Voeding op voc-schepen



Dovnload 47.56 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte47.56 Kb.
J. de Hullu, ed. J.R. Bruijn en J. Lucassen

Oorspr, 1914, heruitgegeven in 1980.
Voeding op VOC-schepen
Zolang de schepen op de vaderlandse redes een gunstige wind lagen af te wachten, placht men de opvarenden van voedsel te voorzien uit de voor­raad van verversing, die alle acht of veertien dagen met lichters van de vaste wal werd aangevoerd. Niet zodra echter was men buitengaats geraakt en het overschot van de verversing geheel opgebruikt, of de schafting werd op andere voet ingericht. Had zich tot dusver een ieder naar believen van spijs en drank mogen bedienen, van nu aan werden, met uitzondering van de hoofdofficieren die in dezen aan geen bepaalde maat gebonden waren maar alles in overvloed hadden, allen aan boord op een vast rantsoen gesteld.
Wekelijks ontving ieder:

3, 3 1/2, 4 of 5 pond brood, 3/4 of 1 1/2 pond vlees en even zoveel spek, 1/2, 3/4 of 1 pond stokvis, of ook wel elke bak van zeven man 3, 4 of 6 pond,1/2 pond boter om bij het brood te gebruiken, ongerekend nog de 1 á 2 pond, die iedere bak wekelijks tot ‘doop’ of saus bij de potspijs en vis ontving,

1 of 2 mutsjes olijfolie om, als de boter op was, het brood te smeren, benevens 2 mutsjes voor elke bak tot doop bij de potspijs en vis, alsme­de

1 of 2 mutsjes azijn tot saus of toespijs.


Verder werd alle dagen aan ieder verstrekt:

een flapkan water of, zo er schaarste dreigde te ontstaan, 3, 4, 5, 6 of 8 mutsjes,

1/2, 1 of 2 mutsjes Spaanse wijn, - soms echter alleen om de drie dagen of ook wel driemaal in de week aan elk 1 mutsje,

1, 2, 2 1/4, 3 of 4 mutsjes Franse wijn,

een flapkan of 6 mutsjes bier, en 1/6, 1/4 of 1/2 mutsje brandewijn.
Voor zoveel de eetwaren betrof, waren de rantsoenen voor allen gelijk. Van de dranken daarentegen bekwamen de mindere officieren, als de bootsman, schieman, oppertimmerman, konstapel en kok dubbel zoveel als de maats, en een enkele maal vindt men ook aangetekend dat de jongens en de hooplopers of lichtmatrozen zich moesten tevreden stellen met het halve wijnrantsoen.

Over de vraag of de voeding aan boord voldoende was, liepen de gevoelens ulteen.

“Het schaffen op de schepen van de Oost-Indische Compagnie”, verklaart een 17de eeuws schrijver, die er ettelijke reizen mee had gedaan, “inzonderheid op de uitreize gaat zeer ordentelijk en niemand behoeft gebrek te lijden, dewijl alles zoo spijs als drank over­vloedig onder het scheepsvolk wordt uitgedeeld”.

Een ander, die in 1705 op een Compagniesschip naar de Kaap voer, zegt dat de spijzen werden opgedist “in zoodanige quantiteit, dat zij altijd rijkelijk daarvan verza­digd konden worden”, en volgens een derde, die in 1711 uitging, had niemand het recht om zich over de voeding op de Hollandse schepen te beklagen, want daar wordt gemeenlijk, zegt hij, meer gegeven dan men op kan.

Niet zo gunstig laat zich een auteur uit, die in de jaren 1669-1677 de Compagnie heeft gediend. Verdrietiger, dus verhaalt hij, werd voor ons de reis tussen de evenaar en de Kaap, daar in de grote hitte ons rantsoen van drank zeer verminderde. En ofschoon ons alle morgens een weinig brandewijn en driemaal in de week bij het vlees aan ieder een mutsje Spaanse wijn werd uitgereikt, kon dit onze droge keel toch weinig lafenis schenken. En hoewel men bij zo'n grote hitte weinig trek in eten heeft, was niettemin de kost altoos nog te weinig voor onze honger, een gebrek dat op vele schepen voorkomt. De Bewindhebbers hadden daar, volgens hem, geen schuld aan, het lag louter en alleen aan de inhaligheid van de schippers, die aan het volk het toekomend deel onthielden om het in Indië te verkopen en er met lichtekooien en ander gemeen volk slemppartijen van aan te richten".

Dat inderdaad door schraapzuchtige schippers het volk maar al te vaak werd te kort gedaan, lijdt geen twijfel. De welbekende Pieter van Dam, gedurende zijn meer dan vijftigjarige loopbaan als advocaat of secretaris van de Compagnie met al de zonden en ongerechtigheden van haar dienaren ten volle vertrouwd geworden, moest het met zoveel woorden erkennen, dat de schippers “haar doorgaans omtrent het schaffen en verstrekken van de eet- en drinkwaren aan het volk te veel autoriteit aanmatigden en de dispositie daarover alleen aan haar trokken, haar particulier voordeel daarin beoogende, daar nochtans zulks stond aan de verantwoording van den Scheepsraad”. Er kwam nog bij dat tengevolge van de gastmalen en braspartijen in de kajuit de provisie van wijn en brandewijn niet zelden zodanig werd uitgeput, dat met name de zieken er gebrek door kwamen te lijden.


Zoals zich begrijpen laat ontbrak het aan geen verordeningen, waarmee men van hogerhand het kwaad poogde te stuiten. Reeds in de victualielijst van oktober 1616 bepaalden de Bewindhebbers dat allen, die “eenig gebied of kommandement” over de schepen hadden, goede zorg hadden te dragen niet alleen “voor de lekkage en spilling” van de meegegeven voorraden maar ook “voor het misbruiken derzelver zonder, als voor dezen meermalen gebeurd is, dezelve in gasterijen en brasserijen in de kajuit te verkwisten”, op verbeurte van drie maanden gage, welke bij hun aankomst in Indië tegelijk met de schade door de Compagnie daarbij geleden dadelijk op hun rekening zou worden verhaald.

Ook werd in verloop van tijd het gebruik ingevoerd om van de victualie- en rantsoenbrieven, welke door de Zeventien waren vastgesteld, aan de koopman, schipper, assistent, opperstuurman, hoogbootsman of onderstuurman ieder een exemplaar te verstrekken, en bovendien uitdrukkelijk verordend dat alle leden van de Scheepsraad verantwoordelijk zouden wezen voor de “fouten, excessen of onordentelijkheden, dewelke in en omtrent het schaffen en ultdeelen van de rantsoenen buiten of tegen den rantsoenbrief zouden mogen zijn begaan of gepleegd.

Een ander middel, dat men tot wering van misbruiken in deze te baat nam, bestond hierin dat aan de hoogbootsman, schieman en konstapel de verplichting werd opgelegd om bij het afwegen en uitdelen van de rantsoenen tegenwoordig te zijn en toezicht te houden, dat “alles ordentelijk ging en het volk kreeg hetgeen de rantsoenbrief haar toevoegde, en specialijk mede rakende de dranken, tot welk einde zij moesten maken gestadig daarbij tegenwoordig te wezen wanneer de bottelier het rantsoen van dien aftapte, mitsgaders verzorgen dat hetzelve geschiedde naar het getal van het volk, voorts letten of en wat er komt over te schieten om dat tot de volgende uitreiking van het rantsoen over te houden, en waarvan de bottelier telkens pertinente aanteekening in een boek moest houden, en hetwelk de hoogbootsman, schieman en konstapel ook van dag tot dag moesten onderteekenen zoodanig en in dier voege dat, wanneer zijluiden aan de Kaap de Goede Hoop of tot Batavia of Ceilon kwamen te arriveeren, zij gehouden waren ieder van hen in het bijzonder zoo ook de bottelier de deugdelijkheid van die aanteekeningen respectievelijk met eede te bevestigen”.

Indien het dan bleek dat zij zich aan plichtsverzuim hadden schuldig gemaakt, zo “moesten de fiscaals zoo aan de Kaap als tot Batavia en Ceilon tegen de nalatigen of wederspnnigen procedeeren mitsgaders contendeeren tot de verbeurte van eenige maanden gagie of verdere arbitrale correctie, en waarin de rechters gehouden waren dezelve na examinatie en bevinding van zaken te condemneeren".


Kort na het uitlopen, op dezelfde tijd dat de rantsoenen ingingen, werd het volk door de bottelier in groepen of zogenaamde bakken verdeeld, ten getale van zeven of zeldzamer van acht man ieder, die zolang de reis duurde gemeenschappehjk uit één schotel of bak aten. In de regel droeg men zorg dat wie het best overeenkwamen of in aanzien ongeveer gelijk stonden bij elkaar werden gevoegd.

Zo aten aan éénzelfde bak de bottelier, de botteliersmaat, de kuiper, de trompetter, de kwartiermeester en de onderchirurgijn; evenzo de kok met zijn onderhebbend personeel; verder de bootsman met de bootsmansmaat, de schieman, de schiemansmaat en de zeilmakers; de timmerlieden; alsmede de konstapel met zijn maat en de busschieters.

Ter onderscheiding droeg elke bak zijn eigen naam; die, waaraan een Duits Compagniesdienaar op een van zijn reizen tussen 1694 en 1701 werd geplaatst, heette bijvoorbeeld: Wat gaat het jullie aan? Van de zeven of acht man, die te zamen “een baksvolk” uitmaakten, was elk op zijn beurt een week lang bakmeester; hij haalde de spijzen, hield de plaats schoon daar men aanzat en waste het eetgerei af. Veel omslag behoefde dit laatste niet te kosten, want het servies, waarvan het volk zich bediende, was uitermate sober en eenvoudig; het bestond uit een paar houten schotels, een diepe en een vlakke, een ‘boterlog’ en een zevental houten lepeIs.
De zorg voor de bereiding van het eten en voor hetgeen daar verder bij te pas kwam berustte bij de kok, de bottelier en de verse balie.

De bottelier zag toe dat de victualie niet door bederf of lekkage te loor ging of op onnutte wijze werd verbruikt, deelde op de gezette tijden aan het volk de rantsoenen uit en verstrekte de kok alle dag de vereiste hoeveelheid gort, erwten, stokvis en dergelijke, welke deze met behulp van de koksmaat en de koksjongen voor de gezamenlijke opvarenden, de kajuitsgasten zowel als de minderen, die op den overlopen aten, te koken had.

De verse balie was een gewoon matroos die het vlees en spek vóór het gekookt werd van pekel zuiverde en het, om de zoute smaak weg te nemen, een etmaal lang in de week zette en er alle vier uren vers water op gieten moest. Ook was het zijn werk voor het beuken en weken van de stokvis te zorgen.

Behalve op tijden wanneer men, wegens schaarste van brandhout of uit vrees dat er gebrek aan water zou ontstaan, maar twee of zelfs maar één keer warm eten schafte, werden er aan boord drie maaltijden gehouden per dag. In het begin van de dagwacht, 's ochtends omstreeks vier uur, ging een van het volk de kok wekken opdat hij het ontbijt zou gereed maken, dat om acht uur na het morgengebed klaar moest wezen. Te twaalf uur schafte men wederom en na afloop van het avondgebed werd het laatste maal opgedist. Tot teken dat ieder zich aan zijn bak zou voegen placht men vóór elke maaltijd enige keren met de scheepsklok te kleppen of, om in matrozen-Hollands te spreken, de “vreetklok” te luiden.


Zodra de minderen hadden gedaan, werd er opnieuw geluid, waarop zich de schipper aan tafel begaf tegelijk met de koopman, de onderkoopman, de assistent, de opperstuurman, de predikant, de ziekentrooster en de opperchirurgijn. Dezen, waarbij als de ruimte het toeliet soms ook de onderstuurman en de derdewaak werden gevoegd, aten bij elkaar in de kajuit en waren, wat het servies aanging, iets beter voorzien dan het volk aan de bakken; zij bedienden zich van tinnen lepels, servetten, hand- en droogdoeken, aten uit schotels en teljoren van tin en hadden hun tafel gedekt met een linnen ammelaken.

Was het officiersmaal afgelopen dan schafte ten laatste ook het volk van de botteliers- en de koksbak, het ketelskwartier gelijk men het noemde, dat onderwijl de anderen bezig waren met eten boven op het dek de wacht placht waar te nemen.

Zo was de gewone regel, ten minste als het kalm weer was. Bij stormweer daarentegen moesten de manschappen het ook wel dagen achtereen zonder warme spijzen doen, omdat men dan wegens het hevig slingeren van het schip niets in de kookketels kon houden.

Over het algemeen was de scheepskost zó hard en zwaar, dat “weekgebakken wittebroodskinderen”, gelijk een Indisch oudgast uit de 17de eeuw het ergens uitdrukt, zich wel rijpelijk mochten bedenken vóór zij een reis naar de Oost aanvaardden, want wie “geen gevoerde of halve struisenmaag” bezat liep, volgens hem, groot gevaar het slachtoffer te worden van een maagkwaal en als Iijk over boord te worden gezet eer hij zijn bestemming bereikte.

Wat de zaak nog verergerder was dit dat de leveranciers de schepen soms voorzagen van oud en verlegen goed, erwten bijvoorbeeld welke bij het koken hoe langer hoe harder werden of vlees dat reeds vier, vijf á zes jaar onder de pekel gelegen had. Zelfs als er op de deugdelijkheid van de geleverde provisie niets viel aan te merken, ging deze trouwens in de verstikkend hete scheepsruimen maar al te spoedig tot bederf over.
Elke morgen, en in de 18de eeuw naar het schijnt ook alle avonden, werd er gort met of zonder rozijnen geschaft, die in boter was gezoden en waarbij nu en dan “om een open lijf te houden” gekookte pruimen waren gevoegd. Meestal was zij zo dik gekookt dat men ze met een mes kon snijden, en, om haar wat smijdiger te maken, de boter, het vleesnat of het ander vet, dat er als saus werd over geschept, met een weinig water, bier of wijn moest vermengen.
Het middag- en het avondmaal bestond in de 17de eeuw dag uit dag in uit grauwe of groene erwten en bonen, enkel in water opgekookt, met saus van boter, of vleesvet en wat azijn er bij. Naderhand moet daar evenwel verandering in gebracht zijn, want blijkens het in 1791 gedrukte “Reglement voor de uitdeeling der victualiën en rantsoenen” kwamen toen ter tijd slechts op drie dagen van de week erwten en op de overige vier ééns witte bonen, ééns gort, ééns rijst en ééns zuurkool op tafel. Noopten de omstandigheden tot bezuiniging op het gebruik van water, dan gebeurde het wel dat men het verstrekken van gort, erwten en bonen of potspijs, zoals de algemene naam luidde, geheel staakte en ter vergoeding het rantsoen van vis en vlees vermeerderde. Bij de erwten en bonen werd vlees, spek of stokvis gegeten, wekelijks meestal tweemaal vlees en ééns spek of omgekeerd tweemaal spek en eens vlees, soms eenmaal vlees en eenmaal spek, en twee, vier of vijf keer stokvis.

Wanneer het vlees en spek, dat eerst gekookt werd nadat het een dag en nacht in de week had gestaan, uit de ketel werd gehaald, kwamen de verschillende bakmeesters elk met hun schotel de portie voor hun bak afhalen. De bottelier of de kok sneed het nu af in even zoveel stukken als er bakken waren, en vervolgens werd er, opdat de ene niet meer zou ontvangen dan de andere, door iemand omgestaan, die op de vraag: “wie zal dit hebben?” de naam noemde van een van de bakken en daarmee voortging tot zij alle van de hun toekomende portie waren voorzien. Aan elke bak werd deze weer in zeven stukken verdeeld die men daarop, opdat ook hier de een niet boven de ander zou worden bevoordeeld, onder de aanzittende gasten verlootte. Soms, als er schaarste van water en brandhout heerste, gaf men het spek niet gekookt maar rauw te eten.


Het schaften van stokvis, oudtijds vaste regel, had omstreeks 1760 toen de Middelburgse geneesheer Paulus de Wind zijn verhandeling over de scheepsziekten in het licht zond, in het geheel geen plaats meer. Zijns inziens was deze verandering voor de gezondheid van het scheepsvolk niet gunstig geweest omdat, zegt hij, “het vleesch en spek altoos in zeewater geweekt en gekookt wordende het volk gedurende de reis te veel gezouten kost naar mate van hun drank kreeg”, en dit door afschaffing van de stokvis, “geen zout inhebbende en zelf in geen zout maar versch water moetende gekookt worden”, nog toegenomen was. Waarschijnlijk was men, naar zijn mening,juist hierom tot de afschaffing overgegaan, omdat men met het oog op de lange reis naar Indië en het groot getal van opvarenden de watervoorraad zoveel mogelijk wilde sparen

Curieus is het naast de opvatting van De Wind een besluit te lezen, omstreeks honderd jaar vroeger op een uitgaand schip genomen. “Alzoo de scheurbuik onder het volk zeer is toenemende”, lezen wij daar, “zoo zullen van nu voortaan totdat ververschingen bekomen geen stokvisch meer schaften, omdat wij duchten die de scheurbuik doet vermeerderen doordien in zout water geweekt en gekookt wordt, en in stede van dezelve stokvisch zullen een spekdag meer geven” .

Nadat De Wind schreef moet men echter weer tot het oude gebruik zijn teruggekeerd, want zoals uit de in 1791 gedrukte victualie- en rantsoenlijst blijkt stond toentertijd stokvis met boter en mosterdsaus weer evenals vroeger een paar keer in de week op het menu.
Behalve aan de verse zeevis, waarvan zij onderweg nu en dan zulk een enorme hoeveelheid wisten te bemachtigen dat zij er zich dagen achtereen aan vergastten, of na ze ingezouten of in de zon gedroogd te hebben er gedurende de gehele verdere reis van eten konden, hadden de maats van tijd tot tijd een zeer welkome versnapering aan het vlees van de aan boord geslachte varkens, schapen en ander vee, die men hier of daar ingeno­men of bij het vertrek uit het vaderland als provisie medegekregen had. Meestal werden daar een paar volle zeugen voor bestemd, opdat het volk aan de aan boord geworpen biggen nog een smulpartij te meer zou hebben. Jammer slechts dat de wijze, waarop de Bewindhebbers dit werk behandelden, al weer aanleiding tot klachten moest geven. “Wij voldeden heden de schuld voor de Barles”, aldus staat er in een scheepsjournaal van 1670 opgetekend, “daartoe twee varkens van de vier, die wij nog hadden, waren geslacht. Den raad d'heeren Meesters gegeven is de matrozen en het verdere scheepsvolk niet zeer voordeelig: in plaats van twee volle zeugen, zooals de gewoonte eertijds was, zulke onnoozele steilooren mede te geven, die niet grooter zijn geworden dan de gemeene akervarkentjes plegen te zijn, zulks deze vier geen meerder spek te zamen zouden bijbrengen dan een oude Friesche zeuge voorhenen, en men kreeg er twee, die dan nog zoo een menigte jongen hebbende voortgebracht nog twee á drie vette dagen voor het volk plegen te verschaffen, daar nu zoo veel aan deze varkens niet was dat het eenigszins naar behooren mocht toereiken”.
In den loop van de 18de eeuw weliswaar zal voor grieven als hier werden uitgesproken wel geen reden meer hebben bestaan, want nadat de Zeventien in 1706 hadden besloten dat grote schepen elk vier volle zeugen of twaalf biggen moesten meenemen en de kleinere “naar advenant”, bepaalden zij in 1731 dat een schip van 130 voet met twaalf, een van 145 met zestien en een van 160 voet met achttien “levende varkens” zou worden voorzien, terwij] in de victualielijst, die in 1791 werd gedrukt, stond voorgeschreven dat er voor iedere honderd opvarenden tien varkens en vier schapen moesten meegenomen worden.

Zulk een extra tractatie viel het volk onder meer te beurt op hoge Christelijke feestdagen, of wanneer men op de hoogte van de Barles kwam, waar zij de feestelijkheden van de zeedoop vergoeden moest, welke men daar ter plaatse in vroeger tijd aan de onbevaren gasten placht toe te dienen maar die later door de Bewindhebbers was verboden, en eveneens wanneer een schip ongedeerd de gevaarlijke Abrolhos was gepasseerd. [Noot Bataviawerf: Let op: het gaat hier om de Zuid-Amerikaanse Abrolhos, niet de Australische ! ]


Daags te voren, vertelt iemand die op het laatst van de 17de eeuw in persoon het Abrolhosfeest had meegevierd, liet de schipper drie uit Holland meegebrachte varkens slachten en van het vlees voor het volk een hutspot klaarmaken, “het vleesch werd in een ketel half gaar gekookt, daama werd er in die soep wat grutten gedaan, en vervolgens goot men er twee kannen wijn bij, waarop deze soep met het vleesch aan het volk werd rondgedeeld en daarenboven nog een kan Spaanse wijn aan elke bak. Dit is het heerlijke banket, dat de Compagnie op alle schepen laat geven, wanneer zij de Abrolhos zijn gepasseerd”.

Een dergelijk onthaal genoot de bemanning van het uitgaand schip Zutphen, toen in augustus 1632 “voor al het volk tot ververschinge” werden opgedist “twee mooie jonge varkens op het schip geworpen, drie magere schapen van Nederland medegebracht en een bokje van Ilha de May, tsamen tot hutspot gekookt, en daarnevens ook een kanne Spaansche wijn aan ieder bak” werd gegeven “in plaatse van het mutsken voor elken man tot rantsoen”. De kajuitsgasten deden zich bij zulke gelegenheden te goed aan vers schapen of gebraden lamsvlees en aan eieren van de aan boord gehouden kippen. Van groenten bij het maal schijnt oudtijds, afgezien van uien en mierikswortel, zo goed als geen sprake te zijn geweest. Wel werden op de kampanje van sommige schepen tuintjes aangelegd, waar men sla, kers, pieterselie en andere moeskruiden in zaaide, doch hetgeen hiervan werd verkregen diende grotendeels zo niet uitsluitend tot verkwikking van de zieken inzonderheid van de scheurbuiklijders.

Omstreeks 1760 echter was het reeds een vast gebrulk dat elk uitgaand schip wat uien en verse kool meenam om daar, zolang de voorraad strekken zou,'s zondags soep van te schaffen in plaats van gezouten vlees, en naar de victualielijst en het rantsoenreglement te oordelen, die in 1791 werden gedrukt, nam men destijds voor elke honderd man vijf okshoofden zuurkool mee, benevens drie okshoofden komkommers in azijn en “een goede quantiteit kool, wortelen en uien”, en deelde men bovendien een paar keren in de week bij het vlees en spek aan elk baksvolk een “kleine bak” augurken uit.

Wie tussen de drie dagelijkse maaltijden in versterking van de inwendige mens behoefde vond die deels in de provisie, waarvan hij zich vóór het uitvaren op eigen kosten had voorzien, deels in de verschillende eetwaren, welke hem als rantsoen waren toebedeeld. Zodra namelijk het gewone zachte brood, waarvan men zolang de voorraad duurde zoveel mocht nemen als men beliefde, was opgebruikt, ontving ieder alle zaterdagavonden een bepaalde portie scheepsbeschuit met wat boter of, als deze op was, wat olijfolie er bij, waarmee hij de gehele week moest zien rond te komen. Voor het geval dat er onderweg een lek in de broodkamer mocht ontstaan namen de uitgaande schepen, althans in de aanvang van de 18de eeuw, uit voorzorg altijd een hoeveelheid rijst mee, die men dan zo droog gekookt dat zij met de vingers kon gegeten worden in plaats van de oneetbaar geworden beschuit verorberde.

Ook het bakken van vers brood, al geschiedde dit waarschijnhjk vooral ten behoeve van de kajuitsgasten en zieken, was aan boord niet onbekend. “Voorheen wist men op de schepen van geen broodbakken af”, staat er in een reisbeschrijving van omstreeks 1645-1660 te lezen, “maar tegenwoordig bezitten haast alle groote schepen ovens, en de heeren op Batavia laten zooveel meel malen als zij oordeelen dat deze op de reis zullen van noode hebben. Zoo wordt ook voor de zich daarop bevindende zieken zachter en fijner brood gebakken”.

De gewone versnapering bij de beschuit was kaas. Buitendien werd, zolang de in december 1695 vast­gestelde victualie- en rantsoenlijst van kracht is geweest - want in de vroegere en latere wordt er met geen woord van gerept - aan elk, die op de in december, januari, februari en maart uitgaande schepen meevoer, totdat de voorraad op was tweemaal in de week een pekelharing uitgedeeld.

Hoe er ten opzichte van het kaasrantsoen werd gehandeld is niet recht duidelijk. Op 10 januari 1608, zo lezen wij in het journaal van een uitgaand schip, “is bij den scheepsraad goedgevonden ieder man uit te deelen vijf kazen voor de heele reize omme bij dien middel de kazen voor het bederven beter te preserveeren”. Op een paar andere schepen, omtrent drie jaar later uit het vaderland vertrokken, werden toen men goed en wel het Engels Kanaal uit was insgelijks aan ieder vijf stuks kazen ter hand gesteld, “mits dat zij dezelve moesten bewaren tegen de weder­omreize, wanneer weinig provisie hebben, en werden nu gegeven en uitgedeeld (zo staat er bij aangetekend) omdat iedereen die zijne behoor­lijk reinige en onderhoude, zonder dat iemand vermocht eenige kazen te ontginnen onder pretext dat zij bederfelijk zouden mogen wezen dan met consent en voorweten van den opperkoopman of schipper, en wanneer daartoe vermaand werden moest ieder behoorlijke monsteringe doen”. En in februari 1610 besloot de Brede Raad van de vloot, die onder Pieter Both naar Indië zeilde, “dat ieder man van 't varende volk gegeven zouden worden vier kazen om te bewaren en tot Bantam komende die wederom te vertoonen op pene van een maand gagie, dan bij gevalle de kazen puttris kwamen te worden, zoo zouden die in de kajuit vertoond worden, waarvan men boek houden zou”.

Een soortgelijk besluit nam in 1614 de Scheepsraad van het uitgaand schip 't Wapen van Amsterdam.”Op den 27 Mel (staat daar aangetekend) resolveerden, om te verhoeden het verderf des zoetemelksche kaas, aan ieder uit te deelen en te geven vijf kazen tot zijn provisie voor die geheele reize, met expresse belastinge dat diezelve bij haar niet mochten ontgonnen of gegeten worden in geener manieren of onder pretext van niet zoet te wezen zonder nader consent van den koopman en schipper, op [poene] van acht dagen te water en te broode in de ijzers te zitten en voorder op arbitrale correctie, alles tot zulke meeninge en intentie om die kazen tegen de wederomreize te bewaren.

Behalve deze, welke dus uitsluitend waren bestemd om op de retourreis te worden genuttigd, zal er op de uitgaande schepen bovendien nog wel van tijd tot tijd een extra-rantsoen van kaas voor onmiddellijk gebruik zijn uitgereikt: herhaaldelijk ten minste wordt van zulke uitdelingen gesproken in een ander journaal van juist datzelfde schip 't Wapen van Amsterdam, dat ik zoëven noemde". Naderhand - want blijkens de victualielijsten en ettelijke reisbeschrijvingen bleef men ook in later tijd “voor de geheele reis” aan ieder ééns voor a drie, vier á zes kazen van zes tot acht pond geven. Naderhand zal de verplichting om die voor de retourreis te besparen vermoedelijk zijn afgeschaft. Volgens Kolbe, die in 1705 uitzeilde, zou het destijds aan de maats vrij hebben gestaan om ze gedurende de reis op te eten en wel er mee te doen wat zij verkozen.

Tot welke paardemidelen men al zo de toevlucht nemen moest om ze tegen bederf te beschutten, toont een aantekening in het dagregister van de in 1670 uitgelopen Compagniesbodem Sparendam. “De matrozen (wordt daar gezegd) wapenen haar kazen met wat teer tegen den aanval der vliegen, die hunne eieren anders daarin leggen, daar zij als gezegd van geweerd worden door een kleedje van teer”.


Terwijl de schepen op de rede lagen en nog enige tijd daarna placht men voor de opvarenden zoveel bier te tappen als zij begeerden, doch al vrij spoedig nadat men in volle zee gekomen was ging het biervat dicht en werd hun slechts een bepaalde maat toegemeten. Eerst wanneer het bier, waarvan men om de weinige duurzaamheid maar een geringe voorraad meenam, geheel was opgebruikt, werd er een begin gemaakt met het verstrekken van water en dat wel in rantsoenen die, per dag zelden meer dan een kan ja soms slechts de luttele maat van 3 mutsjes of 45 centiliter inhoudende, te veel gaven om te sterven en te weinig om te leven.

Tegelijk met die van drinkwater namen ook de uitdelingen van wijn een aanvang. Dat de wijn- en brandewijnrantsoenen, die immers “niet tot wellust maar tot preservatie des volksgezondheid” strekten, door de manschappen niet mochten worden opgespaard maar, als de bottelier ze uitreikte, onmiddellijk moesten worden uitgedronken zal wel op alle schepen als regel hebben gegolden. Doch voor het overige heeft men de uitdeling van de dranken blijkbaar veel minder naar vaste regels ingericht dan naar hetgeen de omstandigheden op elk afzonderlijk schip vereisten.

Enkele grepen uit de berichten van ooggetuigen of tijdgenoten mogen dit in het licht stellen. Op de vloot, die in mei 1598 onder Jacob van Neck naar Indië vertrok, werd op 13 augustus van genoemd jaar door de Brede Raad besloten, “dat voor ieder man in de twee dagen uitgedeeld zou worden 3 mutsjes wijns, als één onder den ontbijten of vroegkost en één onder het avondmaal”. Op het uitgaand schip 't Wapen van Amsterdam vond men (26 juli 1614) goed om “alzoo het bier uit was” uit te delen aan ieder per dag 3 mutsjes Franse wijn, te weten Is morgens één en één ‘s middags en één ‘s avonds na het eten. [...]

Op de Zwarte Beer, die in 1614 uitzeilde, was op 13 februari 1615, gelijk een van de officieren kort daarop aan de Kamer Amsterdam berichtte, het “Iaatste bier uitgetapt, zoodat wij (schrijft hij) op 14 derzelver (maand) hebben begonnen te geven rantsoen van water en wijn, te weten ieder persoon 1 flapkanne water en 2 mutsjes wijn alle dage” en op 21 maart “hebben wij begonnen brandewijn te geven overmits dagelijks zeer koud was, en werd gegeven des morgens vroeg 1/2 mutsje ieder persoon twelk heeft geduurd totdat wij ons anker hier (in de Tafelbaai) lieten vallen". [...]

Op het schip Banda, omstreeks half februari 1636 uitgelopen, werd op 29 april van datjaar “het rantsoen van wijn en water in het werk gesteld, te weten 6 mutsjes water en 3 mutsjes Fransche wijn, waarbij nog gekomen is bij regenachtig en koud weder 1/2 mutsje Spaansche wijn in de vroeg- of morgenstond gegeven in plaats van brandewijn”. [...]
Op de Compagniesschepen, zo verhaalt een auteur die in 1709 uitvoer, wordt driemaal per week Spaanse wijn uitgedeeld, namelijk op de dagen dat men vlees of spek schaft, op de overige geeft men driemaal daags arak of brandewijn. Omstreeks 1760 ontvingen de maats op de drie wekelijkse vlees- en spek-, of zogenaamde hachjesdagen, 1 mutsje wijn en verder elke morgen en avond 1/2 mutsje jenever, en aldus is het blijkens, het in 1791 ter perse afgelegde reglement op de uitdeling der victualiën en rantsoenen gebleven tot in de laatste dagen van de Compagnie toe.
Het meegeven van brandewijn, hoe nuttig ook naar de toenmalige mening tot instandhouding der gezondheid, bracht uit de aard der zaak zijn onvermijdelijke bezwaren mee. Hoe licht konden de maats, inzonderheid de jongeren, door het geregeld gebruik van een oorlam tot verslaafdheid aan de drank vervallende, het voorbeeld komen te volgen van diegenen onder hun makkers, die voor het uitlopen uit eigen beurs een grotere of kleinere voorraad insloegen en zolang hun vaatje nog iets bevatte zich maar gedurig aan de inhoud te goed deden precies alsof zij een boerenkermis bijwoonden of te gast waren in een kroeg, en maar al te vaak aan het twisten en vechten sloegen of stomdronken en voor half dood achter hun kisten lagen. Gezwegen nog van het gevaar dat bij brand het door de brandewijn aangewakkerde vuur met des te feller woede om zich heen greep. Toen dan ook in 1630 het rijkbevrachte retourschip Dordrecht met zijn volle lading in vlammen was opgegaan, werd door de Bewindhebbers bij wijze van veiligheidsmaatregel verordend dat op de schepen geen sterke drank meer zou worden meegegeven, en tegelijkertijd aan de Hoge Regering verboden de uit Indië terugkerende bodems daarvan te voorzien. Doch reeds in 1640 heeft men het oude gebruik weer in ere hersteld, en op die voet is het sedert gebleven, behalve dat in den loop van de 18de eeuw, gelijk wij zagen, de uitdelingen van jenever de plaats innamen van de vroegere brandewijnrantsoenen.
Van de voeding op de uitreizen, zoals zij in het hier voorafgaand overzicht is geschetst, verschilde die op de retourschepen slechts weinig. Alleen werd daar op de zogenaamde “boondagen” in plaats van erwten of vaderlandse bonen de bekende katjang geschaft, de gort en grotendeels ook het brood door rijst vervangen en in plaats van brandewijn arak uitgedeeld.

Ofschoon allen die in dienst der Compagnie overvoeren de kost vrij hadden, gingen de hoger geplaatsten gewoonlijk, althans in de 18de eeuw, met de schipper een accoord aan, waarbij deze zich verbond om hun tegen betaling van een zekere som een extra-tafel te verschaffen. De kwaliteit van hetgeen de schippers voor hen opdisten schijnt weinig of geen reden tot beklag te hebben gegeven, maar dat sommigen van hen uit winstbejag ook hierbij misbruik maakten van hun positie blijkt uit hetgeen daarvan in een werkje van 1790 wordt meegedeeld. Aan de tafels van de opperste scheepsofficieren, wordt daar gezegd, verstrekt de Compagnie “dubbele rantsoenen en nog het een en ander voor extra, maar de kapiteins hebben sedert eenigen tijd kunnen goedvinden, zonder met hunne off icieren in 't gemeen daarover te consuleeren, zich voor deze tafel nog met een aanmerkelijke provisie, zelden minder dan voor 12, 14 á 16 honderd guldens, van hier tot aan de Kaap te proviandeeren”.

Weigert iemand “in deze meerdere provisie eenig aandeel te nemen”, dan kan hij er staat op, maken gedurende de ganse reis als “een verschoveling” te moeten “omzwerven” en wordt hem het leven door duizenderlei onaangenaamheden zuur gemaakt. Hij moet dus wel, zo hij niet van zijn medeofficieren met de nek wil aangezien worden, “zich aan deze willekeurige bestelling onderwerpen en zijn aandeel, hoeveel dat ook zijn moge, betalen”. Het was daarom te wensen, zegt de schrijver, dat er door de Bewindhebbers eens een bepaling werd vastgesteld, “waardoor aan alle officieren, die tot deze tafel behooren en die het nu, omdat zij van de kapiteins afhankelijk zijn, niet durven tegenspreken, een groote gunst zal geschieden, want als deze arme menschen na 6 á 7 maanden op zee te hebben rondgezworven behouden in de Indiën aankomen, dan heeft gemeenlijk hun aandeel aan de tafel hunne maandgelden tot aan dien tijd toe verdiend verslonden”.

De Hullu - Voeding op VOC-schepen - -






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina