Voederaankoop



Dovnload 90.45 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte90.45 Kb.




Bedrijfsontwikkelingsplan

Leghennen

voederaankoop




INHOUD

Inleiding 4

1 Huidig bedrijf 5

2 Motivatie voor de omschakeling 6

3 Beeld van het toekomstige bedrijf 7

4 Basisprincipes biologische landbouw en biologische pluimveehouderij 8

5 Veebezetting 9

6 Grondgebondenheid 10

7 Herkomst van de dieren 11

7.1 Algemene vereisten 11

7.2 Rassenkeuze 11

7.3 Opfok 11

8 Dierenverzorging 13

8.1 Bijzondere zorgen 13

9 Huisvesting 15

9.1 Bezettingsnormen 15

9.2 Bijkomende normen 16

9.3 Lichtmanagement 17

9.4 Sanitaire leegstand 18

10 Buitenloop 19

11 Voeder 22

11.1 Normen 22

11.2 Voedermanagement 22

12 Arbeidsbehoefte 24

13 Bedrijfseconomische aspecten 25

14 Omschakeling 27

14.1 Omschakeling dieren 27

14.2 Omschakeling grond 27

14.3 Volledige omschakeling bedrijf 27

15 Afzet 28

16 Samenvatting 29

Tot slot 30

BIJLAGE : Nuttige adressen 31





Inleiding


Omschakelen naar biologische landbouw is geen eenvoudige zaak. De biologische veehouderijpraktijk verschilt zeer sterk, en op heel veel punten van de gangbare praktijk.
Dit vergt ook van de bedrijfsleider zelf een “omschakeling”. Veel vertrouwde handelingen, begrippen en kennis komen op losse schroeven te staan, en moeten ingevuld met heel nieuwe ervaringen en inzichten.
Aangezien de biologische veehouderij uitdrukkelijk vertrekt vanuit het principe van de grondgebondenheid, is de omschakeling een stuk moeilijker voor de zgn. “niet-grondgebonden” sectoren, waartoe ook de leghennenhouderij vandaag behoort.
De intensiteit van deze sector, zowel naar kapitaal (investeringen en veebezetting) als naar arbeid maken de omschakeling vaak onmogelijk, of dwingen de bedrijfsleider deze voor onbepaalde duur uit te stellen.
Het moment waarop zware herstellingen, nieuwe binneninrichting of andere bijkomende investeringen noodzakelijk blijken, is het scharniermoment bij uitstek om tot omschakeling over te gaan.
Nochtans moet dit goed beredeneerd worden, en mag niet over een nacht ijs worden gegaan. Precies omdat de gangbare, niet-grondgebonden kippenhouderij zover van het biologische bedrijf afstaat, wordt best alles eerst grondig afgewogen.
Wij hopen met dit bedrijfsontwikkelingsplan daartoe een degelijke leidraad te hebben opgesteld.

1 Huidig bedrijf

Historiek


Het bedrijf, gelegen in de zandstreek, werd negen jaar terug op een aangekocht landbouwbedrijfje volledig nieuw opgericht als gespecialiseerde productie-eenheid.

Veestapel


In zijn huidige vorm telt het bedrijf zo’n 25.000 gangbare leghennen.

Huisvesting


De hennen worden gehouden in batterijkooien. De stal heeft een oppervlakte van 1.250 m² (62.5 m op 20 m). De stal is een heel eind afgeschreven, maar toch heeft het bedrijf nog zes jaar zware afschrijvingen voor de boeg.

Oppervlakte en percelen


In tegenstelling tot veel andere leghennenbedrijven is er een relatief grote huiskavel beschikbaar (3 ha). Deze gronden worden momenteel door een ander bedrijf bewerkt, maar zijn “met het scheren van de vruchten” vrij.

Teeltplan


3 ha maïs bewerkt door collega landbouwer.

Rantsoen


Alle voeders worden aangekocht.

Afzet


De eieren worden verkocht aan de groothandel.

Arbeidsinvulling


Er zijn 1.25 VAK beschikbaar.

2 Motivatie voor de omschakeling


De toekomst van de landbouw, en zeker voor dit soort bedrijf, omvat veel vraagtekens en onbekenden.
De milieudruk op dit soort, totaal niet-grondgebonden bedrijven is evident.

Deze niet-grondgebondenheid maar ook de kwaliteit van het product in het algemeen wordt door de consumenten steeds meer in vraag gesteld.


Dierenwelzijn wordt voor steeds meer consumenten een nieuw soort kwaliteitsaspect. En bovendien rommelt het in “Brussel”. Europa stelt dierenwelzijnsnormen in het verschiet, en u wil niet onvoorbereid met deze normen geconfronteerd worden.
Bovendien kijkt u nu heel anders tegen uw productiemethode aan dan 10 jaar terug.
Uw bedrijf heeft de mogelijkheid om op een meer natuurlijke wijze legkippen te houden, omdat u nu eenmaal over buitenuitloop kunt beschikken. Wellicht is het interessant om meteen helemaal het biologische systeem te volgen, waardoor u uw product kunt onderscheiden en u meer arbeidsvreugde vindt in het produceren van een kwaliteitsproduct met garanties.

Tenslotte is er ook het economische plaatje. Het gaat niet echt goed met uw bedrijf. Problematisch kan de toestand niet echt genoemd worden, maar u haalt het referentie-inkomen niet, het is “overleven” en veel beterschap zit daar de eerste tijd niet in.


U weet dat u bij de biologische productie een heel stuk extensiever moet gaan werken, zodat de investeringen door een veel kleinere hoeveelheid product moeten worden gedragen. Toch hoopt u dat dit financieel haalbaar is, omdat ook in de verkoopprijzen de verhoudingen anders liggen.

3 Beeld van het toekomstige bedrijf

Veestapel


Zal de veebezetting na omschakeling sterk dalen ?

Huisvesting


De huidige omvang van de huisvesting en de mogelijkheden tot buitenloop in de onmiddellijke nabijheid aanziet u als belangrijke limieten en baren u zorgen.

Teeltplan


Hoe kan men best de buitenbeloop inrichten?

Bemesting/mestafzet


Is er vraag naar biologische kippenmest ? Zijn er mogelijkheden tot samenwerking ?

Voederaankoop


Voederaankoop blijft.

Gezondheidszorg


Verenpikkerij en kannibalisme schrikken u af.

Arbeid


De bijkomende arbeid moet verloond worden.

Afzet


Via de groothandel. Rechtstreekse verkoop is een mogelijkheid.

Bedrijfseconomie


Veel extra investeringen in (nieuwe) gebouwen hoopt u zo veel mogelijk te vermijden.

4 Basisprincipes biologische landbouw en biologische pluimveehouderij


Biologische landbouw is een productiemethode die duurzame oplossingen biedt en deze verder tracht te ontwikkelen voor de landbouw in samenhang met haar omgeving. Er is veel aandacht voor het landbouwkundig ecologische evenwicht.
De opbouw en het behoud van de bodemvruchtbaarheid staan centraal : oordeelkundige organische bemesting, gebruik van groenbemesters en een ruime vruchtwisseling met genoeg stikstof fixerende vlinderbloemigen in het teeltplan liggen aan de basis van een goede bodemvruchtbaarheid. Kunstmest wordt op die manier overbodig en is dan ook niet toegelaten.
Synthetisch-chemische gewasbeschermingsmiddelen zijn eveneens uitgesloten. Ziekten en plagen worden zoveel mogelijk voorkomen door een ruime vruchtwisseling en aangepaste teeltzorgen. Bij het opduiken van ernstige ziekten of plagen kunnen natuurlijke middelen (natuurlijke vijanden uitzetten, pyrethrum, zwavel, …) worden ingezet.
Onkruidbestrijding gebeurt voornamelijk mechanisch (wiedeg, schoffelmachine, vingerwieder, aanaarder,…) en thermisch (onkruidbrander), waar nodig aangevuld met handwerk.
Bij de biologische veeteelt ligt de nadruk op een aangepaste huisvesting, fokkerij, voeding en verzorging die voor de dieren soortspecifiek gedrag toelaten. Tevens is de grondgebondenheid primordiaal. De gezondheidszorg richt zich vooral op preventie, aangevuld met bij voorkeur homeopathische geneesmiddelen.
Het streven naar natuurlijke evenwichten en de kringloop gedacht zijn van groot belang voor de biologische landbouw en vormt de basis voor de duurzaamheid.

5 Veebezetting

Wetgeving


De maximale veebezetting op het bedrijf wordt bepaald door de staloppervlakte en de mogelijkheden tot buitenbeloop.
Afhankelijk van deze veebezetting kan worden nagegaan of het bedrijf grondgebonden is. Is dit niet het geval, dan moet voor mestafzet worden gezocht.

Bedrijf


Zoals blijkt uit de berekeningen (zie punten 9 en 10) kan u nog 7.500 leghennen houden.

6 Grondgebondenheid


Het biologisch leghennenbedrijf dient aan alle regels van de biologische productie te voldoen. Grondgebondenheid is een basisvoorwaarde. Niet-grondgebonden bedrijven of onvoldoende grondgebonden bedrijven kunnen worden toegestaan, indien zij zorgen voor grondverbondenheid via andere biobedrijven. Of anders gezegd: de biologische productie als geheel mag geen mestoverschot veroorzaken, de mest van biologische dieren dient opnieuw in de kringloop te worden opgenomen via de plantaardige biologische productie.

Wetgeving


De totale hoeveelheid mest die per bedrijf wordt gebruikt, mag niet meer dan 170 kg N per jaar per ha of 2 GVE/ha bedragen. Voor legkippen betekent dit een maximum van 230 kippen per ha. Indien er teveel mest is, moet deze worden afgevoerd naar gecontroleerde biologische bedrijven. Indien nodig wordt de totale veebezetting verlaagd.

Bedrijf


De normen voor stalbezetting en de minimale oppervlakte buitenuitloop per kip worden verder uitvoerig behandeld. Zowel de beschikbare staloppervlakte als de beschikbare buitenuitloop staan u toe om nog hooguit 7.500 leghennen te houden. Naar mestafzet toe betekent dit dat u over 32,6 ha zou moeten beschikken.
Bekijken we de buitenuitloop, dan stellen we vast dat u slechts over 3 ha beschikt. U heeft derhalve een aanzienlijk mestoverschot.
Op zich hoeft dit niet echt een probleem te zijn. De biologische plantaardige productie, in casus de champignonteelt, is tot nader order vragende partij om bio-kippenmest af te nemen. Er mag dus worden aangenomen dat de komende tijd de afzet van mest nog niet meteen een probleem wordt, en dat dit ook kan aan relatief lage kosten.
U kunt dit ook iets meer structureel proberen op te lossen door een vaste afnemer te zoeken, waarmee u een koppelbedrijf opstart.

7 Herkomst van de dieren

7.1 Algemene vereisten

Wetgeving


De dieren moeten afkomstig zijn van biologische opfokbedrijven of zelf biologisch worden opgekweekt. Uitbroeden in broedkast mag.
Hierop zijn enkele uitzonderingen :
Gangbare dieren die reeds aanwezig zijn op het bedrijf kunnen, na voorafgaande toestemming van het controleorganisme, omgeschakeld worden.
Indien er niet voldoende biologische leghennen aanwezig zijn mogen, bij het opzetten van een nieuwe ronde, gangbare leghennen worden ingebracht voor zover ze jonger zijn dan 6 weken. Vanaf deze leeftijd moeten de leghennen minimaal biologisch worden gehouden (dus voldoen aan alle andere maatregelen die door het lastenboek worden opgelegd). Deze regel geldt nog tot 31/12/2003.

Bedrijf


In principe kan er momenteel geen probleem zijn : omschakelen aanwezige dieren, herbevolken met biokippen, of met gangbare kippen mits jong genoeg. In de toekomst zal in elk geval wel moeten uitgekeken worden naar meer structurele oplossingen.
We raden aan om na de aanpassingen van de stal te beginnen met biologisch opgekweekte poeljen. Deze zijn aangepast aan de biologische omstandigheden. Bij relatief grote hoeveelheden is het belangrijk om tijdig te informeren bij de verschillende leveranciers.

7.2 Rassenkeuze


Bij de rassenkeuze dient rekening gehouden met een aantal factoren : minder agressieve rassen, eikleur en productie zijn de belangrijkste.

Praktijk


Dit probleem sluit aan bij het vorige punt. Momenteel moet het mogelijk zijn om voor de bioproductie bruikbare rassen te vinden in het gangbare aanbod (IsaBrownWarren, Bovans-goldline,..). Wanneer in de toekomst een oplossing wordt gegeven aan de biologische fokkerij ter bevoorrading van bio-productiebedrijven zal de keuze van de rassen met zoveel mogelijk factoren rekening moeten houden. Rusticiteit (buitenloop), ziekteweerstand en langleefbaarheid zullen daar zeker bijhoren.

7.3 Opfok


Uit Nederlands onderzoek blijkt dat het zelf opfokken van de hennen – hoe jonger de dieren op het bedrijf komen hoe beter - positief is, o.m. ook naar verenpikkerij toe (zie verder). Opfokken is echter een vak apart dat veel kennis en ervaring vereist.

Praktijk


Indien de opfok op een opfokbedrijf plaatsvindt, is het belangrijk dat dit op een zo biologisch mogelijke manier gebeurt. Daarmee bedoelen we enerzijds dat in de mate van het mogelijke rekening wordt gehouden met de principes van de biologische productie, maar anderzijds ook dat de overgang naar het productiebedrijf een zo klein mogelijke stap is. Belangrijke aandachtspunten zijn daarbij een zo gelijkaardig mogelijk voeder- en drinksysteem en de aanwezigheid van een uitloop.
Zolang de biologische pluimveesector een relatief “klein” gebeuren blijft, zullen de pluimveehouders uiteraard weinig eisen kunnen stellen. Misschien is samenwerking mogelijk, en kunnen meerdere potentiële afnemers van één of ander opfokbedrijf verkrijgen dat hiermee rekening wordt gehouden. Anderzijds mogen we niet uit het oog verliezen dat een dergelijke bevoorrechte relatie met één enkel opfokbedrijf kunnen leiden tot een zwakkere positie en afhankelijkheid.

8 Dierenverzorging


    1. Gezondheidszorg

Wetgeving


Gezondheidsproblemen worden beperkt door preventieve maatregelen als voederkwaliteit, veebezetting en buitenbeloop. Onbeperkt gebruik van homeopathische middelen, plantenextracten en spoorelementen wordt toegelaten. Allopathische behandelingen mogen niet preventief worden toegepast en moeten uitzonderlijk blijven. Hierbij geldt een wachttijd die het dubbele is van wat traditioneel gebruikelijk is, met een minimum van 48 uren. De behandelingen moeten worden ingeschreven in het veeboek. Inentingen en veterinaire behandelingen die wettelijk verplicht zijn, zijn uiteraard toegelaten.

Praktijk


Preventieve maatregelen zullen uiteraard nooit alle problemen kunnen voorkomen. Toch kunnen een aantal gezondheidsproblemen met relatief eenvoudige middelen worden uitgeschakeld. Belangrijk is dat bij de toepassing van een (toegelaten) behandeling, het probleem niet als “afgedaan” te beschouwen, maar steeds na te gaan wat oorzaak en aanleiding kan geweest zijn. En in te grijpen !
Coccidiose (Eimeria) komt vaak voor als strooisel niet goed droog is. Preventieve maatregelen tegen coccidiose zijn een goede ventilatie en zorgen dat gemorst drinkwater bij de drinkwaterinstallatie wordt afgevoerd, bvb door middel van roosters onder de drinkers.
Uitloop verhoogt de kans op Salmonella in de eieren. Algemene bedrijfshygiëne is erg belangrijk. Men kan best een aantal maal per jaar op eigen initiatief Salmonella-analyse laten uitvoeren.
Strooisel en buitenbeloop geeft een verhoogde kans op worminfecties (grote spoelworm). Een dubbele buitenbeloop aanleggen kan problemen voorkomen. Door wisselen van percelen kan de uitloop beter groen gehouden worden, wat de kans op infecties verkleint. Ook struikgewas en bomen op de uitloop lijken een positief effect te hebben.
Alle leghennensystemen kampen met bloedluizen. Ook hier geldt dat algemene bedrijfshygiëne vooropstaat. Bijzondere aandacht voor de legnesten !
Tot slot van dit hoofdstukje gezondheidszorg mogen we niet vergeten dat de bezetting na omschakeling zeer sterk zal dalen, in dit geval zelfs terugvalt op een derde van de huidige bezetting. Stress-omstandigheden, maar ook het algemene stalklimaat spelen een belangrijke rol in de ziektedruk en de weerstand van de dieren. Ook de buitenloop draagt er toe bij dat u in zekere zin mag rekenen op sterke, relatief ziektebestendige hennen.

8.1 Bijzondere zorgen

Wetgeving


Snavelbranden en leewieken mogen in de biologische landbouw niet systematisch worden toegepast. Enkel in uitzonderingsgevallen indien de gezondheid of het welzijn bevorderd worden.

Praktijk


Verenpikkerij en – vaak het gevolg daarvan - kannibalisme kunnen een groot probleem vormen. In sommige gevallen resulteert dit in een uitval van 20 %. Verenpikkerij komt meestal in pieken voor (bvb aan het begin van de legperiode). Het probleem is nog lang niet doorgrond, maar de inval van direct zonlicht schijnt een belangrijke rol te spelen.
Verder is het duidelijk dat enorm veel factoren in dit probleem meespelen : rassenkeuze en opfok, groepsgrootte, stalinrichting, buitenbeloop, voedermanagement, …
Tot de met succes beproefde maatregelen behoren o.m. het (gedeeltelijk) verduisteren van de stal, zorgen voor scharrelbezigheid (klein graan strooien, meer strooisel gebruiken, zandbakken, …) en het rantsoen herbekijken.
Vooral dit laatste is van groot belang. Dat biovoeders een goede kwaliteit hebben, staat buiten kijf. Maar de kwaliteit van de grondstoffen geeft geen garanties voor een evenwichtige samenstelling. Wees zeer “nieuwsgierig” in gesprekken met de leveranciers, en kritisch voor uzelf in de beoordeling van wat u bijvoedert, bvb aan scharrelgraan.

9 Huisvesting

9.1 Bezettingsnormen

Wetgeving


Het maximum aantal legkippen op een leeftijd van 18 weken bedraagt 6 hennen per m². Tussen 6 en 12 weken is dit : 13 hennen per m². Tussen 12 en 18 weken is dit : 10 hennen per m².
Er moet 18 cm zitstok/dier aanwezig zijn.
Er is een maximum van 8 leghennen per nest of in het geval van een gemeenschappelijk nest minimum 120 cm² per dier.
Voor deze bezettingsnormen kan Blik tot 31/12/2005 afwijkingen aanvaarden als het gaat om bestaande gebouwen die voor 24/08/99 zijn gebouwd. De stallen moeten in dat geval voldoen aan de bezettingsnormen van het toen geldende lastenboek.

Bedrijf

Absolute stalbezetting


Afgaand op de huidige staloppervlakte mag u in principe zo’n 7.500 hennen huisvesten. Er zijn wel enkele mogelijkheden om dit aantal nog iets op te drijven, bvb door een of ander etagesysteem op een deel van de staloppervlakte. In de scharrelkippenhouderij worden dergelijke systemen eveneens toegepast.
Dergelijke systemen leiden echter opnieuw tot een iets intensere bezetting, met heel veel en verstrekkende gevolgen, en tot een hogere arbeidsintensiteit, o.m. wat onderhoud van de hokken betreft.
In uw geval is de buitenuitloop trouwens een limiterende factor, die uw maximale bezetting hoe dan ook op 7.500 hennen zou terugbrengen. Dit houdt in dat u zowel naar stalbezetting als naar buitenuitloop precies op de norm uitkomt.

Zitstokken


Wat de zitstokken betreft, raden we u aan om de norm ook echt als een minimum te beschouwen, en meer ruimte te voorzien.
Er wordt wel eens beweerd dat veel dieren op de stokken moeten gezet worden om dit aan te leren. Wellicht is dit een signaal dat er met de stokken iets aan de hand is, want in normale omstandigheden neemt een kip snel dit natuurlijk gedrag aan.

Voldoende ruimte (en nog even afwachten indien jonge kippen in de stal worden gebracht) is al een groot punt. Verder kan er een probleem zijn met stokken van te kleine diameter, te scherpe randen of te rond, of een onaangenaam aanvoelend materiaal. Tamelijk brede stokken uit glad hout waarvan minstens de scherpe randen aan de bovenzijde ovaal zijn afgeschuind, zijn voor de meeste kippen aantrekkelijk.


De zitstokken worden meestal aangebracht boven een roosterpartij in de vloer. Indien dit niet kan, zorg voor een eenvoudige constructie die toelaat zeer regelmatig en grondig te reinigen onder de stokken.
Breng de stokken niet trapsgewijs aan zoals voor de opkomst van de batterijen in veel kippenhokken het geval was. Alle zitstokken in één horizontaal vlak.

Legnesten en grondeieren


Er wordt aangeraden een afwisseling te maken van individuele en groepsnesten.
Problemen met veel grondeieren komen regelmatig voor. Dit kan oplopen tot circa 10-15 % van het aantal eieren. Grondeieren rapen en reinigen duurt lang, is arbeidsintensief en bijgevolg niet rendabel.
Problemen kunnen worden verholpen door de legnesten op een rustige en donkere plaats te zetten. De opening vooraan mag echter niet te donker zijn anders gaan de hennen niet in het nest. Om cloaca-pikken tegen te gaan dient het in het nest zelf wel voldoende donker te zijn.
De legnesten dienen best dicht bij de beun en de drinkwatervoorziening te worden geïnstalleerd.

9.2 Bijkomende normen

Wetgeving


In de stal moet ten minste 1/3 van de betrokken oppervlakte bestaan uit vaste bodem die bedekt is met strooisel zoals houtkrullen, stro, zand of turfmolm.
Een voldoende groot gedeelte is bestemd voor het opvangen van de uitwerpselen.
De stal moet voorzien zijn van openingen om naar binnen of naar buiten te gaan van een voor de dieren geschikte maat en deze luiken moeten een totale lengte hebben van ten minste 4 meter per 100 m² van de voor de dieren beschikbare ruimte.
Per pluimveestal mogen niet meer dan 3.000 legkippen gehuisvest zijn. Afwijking is mogelijk voor de ronde die opgezet is.
Voor deze bijkomende normen kan Blik afwijkingen toelaten. Dit wordt geval per geval bekeken. Toegestane afwijkingen zijn voor maximaal 5 jaar. Afwijkingen voor oudere stallen moeten in elk geval voldoen aan de normen van het toen geldende lastenboek.

Bedrijf

Gebruik van stro


Aan het begin van elke ronde wordt gehakseld stro (op een laagje zand) en houtkrullen gestrooid. Minstens om de 2 maanden wordt bijgestrooid met lang stro. In totaal verbruikt elke kip ongeveer 1 kg stro per ronde. In het begin van de ronde wordt minder stro gebruikt om grondeieren te voorkomen. Op elk moment voldoende los strooisel in de stal gaat meestal gepaard met het weinig voorkomen van verenpikkerij.
Afhankelijk van de inrichting, kan rekening gehouden worden met het zuiver houden van het strooisel. Aanwezigheid van roostergedeelten in de vloer moeten benut worden : zitstokken en drinkers komen boven de roosters. De voederinstallatie komt best boven het strooisel. Aan de voederbak wordt meest gepikt, scharrelen in het strooisel zorgt voor afleiding.
Bij ernstige problemen met verenpikkerij kan overwogen worden om strobalen in de scharrelruimte te plaatsen.
Aangezien u zelf geen graan kunt telen, beschikt u ook niet over eigen stro. Maar wellicht kunt u via deze weg een eerste stap zetten naar een koppelbedrijf, door stro af te nemen van de afnemers van de mest.

Openingen naar buitenbeloop


De plaatsen en de grootte van de openingen hebben uiteraard invloed op de stalconstructie. In de praktijk zullen de meeste pluimveehouders moeten terugvallen op het aanpassen van bestaande gebouwen. Ook op uw bedrijf is dit het geval. Aanpassingen moeten met het nodige overleg gebeuren, waarbij tocht en te veel invallend zonlicht zoveel mogelijk moeten worden vermeden.
U dient er rekening mee te houden dat uw stalruimte op dit moment veel te groot is om naar biologische normen alle hennen in één groep te houden. Ook binnen de stal zullen aanpassingen moeten gebeuren, en daar moet u ook rekening mee houden voor het aanbrengen van de uitloopgaten.

Groepsgrootte


De maximale groepsgrootte kan vanuit het standpunt van de omschakelende pluimveehouder overdreven kleinschalig overkomen. Toch heeft de biologische visie hier echt wel een punt. Zo wordt bij kleinere koppels (tot 2000 dieren) beduidend minder verenpikkerij vastgesteld.
Uiteraard betekent de koppelgrootte niet dat bestaande stallen moeten verdwijnen, of dat deze koppels in afzonderlijke gebouwen moeten worden ondergebracht. Grotere stallen moeten wel een afscheiding hebben met minstens een houten wand. En ook voor de buitenloop zal een dergelijke “gecompartimenteerde” stal wel wat verbeelding vergen.
Wij zouden u aanraden om niet de maximale norm als uitgangspunt te nemen. Vergeet niet dat in natuurlijke omstandigheden de loopvogels waarvan onze kippen afstammen in kleine groepjes leven (enkele tot enkele tientallen). Slechts hoogst uitzonderlijk worden groepen van een tweehonderdtal aangetroffen.
Drie stalafdelingen van zo’n 2.500 hennen lijkt hier een goede vertrekbasis. Hou er bij ontwerp en plaatsen van de schotten rekening mee dat al snel zou kunnen blijken dat nog kleinere groepen “beter werken”, en dat u dit dus relatief eenvoudig moet kunnen aanpassen.

9.3 Lichtmanagement

Wetgeving


Het daglicht mag met kunstlicht worden aangevuld tot maximum 16 uur licht per dag, zij het met een nachtelijke rustperiode zonder kunstlicht van minstens 8 uur.

Praktijk


In het lastenboek blijft het lichtmanagement beperkt tot een beperking van het kunstlicht. De praktijk vergt echter veel meer dan dat. Denken we maar aan het eerder geciteerde probleem van de verenpikkerij ingevolge te veel directe inval van zonlicht.
Het reguleren van de verlichting door het ruimtelijk scheiden van de verschillende functies - rustzone, scharrelzone en nesten – is van groot belang. Legnesten worden bij voorkeur geplaatst in het donkerste gedeelte van de stal, het scharrelgedeelte wordt ingericht in het meest lichte deel.
Om te veel directe lichtinval te voorkomen moet de lichtinlaat kunnen worden geregeld. Zijkleppen of een dakoversteek boven de lichtinlaten zijn goede oplossingen. Verder kan de lichtinlaat ook gereduceerd worden door het schilderen of witten van de zonlichtinlaat of door een zonnewering te plaatsen.

9.4 Sanitaire leegstand

Wetgeving


Na elke ronde is er een sanitaire leegstand van 3 weken voor de stal verplicht.

10 Buitenloop

Wetgeving


Zodra de weersomstandigheden het toelaten moeten de kippen – gedurende ten minste één derde van hun leven - beschikken over een uitloop in open lucht, die grotendeels begroeid is en voldoende schuilmogelijkheden biedt.
Na elke ronde is er een sanitaire leegstand verplicht van 6 weken voor het buitenbeloop.
Bezettingsnormen: 4 m² per dier (2.500 kippen per ha).
Voor deze bezettingsnormen kan Blik tot 31/12/2005 afwijkingen aanvaarden als het gaat om bestaande gebouwen die voor 24/08/99 zijn gebouwd. Het buitenbeloop moet in dat geval voldoen aan de bezettingsnormen van het toen geldende lastenboek.

Praktijk


De buitenuitloop is voor de meeste bedrijven de limiterende factor. De drie ha huiskavel waarover u beschikt zullen volledig ingenomen worden. En net zoals voor de stalbezetting, zit u hiermee aan de limiet !
Het zal dan ook de nodige zorg vragen om de uitloop begroeid te houden : herinzaaien waar nodig, bossen maaien waar het gras ’s zomers te snel doorschiet, … Maar de kippen mogen natuurlijk wel scharrelen, daarvoor dient de uitloop.
De hennen moeten gestimuleerd worden om naar buiten te gaan. Bij voorkeur wordt dit gedrag al “aangeleerd” tijdens de opfok. Gebruik van het buitenbeloop zorgt voor een daling van het aantal hennen per m² in de stal, en dus ook voor minder agressie en andere problemen. Tracht te bereiken dat meer dan de helft van de kippen naar buiten gaat.
Naar buiten lokken kan door :

  • buiten bij te voeren met strooigraan, groenvoer, broden, voerresten of stalmest van andere dieren op het erf.

  • mogelijkheid tot stofbad (dicht bij de openingen) aan te bieden

  • zorgen dat de overgang (licht of temperatuur) van binnen naar buiten niet te groot is.

  • zorgen voor schaduw bij de openingen.

  • hoogte van de uitloopopeningen is belangrijk.


Belangrijk is ook om ze gedurende voldoende tijd buiten te houden :
Dit kan door een voldoende ruime en ruige uitloop met veel afwisseling (bomen, struiken, wilgen,…) te voorzien. De uitloop kan ook bestaan - naast gras of beter gras/klaver – uit : maïs, tarwe, rogge, gerst, zonnebloem, aardpeer, fruitbomen, etc.
Afrastering en aanplant van bomen en struiken brengen nogal wat kosten met zich mee. Toch loont dit zeker de moeite. Kippen zijn echte bosdieren die zich thuis voelen in (hoogstam)boomgaarden met hoge dichte hagen rondom.
Problemen met worminfecties en besmettingen kunnen voorkomen worden door te zorgen voor een dubbele uitloop en regelmatig af te wisselen.
Een andere probleem – dat eveneens met een dubbele uitloop kan worden opgevangen - is dat er door het scharrelen weinig tot geen gras dicht bij de stal overblijft dit geeft bij slecht weer aanleiding tot nattigheid direct rondom de stal. Tijdelijke oplossingen zijn instrooien met grove houtsnippers of schelpenzand.
Overkapping is een meer duurzame, maar vaak ook dure oplossing. Dit kan heel ver gaan, tot een soort tweede, niet-geïsoleerde stal, al of niet met vloerverharding, die van de rest van de uitloop kan worden afgesloten bij slecht weer.
Een deels overkapte uitloop heeft veel voordelen :

  • overkapping zorgt ervoor dat er geen direct zonlicht in de stal komt.

  • de ruimte zorgt voor een buffer naar klimaat en strooiselkwaliteit toe.

  • deze ruimte vangt meeste mest op en voorkomt overbemesting.

  • eenvoudig schoon te maken bij ziekteproblemen.

  • toch buitenlucht bij ongunstig weer

Bedrijf


Aangezien u over een beperkte oppervlakte buitenuitloop beschikt, is omweiden voor uw bedrijf geen optie. Extra zorg voor de begroeiing en de algehele hygiëne moeten dit compenseren.

Aanleg buitenbeloop van gras/klaver


De bestaande 3 ha maïsland zullen, worden omgevormd tot een buitenbeloop van gras/klaver. Voor de buitenbeloop is witte klaver aangewezen, hoewel soms rode klaver mee ingezaaid wordt. De rode klaver die sneller groeit, zorgt de eerste jaren voor productie en ruimt na enkele jaren de plaats voor de witte klaver.
Inzaai bij graslandvernieuwing

Het inbrengen van witte klaver in grasland gebeurt het best bij de inzaai van een nieuwe weide. Een gras/klaver mengsel bevat gemiddeld 10-12 gewichtsprocenten witte klaverzaden wat neerkomt op 3-5 kg per ha. Hogere concentraties klaverzaden in het mengsel kunnen aanwezigheid van klaver in het begin wel verhogen maar dit effect verdwijnt meestal reeds het eerste jaar.
Het zaaibed moet effen en fijn liggen en goed aangedrukt zijn. Meestal wordt het gras/klaverzaadmengsel wat ondieper ingezaaid dan het gewone zaadmengsel dat overwegend uit Engels raaigras bestaat. Bij het zaaien moet men wel regelmatig in het mengsel roeren om ontmenging te vermijden en een gelijkmatige klaverzaadverdeling te verkrijgen over het ganse perceel. Ideaal is het zaaien van het graszaadmengsel op de optimale diepte met de zaaimachine en daarna het kleine witte klaverzaad breedwerpig met kunstmeststrooier uit te zaaien en oppervlakkig in werken of te rollen.
Gras/klaver kan vanaf 1 april tot half augustus worden ingezaaid. Het zaaien na 1 september laat zelden toe dat de klaverplanten goed ontwikkeld de winter ingaan en dus voldoende gewapend zijn om de winter te overleven. Ook voor de echte complexe mengsels met o.a. beemlangbloem, timothee en veldbeemgras geldt deze regel : zaaien tot 1 september al met voldoende planten van deze soorten in het bestand wil terugvinden. Bij een zaai voor 1 september kunnen bovendien door begrazing (+bloten) of lichte snede heel wat dicotyle onkruiden worden bestreden.

11 Voeder

11.1 Normen

Wetgeving


Het voeder is afkomstig van biologische akkerbouwbedrijven, dus geteeld zonder chemische meststoffen noch gebruik van pesticiden.
Het is toegelaten maximaal 30 % van het voederrantsoen te maken uit omschakelingsvoeders afkomstig van percelen waar al ten minste één jaar geproduceerd wordt volgens de biologische methode. Deze beperking tot 30% is niet van toepassing indien de plantaardige producten in omschakeling afkomstig zijn van het eigen bedrijf. Het aandeel mag in dit geval tot 60 % worden verhoogd.
Indien men niet voldoende voeders van biologische oorsprong kan bekomen, kan men een beperkte hoeveelheid gangbare voeders gebruiken. Maximum 20 % gangbaar voeder per jaar met een maximum van 20 % op basis van de droge stof in het dagrantsoen. Aan het dagrantsoen voor pluimvee moet ruwvoeder, vers of gedroogd voer of kuilvoer worden toegevoegd.
De gangbare voeders die mogen gebruikt worden zijn beperkt tot: tarwegluten, maïsgluten, moutkiemen, bierborstel, getoaste sojabonen, lijnzaad, lijnzaadschilfers, aardappeleiwit, voederbiet, melasse als bindmiddel in mengvoeders, zeewier en niet geraffineerde levertraan.

Praktijk


Er bestaan in België en Nederland voederfirma’s die een biologische afdeling hebben. Hier kan u gecertificeerd biologisch legmeel aankopen.
Tarwe als strooigraan en de grit moet onbeperkt kunnen worden gepikt.
In het groeiseizoen kunnen de hennen ongeveer 40 gram droge stof uit de weide halen zonder dat dit ten koste gaat van hun productie. Ze hebben ongeveer 20% minder legvoer nodig om in hun energiebehoefte te voldoen. Het voer uit de weide blijkt meer eiwit te bevatten dan ze nodig hebben naast de legkorrel.
Optimaal is een gras-klaver weide. Indien de hennen over een goede grasklaverweide beschikken mag het legvoer grotendeels uit graan bestaan. Om zeker te zijn dat ze voldoende essentiële aminozuren krijgen is het echter beter om ook in dit geval wat maïsglutenmeel en gist bij te voeren.

11.2 Voedermanagement

Praktijk


Hoe dikwijls voederen, en hoeveel ? In de biologische pluimveehouderij lopen de kippen los, en wordt het natuurlijke gedrag zoveel mogelijk gestimuleerd. Ook het gevecht voor voeder komt hier – meestal ongewenst – om de hoek kijken.
Er bestaan terzake (minstens) twee meningen die diametraal tegenover elkaar staan.
Een eerste theorie : zeer frequent (10 of meer keer) de voerketting laten lopen of de voerpannen vullen, telkens met minder voer.
Een andere theorie zegt dat het voorgaand systeem juist agressie opwekt omdat de hennen zich moeten haasten en er maar een beperkte hoeveelheid voeder is. Hier gaat men ervan uit dat het beter is een beperkt aantal keren te voederen in voldoende hoeveelheden. Dit systeem wordt meestal gecombineerd met het verstrekken van groenvoeder, granen of brood en alles wat de hennen kan ‘bezighouden’ tussen de voedertijden in.
In dit geval kunnen ‘additieven’ al snel leiden tot een onevenwichtige voedersamenstelling, volgens ons één van de belangrijkste factoren die tot pikkerij leiden. Wat bij het rantsoen wordt bijgegeven, moet dus in de rantsoenberekening worden meegenomen.
Ook het tijdstip van toedienen is belangrijk. Te vroeg dan komen de hennen van de nesten, met veel grondeieren tot gevolg. Best is waarschijnlijk de tweede helft van de lichtperiode.
Dat beide theorieën hun aanhangers hebben, met gunstige ervaringen aan beide kanten, heeft te maken met de vele andere aspecten (huisvesting, ras, opfokmethode, bezetting, …) die meespelen in het verhaal van agressie en pikkerij.
Voldoende ruimte bij voer- en drinkbakken om gedrang en agressie te voorkomen en zorgen dat de dieren bij het voedselzoekgedrag de ruimte hebben om de bodem te benutten, zal al veel problemen voorkomen.

Bedrijf


U beschikt niet over de mogelijkheid om eigen voeder te telen. De opstart van een koppelbedrijf, waar we reeds herhaaldelijk hebben op aangedrongen, kan hier echter perspectieven openen.
Door de aankoop van mengvoeder te beperken en onbewerkt graan bij te strooien kunt u heel wat besparen. Met mengvoer komen we al gauw bij 0,32 EUR per kg uit, maar dit kan oplopen tot 0,37 EUR . Af hoeve kost biologisch graan tussen de 0,25 en de 0,27 EUR.
Het aanbod is echter momenteel uiterst beperkt, en u zult een “bevoorrechte relatie” moeten opbouwen. Hou er ook rekening mee dat u ook transportkosten en een of andere opslagmogelijkheid op het eigen bedrijf zult moeten bekostigen.
In de verdere doorrekening (zie hoofdstuk bedrijfseconomie) gaan we echter uit van het pessimistische scenario, nl. dat u voor onbepaalde duur alle voeder in de handel moet betrekken.

12 Arbeidsbehoefte


De arbeidsbehoefte stijgt aanzienlijk bij de omschakeling naar biologische bedrijfsvoering. De redenen hiervoor zijn evident.
Vooreerst treffen we op een biologisch bedrijf een aantal extra taken aan, zoals het strooien en bijstrooien van stallen dat in de gangbare eierproductie vrijwel volledig verdwenen is, maar ook het strooien van graan (sommige bedrijven tot 4 keer per dag).
Doordat de kippen loslopen, moet meer gecontroleerd worden, en zijn er een aantal problemen met het verzamelen van eieren. Dit kan slechts in beperkte mate geautomatiseerd worden. Bovendien zijn er de grondeieren, die dan nog vaak moeten worden schoongemaakt.

In de praktijk blijkt het dikwijls buiten verwachting mee te vallen, maar het verschil blijft groot. Men gaat ervan uit dat 1 volwaardige arbeidskracht kan instaan voor de verzorging van zo’n 8.000 hennen.


Concreet voor uw bedrijf betekent dit dat een biologische leghennenhouderij met 7.500 hennen een arbeidsbehoefte heeft van ongeveer 0,95 VAK. Dit betekent dat met de huidige beschikbaarheid van 1,25 VAK extra tijd beschikbaar zal zijn. Deze tijd kan nuttig besteed worden in de afzet, bvb voor het beleveren van enkele kleinhandelaars of een beperkte rechtstreekse verkoop.
Daarmee bent u niet te allen tijde volledig afhankelijk de uitbouw van de groothandel, en kunt u een meerprijs realiseren voor een deel van de productie. Let wel : deze meerprijs moet de arbeid verlonen die alternatieve afzetvormen met zich zullen meebrengen. Dus ook op dit vlak dient u een realistische financiële prognose op te maken.

13 Bedrijfseconomische aspecten


Zoals eerder gesteld, is het stalgebouw nog lang niet afgeschreven. Dit brengt met zich mee dat u nog zeker voor zes jaar met vrij zware afschrijvingen moet afrekenen. De afschrijving, de rente en het onderhoud van uw stal bedraagt momenteel 40 655 EUR
U moet deze afschrijving na omschakeling verhalen op een derde van de huidige bezetting. Dit is op zich reeds geen haalbare kaart.
Anderzijds is de binneninrichting nog in goede staat, maar wordt deze door de omschakeling grotendeels waardeloos, en staan u alweer investeringen te wachten voor een aan de biologische productie aangepaste binneninrichting.
De kosten hiervoor (o.m. voeder- en drinkwaterlijn, …) kunnen worden begroot op 10 EUR per leghenplaats. Voor uw bedrijf komt dit globaal op zo’n 75 000 EUR . Maar misschien kunt u hierop heel wat besparen door eigen arbeid en hergebruik van materialen uit de bestaande inrichting.
Daarnaast moet u ook rekening houden met verbouwingskosten, o.m. voor de uitloopgaten en herindeling van de stal (7450 EUR , en afrastering van de buitenuitloop (4340 EUR af te schrijven op 5 jaar + rente 5%).

Bedrijfseconomische berekening:



Algemene gegevens

Legperiode : 400 dagen

Legpercentage : 75%

Uitval : 10%

Eigewicht : 63,4 gram

Voerverbruik :130 gr/dier/dag





Kosten per hen in de legperiode




Aanschaf hen (18 weken):

5,45

Rente levende have (3%):

0,16

Voer: aangekocht

17,10

Stro:

0,08

Gezondheidszorg:

0,15

Water, gas, elektriciteit:

0,25

Kosten controle:

0,11

Overige kosten:

0,25

Huisvesting




Afschrijving bestaande stal

5,42

Stalaanpassingen: (7 500 x 400/365 : 15 : 7.500)

0,07

Stalinrichting: (75 000 x 400/365: 15 : 7.500)

0,72

Omheining: (4 350 x 400/365 : 5 : 7.500)

0,13

Intresten: (1.737.500 x 5% x 400/365 : 7.500)

0,31







Opbrengsten per slachthen: (0.9 x 0,62)

0,56







Netto kosten per hen:

29,65







Kostprijs per ei:

0,10







Arbeid: (28 750 x 0,95 x 400/365 : 7.500 : 300)

0,01







Kostprijs per ei inclusief arbeid:

0,11

In de hier berekende kostprijs werd de arbeidskost voor 0,95 VAK reeds meegenomen. Dit betekent dat alle kosten en uw arbeid vergoed worden indien u in de groothandel een prijs kunt bedingen van 0,11 EUR per gemiddeld afgeleverd ei. Dit is in de gegeven omstandigheden geen haalbare kaart.


14 Omschakeling

14.1 Omschakeling dieren


Om eieren onder de aanduiding “biologisch” te mogen verkopen, moeten de dieren minstens 12 weken worden gevoederd, gehuisvest en veterinaire behandelingen ondergaan volgens de normen van de biologische productiemethode.

14.2 Omschakeling grond


De omschakelingsperiode voor weiden en buitenbelopen bedraagt 1 jaar (uitzondering mogelijk tot 6 maanden). Voedergewassen moeten aan de normale omschakelingsperiode voldoen van 2 jaar.

14.3 Volledige omschakeling bedrijf


De omschakelingstermijn bedraagt 24 maanden. Alle regels voor de dieren moeten worden gerespecteerd. Het verbruik, na het begin van de omschakeling, van de nog niet-biologische op het bedrijf geproduceerde dierenvoeders wordt toegelaten.
Bv: Aangekochte bio voeders + biologisch opgekweekte kippen: de omschakelingsperiode bedraagt 1 jaar omwille van de omschakeling van het buitenbeloop.

15 Afzet


Als de producent zijn eigen productie verpakt en in de handel brengt, gebeurt de etikettering van de eieren op de verpakking.
Als de producent zijn eieren via een verpakkingscentrum in de handel brengt, moeten de eieren, voor elke menging, sortering of verpakking, individueel gemerkt worden met een identificatienummer dat aan de producent door het verpakkingscentrum toegekend werd. Het merken gebeurt ofwel bij de producent, ofwel bij het verpakkingscentrum, juist na ontvangst van de loten.
Als de eieren als eiproducten in de handel gebracht worden, dienen de fabrikanten van eiproducten de nodige maatregelen te nemen voor de identificatie en de registratie van de producten, zodat, per lot van eierproducten, de bedrijven waarvan de gebruikte eieren afkomstig zijn, kunnen worden getraceerd.

Praktijk


Er zijn, ook in eigen land mogelijkheden om biologische eieren af te zetten via de groothandel. Probleem om bij de groothandel terecht te kunnen is vaak de kleinschaligheid van biobedrijven. In uw geval is het bedrijf groot genoeg voor regelmatige afzet van grote hoeveelheden. Probleem is echter de prijs. Uw kostprijs ligt door de hoge huisvestingskosten uit het verleden zelfs enkele centiemen hoger dan wat algemeen zowat als de hoogste prijs wordt beschouwd.
Verder kan ook de kleinhandel beleverd worden rechtstreeks vanuit de productiebedrijven. Mogelijks zijn ook collega-landbouwers geïnteresseerd om eieren door te verkopen, bvb in combinatie met de zuivelproducten die zij op het eigen bedrijf produceren en thuis of op markten verkopen.
Thuisverkoop geeft uiteraard de mooiste prijs, maar de afzetmogelijkheden zijn beperkt. Naar bionormen is een toom van 7.500 hennen nog altijd een vrij grootschalig opzet. Via alternatieve afzetkanalen naast de groothandel kunt u onmogelijk alle eieren kwijt.

16 Samenvatting

Veestapel


Het is niet uw bedoeling het huidige leghennenbestand in te passen tussen de regels van het biologisch lastenboek. U wil in tegendeel een biologisch bedrijf gaan uitbouwen, waar kwaliteit en dierenwelzijn op de eerste plaats komen, en in de mate van het mogelijke wil u uw bedrijf ook in de natuurlijke kringloop van plantaardige en dierlijke productie inpassen. U zal nog 7.500 leghennen kunnen houden.

Huisvesting


De buitenbeloop is inderdaad de limieterende factor waardoor u nog 7.500 leghennen kan houden.

Teeltplan


De buitenbeloop inzaaien met klaver is een goede optie.

Bemesting/mestafzet


Naar mestafzet toe zou u over 32,6 ha zou moeten beschikken. Op zich hoeft dit niet echt een probleem te zijn. De biologische plantaardige productie, in casus de champignonteelt, is tot nader order vragende partij om bio-kippenmest af te nemen.

Voederaankoop


Er zijn zowel in binnen- en buitenland voldoende voederfirma’s die biologische voeder verkopen.

Gezondheidszorg


Zoals blijkt zijn er tal van maatregelen die verenpikkerij en kannibalisme binnen de perken houden.

Arbeid


Door de daling van het aantal kippen zal er extra tijd beschikbaar zijn. Deze kan bijvoorbeeld aangewend worden door aan de afzet te werken.

Afzet


Afzet via de groothandel is mogelijk.

Bedrijfseconomie


Er staan u alweer grote investeringen te wachten voor een aan de biologische productie aangepaste binneninrichting.

Tot slot


De weg om uw bedrijf om te schakelen naar biologische productie, ligt voor u. Met dit bedrijfsontwikkelingsplan hebben wij getracht enige wegwijzers uit te zetten.
Gaandeweg is gebleken dat de omschakeling van een kapitaals- en arbeidsintensieve, niet-grondgebonden productie uiterst moeilijk te realiseren is. Meestal zijn slechts beperkte bijkomende investeringen mogelijk, en de bezettingsnormen van zowel de hokken als de buitenuitloop lijkt bijna onoverkomelijk.
In de gegeven omstandigheden zouden wij u aanraden de omschakeling nog even uit te stellen. U heeft nog een zware investeringslast te dragen, en in dat licht zou het terugbrengen van de stalbezetting op een derde van de huidige bezetting onverantwoord zijn. De bio-meerprijs kan in geen enkele sector dergelijke verhoudingen aan.
Dat betekent niet dat u uw wens om duurzaam, en liefst biologisch te produceren, helemaal moet opgeven. Wel in tegendeel. De eerstkomende tijd raden wij u aan nu reeds te werken aan duurzame mestafzet enerzijds, en technische optimalisering van de gangbare productie anderzijds.
U zult vaststellen dat aan technisch vakbekwame productie heel wat duurzaamheidsaspecten vastzitten, zoals de voederoptimalisatie die leidt tot dierenwelzijn, ziektepreventie, kwaliteit en een betere nutriëntenbenutting.

Dit kan u helpen uw beroepsfierheid te behouden en u ondertussen reeds voor te bereiden op de eigenlijke omschakeling zodra u financieel wat meer armslag heeft.


Gedeeltelijk gangbare kippen en gedeeltelijk biologisch is volgens het biolastenboek verboden. U kunt in dat geval geen biolabel krijgen voor de biologisch gehouden kippen. Dat belet niet dat u, desnoods zeer kleinschalig, kunt starten met een stukje biologische productie, zonder label, maar wel helemaal volgens de geldende normen. Hiermee kunt u reeds heel wat ervaring opdoen zonder noemenswaardige financiële risico’s.
Wanneer de omschakeling binnen afzienbare tijd financieel haalbaar wordt, en de Europese welzijnsnormen komen in een stroomversnelling, staat u voorbereid als geen ander aan de startlijn.
Wij hopen in elk geval met dit bedrijfsontwikkelingsplan stof tot nadenken gegeven te hebben, en bij te dragen tot een nieuwe en toekomstgerichte kijk op uw bedrijf.

BIJLAGE : Nuttige adressen



*) Vlaamse Gemeenschap
Administratie Land- en Tuinbouw

Adeling land- en tuinbouwvorming

Cel biologische landbouw

Leuvenseplein 4

1000 Brussel

Contactpersonen Ann Theunissen/ Marie Verhassel

tel. : 02/553.63.90 – 02/553.63.76

fax. : 02/553.63.60

E-mail : Ann.Theunissen@ewbl.vlaanderen.be ; Marie.Verhassel@ewbl.vlaanderen.be

*) Erkende controle-organismen
Blik vzw

Bart Maes - Statiestraat 164 B - 2600 Berchem

Tel. 03/287.37.50 - Fax 03/287.37.51
Ecocert sprl

Blaise Hommelen -

Chemin de la Haute Baudecet, 1 -

1457 Walhain

Tel. 081/60 03 77 - Fax 081/60 03 13

*) Voorlichting, advies en vorming
BIO consult cvba

Adviesbureau voor bedrijfsontwikkeling biologische landbouw en

omschakelingsbegeleiding biologische landbouw

Wim Govaerts - Tolhuis 14A - Tongerlo

Tel. 0477/77 46 95 - Fax 03/287 37 71
BLIVO vzw

Biologische Landbouw

Instituut voor voorlichting en onderzoek

Peter Brattinga - Statiestraat 164 C - 2600 Berchem

Tel. 03/287.37.70 - Fax 03/287.37.71
Boerenbond

Omschakeligscursus en omschakelingsbegeleiding biologische landbouw

Ignace Deroo - Diksmuidsestwg 406/4

8800 Roeselare

Tel 051/26.03.85 - Fax 051/26 03 89
Landwijzer vzw

2 jarige beroepsopleiding biologische landbouw

Michel Mouton - Statiestraat 164 D

2600 Berchem

Tel. 03/287.37.77 - Fax 03/287.37.71
PCBT vzw

Proefcentrum voor de biologische teelt

Lieven Delanote - Ieperseweg 87

8800 Beitem

Tel. 051/26 14 45 - Fax 051/24 00 20
Vlaams Agrarisch Centrum vzw

Omschakelingscursus en omschakelingsbegeleiding biologische landbouw

Filippe Van De Craen

Ambachtsweg 20

9820Merelbeke

Tel. 09/252 59 19 - Fax 09/252 40 66




ALT – Bedrijfsontwikkelingsplan leghennen (voederaankoop) – ism VAC




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina