Voor ontwikkeling is er geen duidelijke scheiding in bv Noord en Zuid. Er is sprake van grote diversiteit



Dovnload 333.42 Kb.
Pagina1/9
Datum27.09.2016
Grootte333.42 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9
HOOFDSTUK 1

Voor ontwikkeling is er geen duidelijke scheiding in bv Noord en Zuid. Er is sprake van grote diversiteit.



Groei = toename van inkomen met hoofd van de bevolking, BBP

Ontwikkeling = normatief, gaat over verbeteringen op het gebied van inkomen,

welvaart, levensverwachting, opleiding, vrijheid, etc.



distributie: elite vs. broadbased

transformatie: weg van primaire sector, demografie

wordt een land rijker, dan neem de plattelandsector af en is er een transitie naar de beroepsector  levensverwachting wordt groter.

Bij grafieken die een correlatie laten zien is de conclusie niet perse dat het een het leidt tot het andere. Ook tweezijdig aflezen  volledigheid nagaan, factoren van buitenaf worden vaak vergeten.

Er valt veel te leren van grafieken, case studies ed –z. er zijn wel duidelijke grenzen: elk land is anders, dus je kan geen betrouwbare algemene conclusie trekken. De startpositie is in elk land anders, maar het kan handig zijn algemene benaderingen te gebruiken om wereldproblemen aan te pakken.


HOOFDSTUK 2

Metingen maken analyses en vergelijkingen mogelijk

Nationaal inkomen en ec. Groei  GDP of GNP

Ontwikkeling: gezondheidszorg, educatie, politieke vrijheid, distributie, etc.  HDI, MDG



GNP = toegevoegde waarde van eindproducten en diensten van een land per jaar (output van

Nederlanders)



GDP = toegevoegde waarde van eindproducten en diensten binnen een land per jaar (output van alle

mensen in Nederland)

 de output van Duitse werkers in Nederland wordt berekend in de Duitse GNP en de Nederlandse GDP.

Kritiek: maatstaf houdt geen rekening met goederen en diensten buiten de markt om



  • Huishoudelijke arbeid  welvaartverhogend werk

  • Subsistance output (producties buiten de markt om)

  • Externalities: acties van mensen die invloed hebben op een ander systeem en niet direct op de markt (bv chip voor in een computer).

Kritiek: geen rekening met exchange rate conversion:

  • Je kan meer met 1$ in India dan in de USA

  • Exchange rates vaak vervormd door handelsbarrières of directe interventie

  • Non-tradable goods (bv kapper)

  • Exchange rates worden vaak gemeten adhv gehandelde goederen en diensten. India’s inkomen wordt onderschat als je naar de officiële cijfers kijkt.

  • Er is een vaste wereldprijs (wijken iets af door transportkosten) voor staal en andere goederen die wereldwijd verhandeld worden. Dit geldt niet voor retail.

Corrigeren voor de koopkracht: Purchasing Power Parity (PPP)  alleen nuttig voor onderzoek naar statistische verbanden tussen landen. Voor 1 land niet relevant.


Groei en ontwikkeling

Groei is nodig voor Pareto efficiëntie (als niemand er op achteruit gaat)

Groei betekent niet per definitie ontwikkeling:


  • Oneerlijke allocatie (selfish rulers vs the people)

  • Investeringen in toekomstige groei en vertraagde consumptie nu

  • Er komt meer kijken bij ontwikkeling dan inkomen

  • Er is echter wel een verband.


Trends in development

Ontwikkeling: vergroot de keuzeset van mensen



HDI: integratie van 3 factoren: levensverwachting schoolinschrijvingen en geletterdheid

Log(inkomen)



  • Gemiddelde van deze 3 index scores is het HDI  is niet compleet, maar nuttig voor ranking van landen over tijd

Nauwkeurig onderzoek onthult dat economische groei erg belangrijk is voor ontwikkeling

The 1990 view: fig. 2-2 en 2-3 (p. 48 & 49)



  • De berekening log zorgt ervoor dat alle uitschieters weggelaten worden.

  • Er is nog wel flink wat variatie tussen de HDI van landen as je ze afzet tegen GDP

  • Er komt dus meer kijken bij ontwikkeling dan productie alleen

MDG: 8 doelen, 18 targets, 48 indicatoren voor beleidsmakers voor de periode 1990-2015

  • Controversieel: blueprint approach to development?

  • Groei alleen is niet genoeg, beleid en allocatie van goederen zijn ook nodig

  • MDG bieden heel weinig concrete handvatten voor die ontwikkeling die zij voor ogen hebben en hoe de doelen bereikt kunnen/ moeten worden  er moeten prioriteiten worden gesteld

  • MDG zijn dus goed om ontwikkeling op de kaart te zetten, maar niet echt uitvoerbaar

Is groei wenselijk?

Link tussen groei en ontwikkeling: ja, groei is wenselijk, maar:



  • Milieu- en klimaatdruk (environmental degradation: verdwijnen van diersoorten, broeikaseffect)

  • Culturele homogenisatie (verwesting & verwoesting traditionele gemeenschappen)

  • Verspreiding materialisme, consumerism

  • Individualisme, etc.

  • Stress

  • Er is geen duidelijke link tussen inkomen en geluk. Mensen geven om hun positie in de gemeenschap itt hun inkomensniveau…

  • … maar groei vergroot het bereik (range) van keuzes (vrijheid)

GDP is gemakkelijk op te stellen  daarom gebruikt voor het berekenen van het nationaal inkomen door het IMF en soortgelijke instanties.



Real GDP: GDP aangepast naar binnenlandse prijsinflatie dmv een prijsindex

Toegevoegde waarde = (vb. textiel) waarde textiel eindproduct – (waarde origineel katoen+waarde andere gebruikte materialen) = gelijk aan betalingen (loon, afschrijvingen, rente, huur)

Net economic welfare (NEW) = het aftrekken van kosten zoals vervuiling, criminaliteit, moord (‘bads’) van de nationale economie

Non-traded goods & services: goederen & diensten die niet in de internationale handel (kunnen) meedoen (bv. Kapper, vervoer, retail, school)  internationaal grote verschillen
3 redenen waarom het fout is aan te nemen dat hogere GDP per hoofd automatisch hoger inkomen voor iedereen betekent:

  1. Regeringen promoten ec. groei niet alleen voor verbetering welzijn, maar soms/juist voor de macht en status van het land en haar leiders

  2. Enorm veel hulpbronnen kunnen gebruikt zijn voor groei waardoor consumptiewinsten verschoven worden naar later

  3. Inkomen en consumptie stijgen mogelijk, maar de mensen die al rijk zijn, zullen er het meest of totaal van profiteren


Amartya Sen: het doel van ontwikkeling is het uitbreiden van de capabilities van mensen, zodat zij het leven kunnen leiden dat ze willen.

Vermogen om een minimaal aanvaardbaar leven te leiden:

  • Persoonlijke heterogeniteit (warm/koud  specifieke behuizing, kleding, brandstoffen)

  • Variaties in sociaal milieu (impact criminaliteit, civiele onrust, geweld)

  • Verschillen in relatieve ontberingen (arme mensen in rijke gebieden hebben weinig kans daar deel van uit te maken)

Sen: ec. groei of ontwikkeling kan alleen als er bronnen zijn die dingen die mensen tegenhouden in hun vrijheid een leven te leiden zoals ze dat zelf zouden willen verlichten.
Maddison:

1 AD  1920: geen/ amper ec. groei: 0% - 5%

1820  nu: 1.2% groei per jaar en ongelijkheid tussen landen is toegenomen:

Ratio arm:rijk

in 1820 3:1 in 1950 15:1 in heden 18:1
The advantages of backwardness

Relatief arme landen pikken technologische ontwikkelingen op van westerse landen en omdat deze al getest zijn, leiden ze voor die arme landen sneller tot economische groei  echter: toch lopen landen achter


Eerste Human Development Report: meer human development vs. economic development

Human development = vergroten keuzeset van mensen



3 essentiële keuzes (HDI berekening)

  1. Keuzen die leiden tot een lang en gezond leven

  2. Keuzen om kennis te verwerven

  3. Keuzes tot toegang tot bronnen die nodig zijn voor een fatsoenlijke levensstandaard



Additionele keuzes:

  1. Politieke, economische en sociale vrijheid

  2. Creativiteit, productiviteit, zelf respect, mensenrechten


Twee kanten van Human Development:

  1. Formatie van menselijke capabilities (verbeterde gezondheid, kennis, skills)

  2. Het gebruik dat mensen maken van hun capabilities (vrij tijd, productiviteit, actief in culturele, sociale en politieke affaires)

HDI voor levensverwachting:

Minimum = 25 jaar

Maximum = 85 jaar

Vb. Peru: 69.4 jaar



  • (69.4 – 25) / (85-25) = 0.74

  • Peru bereikt 74% van het potentiële bereik van levensverwachting


HDI van kennisverwerving:

Adult literacy: 2/3

Gross enrollment rate: 1/3

Vb. adult literacy = 90% en gross enrollement = 83%  (90+90+83)/3= 0.88


HDI van toegang hulpbronnen

GDP per capita = $4570 (PPP)



  • (log4750)-log(100)/ log(40000)-log(100) = 0.64


HDI = (0.64+0.88+0.74)/3 = 0.752

De verschillende uitkomsten worden met elkaar vergeleken. 0.752 komt op de 82e plaats.

Grote verschillen in uitkomst als HDI als maatstaf wordt gebruikt of als GDP als maatstaf wordt gebruikt. Echter, als je de log van GDP neemt, komen de grafieken meer overeen (fig. 2-2 en 2-3)
Conclusie:

Alternatieve berekeningen van ec. ontwikkling bevestigen het belang van economische groei voor ontwikkelingsprocessen, terwijl ze ook bevestigen dat verbeterde gezondheid, onderwijs en overige gewenste uitkomsten ook van andere factoren afhankelijk zijn dan alleen inkomen.


Misschien even de quote van Lewis (p.55) lezen, niet noodzakelijk
HOOFDSTUK 3
Waarom zijn sommige landen arm en andere rijk?

Waarom groeit het ene land sneller dan het andere?



  • Divergente groeipatronen: 500 en zelfs 125 jaar terug leefden bijna alle mensen in een conditie die we nu extreme armoede noemen. In de 20e eeuw heeft een deel zich zodanig ontwikkeld dat nu in de 21e eeuw een klein deel tot de rijke landen behoort, een klein deel tot de upper-income, maar het overgrote deel leeft nog in armoede.

De totale output van een land (en dus ook het totale inkomen) is afhankelijk van de hoeveelheid beschikbare arbeid en kapitaal en hoe productief deze worden gebruikt.

Verhoging van de totale productie (= economische groei) hangt af van de stijging van kapitaal, beschikbare arbeid en verhoging van de productiviteit.

Economische groei hangt af van 2 dingen:


  1. Factor accumulatie: vergroten van de omvang van de kapitaalvoorraad of het personeel. Meer goederen = meer machines, fabrieken, gebouwen, wegen, computers, gereedschap en beter geschoolde mensen hiervoor.

  2. Productiviteitsgroei: vergroten van de hoeveelheid output geproduceerd door elke machine/ arbeider. Twee manieren om dit te doen:

  • Verbeter de efficiëntie waarmee factoren worden gebruikt (division of labor)

  • Technologische verandering waardoor nieuwe ideeën, nieuwe machines of nieuwe manieren van productie- organisatie groei vergroten. Productiegroei houdt bijna altijd verplaatsing van hulpbronnen van een goed naar een ander goed in.


Productiefunctie

Gebruikt om uit te zoeken in hoeverre factor accumulatie en productiviteitsgroei economische groei beïnvloeden. Aangezien er vrijwel altijd genoeg aanbod voor werk is, is economische groei vooral afhankelijk van kapitaal.

Q = F(K,L) of: q = f(k,l)

Q = hoeveelheid output per werker

K = kapitaal

L = arbeid

F = functie

q = hoeveelheid arbeid per werker


Factor accumulatie  meer kapitaal per werker  output per werker omhoog (maar afnemende meeropbrengsten) (figuur 3-1 (a), p. 67)
Productivity gains: zelfde level van K levert door efficiëntie of technologische verbeteringen meer Q (figuur 3-1 (b), p.67)
Basic Solow model

  • Investeringen kunnen de kapitaalvoorraden vergoten

mits investeringen > afschrijvingen

  • Investeringen worden gefinancierd door besparingen=

belangrijk want: investeringen = besparingen

  • Besparingen zijn afhankelijk van het inkomen

Het surplus na de uitgaven en afschrijvingen (dus ook winst bv.) wordt gespaard
Hoeveel sparen & consumeren we?  Hangt af van geduld van mensen, want alles wat je nu spaart is later meer waard. Echter: besparingen en investeringen zijn wel nodig voor economische groei, het is niet voldoende. Niet alle investeringen leiden tot een hoger inkomen in de toekomst (te weinig hulpbronnen, vruchtbare grond, prijzen op de markt, eigendomsrechten)

Het behouden en ondersteunen van economische groei vereist zowel het generen van nieuwe investeringen als verzekering dat de investering productief is.


Dus, voor economische groei:

  • kapitaal accumulatie

  • arbeid accumulatie

  • productivity gains


Growth accounting:

Q = F(K,L) + TFP

TFP = total factor productivity  meten van de bijdrage van efficiëntie, technologie en andere factoren die de productiviteit beïnvloeden

gY = (W x gK) + (WL x gL) + α

gY = groei van totale inkomen/GDP  rate of economic growth (≠groei per hoofd van de bevolking)

gK = groei ratio van kapitaal

W = aandeel van returns on capital (rendement op kapitaal)

gL = groei ratio van arbeid

WL = aandeel van lonen in totale inkomen

WL + WK = 100%

α = mate van verandering in TFP


  • deze functie laat dus zien hoe de groei in output afhankelijk is van de groei van de inputs (K&L) en de groei in productiviteit van die inputs (α)

  • voorbeeld: 0.05 = (0.07x0.4) + (0.02x0.6) + α

α = 0.01  is 1/5 van 0.05, dus TFP is verantwoordelijk voor 20% van de totale groei

groei in kapitaal draagt voor 56% bij aan totale groei (0.07x0.4)/0.05

groei in labor force draagt voor 24% bij aan totale groei (0.02x0.6)/0.05 OF 100-20-56

Beperkingen:


  • α is een combinatie van allerlei factoren onder 1 noemer  als α verbeterd, welke factor is dat dan precies?

  • α wordt onnauwkeurig berekend, aangezien dat het residual deel van de vergelijking is  α measures the net effect of alle the errors and omissions in the other data

  • α is een meting van onze domheid, omdat het meet wat niet uitgelegd kan worden door bestaande/ gebruikelijke data.


Samenvattend:

Bronnen van groei analyse suggereren dat kapitaal accumulatie de voornaamste bron voor groei is in ontwikkelingslanden, volgens het Solow model. TFP kan een belangrijke rol spelen als er sprake is van fatsoenlijk beleid en een structurele context. In snel groeiende economieën spelen zowel factor accumulatie als TFP een belangrijke rol. TFP lijkt een steeds belangrijkere rol te krijgen naarmate het inkomen stijgt en levert een grote bijdrage aan groei in high- income geïndustrialiseerde landen.


Negatieve TFP = onproductief kapitaal (door bv. Oorlog, recessie, onproductieve investeringen (paleizen, leger)
Maar wat zijn de diepere karakteristieken van de 3 sleutelfactoren van economische groei (kapitaal, arbeid, productiviteit) en die snel groeiende economieën onderscheidt van langzaam groeiende economieën? De snelst groeiende delen 5 karakteristieken:

  1. macro- economische en politieke stabiliteit

macro- economische stabiliteit: lage budgettekorten (+hoge overheidsbesparingen); verstandig monetair beleid (inflatiecheck); fatsoenlijke wisselkoers; geschikte financiële markt; verstandig foreign borrowing  minder risico voor investeerders

politieke stabiliteit: geen (burger)oorlogen; geen militaire coups  vicieuze cirkel: armoede zorgt voor groter risico voor conlfict en conflicten ondermijnen groei en verankerd armoede (geen oorloog ≠ automatische economische groei)



  1. Investeringen in gezondheidszog & onderwijs

Mensen zijn geneigd meer te investeren in school om hun skills te verbeteren (productiever) als ze verwachten langer te leven (door goede gezondheidszorg  basis gezondheidszorg, schoon water, sanitaire voorzieningen, ziektecontrole, stère reproductieve moeder- en jeugdzorg). Goede gezondheid is zowel input als uitkomst van economische groei & skilled workforce werkt sneller en effectiever en toepassen nieuwe technologie = aantrekkelijk voor investeerders = bijdrage kapitaal accumulatie.

  1. Effectief beleid en instituties

  • Helpt het milieu voor investeerders te verbeteren door het risico te verminderen en winstgevendheid te vergroten

  • Helpt effectief overheidsbeleid op te zetten, zodat zowel factor accumulatie als productiviteit kan plaatsvinden

  • Effectieve overheid helpt instituties die sterk economisch beleid vergemakkelijken, maar ook effectieve sociale programma’s en een robuuste private sector vergemakkelijken

  • 6 dimensies van beleid

  1. Stem (voice) en verantwoordelijkheid (politieke participatie)

  2. Politieke stabiliteit en afwezigheid van geweld

  3. Beleidseffectiviteit

  4. Kwaliteit van regelgeving

  5. Rechtsstaat (rule of law): veilig tegen afpakken

  6. Controle op corruptie

  • Landen met sterk beleid hebben snellere economische groei

  • Instituties = formele regels en informele (normen en tradities) en organisaties die hiermee werken. 5 types:

  1. Markt- creërende instituties: beschermt eigendomsrechten, verzekert dat contracten worden nageleefd, corruptie minimaliseren en de wetten aanmoedigen.

  2. Markt- regulerende instituties: dealen met marktfalen, zoals imperfecte informatie, externalities en economies of scale.

  3. Markt- stabiliserende instituties: verzekeren lage inflatie, minimaliseren macro- economische levendigheid (mate van beweeglijkheid van de koers), verzekeren fiscale stabiliteit, voorkomen van financiële crisis.

  4. Markt- legitimerende instituties: zorgen voor sociale bescherming en verzekeringen, focussen op allocatie en managen van conflicten.

  5. Politieke instituties: bepalen hoe een samenleving wordt bestuurd en het bereik van politieke participatie.

  • Er is een relatie tussen sterkere instituties, snelle economische groei en verbeterde ontwikkelingen

  • Deze theorie is niet universeel, overal spelen andere factoren ook een rol

  1. Gunstig milieu voor particuliere ondernemingen

  • Voor veel landen speelt landbouwbeleid een grote rol in het groeiproces (toegang tot fertilizers, zaden, pesticiden, wegen, constructies, ed)

  • Belangrijk voor groei op de lange termijn. Hoewel bepaalde beperkingen goed zijn, ontstaan er in ontwikkelingslanden soms hele hoge kosten vanwege licenties en andere beperkingen. Door grote beperkingen worden er minder bedrijven opgezet en als ze opgezet worden, is het in de informele sector en op kleine schaal.

  • Openheid voor foreign trade is een manier voor economische groei. Hierdoor kunnen bedrijven specialiseren, hun efficiëntie vergroten en kosten verlagen door de aanschaf van producten van de goedkoopste producten en toegang tot de meest ontwikkelde technologieën  allocatie van kapitaal, arbeid en andere hulpbronnen van minder productieve naar productieve activiteiten  handel kan dus productiviteit vergroten en moedigt investeringen in nieuwe winstgevende mogelijkheden aan  maar een land wordt ook kwetsbaar voor shocks op de wereldmarkt

  • Open landen lieten duidelijk hogere groeicijfers zien dan gesloten landen

  • Echter: niet alle soorten export gaan samen met groei, want itt arbeidsintensieve producten (schoenen, textiel) heeft de export van natural- resourcebased producten geen samenhang met armoede vermindering en economische groei

  1. Gunstige geografie

De regio’s dichtbij de tropische gebieden zijn slechter af dan landen die daar verder vanaf zitten (noord-zuid). Tropische landen hebben te maken met ziekten (HIV/AIDS, malaria), klimaat (heet, overstromingen, droogte, stormen), slechte kwaliteit van vruchtbare grond (droogte, overstromingen)  vermindering arbeidsproductiviteit, investeringen en factor accumulatie. Isolatie van grote markten  hogere transportkosten en minder economische mogelijkheden (landlocked vs. coastal)  wil niet zeggen dat groei totaal onmogelijk is, maar het limiteert opties en vergroot productiekosten  kan ‘verholpen’ worden door investeringen.

Afnemende meeropbrengsten en de productiefunctie

  • Om output en inkomen te laten stijgen, moet een land investeringen aan blijven trekken en productiewinsten blijven behalen  groeimodellen gaan uit van vermindering van investeringen naarmate de kapitaalvoorraad groeit

  • Afnemende meeropbrengsten voor kapitaal = afnemend marginaal product van kapitaal = de geleidelijke afname van de productiegrafiek naarmate het kapitaal per werken toeneemt (figuur 3-9, p.91) keep in mind dat deze grafiek een toevoeging van kapitaal laat zien ZONDER toevoeging van een extra werker. Ook constante schaalopbrengsten (constant stijgende lijn) of toenemende meeropbrengsten (toenemende lijn)

  • 3 implicaties van afnemende meeropbrengsten voor kapitaal:

  1. Als al het overige gelijk is, hebben arme landen (links op de grafiek) de potentie om sneller te groeien dan rijke landen

  2. Als landen rijker worden, neemt de groei ratio af

  3. Met (1) in ons achterhoofd: arme landen kunnen richting rijke landen gaan en het gat sluiten  inkomensniveaus groeien mettertijd naar elkaar toe.

  • Hierbij gaat men er dus van uit dat al het andere gelijk (zelfde productiefunctie, toegang tot zelfde technologie, zelfde saving rates) is en dat groei vooral afhankelijk is van kapitaal accumulatie, meer dan van productivity gains.


The convergence debate

Heeft het bovenstaande ooit plaatsgevonden?  voor sommige landen wel, maar voor de meeste niet: die landen kunne het alleen áls ze nieuwe investeringen trekken en áls die investeringen zich uitbetalen met stijging van output  gat tussen rijk en arm is groter geworden, maar onder landen met vrijwel gelijke karakteristieken (OECD) is een patroon wel aan te geven.


Er is nog weinig gezegd over de verschillende producten die een economie produceert en hoe de compositie van output verandert tijdens het ontwikkelingsproces  naarmate groei plaatsvindt, neigt te structuur van de economie te veranderen op verschillende, belangrijke manieren:

  1. Het aandeel in totale output dat geproduceerd wordt door de landbouwsector neemt af, terwijl het aandeel van totale output van industrie en diensten toeneemt

  2. Het deel van de beroepsbevolking in de landbouw neemt af, terwijl die in de industrie en dienstensector stijgt

  3. De bevolking wordt stedelijker naarmate huishoudens verhuizen van plattenland naar steden en steden groeien

  4. Een groter deel van goederen & diensten worden verkocht via de markt, aangezien vele vroeger door huishoudens werden geproduceerd en nu door bedrijven

Alle landen met een duurzame/ stabiele economische groei en ontwikkeling hebben een kleiner geworden aandeel van landbouw en meer van industrie, hoewel economische groei ook met focus op landbouw kan plaatsvinden.

Engels law:

Naarmate het inkomen van mensen stijgt, gaan ze in verhouding minder aan eten uitgeven en meer aan kleding, recreatie ed. De vraag naar landbouwproducten groeit minder hard dan de vraag naar industrie producten & diensten  aandeel van landbouw in nationaal product neemt af  geldt voor alle landen met duurzame ontwikkeling

‘andere’ law:

Productiewinsten in landbouw maken arbeiders vrij om niet- landbouwproducten en diensten te produceren  door fertilizers, nieuwe machines ed zijn er minder werkers nodig  meer werkers voor industrie


Waarom verplaatsing naar steden?

Groot bedrijf heeft meer output per unit input als de grootte van het bedrijf toeneemt  heeft een bevolkingscentrum vlakbij nodig  afhankelijk van grootte en aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen



  • In sommige landen gebeurt voedselverwerking thuis en wordt het niet meerberekend in het GDP. In landen waar dit in de industriesector gebeurt, wordt dit wel gedaan

  • Groei van landbouwproductiviteit (en dus investeringen daarin) is nodig om hulpbronnen voor industrie vrij te maken zelfs als het aandeel van landbouw in GDP afneemt


HOOFDSTUK 4

Groei hangt af van 2 processen:

  1. De accumulatie van toegevoegde activa (zoals kapitaal, arbeid en land)

  2. Deze activa productiever maken (productieve investeringen en besparingen)

Dit is de rate of change van output ipv alleen accumulatie van kapitaal en productie zoals hiervoor beschreven. Rate of change = economische groei.
5 vergelijkingen:

  1. Een verzamelde productiefunctie

‘gewone’ productiefunctie = hoeveelheid input afgezet tegen ouput

‘verzamelde’ productiefunctie = de totale laborforce van een land en de waarde van de kapitaalvoorraad tegen het GDP

Y = F (K,L)


  1. Saving

Aangenomen dat besparingen een vast deel van het inkomen inhoudt

S = s x Y = bespaar ratio x inkomen



  1. Total saving to investment

In een gesloten economie

S = I  besparingen staan gelijk aan investeringen



  1. Veranderingen in kapitaalvoorraden

Verandering door 2 dingen:

Investeringen  laat K stijgen

Daling in waarde  laat K dalen

ΔK = I – (dxK)

d = afschrijvingen


  1. Change in laborforce

Aangenomen dat L net zo hard groeit als de totale bevolking

ΔL = n x L

n = groei bevolking
Deze 5 vergelijkingen representeren het complete model  simplificeren:

ΔK = sY – d x K


Fixed coefficient productionfunction

Zie figuur 4-1, p. 109



Isoquants zijn combinaties van de inputs die dezelfde hoeveelheid input genereren

L-vorm = karakteristiek: de hoeveelheid kapitaal en arbeid moeten in een bepaalde verhouding zijn om verschillende niveaus van output te krijgen (bv. Meer kapitaal maar niet meer arbeid  punt blijft op zelfde isoquant)


Capital-output ratio:

$50 per keyboard

100 000 keyboards = $5 miljoen

10 miljoen kapitaal = $ 5 miljoen = 2:1


Labor-output ratio:

$50 per keyboard

100 labor = $5 miljoen = 1:50 000
Harrod-Domar model

= Relatie tussen groei en werkloosheid & de rol van kapitaalaccumulatie in het groeiproces

Ouput = een lineaire functie van alléén kapitaal

Y = 1/v * K of Y = K/v

V = een constante, de capital-output ratio

De capital-output ratio is een indicatie van de intensiteit van het kapitaal in het productieproces. Varieert vanwege 3 redenen:



  1. Landen gebruiken verschillende technologieën voor de productie van hetzelfde goed

  2. Ze produceren een andere mix van goederen

  3. Landen verschillen in efficiëntie

  • v is hoger in kapitaalintensieve producten

  • Als v groter is kan dat een kleinere effectiviteit betekenen als het kapitaal niet zo productief mogelijk gebruikte wordt


ICOR

Incremental capital output ratio = de impact van extra kapitaal op de output

Verschil met ‘gewone’ capital output ratio:

ICOR meet de productiviteit van extra kapitaal, terwijl de ‘gewone’ betrekking heeft op de relatie tussen de totale kapitaalvoorraad in een land en zijn GDP


ICOR = v = ΔK/ΔY

ΔY = changes in output

ΔK = changes in capital

g = ΔY/Y= ΔK/Yv = groeiratio van output

g = (s/v)-d = basis Harrod-Domar

Strength Harrod-Domar


  • Simpel

Makkelijk te gebruiken en te berkenen

Bij afwezigheid van economische shocks kan dit model een voorspelling doen voor economische groei voor een korte periode



  • Focus op besparingen

Hoeveel inkomen te sparen of te consumeren is een centrale rol in het groeiproces
Weakness Harrod-Domar

  • Focus op besparingen

Deze simpele vorm impliceert dat besparingen alleen afdoende zijn voor analyse van het groeiproces  is níét zo: investeringen uit besparingen moeten zich wel uitbetalen in de toekomst en dat doen ze niet altijd. Duurzame groei hangt af van het genereren van nieuwe investeringen productief zijn mettertijd.

  • Stugge aanname

Van vaste capital-to-labor, capital-to-output en labor-to-output  impliceren erg weinig flexibiliteit in de economie in de tijd. Alleen bruikbare als kapitaal, arbeid en output met precies dezelfde ratio veranderen, wat erg onwaarschijnlijk is: dan n=g=s/v-d  er is geen reden om aan te nemen dat dit kan.

  • De fixed proportion productiefunctie laat geen substitutie tussen kapitaal en arbeid in het productieproces toe

  • Afwezigheid van technologische verandering in het model  zou in isoquant ervoor zorgen dat de L-vorm in zin geheel schuin omhoog zou schuiven.


Dus:

De fixed coefficient aanname zorgt voor erg weinig flexibiliteit en bevat niet de eigenschap van real World bedrijven om de mix van inputs te veranderen. Het model kan wel erg precies zijn voor 1 jaar (als er geen ‘shocks’ zijn) en focust terecht op het belang van besparingen. Maar het is tamelijk onnauwkeurig voor vergelijking tussen veel landen en over een lange tijd en het model beweert dat besparingen alleen voldoende is voor groei, wat niet zo is.


The Solow (neoklassieke) model

Geen fixed coefficient, maar neoklassieke productiefunctie:

Meer flexibiliteit toestaan en substitutie tussen productiefactoren, capital-output en capital-labor zijn niet langer fixed maar wisselend, vanwege de relatieve bijdragen van kapitaal en arbeid in de economie en het productieproces (figuur 4-2,p.118)

Uitbreiden op 3 manieren:



  • Constant factor proportion  b

Capital output ratio = 2:1

  • Labor-intensieve methode  meer L, minder K  c

Capital output ratio = 1.7:1

  • Kapitaalintensieve methode

Capital output ratio = 2.4:1
Basic equations Solow

Alle key variabelen in ‘per-arbeider’ termen

Y/L = F (K/L , 1)

y = f(k)


Δk = sy – (n+d)k

Veranderingen in kapitaal per werker hangt af van 3 dingen



  1. De Δk is positief gerelateerd aan besparingen per werker als besparingen hoger worden, worden investeringen ook hoger, waardoor de kapitaalvoorraad per werker ook toeneemt.

  2. De Δk is negatief gerelateerd aan bevolkingsgroei  = groei laborforce en als er dan geen nieuwe investeringen komen zou de kapitaal per werker (k) dalen

  3. Afschrijvingen ‘erode’ de kapitaalvoorraden  elk jaar neemt de hoeveelheid kapitaal per werker af met –dk, simpelweg door afschrijvingen


Capital deepening = het proces waardoor de economie de hoeveelheid kapitaal per werker vergroot

Capital widening = een stijging in de kapitaalvoorraad dat gelijk loopt met de stijgende laborforce en afschrijvingen
Solow vs Harrod-Domar

Solow model laat geen lineair verband zien tussen besparingen en groei vanwege afnemende meeropbrengsten en introduceert de rol van bevolkingsgroei in staat substitutie tussen L en K toe

(figuur 4-4, p.123)

A = sy = (n+d)k = steady state

Constant per werker, de totale output groeit met n

Ook hier blijkt dat arme landen (links op de curve) meer potentie hebben dan rijke landen om het gat te dichten.

Stijging van saving rate = meer investeringen = grotere kapitaalvoorraad = permanent hoger inkomen of output per werker
Stijging bevolkingsgroei

Groei leidt tot hoger gemiddeld inkomen  Y moet harder groeien om y constant te houden. Echter, een daling in n leidt tot capital deepening.


Solow: groei ratios verschillen tussen landen, omdat:

  1. Als 1 land een hogere steady state level van inkomen heeft dan een ander

  2. Als ze op verschillende punten in transitie tot de steady state zitten


Technologische verandering

Tech. Verandering geeft de mogelijkheid voor output per werker om te blijven groeien

Y = F(K,TxL)

TxL = labor augmenting (toename)

Als technologie verbeterd neemt de productiviteit en efficiëntie van arbeid toe, aangezien een gelijke L nu meer output kan genereren
Technologieverbeteringen:


  • Wetenschappelijk (nieuwe investeringen en processen)

  • Human capital (verbeteringen in gezondheid, onderwijs en skills)

TxL = hoeveelheid effectieve units van arbeid

ΔT/T = Θ  aanname dat technologie met een constante ratio verbeterd

Als workforce groeit met n, dan is de groei in effectief aanbod van arbeid gelijk aan n+ Θ (dus als T 2% toeneemt en workforce met 3% dan stijgt het effectieve aanbod met 5% per jaar)

In Solow model

Van kapitaal per werker naar kapitaal per effectieve werker  alles delen door TxL

Output per effectieve werker: ye = Y/(TxL)

Kapitaal per effectieve werker: ke = K/(TxL)

Productiefunctie: ye = f(ke)

Aangezien effectieve arbeid nu groeit et n+ Θ  kapitaal accumulatie vergelijking wordt:

ΔKe = sye – (n+d+ Θ)Ke


  • (n+d)<(n+d+ Θ) wat wil zeggen dat er meer kapitaal nodig is om kapitaal per effectieve werker constant te houden

Nu is in steady state de ouput per effectieve werker constant en totale output groeit met n+ Θ dus output per werker met Θ
Strength of Solow

  • Het model geeft ruimte voor flexibiliteit in het productieproces  realistischer en nauwkeuriger door afnemende meeropbrengsten

  • Focust op transitie naar steady state

  • Relatie tussen besparingen, investeringen, bevolkingsgroei en technologische verandering


Weakness of Solow

  • Het model helpt de aandacht te richten op fundamentele invloeden op de steady state en groei ratio, maar geeft geen volledige ‘understanding’ van de precieze manieren waarop deze factoren invloed uitoefenen

  • Schijnt geen licht op de rol van allocatie van capital en arbeid onder verschillende sectoren, wat wel degelijk invloed heeft op de productiviteit

  • De gebruikte variabelen helpen het model makkelijker te maken, maar daardoor leren we weinig over de onderliggende determinanten van de parameters en hoe deze tijdens het ontwikkelingsproces veranderen


Beyond Solow: new approaches to growth

Verder, want in de realiteit zijn de variabelen van Solow afhankelijk van overheidsbeleid, economische structuur en de snelheid van groei op zich:



  • Aannemen dat de nationale economie onderwerp is van toenemende schaalopbrengsten  investeringen creëren meer output dan Solow beweerde

  • Hoe kan verdubbeling van input meer dan verdubbeling van de output realiseren?  positieve externalitiy: investeringen in onderzoek of onderwijs levert niet alleen voordeel voor het bedrij of het individu op,maar ook voor anderen in de economie (spillover effect)  door communicatie met anderen  impact van human en physical kapitaal kan dus heel groot zijn en wordt niet betrokken bij Solow

  • Vanwege toenemende schaalopbrengsten hoeft het systeem van Solow (meer inkomen = minder groei) niet perse in te zetten, hoeft transitie naar steady state ook niet perse te gebeuren en verklaart waarom er niet echt sprake is van convergentie






  • Groei past in deze modellen zonder afhankelijk te zijn van exogene technologische veranderingen, daarom: endogenous growth models

  • Deze modellen benadrukken dat besparingen, investeringen in gezondheid en onderwijs, gebruikmakend van de factoren van productie (zo productief en effectief mogelijk) en het uitzoeken van goede/ passende nieuwe technologieën


Two sector models

Twee sector modellen kunnen de verschillen in zowel het niveau als de productiviteit in verschillende activiteiten ontdekken en ook de implicaties van tarieven, allocaties van arbeid & kapitaal tussen de 2 sectoren en de potentie voor migratie van arbeid van ruraal naar urbaan.


Twee basis aannames:

  1. Agrarische productie is onderwerp van afnemende meeropbrengsten, omdat land nodig is et het aanbod van land is gelimiteerd

  2. Arbeidssurplus: rurale werkloosheid, underemployment of disquised employment

Figuur 4-9, p.139

Industrie moet minstens h betalen om mensen weg te krijgen uit de agrarische sector.

Lijn hij kan worden gezien als de aanbodcurve van arbeid tav de industrie. Eigenlijk moet industrie meer dan h bieden ter compensatie.


In punt i is er sprake van perfecte elasticiteit

Tot punt i kan industrie mensen trekken zonder de lonen te verhogen


Figuur 4-10, p.141

k-k’ is wat de industrie moet betalen om werkers uit de landbouw aan te trekken  daarna meer omdat arbeid in landbouw daalt  minder voedselproductie  stijging voedselprijs  stijging lonen


HOOFDSTUK 5

Markten en marktfalen

Er zijn krachtige argumenten die de visie ondersteunen dat de meeste economische activiteiten door de markt beheerd moeten worden


  1. Markten komen tot bepaalde condities waardoor ze verschillende producten onder consumenten kunnen alloceren, hun voorkeuren reflecteren en duizenden inputs onder de producenten kunnen verdelen, waardoor ze de maximale output krijgen

  2. Markten zijn meer flexibel en kunnen zich beter aanpassen aan veranderende condities en ze kunnen snel prikkels voor groei, innovatie en structurele veranderingen leveren

  3. Markten verbeteren competitie, wat producenten motiveert om zo efficiënt mogelijk te werken en kosten te verlagen waar dat kan

  4. Vertrouwen op de markt zorgt voor een grotere omvang van de verstrooiing van economische macht. Dan ligt de macht bij producenten (die het beste weten wat het beste is voor hun bedrijf) en consumenten ipv de overheid (decentralisatie opv centralisatie)

T

Tegenargumenten:



  1. Moderne economieën worden soms getekend door monopolie of oligopolie  in ontwikkelingslanden zijn economies op scope (het dalen van unit kosten als de output stijgt) soms zo groot in de verhouding tot de marktomvang dat monopolie onvermijdelijk is, terwijl oligopolie de norm is in vele andere landen

  2. External economies zijn voordelen van een project die gunstig zijn voor ook anderen. Omdat private investeerders dit niet makkelijk kunnen betalen (grote bedragen, langen afbetaalperioden) zullen ze dit niet snel doen. Overheden wel.

  3. External economies zijn kosten die het bedrijf niet draagt, zoals vervuiling. Ook algemene bronnen zorgen voor een situatie waarin er geen neiging is om te stoppen, omdat er geen zekerheid bestaat dat anderen dat ook doen

  4. Markten vergemakkelijken de veranderingen in economische structuur niet. Protective tariffn(belasting om concurrerende invoer) of initiële subsidie

In 1960/1970 weer meer richting markt



  • Er zijn er nog meer, moet je mss zelf nog even doorlezen, maar idee lijkt me duidelijk.


Implementing market reforms

Landen vroegen IMF en Wereldbank om financiële steun die ze kregen mits ze specifieke aanpassingen deden: als ze beleidshervormingen doorvoeren, gericht op het verlagen van verliezen van het overheidsbudget, verlaging van de inflatie, openen van de economie voor handel, privatiseren van state owned bedrijven, etc.



2 componenten:

  • Stabilisatie

  • Structurele aanpassing


Stabilisatie van de macro-economie

Een goed functionerende markt heeft macro-economische stabiliteit nodig  de noodzaak om budgetverliezen te financieren leidt vaak tot inflatie, wat risico’s verhoogt, investeringen verder ondermijnt en ontberingen voor de armen met zich meebrengt.

Real interest rates = interest ratio gecorrigeerd voor de inflatie  kan negatief worden  exchange rates kunnen overgewaardeerd worden, door onzekerheid hierover stoppen mensen hun geld in land of goud, wiens prijzen stijgen met inflatie  investeringen in productieve dingen daalt.


  • Stabiliteitsprogramma’s zijn gemaakt om inflatie zoveel mogelijk te voorkomen en de bijgaande onevenredigheden te corrigeren (…)

  • Conditionality = leningen in ruil voor beleidshervormingen


Structurele aanpassing

Als stabilisatie is bereikt of als het proces nog bezig is, moeten de andere elementen voor een goed functionerende markt op hun goede plek worden gezet dmv structurele aanpassing: zoveel mogelijk goederen maken die via de markt gekocht kunnen worden ipv een allocatie mechanisme van de overheid  weghalen van overheidsquota en licensies, zodat imports door de markt gealloceerd kunnen worden ipv door de overheid.

(…)

De geloofwaardigheid van hervormingen

Minder controversieel dat de vraag over timing en snelheid is de geloofwaardigheid van hervormingen  om geloofwaardig te zijn moeten overheden hun hervormingsprogramma’s op doeltreffende wijze managen, ondanks complexiteit. Ook zouden ze bepaalde hervormingen in moeten sluiten, door bv beloften te maken die lastig terug te draaien zijn.



  • Geloofwaardigheid hangt ook af van de publieke perceptions van stabilisatie en liberalisatie

  • Leiders en officials van landen hebben een diepgewortelde zelfingenomenheid en hebben vaak de illisie dat overheidscontrole goed is, terwijl het dat niet is  daarom soms moeilijk hervormingen door te voeren

  • De invloed van internationale financiële instituties op geloofwaardigheid is two edged: het IMF en de wereldbank verschaffen extra bronnen die de transitie vergemakkelijken terwijl vernieuwingen toegepast worden.

  • Publieke schulden spelen een dubbele rol: schuld wordt passief zodra de mensen zich beginnen af te vragen waarom hun levensstandaard af zou nemen en de winsten voor de banken gelijk blijft. En dat terwijl hervormingen de levensstandaard kunnen helpen verbeteren en debt commitments terugbetaald kunnen worden.


The Washington Consensus

De specifieke acties die genomen worden in 1 land kunnen mogelijk niet toepasbaar zijn in een ander land

John Williamson: The Washington Consensus: het identificeren van de laagst gemeenschappelijke noemer van beleidsadvies. Tien componenten:


  1. Fiscale discipline

  2. Herschikken van publieke uitgaven prioriteiten

  3. Belastinghervormingen

  4. Liberalisatie van rentevoeten

  5. Concurrerende exchange rates

  6. Handel liberalisatie

  7. Liberalisatie van foreign direct investment

  8. Privatisering

  9. Deregulatie van overheid in binnenlandse economie

  10. Verzekeren eigendomsrechten

  • Ondanks dit toch geen economische groei gezien  het kan zijn dat het wel had gewerkt als ze de landen langer de tijd hadden gegeven

  • Sommigen zien deze consensus als een set van noodzakelijke maar niet voldoende condities voor economische groei en ontwikkeling

  • Toevoegingen:

  1. Noodzaak van institutionele hervormingen

  2. Acties om de schokkende ongelijkheid in de regio aan te pakken

  • Landen hebben adequate supervisie nodig ban banken, politie die burgers beschermen ipv uitbuiten, een onafhankelijke centrale bank en een legaal systeem.

  • Veel van de meest succesvolle economieën van de laatste 50 jaar hebbe niet alle consensus toegepast  ook politieke autonomie en experimenteren met beste mogelijkheden nodig.


HOOFDSTUK 6

Measuring inequality

  • Consumptie is mogelijke een meer betrouwbare indicator voor welvaart dan inkomen, oa omdat consumptie niet zoveel fluctueert als inkomen.

  • De distributie voor welvaart is altijd ongelijker dan die van inkomen of consumptie. De distributie van land of onderwijs, zijn nuttig voor het begrijpen wat de mogelijkheden zijn voor individuen om productief te zijn en een inkomen voor het huishouden te genereren.

  • De meest simpele manier om distributie weer te geven is om een frequency distribution weer te geven, welke ons vertelt hoeveel families of individuen verschillende hoeveelheden inkomen ontvangen (figuur 6-1, p. 192)

  • deze grafieken voor Bangladesh, Mexico en USA ongeveer gelijk maar niet identiek: gelijkheid wisselt dus wel onderling. Ze zijn dan ook moeilijke met elkaar te vergelijken. Ongelijkheid os op zich wel te meten dmv size distribution: het aandeel van totale consumptie of inkomen dat ontvangen wordt door verschillende groepen/ huishoudens op volgorde naar hun consumptie of niveau van inkomen  rapporteren in delen (armste 20% tot rijkste 20%)

  • deze date kunnen gebruikte worden om een Lorenz curve van te maken (figuur 6-2, p. 195)  hoe boller = des te ongelijker. 45° lijn is perfecte gelijkheid

  • Gini coëfficiënt = opp. A/ (opp. A+B)

Patterns of inequality

Waardoor ongelijkheid?



  • Groei zelf is mogelijk een graad van ongelijkheid: groei is een inherente en onevenredig proces. Sommigen merken meteen de voordelen en voor anderen duurt dat langer.

  • Kuznet: relatie tussen groei en ongelijkheid, omdat ongelijkheid in eerste instantie zal groeien als een land een transitie van landbouw naar industrie doormaakt. Het resultaat van de verschillen in returns to factors of production.

  • W. Arthur Lewis: stijgende ongelijkheid komt tot een turning point waarna de ongelijkheid weer afneemt  turning point als alle arbeidsoverschotten opgenomen zijn en het aanbod van arbeid inelastisch is  surplus labor model: ongelijkheid is niet alleen noodzakelijk effect van economische groei, het is een veroorzaker van groei: meer inkomen = meer investeren. Herverdelen van inkomen op een ‘onnatuurlijke’ manier verminderd de economische groei.

  • Geschiedenis en politiek spelen ook een rol (apartheid, WWI, WWII, kolonisatie, etc)  geschiedenis zorgt voor een bepaalde manier van het huidige distribueren van inkomens, maar de huidige politiek heeft ook effect op deze uitkomsten.

  • Dus: het niveau van ongelijkheid in ieder land is het resultaat van complexe interactie tussen geschiedenis, politiek, resource endowment, markt forces en overheidsbeleid.


Why inequality matters

  • Ongelijkheid doet ertoe, want zoals hiervoor gezegd is ongelijkheid nodig voor economische groei. Als een economie groeit en ongelijkheid blijft hetzelfde, dan is het ikomen van de arme net zo gegroeid als dat van de rest van de inwaonders. Maar ongelijkheid en inkomen worden niet onafhankelijk van elkaar gedetermineerd, maar ongelijkheid verandert vaak mee met de inkomens per capita en heeft effect op de groei die een economie bereikt.

  • Als inkomen geconcentreerd is in slechts enkele handen, kan er meer gespaard worden, wat gunstig is voor kapitaal accumulatie  dit simpele model houdt echter geen rekening mt andere factoren die economische groei veroorzaken. Echter, arme mensen hebben wellicht veelbelovende mogelijkheden voor investeringen, vaak kunnen ze dat niet betalen. Als een land eerlijke distributie had, was dat mss wel gelukt.


Measuring poverty

Ongelijkheid ≠ armoede maar wel een belangrijke determinant



Absolute armoede is een maatstaf waarbij we vooral kijken naar consumptie of inkomen,maar armoede is multidimensionaal en omvat ontberingen die nog niet omvat zijn door alleen te kijken naar inkomen.

Armoedegrens (bepaald bedrag per dag) laat een bepaalde materiële armoede zien, maar verzekerd basis gezondheid en scholing niet. Toegang tot veilig drinkwater komt daar ook bij, net zoals kwetsbaarheid voor ongunstige shocks.

De meeste landen hebben een eigen armoedegrens, aak een bepaald bedrag gebaseerd op minimale consumptie en neccesities. In veel lagelonenlanden gebaseerd op 2000 kcal per dag, maar geld wordt niet altijd zo besteed. Vaak specifceren overheden het geheel nog iets, er is maar dan 1 armoedegrens: ruraal vs urbaan en tussen verschillende regio’s in het land.

Het doel is een constante armoedegrens te behouden waarbij het belang volgoedne eten en andere neccesities constant gehouden worden.

Doordat veel landen een eigen armoedegrens hebben, kunnen deze goed gebruikt worden voor vergelijkingen.

Alternatieve, wereldwijde maatstaf is $1 of $2 per dag  duidelijker beeld van absolute armoede tussen landen en regio’s en hoe de hoeveelheid armen verandert over tijd. Om veranderingen in armoede te zien, is het nodig om armoedegrens te verhogen in locale valuta als reactie op veranderingen in binnenlandse prijzen  idealiter wordt dit gedaan door gebruik te maken van een prijsindex gebaseerd op goederen die arme mensen kopen.

In 1993: nieuwe berekening: $1.08 per dag

In 2001 leefden 1.09 miljard mensen onder deze armoedegrens.

Als de armoedegrens eenmaal bekend is, kan de mate van absolute armoede op verschillende manieren geïdentificeerd worden:



  • Headcount index: de ratio van het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft tov van de totale bevolking.

  • Poverty gap: beschrijft de mate van armoede: hoeveel mensen onder en hoe ver van de armoede grens  PG = [(PL-MC)/PL]xHI = [(poverty line – mean consumption)/poverty line] x headcount index

How much poverty is there?

Sommigen vinden de armoedegrens te hoog, anderen te laag  $1 wordt beschreven als uiterste armoede. Anderen zeggen dat de armoedegrens te weinig verband houdt met landspecifieke armoede en dat het daarom niet of weinig relevant is voor de bundel goederen die arme mensen moeten aanschaffen voor hun basisbehoeften.


Strategies to reduce poverty

Het WDR verschafte niet alleen een berekening van de hoeveelheid armoede,maar ook een strategie om wereldarmoede te verlichten:



  1. Markt- georiënteerde economische groei promoten

  2. Directe basis gezondheidszorg en onderwijsdiensten voor de armen

  • Samen leiden ze tot labor demanding groei  voordelig voor de armen omdat ze primair afhankelijk zijn van arbeid EN verhoogde productiviteit door goede gezondheid en leveren daarmee een bijdrage aan de armoedevermindering

  1. Ontwikkeling van veiligheidsnetten die mensen opvangt die geen voordeel (kunnen) hebben van mogelijkheden van de markt (zieke & gehandicapte mensen)

Beleidsmakers zijn vaak gebiologeerd door de hoeveelheid groei. Ze zouden meer aandacht moeten schenken aan de structuur en kwaliteit van groei  problemen met economische groei:

  • Jobless (als ec. groeit maar aantal banen niet)

  • Ruthless (voordelen/ winsten alleen voor rijken)

  • Voiceless (economische groei zonder democratie of empowerment)

  • Rootless (wegvallen/ verwelken culturele identiteit)

  • Futureless (verspillen hulpbronnen die in de toekomst nodig zijn)

  • Roept vragen op: is economische groei wel goed voor arme mensen? Zijn winsten alleen voor de rijken?  in de meeste gevallen profiteren de armen ook, zolang het GDP sneller groeit dan de bevolking zullen gemiddelde inkomens binnen elk quantile (elke 20%) meestal ook groeien.


Immiserizing growth: als armen een daling van hun gemiddelde inkomen hebben ondanks economische groei

In sommige gevallen is groei alleen niet genoeg om absolute armoede te verminderen: vermindering in distributie verminderen de verlichting van armoede.



Pro-poor growht: de noodzaak dat ontwikkelingsstrategieën zich een armoedefocus eigen maken/ een situatie waar groei in inkomen onder de armen groter is dan de groei van het gemiddelde inkomen.
The washington consensus & the poor

  • Verbeteren werking van de markt waar armen er ook voordeel van hebben

  • Investeringen in menselijk kapitaal

  • Meer aandacht aan rurale infrastructuur, veilig drinkwater, verbeterde irrigatie, landbouw extensive diensten, onderzoek & ontwikkeling oogstvariëteiten en vergrote toegang tot krediet

  • Uitgaven aan de armen = minder uitgeven aan andere groepen = pro poor & pro growth maar er moet rekening gehouden worden met weerstand van groepen die hierdoor achteruit gaan




  • Inkomenstransfers (foodpricing en voedselhulp)

  • Sociale zekerheidsnetten

In 2003 behoorde 15% van de wereldbevolking tot high income en consumeerde 56% van de totale output.

Alternatieve methode om ongelijkheid te berekenen is door gemiddeld inkomen per land te wegen met de bevolking ipv het niet te wegen met de bevolking (figuur 6-8, p.231)

Waarom global gelijkheid nastreven?



  1. De concentratie van wereldinkomen kan de productiviteitgroei verminderen

  2. Het is in eigenbeland van high income huishoudens om herverdeling aan te moedigen

  3. Ook herverdeling stimuleren omdat mensen zich in dit informatietijdperk bewust zijn van het inkomensgat

  4. Een eerlijkere herverdeling is mogelijk een goed iets om na te streven op basis van moraal

  • Sachs: absolute armoede stoppen in 2025  arme landen moeten zelf verantwoordelijk worden genomen voor hun inspanningen om armoede te verminderen

  • Gegeven de maat van absolute armoede in de wereld, is er de noodzaak voor rijke landen om meer te doen om armoede te verminderen: hun markten open houden voor exports van arme landen en investeren in global publieke goederen zoals wetenschap over tropische ziekten en ontwikkeling van nieuwe technieken om landbouwoogsten te verbeteren. Ook de noodzaak voor beter rentemeesterschap van rijke landen om de impact van klimaatverandering op arme landen te verminderen; het kwijtschelden van geaccumuleerde internationale schulden van arme landen aan multilaterale instituties zoals het IMF en Wereldbank; een significantie stijging in foreign aid  rijke lande spelen een kritieke rol in het verminderen van wereldarmoede.



HOOFDSTUK 7

Concepten

-Boserup vs Matlhus. Matlhus: als de populatie groeit dan is er steeds minder voedsel per hoofd van de bevolking


Colleges

-n is een endogene factor in Solow’s model en valt dus niet te kiezen

-Rol van kinderen als oude dagsvoorziening valt weg al de overheid die verzorgt  kosten van kinderen nemen dan toe, de baten nemen af.

-Malthus ziet een negatief verband tussen bevolkingsgroei en economische groei. De schrijvers van het boek zien dat niet (geen correlatie bewezen!)



H8 Education
Schultz: het verwerven van vaardigheden en kennis is investeren in ‘human capital.’ Economen zien het investeren in fysiek kapitaal dan ook als een terugkerend rendement in plaats van een eenmalige consumptie. Schultz’ theorie is dan ook dat het investeren in de mens het verschil is geweest tussen de grote economie groei in de Westerse landen en dat dit de beperkende factor is in arme landen.

Maar het is niet het enige wat economisch succes bepaald. Als economische condities niet aantrekkelijk zijn voor productie zullen zelfs de (hoger) opgeleiden moeite hebben om aan werk te komen.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina