Voorbeelden per eigenschap



Dovnload 29.08 Kb.
Datum24.07.2016
Grootte29.08 Kb.
A Categorie 2 Schattend Hoofdrekenen 3


Voorbeelden per eigenschap





  1. Lance beweert “Op mijn racefiets rijd ik in 22 sec wel 420 meter.” Klopt dit?

Ik weet dat een snelle schaatser een rondje van 400 m rijdt in 40 sec met een snelheid van zo’n 40 a 50 km/uur. Lance zou dan met een afstand van 420 m in 22 sec bijna 2x zo snel zijn, dus fietsen met een snelheid van 80 a 90 km/uur. Dit lijkt me wat veel!

Je kunt Lance zijn snelheid ook schatten. De 22 sec is ongeveer minuut en 420 meter is een kleine 0,5 km. Lance rijdt dus in minuut 0,5 km. Door beide met 3 te vermenigvuldigen is dit gelijk aan in 1 minuut 1,5 km, dus in 60 min 90 km. Met een racefiets 90 km/uur lijkt me abnormaal snel.


  1. Piety vertelt: “Wij wonen in een mooie flat in Tilburg. De huiskamer heeft ook een open keuken en is heel groot. Totaal inclusief de keuken, zo’n 30 m2.”

Een kleine keuken is toch gauw 2 m (iets groter dan de spanwijdte van je armen) bij 4 m, dus een oppervlakte van 2  4 = 8 m2. Een grote keuken heeft toch wel een 2x zo groot oppervlakte, dus 16 m2. Een huiskamer van 30 – 16 = 14 m2 die kleiner is dan een grote keuken is niet zo groot.





  1. Een atleet loopt een marathon (42 km en 195 m) in 2 uur, 21 minuten en 35 seconden.

Schat de gemiddelde snelheid van deze loper in kilometer per uur.
Schatten per uur:

De afstand is gegeven in km en de tijd is 2 uur en 20 min dit is 2=uur. Als de loper 42 km in uur loopt, dan is dit, als je deelt door 7, even hard als 6 km in uur, dus na vermenigvuldigen met 3 een gemiddelde snelheid van 18 km/uur.


Schatten per minuut:

De afstand is 42 km en de tijd is 2 uur en 20 min, dit is 140 min. Je wilt de afstand per uur, dus 60 minuten weten. Bij de berekening is een verhoudingstabel handig:


: 7

 3





Afstand (km) 42 6 18




Tijd (min) 140 20 60



 3


: 7

Een afstand van 18 km in 60 min, dus 18 km in 1 uur. Dit is een snelheid van 18 km/uur.




  • Dit schatten leg ik aan de klas als volgt uit:










  • Probeer je uitleg uit op je buur




  1. Yvonne rekent op haar zakrekenmachine correct uit:

(715,348 + 589,2)  4,555 =

Bij het overschrijven vergeet ze in 594221614 de komma. Waar schat je dat de komma staat?


Schattend (dus niet cijferend!) zal de uitkomst zijn:

(715,348 + 589,2)  4,555 is ongeveer

(700 + 600)  4,5 =

1300  4,5 = 5200 + 650 = 5850.

De komma staat dus 5942,21614.


  • Deze eigenschap leg ik aan de klas alsvolgt uit:










  • Probeer je uitleg uit op je buur

Controlevragen




  1. Op welke schaal is deze fiets ongeveer afgebeeld?



Schaal wil zeggen: 1 cm van de afbeelding is in werkelijkheid hoeveel cm?

Ik schat dat de zadel van de fiets op 1 m hoogte zit. Op de afbeelding is deze afstand ongeveer 4 cm. Dus 4 cm in de afbeelding is 1 m = 100 cm in werkelijkheid. Ofwel 1 cm in de afbeelding is ongeveer 25 cm in de werkelijheid. De schaal is dus ongeveer “1 op 25” of 1 : 25.


  1. Caroline maakt roze verf door rode verf en witte verf te mengen.

Soort 1 maakt ze door bij 7 blikken witte verf te mengen met blik rode verf.

Soort II maakt ze door 10 blikken witte verf te mengen met lik rode verf. Welk mengsel ziet het roodst?


Verhoudingen los je handig op met een verhoudingstabel In beide verhoudingstabellen eerst de breuk wegwerken door te vermenigvuldigen.


 4



Soort I Soort II
Rood (blik) 3 6 Rood (blik) 6


Wit (blik) 7 28 56 Wit (blik) 10 50




 5

 4


 5

Daarna bekijk je hoe je in beide verhoudingstabellen handig naar een gelijk aantal verfblikken kunt komen, rood of wit maakt niet uit. Rood is het handigst om bij beide soorten naar 6 te komen! Bij soort I gebruik je 2  3 = 6 blikken rode verf met 2  28 = 56 blikken witte verf. Bij soort II gebruik je ook 6 blikken rode verf, maar nu met 50 blikken witte verf. Bij soort I gebruik je bij evenveel blikken rode verf meer blikken witte verf dan bij soort II, dus soort I heeft de lichtste kleur en soort II de donkerste kleur.




  1. Yvonne rekent op haar zakrekenmachine correct uit:

(856,8826 + 13,07) : 3316 = 26235

Bij het overschrijven vergeet ze in 26235 de komma. Waar schat je dat de komma staat?

(856,8826 + 13,07) : 3316 is ongeveer

900 : 3000 = 0,3 dus het getal moet zijn 0, 26235




  1. Handige maten met schatten:

In 10 min loop je een afstand van ……. km

Een fiets rijdt met een snelheid van …….. km/uur

Met gespreide vingers is de grootte van je hand …….. cm

De hoogte van een verdieping is …….. m

De breedte van een deur is …….. m

De hoogte van een deur is …….. m

De lengte van een mens is ongeveer ……. m

De spanwijdte van je armen is ……. m

De lengte van een voetbalveld is ……. m

Een pak suiker weegt …… kg

Een pak melk heeft een volume van …….. liter


Oefenvragen

Geef aan welke uitspraken waar kunnen zijn en welke absoluut niet waar. Geef een korte toelichting.


  1. Als ik het weekend doorschrijf, kan ik de getallen 1 t/m 1 miljoen in cijfers allemaal opschrijven?




  1. Ids Postma rijdt de 1500 meter in 2 min en 48,17 seconden. Hoeveel km/uur is dit ongeveer?




  1. In de afgelopen nacht heeft het 16 mm geregend volgens Pyt. Hoeveel water is er op de tuin gevallen?




  1. Per week spoelen we thuis wel 5000 liter water door het toilet.




  1. Hoeveel verschillende autonummers zijn er ongeveer mogelijk?




  1. De 1000 m schaatst Marianne Timmer in 1:16.05. Cindy Klassen doet er 0.04 sec langer over. Hoeveel cm is dit ongeveer?

Plaats de vergeten komma:




  1. (833,18 + 25,1256)  5,36 = 4600518



  1. (5360,268 : 123,6) + 57,11 = 100567



  1. (672,25  53,534) + 44000 = 80001615



  1. (723,33 + 466,2306) : 23,22 = 5123

Toetsvragen



  1. Geef aan welke uitspraken waar kunnen zijn en welke absoluut niet waar kunnen zijn. Geef per geval een korte toelichting.

I. In totaal bezitten de inwoners van Nederland wel zo’n 2 miljoen fietsen.


II. In het opblaasbare kinderbadje waar mijn zusje in zit, gaat ongeveer 2500 liter water.



  1. Yvonne rekent op haar zakrekenmachine correct uit:

(567,2  81,95) + 85000 =

Bij het overschrijven vergeet ze in 13148204 de komma. Waar schat je dat de komma staat?



  1. Ken je iemand die ouder is dan 10 miljoen minuten?

Licht je antwoord duidelijk toe met behulp van schattend rekenen.


  1. Geef aan welke uitspraken waar kunnen zijn en welke absoluut niet waar kunnen zijn. Geef per geval een korte toelichting.




    1. In dit klaslokaal gaan wel 10 000 emmers water.




    1. Roland, een brugklasleerling, fietst elke dag naar school. Ongeveer een uur heen en een uur terug. Hij beweert dat hij wel 10 000 km per jaar fietst.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina