste lid, 1°, geldt niet voor telewinkelprogramma's en voor kinderprogramma's die voornamelijk gericht zijn op kinderen jonger dan 8 jaar. Dat de programma's voornamelijk gericht zijn op kinderen jonger dan 8 jaar kan onder meer blijken uit de inhoud, het tijdstip van uitzenden, de vormgeving, de presentatie en de wijze van aankondiging.
Vanaf de datum, vermeld in het eerste lid, moeten de private televisieomroeporganisaties voor de omroepprogramma's, vermeld in het eerste lid, alle anderstalige fragmenten in alle journaals toegankelijk maken door middel van auditieve ondertiteling.
Art. 3. Onder voorbehoud van de artikelen 2 en 4 moeten de private televisieomroeporganisaties voor de omroepprogramma's die na de inwerkingtreding van dit besluit gedurende een kalenderjaar een marktaandeel hebben minstens 15 %, maar minder dan 30 % :
1° uiterlijk 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar minstens 50 % van alle zendtijd die besteed wordt aan programma's, ondertitelen tussen 13 uur en 24 uur;
2° uiterlijk 24 maanden na het einde van dat kalenderjaar minstens 60 % van alle zendtijd die besteed wordt aan programma's, ondertitelen tussen 13 uur en 24 uur;
3° uiterlijk 36 maanden na het einde van dat kalenderjaar minstens 70 % van alle zendtijd die besteed wordt aan programma's, ondertitelen tussen 13 uur en 24 uur;
4° uiterlijk 48 maanden na het einde van dat kalenderjaar minstens 75 % van alle zendtijd die besteed wordt aan programma's, ondertitelen tussen 13 uur en 24 uur;
5° uiterlijk 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar een signaal voor auditieve ondertiteling uitzenden.
De ondertitelingsverplichtingen, vermeld in het eerste lid, gelden niet voor telewinkelprogramma's en voor kinderprogramma's die voornamelijk gericht zijn op kinderen jonger dan 8 jaar. Dat de programma's voornamelijk gericht zijn op kinderen jonger dan 8 jaar kan onder meer blijken uit de inhoud, het tijdstip van uitzenden, de vormgeving, de presentatie en de wijze van aankondiging.
Art. 4. Onder voorbehoud van de artikelen 2 en 3 moeten de private televisieomroeporganisaties voor de omroepprogramma's die na de inwerkingtreding van dit besluit gedurende een kalenderjaar een marktaandeel hebben van minstens 5 %, maar minder dan 15 % :
1° uiterlijk 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar minstens 40 % van alle zendtijd die besteed wordt aan programma's, ondertitelen tussen 13 uur en 24 uur;
2° uiterlijk 24 maanden na het einde van dat kalenderjaar minstens 50 % van alle zendtijd die besteed wordt aan programma's, ondertitelen tussen 13 uur en 24 uur;
3° uiterlijk 36 maanden na het einde van dat kalenderjaar minstens 60 % van alle zendtijd die besteed wordt aan programma's, ondertitelen tussen 13 uur en 24 uur;
4° uiterlijk 48 maanden na het einde van dat kalenderjaar minstens 65 % van alle zendtijd die besteed wordt aan programma's, ondertitelen tussen 13 uur en 24 uur.
De ondertitelingsverplichtingen, vermeld in het eerste lid, gelden niet voor telewinkelprogramma's en voor kinderprogramma's die voornamelijk gericht zijn op kinderen jonger dan 8 jaar. Dat de programma's voornamelijk gericht zijn op kinderen jonger dan 8 jaar kan onder meer blijken uit de inhoud, het tijdstip van uitzenden, de vormgeving, de presentatie en de wijze van aankondiging.
Art. 5. Subsidies kunnen worden toegekend aan particuliere televisieomroeporganisaties voor het toegankelijk maken van televisieprogramma's door middel van audiobeschrijving, auditieve ondertiteling, ondertiteling en Vlaamse Gebarentaal.
De kredieten die jaarlijks door het Vlaams Parlement worden goedgekeurd, bepalen het maximale bedrag aan subsidies dat jaarlijks toegekend kan worden voor het toegankelijk maken van televisieprogramma's.
Art. 6. De aanvragen voor subsidies voor het toegankelijk maken van televisieprogramma's door middel van audiobeschrijving, auditieve ondertiteling, ondertiteling en Vlaamse Gebarentaal moeten elk jaar op straffe van onontvankelijkheid uiterlijk op 1 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarop de subsidies betrekking hebben, bij de administratie worden ingediend.
Art. 7. Een aanvraag tot subsidiëring moet alle informatie en documenten bevatten die nodig en nuttig zijn om de kwaliteit en de haalbaarheid van het dossier te kunnen beoordelen. Bovendien moet de subsidieaanvraag op straffe van onontvankelijkheid de volgende documenten bevatten :
1° een bewijs van de erkenning of van de kennisgeving van het omroepprogramma van de private televisieomroeporganisatie, of van de erkenning als regionale televisieomroeporganisatie;
2° een beschrijving van het project en een toelichting over hoe het project de toegankelijkheid bevordert;
3° een opgave van het personeel dat belast is met de realisatie van het project;
4° een begroting van het project.
Art. 8. De administratie stuurt binnen vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van indiening van de aanvraag tot subsidiëring, een bericht naar de particuliere televisieomroeporganisatie met de melding dat de aanvraag ontvankelijk dan wel onontvankelijk is. In geval van onontvankelijkheid vermeldt het bericht de reden daarvan.
Art. 9. Het ingediende dossier wordt beoordeeld op grond van de volgende criteria :
1° de inhoudelijke kwaliteit van het dossier;
2° de haalbaarheid van het project;
3° de mate waarin het project de toegankelijkheid van televisieprogramma's bevordert.
Art. 10. De subsidies, vermeld in artikel 151 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie, worden als volgt beschikbaar gesteld :
1° een eerste schijf van 80 % wordt uitbetaald na goedkeuring van de subsidie door de bevoegde Vlaamse minister;
2° het saldo van 20 % van de subsidie wordt uitbetaald nadat de administratie heeft vastgesteld dat de voorwaarden waaronder de subsidie toegekend werd, nageleefd werden en dat de subsidie aangewend werd voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend.
Art. 11. Om te kunnen vaststellen dat de voorwaarden waaronder de subsidie toegekend werd, nageleefd werden en dat de subsidie aangewend werd voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend, moeten uiterlijk op 30 april van het jaar dat volgt op het jaar waarop de subsidies betrekking hebben, de volgende documenten aan de administratie bezorgd worden :
een werkingsverslag;
2° een zelfevaluatie-onderzoek naar de kwaliteit van de toegankelijkheid van televisieprogramma's;
3° de financiële bewijsstukken met commentaar;
4° een verslag van een erkende bedrijfsrevisor of extern accountant, waarin vastgesteld wordt dat de middelen aangewend zijn voor het doel waarvoor ze werden verleend.
De administratie mag op ieder ogenblik aan de gesubsidieerde particuliere televisieomroeporganisatie aanvullende informatie en documenten vragen.
Art. 12. Indien de voorwaarden waaronder de subsidie werd toegekend niet worden nageleefd of wanneer de subsidie niet wordt aangewend voor de doeleinden waarvoor ze werd toegekend, vordert de administratie de subsidie volledig terug.
Indien de subsidie de netto kosten van het gesubsidieerde project overstijgt, vordert de administratie het gedeelte van de subsidie dat overcompensatie vormt terug.
Art. 13. Voor subsidies die betrekking hebben op het jaar 2012, moeten de dossiers uiterlijk één maand na de inwerkingtreding van dit besluit bij de administratie worden ingediend.
Art. 14. De artikelen 5 tot en met 13 houden op uitwerking te hebben 10 jaar na de datum van inwerkingtreding.
Art. 15. De Vlaamse minister, bevoegd voor het mediabeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 16. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Brussel, 14 december 2012.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding,
I. LIETEN





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina