Voor groep 1 en 2 Door: Drika Pepping-Poot Sprookjes musical voor groep 1 en 2 Volgorde in het verhaal



Dovnload 59.48 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte59.48 Kb.


Voor groep 1 en 2

Door: Drika Pepping-Poot

Sprookjes musical voor groep 1 en 2
Volgorde in het verhaal:

  • intro door de leerkracht

  • kinderen komen allemaal op en zwaaien naar de ouders

  • lied door de hele groep “droomboot”

  • gedicht door groep 1 “de goochelaar”

  • verhaal + toneelspel “Hans en Grietje” + liedje “Hans en Grietje”

  • gedicht door groep 2 “De heksenschool”

  • verhaal + toneelspel “De wolf en de zeven geitjes”

  • lied “Zeg roodkapje”

  • gedicht “De heks” (hele groep)

  • leerkracht geeft aan dat de ouders naar huis kunnen gaan

  • lied door de hele groep niet op het toneel “droomboot”

De leerkracht vertelt dat ze toen zij een klein meisje was, ze met haar hond Sjors (meenemen) bij oma gelogeerd heeft. Oma woonde bij een bijzonder bos. Wie er in dat bos allemaal woonden? Dat zullen we vandaag allemaal horen en zien.


De kinderen komen op en zwaaien even naar de ouders (dit om te voorkomen dat zij dit tijdens het spel ook nog willen doen).
Scène 1

D


e kinderen zingen het lied “Droomboot”, de kinderen van een andere groep die het lied ook kennen kunnen eventueel meezingen vanuit de zaal.

Scène 2

Groep 2 gaat van het toneel af en de kinderen van groep 1 blijven staan. Zij zeggen nu het versje op van “De goochelaar”.


Er was een keer een goochelaar

Die goochelde van alles,

Van alles wat maar mal is,

De malste dingen bij elkaar.


Abakadabra Kalebas

Hokus Pokus Pilatus Pas.


Hij goochelde, die goochelaar,

Een pimpelpaars konijntje,

Een roze everzwijntje,

Een puntmuts en een rammelaar.


Abakadabra Kalebas

Hokus Pokus Pilatus Pas.


Hij goochelde een oude schoen,

Drie sokken aan een lijntje,

Een stippeltjesgordijntje

En een schattig juffertje in ’t groen.


Abakadabra Kalebas

Hokus Pokus Pilatus Pas.


Toen zwaaide hij zijn stokje vlug

En wipte op zijn tenen

En was opeens verdwenen

En nooit en nooit meer kwam hij t’rug.


Abakadabra Kalebas

Hokus Pokus Pilatus Pas.


Scene 3

De kinderen van groep 1 lopen af. Juf komt op met haar hond en een grote map. Ze vertelt dat haar oma de verhalen van de mensen en dieren in het bos heeft opgeschreven. Luister maar eens naar het volgende verhaal. Juf neemt plaats op een boomstam en begint te lezen. De kinderen spelen het verhaal na.


Verhaal van Hans en Grietje:
Aan de rand van een groot bos woonde eens een houthakker met zijn vrouw en twee kinderen, Hans en Grietje. Ze waren erg arm. ’s Nachts in bed konden de houthakker en zijn vrouw niet slapen van de zorgen. “Hoe moeten we onze kinderen te eten geven?”Zei de houthakker, “we hebben niet eens genoeg voor onszelf.”Toen zei zijn vrouw:”Morgenochtend nemen we hen mee naar het bos. We zullen een vuur voor hen maken en wat brood aan hen geven. En daarna zullen we aan het werk gaan en hen achterlaten.”
Hans en Grietje konden van de honger niet slapen en hoorden alles wat hun ouders zeiden. De volgende ochtend werden ze vroeg gewekt. “We moeten naar het bos om hout te hakken,”zei hun moeder. Ze gaf Hans en Grietje een paar stukken droog brood. Onderweg liet Hans steeds een kruimeltje brood vallen. Ze liepen heel diep het bos in. Daar maakte de houthakker een vuur. “Ga hier maar wat uitrusten,”zei hij tegen zijn kinderen. “Wij gaan wat verderop houthakken.”Hans en Grietje wachtten urenlang. Ze werden moe en vielen in slaap. Toen ze weer wakker werden, was het midden in de nacht. De maan scheen. Hans en Grietje probeerden het spoor van de broodkruimels te vinden, maar het was er niet meer. De vogels hadden de kruimels opgegeten.

De kinderen gingen op zoek naar de goede weg naar huis. Ze wandelden steeds verder.


(melodie:”Op een grote paddestoel”)

Hansje en Grietje die liepen door het woud.

’t Was er zo donker en o,zo bitter koud.

Ze kwamen bij een huisje van koek en marsepein.

Wie zou de baas van dat huisje nu wel zijn?
Opeens zagen ze een huisje staan, een huisje dat gemaakt was van brood en koek en suikergoed. Ze renden er heen en hapten van het huisje. Eindelijk hadden ze wat te eten.
“Knibbel knabbel knuisje, wie knabbelt er aan mijn huisje?”
Van achter een boom kwam een stokoude vrouw tevoorschijn. “Kom maar,”zei ze,”dan krijgen jullie melk en pannenkoeken.”Hans en Grietje aten en dronken zoveel ze konden. Daarna werden ze in een zacht bed gelegd. Ze vielen meteen in slaap. Maar de oude vrouw was een heks. Ze stopte Hans nog voor hij wakker werd in een hok met een traliedeur ervoor. Ze deed de deur op slot. Daarna maakte ze Grietje wakker. Grietje moest heel hard werken voor de heks en kreeg haast niets te eten. Hans kreeg juist wel veel. De heks wilde hem vetmesten en braden. Ze had slechte ogen en daarom zei ze elke dag tegen Hans:”Steek eens een vinger door de tralies. Dan kan ik voelen hoe vet je al bent.”Maar dan stak Hans een stokje door de tralies, een stokje dat elke dag even dun bleef.
Na vier weken had de heks geen geduld meer. “Ik ga je broertje braden,”zei ze tegen Grietje. “Maak de oven maar aan.”En toen de oven gloeiend heet was, zei ze tegen Grietje:”Voel eens van binnen of de oven heet genoeg is.”Maar Grietje had een plannetje. Ze deed net of ze de heks niet begreep. “Hoe moet ik dat doen?”vroeg ze. De heks deed het voor. En toen gaf Grietje haar een duw, zodat de heks in de oven viel. Snel deed ze de deur van de oven op slot. Zo verbrandde de heks. Ze was dood. Daarna bevrijdde Grietje Hans. In het huisje van de heks vonden Hans en Grietje parels en diamanten. En de vogels, die eerst alle broodkruimels hadden opgegeten, kwamen naar hen toe om het goed te maken, door hen de weg te wijzen. Zo kwamen Hans en Grietje weer thuis. Hun ouders waren heel blij dat ze hen terugzagen. Ze waren nooit meer arm en lagen nooit meer ’s nachts wakker.
Scène 4

Het verhaal is afgelopen en de kinderen lopen af. Juf vertelt dat oma niet alleen verhalen, maar ook gedichten en liedjes heeft opgeschreven, luister maar.

De kinderen van groep 2 komen op en zeggen het gedicht van de heksenschool op:
De tovenaar van Balkenbrij

Geeft lessen in de toverij.

Zo zie je massa’s toverkollen

Om negen uur naar school toe hollen.

Voor Toov’ren moet je steeds reusachtig

Studeren hoor, al word je tachtig,

Dus loopt het schooltje boordevol

Met bezemsteel en pruikebol.


’t Is een verschrikkelijk gedrang.

De meeste neuzen zijn te lang,

En oorverdovend is het kabaal

Van oor-geflap en heksentaal.

Van Balkenbrij roept eind’lijk: ‘Kom,

Vlug dames, zit eens netjes krom!

Nu uitscheiden met wratten tellen

En modepraat en rupsen pellen.


Jij, Kaatje, kijk niet aldoor rond,

En doe die kikker uit je mond!

Hee, Krakkemietje, zeg eens even,

Bij welke les zijn wij gebleven?’

‘Bij het verhaal,’zegt Krakkemietje,

‘Over de heks van Hans en Grietje.’

‘Juist!’zegt nu meester Balkenbrij,

‘Een heel beroemde heks was zij.


Door Hans en Grietjes, ’t slecht gespuis,

Werd zij gestopt in het fornuis.

Eens toverde die knappe vrouw

Maar een, twee, drie een heel gebouw

Van pannenkoek en suikergoed.

Zeg, wie van jullie die dat doet?

Nu schreeuwt en tiert de hele klas,

Van hokus, pokus, pikus pas!


De een al harder dan de ander

Roept toverspreuken door elkander,

En regent het uit alle hoeken

Nu bolussen en pannenkoeken,

Meest aangebrand of halfgaar.

‘Hou op, hou op, uitscheiden daar,’

Roept Balkenbrij, wanneer een taart

Zich vastgezet heeft in zijn baard.

Een laatste oliebol vliegt dan

Nog in de mond van d’ arme man.


Gelukkig wordt de bel geluid,

‘Mooi twee aan twee de schooldeur uit,’

Roept Balkenbrij. ‘En wie er stout is,

Of t’ie ook negentig jaar oud is,

Die schrijft mij twintig maal voor straf

De les van Hans en Grietje af!’

Daar gaat de kakelende troep

Naar huis toe voor de kikkersoep.


Een diepe zucht slaakt Balkenbrij.

‘’t Is gauw vakantie,’mompelt hij.


Scène 5

De kinderen van groep 2 lopen af en juf bladert door de map. “Ja, dit is ook een leuk verhaal. Het gaat over een wolf en over zeven geitjes. Ik zal het jullie voorlezen, kijk maar goed wat er gebeurde.”

Juf leest het verhaal voor van de wolf en de zeven geitjes en de kinderen spelen het verhaal na.
De wolf en de zeven geitjes.
Er was eens een oude geit die zeven jonge geitjes had. Ze hield veel van haar kinderen. Op een dag wilde ze naar het bos gaan om eten te zoeken. Ze riep alle geitjes bij zich en zei: “Lieve kinderen, ik ga naar het bos. Als ik weg ben moeten jullie goed oppassen voor de wolf; als het hem lukt om binnen te komen, eet hij jullie op met huid en haar. Hij vind het leuk om zich te verkleden, maar aan zijn schorre stem en zwarte poten kun je merken dat hij eigenlijk de wolf is. Pas dus goed op en laat je niet door hem foppen!”De geitjes zeiden:”We zullen goed oppassen, moeder, u kunt nu rustig weggaan.”
Toen mekkerde de oude geit en ging met een gerust hart op pad. Het duurde niet lang of er klopte iemand op de voordeur, die riep:”Doe open, lieve kinderen; ik ben het, jullie moeder. Ik heb voor jullie allemaal iets meegebracht.”
Maar de geitjes hoorden aan de schorre stem dat het de wolf was. “Wij doen niet open”riepen ze, “Jij bent onze moeder niet. Die heeft een lieve stem en geen schorre, zoals jij. Jij bent de wolf!”
Vlug ging de wolf een groot stuk krijt kopen en at dat op. Daardoor kreeg hij een lieve, zachte stem.

Toen hij weer bij het huis van de geitjes kwam, klopte hij aan en riep:”Doe open, lieve kinderen; ik ben het jullie moeder. Ik heb voor jullie allemaal iets meegebracht.”


Maar de wolf had zijn poot op de vensterbank gelegd. De geitjes zagen die en riepen:”Wij doen niet open; onze moeder heeft geen zwarte poot. Jij bent de wolf!”
Toen ging de wolf naar de bakker en zei:”Ik heb mijn poot gestoten, strooi er eens wat wit meel op.”De bakker deed wat de wolf vroeg, want hij vond hem heel eng.
De boze wolf ging nu voor de derde keer naar het huisje van de geitjes. Hij klopte aan en zei:”Doe open, kindertjes. Ik ben het jullie lieve moedertje. Ik ben weer thuis, en ik heb voor jullie allemaal iets meegebracht uit het bos.”
De geitjes riepen:”Lat eerst je poot zien! We willen zeker weten of je onze moeder bent.”
Toen legde de wolf zijn poot op de vensterbank. Ze zagen dat die wit was. Nu geloofden ze dat hij hun moeder was, en ze deden de deur open. Maar wie kwam daar binnen? De wolf! Ze schrokken verschrikkelijk en gingen zich snel verstoppen. Het eerste geitje sprong onder de tafel, het tweede sprong in het bed, het derde in de kachel, het vierde verstopte zich in de keuken, het vijfde in de kast, de zesde onder de waskom en het zevende geitje spong in de klok.

De wolf vond ze de één na de ander en at ze op met huid en haar. Alleen het jongste geitje, dat in de klok zat… dat vond hij niet.


De wolf maakte nu dat hij weg kwam. Hij ging buiten in het bos onder een boom liggen en viel in slaap.
Niet lang daarna kwam de oude geit terug uit het bos. En ach, wat zag zij daar? De voordeur stond wagenwijd open. De tafel, de stoelen en banken waren omvergegooid, de waskom lag op de grond, dekens en kussens waren van het bed gerukt. Ze zocht haar kinderen, maar kon ze nergens vinden. Ze riep stuk voor stuk hun naam, maar niemand gaf antwoord. Eindelijk, toen ze het jongste geitje riep, klonk er een zacht stemmetje uit de klok:”Ik zit in de klok, moeder!”
Ze haalde het geitje uit de klok. Hij vertelde haar dat de wolf was gekomen en dat die alle andere geitjes had opgegeten. Wat was die arme moedergeit verdrietig…
Ten slotte liepen ze samen naar buiten. Onder een boom zagen ze de wolf liggen slapen. De geit bekeek hem van alle kanten en zag dat er in zijn buik iets bewoog. Zouden mijn kinderen nog leven? Dacht ze. Uit haar schort haalde de geit een schaar, een naald en een draad. Ze knipte de buik van de wolf open. Ze had nog maar één knip gedaan of daar stak het eerste geitje zijn kopje al naar buiten. Toen ze verder knipte kwamen de geitjes er één voor één uitgesprongen. Ze hadden zelfs geen schrammetje, want de wolf had hen heel doorgeslikt.
De oude geit zei:”Gaan jullie gauw stenen zoeken. Die stoppen we in de buik van de wolf, terwijl hij slaapt.”Dat deden de geitjes; ze sleepten zoveel stenen aan als ze maar konden vinden. De moedergeit naaide de buik weer dicht, zonder dat de wolf er iets van merkte.
Toen de wolf eindelijk wakker werd had hij vreselijke dorst. Hij liep naar de waterkant om te drinken. Bij het water boog hij zich voorover. De stenen rolden naar voren in zijn buik, daardoor viel hij in het water en verdronk. De oude geit en de zeven geitjes die alles gezien hadden waren reuze blij. Ze maakten samen een dansje en leefden nog lang en gelukkig.
Scène 6

De spelers van het toneel lopen af en juf bladert nog wat door het boek.

“Volgens mij stond er ook nog een heel leuk en spannend lied in de map, maar daar moet ik wel even naar zoeken. Ja, hier staat het.”

De kinderen voor het liedje van roodkapje komen op. Roodkapje is er ook bij. De wolf verstopt zich achter juf. Dan zingen en spelen de kinderen het lied/spel:


Zeg roodkapje waar ga je heen
Zo alleen, zo alleen
Zeg Roodkapje waar ga je heen
Zo alleen

Ik ga bij grootmoeder koekjes brengen


In het bos, in het bos
Ik ga bij grootmoeder koekjes brengen
In het bos

In het bos wonen de wilde dieren


In het bos, in het bos
In het bos wonen de wilde dieren
In het bos

Ben niet bang voor de wilde dieren


Ben niet bang, ben niet bang
Ben niet bang voor de wilde dieren
Ben niet bang

Pas maar op daar komt de wolf


Pas maar op, pas maar op
Pas maar op daar komt de wolf
Pas maar op...



Scène 7

Alle kinderen komen op en ook juf gaat staan, samen zeggen ze het versje van de heks op:


Laatst liep ik buiten met de hond,

Het was al donker en ik keek rond.

Toen zag ik opeens toch zo iets geks,

Daarboven vloog een echte heks!


Ze droeg een puntmuts en ik zag een kat,

Die achter haar op de bezemsteel zat.

De heks keek me heel griezelig aan,

Toen ben ik snel naar huis gegaan!’


De kinderen zwaaien nog even naar de ouders en dan kunnen de ouders gaan.

De kinderen zingen nog het lied van de Droomboot voor de kinderen van de andere groepen, tot de ouders vertrokken zijn.



Decor en rollen
Rollen:
Scène 1

Iedereen zingt als zichzelf (is al wel verkleed en geschminkt)


Scène 2

Per couplet een aantal kinderen.


Scène 3

Vader


Moeder

Hans


Grietje

Vogel 1


Vogel 2

Vogel 3


Heks
Scène 4

Per couplet een aantal kinderen.


Scène 5

Moeder geit

Geitje 1

Geitje 2


Geitje 3

Geitje 4


Geitje 5

Geitje 6


Geitje 7 (de jongste)

De wolf


De bakker
Scène 6

Roodkapje

De wolf

Kind 1


Kind 2

Kind 3


Kind 4

Kind 5


Kind 6
Scène 7

Allemaal, nog steeds geschminkt en verkleed.


Decor


  • Krukje, omgetoverd tot boomstam, waar de leerkracht op kan zitten.

  • Enkele bomen op de achterwand

  • Een boom staand op het podium (bijv. van een tapijt rol met takken van toiletrolletjes)

  • Het snoephuisje van de heks tegen de achterwand (deels beniet met echte spekjes)

  • Het huisje van de zeven geitjes, eerst los tegen de achterwand te plaatsen, maar eenvoudig op het toneel te zetten. Bijvoorbeeld de poppenkast, omgetoverd tot huis. Er zit al een venstertje in en de wolf kan net doen of hij door de deur loopt, door langs de zijkant te lopen.

  • Zon tegen de achterwand, deze kan omgedraaid worden, aan de ander kant zie je dan de maan.


Attributen
Scène 1

Eventueel een gitaar om het lied te begeleiden.


Scène 2

Geen
Scène 3

Verkleedkleren, passend bij de rollen

Oud brood

Spekjes om van het huisje te eten

Stokje


Oven (doos die hiervoor kan dienen)

Kistje met parels en diamanten


Scène 4

Geen
Scène 5

Verkleedkleren, passend bij de rollen

Krijtje (eventueel een eetbaar krijtsnoepje)

Bakje met meel

Schort voor moeder geit

Schaar

Naald (overdreven groot)



Draad (overdreven dik)

Tafel (tafel)

Deken (bed)

Kachel (oven van Hans en Grietje)

Pan (keuken)

Kast (of kastdeur)

Afwasteiltje (waskom)

Klok (staande van doos/dozen)

Bruin laken (buik van de wolf, waar de geitjes in zitten)

Stenen
Scène 6



Geen
Scène 7

Geen



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina