Vlierdens Verleden



Dovnload 1.54 Mb.
Pagina1/45
Datum22.07.2016
Grootte1.54 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   45

Vlierdens Verleden

Henk Beijers en Pieter Koolen


colofon:
Deze uitgave is mede mogelijk gemaakt dankzij financiële steun van:
RABO-BANK VLIERDEN-BROUWHUIS

GEBR. VAN DEN HEUVEL STUKADOORSBEDRIJF BV - VLIERDEN

DRIESSENS'S TRANSPORT BV - VLIERDEN

GEMEENTE DEURNE

ANJERFONDS NOORD-BRABANT
begunstigers met een bijdrage van honderd gulden en meer:
Aldenzee BV aannemersbedrijf - Vlierden

F.E.G.A. van Baars - Vlierden

Boerenbond - Deurne

drs. A.J. Braam - Vlierden

Cafetaria 't Menneke - Vlierden

J.E.M. Eijsbouts - assurantiebedrijf - Vlierden

J.A.M. in 't Groen apotheek - Deurne

Chr. de Groot - Klein Brogel (B)

W.M. Hoebergen-Kanters - Deurne

H.J. Keijzers-van Gennip - Vlierden

Koolen's Conserven - Mierlo

ir. A. Leesberg architectenbureau - Vlierden

van Lieshout Snacks - Helmond

H.P.J. Motké - Deurne

mw. Shirley Robbins-van Vlierden - Claiborne (USA)

P.H. Schellens broodbakkerij - Vlierden

drs. J.G.N. Snijder - arts - Vlierden

Snijder Microsystems - Deurne

A. v.d. Steen - dierenarts - Vlierden

Thijssen installaties BV - Vlierden

mw. L.C. Verrijt-Jacobs – Vlierden

1. DE HEERLIJKHEID VLIERDEN

Van ouds was Vlierden een zogenaamde heerlijkheid. De rechtsmacht, die aanvankelijk bij de hertog van Brabant berustte, werd in de 14de eeuw op veel plaatsen tegen forse betalingen te leen gegeven aan lagere heren die daarmee hun erfelijke heerlijke rechten verwierven. Men maakte onderscheid tussen hoge, middelbare en lage heerlijkheden, waarbij de heer van een hoge heerlijkheid ondermeer het recht had om vonnis te wijzen bij ernstige criminele vergrijpen zoals moord en doodslag. In de lage heerlijkheid mocht de heer slechts rechtspreken in civielrechtelijke en kleine criminele zaken. De heer, dat is degene die de heerlijkheid te leen hield van de hertog, zag zijn heerlijke rechten dikwijls slechts als goede belegging en bron van inkomsten. Hij woonde soms ver verwijderd van zijn grondgebied en liet de supervisie over de dagelijkse gang van zaken in zijn heerlijkheid over aan een drost of drossaard. Ook bezat de heer het jacht- en visrecht, het recht om schepenen aan te stellen en te ontslaan en het molendwangrecht.
Aanvankelijk gaf de hertog van Brabant de heerlijkheid Vlierden met de daaraan verbonden rechten en verplichtingen, samen met die van andere plaatsen, uit aan de schout van Peelland. Dit gebeurde daags na de feestdag van Sint Mathijs in het jaar 1325. In latere uitgiftebrieven, o.a. die van 8 augustus 1468, is sprake van een zelfstandige heerlijkheid Vlierden.

De heren van Vlierden bezaten zowel de hoge als de lage heerlijkheid. In de praktijk stelden zij als hun plaatsvervanger een schout of drost aan. De heer benoemde uit de Vlierdense ingezetenen zeven schepenen, wettige mannen van goede naam en faam, die verantwoordelijk waren voor het dorpsbestuur. Was men het niet eens met een gerechtelijke uitspraak van de Vlierdense schepenen dan kon men in beroep gaan bij de Helmondse schepenbank. Men duidde dit aan als "ter hoofde" of "ten hove" gaan. Terwijl men in Vlierden voor de inname van Den Bosch in 1629 ter hoofde ging te Helmond moesten de Deurnenaren



[Op deze Franse kaart van rond 1700 worden zowel de watermolen van Belgeren (Berghle) als de Vlierdense windmolen aangegeven]

naar St.Oedenrode als ze in beroep wilden gaan. Voor het houden van toezicht op zijn jachtgronden, het handhaven van de rechtsorde in het algemeen en het uitoefenen van de dagelijkse werkzaamheden benoemde de heer een vorster; iemand die qua functie zo'n beetje het midden hield tussen wat we nu kennen als de gemeentebode, de deurwaarder en de politieagent. In Vlierden werd de vorster door de heer zelf benoemd en beëdigd. Voor het houden van toezicht op zijn jachtgebied benoemde de heer ook dikwijls een aparte opziener. Aan de heerlijkheid waren tevens de secretarie en een cijnsboek van 104 teksten verbonden dat ook nog voor wat inkomsten voor de heer zorgde. Deze heer hield zijn heerlijkheid te leen van de hoge overheid en de rechten gingen over van vader op zoon. Het cijnsboek en het secretarisambt dienden wel als apart leen verheven te worden hetgeen de Vlierdense heren in de 18de eeuw nogal eens nalieten. Ze beschouwden de heerlijkheid, de secretarie en het cijnsboek zodanig met elkaar verweven dat zij het niet nodig vonden om voor de twee laatstgenoemde zaken apart leenhulde te doen. Vanuit Den Haag, waar men de eraan verbonden penningen node miste, werd de Vlierdense heer echter op de vingers getikt en kon deze alsnog in 1755 de verplichtingen nakomen die zijn voorgangers vanaf 1703 hadden nagelaten. Naast het jacht- en visrecht bezat de heer van Vlierden ook het recht van houtschat, hij verpachtte in de 18de eeuw herhaaldelijk dit recht, telkens voor een periode van vier jaar. De houtschat was een belasting die betaald moest worden op hout dat gekapt werd. Tenslotte had de Vlierdense heer ook het recht om ter plaatse een ijkmeester te benoemen.Achtereenvolgens zullen we de bekende heren, schouten of drossaards, secretarissen, vorsters en jachtopzieners de revue laten passeren.Heren van Vlierden. Als we nagaan wat er zoal gepubliceerd is over de bezitters van de heerlijkheid Vlierden dan valt op dat er veel over geschreven is zonder dat dit gestaafd kon (of kan) worden aan de bewaard gebleven archiefstukken. Niettemin blijft het de moeite waard om er kennis van te nemen. Niet iedereen zal in de boekenkast de druk hebben van het handschrift met de breedvoerige titel: "De Stad en Meijerij van 's Hertogenbosch of derzelver beschrijving - Tweede afdeeling bevattende eene geographische, historische en chronologische beschouwing van de steden, dorpen, vlekken, heerlijkheden, gehuchten en voornaamste buurtschappen der Meierij met een naamlijst der groote en geleerde mannen, en kunstenaars, met de wapenen en naamen van eenigen der oud adelijke geslachten, welke bestaan hebben. Door en ten gebruik van A.C. Brock." Daarom geef ik onderstaand weer wat rond 1825 door de Rooise koster Adriaan Brock daarin werd opgeschreven over Vlierden.Vlierden. Een klein dorpjen en heerlijkheid van ontrent 550 inwooners, geleegen een en eene halve uur ten zuid-oosten van Helmond, en wordt met de Astensche Aa van Asten gescheiden. Dit plaatsken was reeds ten jaare 721 onder den naam van Fleodrodum bekend, toen de bischop Willebrord in Taxandrië predikende, aldaar door zeekeren iemand goederen geschonken werden; welke hij vervolgens aan deszelfs erfgenaam inz. de abtdij van Epternak of Echternach heeft naargelaaten, aan welke abtdij ook bij de uitgift der gemeente aldaar door den hertog van Brabant Jan III, in 1325 gedaan, de helft van den koopprijs en cijns is toegekend. Toen in 1468 die uitgift bevestigd, en eene pootkaart aan de ingezeetenen verleend werd, verkreeg Vlierden tevens het voorrecht om eene bank van zeven schepenen te hebben, terwijl de schout van Peelland aldaar plagt recht te doen met goede gebuuren. Dit dorpjen is het stamhuis van het oud vermaard adellijk geslacht van van Vlierden, welke edelen drie zwaarten moolenijzers op een wit veld in hun wapenschild voerden, en volgens Grammaye afstammelingen van de oude grave van Taxandrië en Peelland waren, en meld verders van dit beroemd geslacht aldus: "Hier van is gekomen Jan, ridder, getrouwd met de tweede dochter van den heer van Aldenhoven (Oudenhoven). Hier uit sproot Daniël gehuuwd aan Elizabeth van Petersem, welke na dat hij op zijne eigene beurs tegen de ongeloovigen geoorlogd hadt, zeer heerlijk tot Oirschot (daar de Oudenhovens haare leenen en wooningen gehad hebben) wierd gebragt en aldaar in het jaar 1451 is begraven. Nog is hier van gekoomen Joannes, die ten jaare 1491 abt van St.Denys bij Parijs geweest is; en nog eenen anderen van den zelven naam is geweest hofmeester van Francisco Valesio. Etc". Dit oud vermaard geslacht heeft oudtijds het dorp Vlierden in pand bezeeten, en alhoewel hetzelven in het vervolg weder is ingelost geweest, zoo heeft echter jonker Jan van Vlierden, geheimschrijver van

Keizer Karel V dit dorpje weder in pandschap bezeeten, alzoo men hem ten jaare 1558 als pandheer dezer heerlijkheid gemeld vind. Doch in het vervolg deze verpanding afgelost en Vlierden ingelost zijnde, door de Algemeene Staaten wierd deze Heerlijkheid door dezelve in 1660 erffelijk verkocht aan Dirk Adriaan Pick van Thienhoven. Zedert is deze heerlijkheid aan verscheiden eigenaars geweest, en den tegenwoordigen heer bezit er nog eenige voorregten, onder anderen eenigen chijnsen. Er is geen kasteel, maar slegts een jachthuis of zomerverblijf van den heer, genaamd Hazeldonk, waarbij drie boerenwooningen liggen. De ligging van dit huis, waaraan nog schoonheid nog iets bijzonders is te bemerken, is zeer eenzaam tusschen Vlierden, waaronder hetzelve behoort, en Liessel, niet ver van de regten oever der rivier de Astense Aa, het ligt als verschoolen in de bosschen, het is jammer dat het zelven zoo eenzaam en ver van alles ligt afgezondert; ook is er de grond zoo schraal dat er de landerijen, hier bij gelegen zeer weinig kunnen opleveren, het is van twee zijden door de heide omringd. De kerk of kapel van Vlierden is zeer oud, men schrijft derzelver bouwing toe aan de keizerin Maria, dogter van Hendrik I, hertog van Brabant, die ook de adelijke abtdij van Binderen gesticht heeft. Zij is aan de Moeder Gods toegewijd, en word van de katholijken niet gebruikt, welkers aantal in 1825 567 zielen bedroeg, en daarbij zes gereformeerden, dat de bevolking van dit dorpjen uitmaakt. De voornaamste buurten zijn, behalven de Hazeldonk, Baarschot, Belgeren en Brouwhuis. Baarschot ligt omtrent een vierde van een uur van Vlierden naar het zuiden; in deze buurt ligt een koornwindmolen, ook heeft men er voor eenige jaaren een soort heerenhuizinge, in een bijzonderen, doch geen fraaijen smaak, aangelegt. Belgeren, een andere buurt, westelijk van Vlierden gelegen, waar een klein waterkoornmoolentje op de Astense Aa ligt, genaamd het Belgersche moolentje, welke moolen maar alleen s'winters bij hoog water word gebruikt. Brouwhuis ten noordwesten van Vlierden en paalende aan een gehucht behoorende onder Bakel dat denzelven naam voert, waarom men deze buurt gemeenlijk Brouwhuis onder Vlierden noemt om het te onderscheiden van het aangrenzende gehucht Brouwhuis onder de rechtbank van Bakel, waar oudtijds een kapel lag toegewijd aan.[niet ingevuld]
Het stuk geeft een aardig beeld over de manier waarop 170 jaar geleden de Vlierdense geschiedenis beschreven werd.
Everard van Doerne 1505-1516
De oudst bekende heer van Vlierden was Everard van Doerne. Op 9 november 1505 kreeg hij van de koning de heerlijkheid Vlierden te leen met het benoemingsrecht van een vorster en het recht om cijnzen te innen. Zoals vrijwel alle heren van Vlierden woonde ook hij niet zelf in Vlierden maar in Den Bosch, waar hij schepen was en van 1516 tot 1520 zelfs hoogschout. Hij verbleef waarschijnlijk wel regelmatig op het grote kasteel in Deurne dat hij vanaf 1509 te leen hield van de hertog, temeer omdat hij in 1519 tevens de heerlijkheid Deurne verwierf. Volgens een aantekening in het archief van de rekenkamer betreffende de kwartiersvergaderingen van Peelland zou op 9 december 1516 de heerlijkheid Vlierden gelost zijn en dus weer rechtstreeks onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de hertog van Brabant vallen. Meer bijzonderheden, die niet altijd correct blijken te zijn, over de familie van Doerne zijn te vinden in het standaardwerk van H.N. Ouwerling over de geschiedenis van Deurne, Liessel en Vlierden. In 1526 overleed hij en werd in den Bosch begraven.

Hendrik van Doerne ca 1527

Op 27 november 1527 verhief Hendrik, de jongste en toen nog minderjarige zoon van Everard van Doerne, de hoge en lage heerlijkheid Vlierden en behield deze tot aan zijn
[In 1565 zegelden de Vlierdense schepenen met een zegel waarop een (Vlier?)boom was afgebeeld]

dood in 1604. Daarna werd hij opgevolgd door zijn zoon Everard totdat deze in 1617 overleed. Althans zo geeft Ouwerling het ons in zijn werk. Hij noemt er ook de moeilijkheden die hij ondervond bij het samenstellen van een betrouwbare lijst en verwerpt, wellicht met recht, de opsomming die pastoor Schutjes in zijn historisch werk geeft. Maar volgens authentieke documenten is in 1558 "die bancke van Vlierden metten schependom" verkocht aan mr. Jan van Vlierden nadat op 9 december 1516 de pandpenningen gelost waren.

mr. Jan van Vlierden vanaf 1558 Als secretaris van keizer Karel V was meester Jan van Vlierden een man van aanzien. Er zijn behalve zijn achternaam weinig verdere aanwijzingen dat hij ook persoonlijke banden had met Vlierden. Aannemelijk is dat hij de heerlijkheid Vlierden graag wilde bezitten om daarmee meer cachet te geven aan zijn familienaam en om zijn verre voorouders, ongetwijfeld van Vlierden afkomstig, te eren.

Wouter van der Gracht 1625-1634 Wouter van der Gracht was gehuwd met Isabella, de dochter van meester Jan van Vlierden, en meer dan waarschijnlijk als zodanig in het bezit van de heerlijkheid Vlierden gekomen. Niet duidelijk is of deze Isabella een dochter of kleindochter was van meester Jan van Vlierden die in 1558 heer van Vlierden werd. Behalve de heerlijkheid Vlierden bezat hij ook de heerlijkheid Maelstede. Op 26 februari 1625 werd voor de leenhof van Brabant te Brussel het leen verheven.

Maria van der Gracht 1634-ca 1648 Ze was een zuster van voornoemde Wouter en gehuwd met ridder Robbert d'Esclames, heer van Claermont, Perwetz en Maelstede. Bij de leenverheffing bleek het cijnsboek van de heer van Vlierden toen jaarlijks 29 stuivers en elf penningen op te leveren.

Otto de Visschere ca 1648-ca 1658 Otto Dirk de Visschere was schout en secretaris van Deurne (1645-1651), schout van Gemert (1654-1671) en griffier van het kwartier Peelland. Hij werd rond 1612 in Helmond geboren, mocht zich enige tijd eigenaar noemen van de drie Brouwhuise hoeven en de "adellijke woonplaetse" aldaar, huwde met Sophia Coenen en werd op 17 januari 1671 in Gemert begraven.

Jonkheer Diedrik Adriaan Pieck van Tienhoven 1660-1669 Op 26 september 1659 kocht hij de heerlijkheid Vlierden van de Staten Generaal der Verenigde Nederlanden voor 1500 ponden. Op 19 januari vond beschrijving van de verkoop plaats en op 2 februari 1660 verhief de koper haar voor de raad- en leenhof van Brabant. Verkocht werden de hoge, middelbare en lage heerlijkheid van Vlierden met de daartoe behorende rechten en gerechtigheden onder welke het recht van jacht, patrijseren, fretteren, valkenvangen, warande, visserij en vogelarij.

Johanna Elisabeth Pieck van Tienhoven 1669-1703 Zij was een zuster van Diedrik en verkreeg na diens dood de heerlijkheid Vlierden. Ze huwde met Otto Walraven, baron Quaet van Lanscroon, heer van Miel en Overwinter. Op 26 oktober 1683 hernieuwde hij namens zijn vrouw de eed als heer van Vlierden. Hij raakte verzeild in een hevig conflict met de Deurnese heer Rogier van Leefdael. Het is mede deze strijd tussen de twee heren, die niet toestonden dat de een invloed uitoefende over de gang van zaken op het gebied van de ander, die er uiteindelijk voor zorgde dat Vlierden een zelfstandige parochie werd en ook een zelfstandige tafel van de Heilige Geest kreeg.

Anna Elisabeth Cornelia Quaet van Lanscroon 1703-1730 Ze was een dochter van Otto en Johanna en gehuwd met Johan Willem Quaet van Wickraath, ondermeer heer van den Grooten Bullesheym, Angern, Manheym etc. Namens zijn vrouw verhief hij op 29 juli 1703 de heerlijkheid, de secretarie en het cijnsboek van Vlierden. Eigenlijk hadden deze drie zaken ieder afzonderlijk verheven moeten worden omdat het afzonderlijke lenen waren. Pas vele jaren later, in 1774, kwam de griffier van de Raad van Brabant er achter dat hier een fout was gemaakt.

Slechts één vermelding van 1719 of 1720 is er van haar, dat ze een bezoek aan Vlierden bracht, bij haer hebbende volckeren en perden. Ze tracteerde bij die gelegenheid de Vlierdense bestuurders en zal ongetwijfeld zelf ook gefêteerd zijn door die van Vlierden. Zij kregen een dochter Wilhelmina Maria Charlotte die trouwde met Ludolf Diderick van Tengnagel. Wilhelmina overleed nog voor haar moeder en twee van haar kinderen verwierven, na de dood van hun grootmoeder, de heerlijkheid Vlierden.

Alexander Gijsbert en Zeno Diderik Walraad van Tengnagel 1730-1750

Meester Liebert van Axele, advocaat te Thiel, liet als voogd over deze twee minderjarige kinderen op 15 maart 1730 de heerlijkheid verheffen. Alexander huwde met Cornelia Margaretha de Viviën, en Zeno huwde met Anna Helena Olmius. Op 24 april 1750 lieten zij hun gevolmachtigde Wouter van Wolfsbergen uit Den Bosch de heerlijkheid, samen met veel andere goederen, verkopen.

Joachim Reynhold baron van Glasenapp en diens vrouw Anna Elisabeth Louisa van Hundt 1750-1755 Baron Joachim van Glasenapp was een merkwaardige man. Hij werd in 1717 geboren en overleed in 1800 te Keulen. Hij huwde in 1744 met Anna Elisabeth, barones van Hondt nadat zij eerst door hem was geschaakt. Zij was een dochter van Werner Wirich baron van Hondt (von Hundt zum Busch) en Johanna barones van Quadt-Wickerath. Zij bewoonden het kasteel Holtmühlen nabij Tegelen. Naar het schijnt was de baron een dappere krijger die in de zevenjarige oorlog maar liefst negen keer gewond raakte. Ook was hij een echte bon-vivant die er van hield op zijn tijd een feestje te bouwen. Dit bracht hem in ernstige financiële problemen. Hij vond daarvoor echter een creatieve oplossing. Hij besloot zijn eigen munt te gaan slaan, namelijk twee Cleefse stuiverstukken met het jaartal 1755. Ook wilde hij eens zijn kasteel in Tegelen bomvrij maken door grote hoeveelheden aarde op het dak te laten gooien. Toen vervolgens een deel van het dak instortte verloor daarbij een arbeider het leven. De baron raakte zoetjesaan aan lagerwal en stierf uiteindelijk straatarm in een Keuls armenhuis. In 1750 toen ze de heerlijkheid Vlierden verwierven waren ze blijkbaar nog in goeden doen. Op 24 april 1750 werd de verkoop van de heerlijkheid, samen met twee cijnsboeken van resp. 16 en 28 gulden jaarlijks en de helft van de Vlierdense windmolen voor schepenen van Den Bosch bekrachtigd. Op 11 juni 1750

Willem Hubert

d'Aumerie

* 3-11-1677

+ 21-2-1733

┌──────────────────┼───────────────┐



│ │ │

Joannes Franciscus Joannes Jacobus Antoni Bonaventura

d'Aumerie d'Aumerie d'Aumerie

* 27-10-1714 * 9-3-1723 * 14-7-1726

+ 3-3-1781 │ heer van Vlierden

heer van Vlierden │ 1781

1755-1781 │

│ │


│ │

│ │


│ Franciscus Jos.Mart.

│ d'Aumerie

│ * 11-11-1748

│ + Vlierden 19-6-1823

│ heer van Vlierden

│ 1781-1823

│ │

│ │


│ │

Joannes Franciscus x Elisabeth Gideon Ant.Balth.

d'Aumerie d'Aumerie d'Aumerie

* 18-1-1779 * 26-6-1786 * 7-10-1791

+ 8-6-1856 + 11-11-1835 + 15-12-1854

badarts te vrederechter

Scheveningen te Asten

verhief hun gevolmachtigde procureur Willem van Ellinckhuijzen voor de Raad en Leenhof van Brabant de heerlijkheid. Ruim vijf jaar later had de baron blijkbaar geld nodig en deed de heerlijkheid van de hand. De familie d'Aumerie werd de nieuwe eigenaar.

[Johan Franciscus d'Aumerie (1779-1856) een zoon van de gelijknamige heer van Vlierden was een beroemde badarts in Scheveningen Iconografisch Bureau Den Haag]

Johan Franciscus d'Aumerie 1755-1781 Toen op 9 oktober 1755 de heerlijkheid door de gevolmachtigde Bossche advocaat mr. Lambert Ackersdijk officieel werd verkocht aan Johan Franciscus d'Aumerie kwam deze daarmee eindelijk in handen van iemand die zich als heer van Vlierden ook regelmatig ter plaatse liet zien. Op 20 augustus daaraan voorafgaande was d'Aumerie met baron van Glasenapp op het kasteel Holtmühlen tot overeenstemming gekomen over de voorwaarden waaronder de heerlijkheid Vlierden verkocht zou worden. Op 4 november 1755 liet d'Aumerie zijn procureur Willem van Ellinckhuijzen het leen verheffen voor de raad en leenhof van Brabant. Wat bracht de Venlose militaire arts ertoe om juist deze heerlijkheid te kopen? Op zoek naar een goede belegging voor zijn verdiende kapitaaltje en een geschikt buitenhuis dat niet te ver weg lag van zowel zijn werkplek in Venlo als zijn schoonouders in Veghel bleek Vlierden een zeer geschikte plek. Bovendien was het een uitstekende plaats om een poging te wagen de uitgestrekte heidevelden te veranderen in rendabele bossen. Johan Franciscus d'Aumerie was op 29 oktober 1714 in Bois-de-Lessines gedoopt en sedert 1747 als medisch directeur werkzaam in het militair hospitaal van Venlo waar hij ook ondermeer de boerderijen de Boerendans en de Huskenshof bezat. Zijn huwelijk met Cornelia Francisca de Jong, een dochter van de Vlierdense drossaard Gerard de Jong, bleef kinderloos. Hij verwekte echter wel bij ene Johanna Göbel een buitenechtelijke gelijknamige zoon Johannes Franciscus, die op 18 januari 1779 in de St. Martinuskerk in Venlo gedoopt werd en die hij op 23 februari 1781, nog geen twee weken voor zijn dood, wettigde. D'Aumerie stierf op 3 maart 1781 in Venlo. Deze zoon werd later een bekende badarts in Scheveningen en naar hem werd de Haagse d'Aumeriestraat genoemd.


Antoni Bonaventura d'Aumerie 1781

Na het overlijden van Johan Franciscus op 3 maart 1781 te Venlo kwam de heerlijkheid in handen van zijn broer Antoni Bonaventura. Deze was burgemeester van het Henegouwse Bassilly of Zullik en verhuisde later naar Ghoy. Op 7 april machtigde hij Antoni Ramaer om de heerlijkheid Vlierden, samen met het goed de Hazeldonk met maar liefst 76 hectare grond, voor 7750 gulden te verkopen aan zijn neef:


Franciscus Josephus Martinus d'Aumerie 1781-1823

Hij ging in Straatsburg medicijnen studeren en beëindigde zijn studie aldaar succesvol op 2 april 1772. Op 20 augustus van datzelfde jaar slaagde hij ook in Utrecht voor zijn artsenexamen waardoor hij gerechtigd werd ook in de Nederlanden zijn praktijk uit te oefenen. In 1793 kocht hij de praktijk in het militair hospitaal te Venlo van zijn oom Johan Franciscus. Met de Franse Revolutie raakte hij zijn heerlijke rechten met betrekking tot de benoeming van schout, secretaris, schepenen en vorster kwijt. Aanvankelijk raakte hij ook het jachtrecht kwijt maar in 1814 werd hij in dat recht hersteld. Tot 1809 bewoonde hij het

Guldenhuis in Aarle-Rixtel en daarna vestigde hij zich op de Hazeldonk waar hij op 19 juni 1823 stierf. Rond de eeuwwisseling werd de hoeve de Hazeldonk gehuurd en bewerkt door Goort Cleven met wie dokter d'Aumerie herhaaldelijk hooglopende ruzie had. In Vlierden oefende hij ook nog de geneeskunst uit blijkens zijn inschrijving in het plaatselijk patentregister als medicinae doctor. Ook bezat hij een patent als steenbakker met een oven op de Hazeldonk. Hij heeft naar alle waarschijnlijk zelf de steen laten bakken voor "de Hazeldonk" die, blijkens de muurankers, van 1816 dateert. d'Aumerie verhuurde in dat jaar het goed aan zijn zoon Gideon en hield zich voornamelijk bezig met de verkoop van hout uit zijn bosaanplant waarvan dominee Hanewinkel een aantal jaren eerder uit de mond van een herberggast in zijn "Reize door de Majorij" optekende: "Hij (d'Aumerie) laat oneindig veel op dat goed arbeiden, hij plant er ontzaglijk veel boomen, waar hij nimmer eenig voordeel van kan hebben, want het hout is in deeze streeken bijna niets waardig; het land is er zeer zandig en dus onvruchtbaar, zoodat het naauwelijks de kosten oplevert, die er jaarlijks aan gedaan worden". Dat dokter d'Aumerie ook nog andere interesses had bleek toen Drieka de dochter van Aert Marcelis van de Kerkhof een buitenechtelijk kind van hem, een dochter Ardina, op 29 juni 1806 in Deurne liet dopen.

Op 26 januari en 9 februari 1824 boden zijn wettige kinderen en erfgenamen de heerlijkheid en het goed de Hazeldonk bij een publieke veiling in de herberg van Pieter Koolen in Asten te koop aan. Hoogste bieders waren de Eindhovense burgemeester Josephus Johannes Janssen met 10700 gulden voor de heerlijkheid en het landgoed en Gideon Antoni Balthazar met 7800 gulden voor de Hazeldonk. De aanbieders zagen echter van publieke verkoop af en verkochten nog dezelfde dag voor 11000 gulden het geheel onderhands aan Pieter van Dousborgh.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   45


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina