Voorbereidingspreek over 2 Petrus 2: 4 Aanwijzingen voor de liturgie



Dovnload 27.26 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte27.26 Kb.
SPIEGEL

- voorbereidingspreek over 2 Petrus 2:4 –


Aanwijzingen voor de liturgie:
Orde van Dienst B, morgendienst

Votum en vrede-/zegengroet

Zingen: Gezang 139:1,2 en 3 (Gereformeerd Kerkboek)

Lezing van de wet des HEREN

Zingen: Psalm 103:1 en 4

Gebed


Lezen: 2 Petrus 1:16-2:10

Zingen: Psalm 103:2,8 en 9

Tekst: 2 Petrus 2:4

Preek


Zingen: Gezang 154:1,2 en 3 (Gereformeerd Kerkboek)

Lezing eerste deel avondmaalformulier

Zingen: Gezang 154:4 (Gereformeerd Kerkboek)

Dankgebed en voorbede

Collecte

Zingen: Lied 460:1,2 en 5 (Liedboek voor de Kerken)

Zegen
SPIEGEL

- voorbereidingspreek over 2 Petrus 2:4 –


Gemeente van onze Here Jezus Christus!

Aan het begin van de preek van vanmorgen, wil ik u in gedachten graag ergens mee naar toe nemen. Maar ik moet er wel bij zeggen, dat het geen préttige plek is om te zijn. Integendeel, zelfs – want het is een soort gevangenis. En dan wéét ik wel, dat er mensen zijn – die roepen, dat je het daar zo slécht nog niet hebt: in de gevangenis. Maar bij déze gevangenis, gaat dat in ieder geval niet op. Het is een vréselijke plek, onder meer omdat het er altijd ‘donker’ is.

En dan moet u zich dat eens proberen vóór te stellen, broeders en zusters. En jullie, jongens en meisjes. Wat het betekent, om gevangen te zitten – op een plek, waar het altijd donker is. En je nooit ‘ns, een streepje licht ziet. Zeg nou zelf: dat moet toch, verschríkkelijk zijn?! Om opgesloten te zitten – op een plek, waar om zo maar te zeggen ‘de duisternis’ je gevangen houdt? En de keten vormt, of: de boeien – waardoor je vast wordt gehouden?

En toch, wordt het nóg erger. Want die duisternis is erg, maar wat het pas echt ondrá-gelijk maakt – is weten, dat het ook niet weer ophoudt. En: je nooit meer, op vrije voeten zult komen. Omdat je, zoals dat heet – in deze vreselijke gevangenis, ‘in verzekerde bewaring’ bent gesteld. Je erin bent opgesloten, zou je óók kunnen zeggen – in afwachting van je ‘vonnis’. Het moment, wil dat zeggen – waarop de Rechter, zijn oordeel over je uit zal spreken.

Maar, gemeente – zég ‘ns: waar bevindt deze gevangenis zich precies? En, dat óók: wie worden er precies gevangen gehouden? Nu, als u een beetje hebt opgelet – toen we vóór de preek, met elkaar dat kleine stukje uit de Bijbel hebben gelezen. Dan hoeft dat, géén vraag voor u te zijn. En, weet u ook: dat het antwoord, het er bepaald niet béter op maakt. Sterker, nog: als je weet, wáár deze gevangenis zich bevindt. Wordt het nóg weer angstaanjagender.

Want die gevangenis, waar ik u vanmorgen mee naartoe heb genomen. Bevindt zich, in de Tartarus. En dan is dat, een beetje een móeilijk woord – dat je ook zou kunnen vertalen met ‘de afgrond’. Of, om nóg duidelijker te zijn: die gevangenis, waar ik u vanmorgen mee naartoe heb genomen – die bevindt zich, in het onderste gedeelte van de hel. En is de plek, om het heel in ‘t kort te zeggen – waar God volgens Petrus ‘gevallen engelen’ heeft opgesloten.

En, nogmaals: als je dat weet, wordt het nóg enger allemaal! En: nóg angstaanjagender! Ook al zijn we er niet echt, maar alleen: in gedachten. Want wees eerlijk: alleen de gedáchte aan de hel, kan een christen al doen beven van angst. Want wie zijn Bijbeltje kent, die weet: dat is de ergste plek, waar je terecht kunt komen. Een plek, zó verschrikkelijk – dat je die zelfs je ergste vijand nog niet gunt! En daarom, zeg ‘ns: wat hebben we hier te zoeken?

Nu, dat zal ik u zéggen – in de voorbereidingspreek van deze morgen, die ik graag op de volgende manier heel in het kort voor u zou willen samenvatten:


KIJK IN DE SPIEGEL! En zie

1. de zonde, die u hebt gedaan

2. de straf, die u hebt verdiend
1. De zonde, die u hebt gedaan.

Gemeente, ik noemde het u al even: aan het begin van de preek van vanmorgen, heb ik u meegenomen naar een ákelige plek. Te weten: de Tartarus, de afgrond, of: het onderste gedeelte van de hel. Waar de HERE God, volgens Petrus ‘engelen’ heeft opgesloten. Maar gemeente, waaróm dan toch? En: wat hebben die engelen daar te zoeken? Want wij komen er niet graag, in de hel. Maar je mag toch aannemen, dat dat voor engelen net zo góed geldt.

En toch, toch zijn ze er wel – omdat de HERE God, hen ‘in de Tartarus geworpen heeft’. En Petrus, die vertelt ons ook – waaróm. ‘God heeft zelfs engelen’, schrijft hij immers in ons tekstvers, ‘die gezondigd hadden niet gespaard maar hen in de Tartarus geworpen.’ En ja, als je daar góed over nadenkt – over dat zinnetje. Kom je erachter, dat dat je zomaar de rillingen over je rug kan doen lopen. Of, dat kan óók: de haren, je te berge kan doen rijzen.

Ik bedoel: wij mogen de HERE kennen, als ‘een rechtvaardig God’. Zo spréékt de Bijbel over Hem, en dat betekent: dat Hij ‘recht’ doet. Als Hij een schepsel straft, dan heeft Hij daar ook een goede reden voor. En heeft zo’n schepsel dat verdiend. Of, toegepast op wat we in ons tekstvers lezen: als God die engelen in de hel heeft geworpen, omdat ze gezóndigd hadden. Dan kun en mag je daaruit opmaken - dat als jij zondigt, je die straf óók verdient.

Maar, gemeente – als je het zó zegt, en: het zó onder woorden brengt. Dan is dat toch zeker, om ‘koud’ van te worden? En rillingen van te krijgen? Want dan houden die engelen uit ons tekstvers, ons vanmorgen een spiegel voor. Doen die ons ook, naar onszélf kijken – om vervolgens, de schrik van ons leven te krijgen! Want als die engelen uit 2 Petrus 2:4 al in de hel zijn geworpen, omdat ze één keertje gezondigd hadden. Waar blijven wij dan nog?

Want ik weet natuurlijk niet, hoe het vanmorgen met ú precies gegaan is. Maar zelf, heb ik de Tien Woorden van Gods heilige wet gehoord. Sterker, nog: heb ik ú die voor mogen houden, maar ook: mezélf. Om er vervolgens achter te komen, dat die me mijn zónde leren kennen. Ja, als ik de meetlat van Gods geboden – naast mijn eigen leven leg, van de afgelopen week. Kom ik erachter, dat ik niet maar één keer gezondigd heb. Maar talloos véél keren.

En ik maak me sterk, dat als u óók met aandacht geluisterd hebt – naar de Tien Geboden, van Gods heilige wet. Het u niet veel anders vergaan zal zijn, dan mij. U er óók achter bent gekomen, dat u gezondigd hebt. En dat ook niet maar één keer, zoals die engelen uit ons tekstvers. Maar talloos véél keren. En, nogmaals: waar blijven we dan, als zondige mensen? Als de HERE die engelen uit de tekst - om één keer zondigen, al in de hel heeft geworpen?

Want we weten niet, omdat de Bijbel daar niet veel van zegt – wat precies de zonde geweest is, waar die engelen zich in het begin van de geschiedenis aan schuldig gemaakt hebben. Er zijn geleerden, die zeggen – dat het ‘hoogmoed’ is geweest. Ze niet tevreden zijn geweest, met de positie die ze bij hun schepping van de HERE gekregen hadden. En daarom, tegen Hem in opstand zijn gekomen. En dat lijkt ook waarschijnlijk, maar is toch niet zéker.

En ergens, hóeven we het ook niet te weten – wat die engelen precies verkeerd hebben gedaan, en: wat hun zonde geweest is. Omdat we onze handen namelijk al ‘meer dan vol’ hebben, aan onze eigen zonden. En heb dan de moed, gemeente – en: het lef. Om die zonden ook eerlijk onder ogen te zien! Er niet voor weg te lopen, niet te gaan draaien of uitvluchten te zoeken – als de Tien Geboden van Gods heilige wet, u deze morgen op uw zonden wijzen.

Want, eerlijk is eerlijk: die neiging, kunnen we wel hébben! Sterker, nog: dat zit ons zelfs, wat ‘in het bloed’. Ik bedoel: wat deed Adam, toen de HERE hem naar zijn zonde vroeg? Juist, hij wees naar Eva! ‘Ik kon er niks aan doen – want die vrouw, die U me gegeven hebt...’ En zo, kunnen wij het nog stééds doen – als de HERE ons met zijn Tien Geboden, ook naar ónze zonde vraagt. Dat we dan de beschuldigende vinger uitstrekken, naar onze naaste.

En soms, ook niet eens helemaal ten onrechte. Omdat die naaste, ons tot zonde verleid heeft. Denk maar, aan wat Petrus ons vertelde – in het stukje, dat we vanmorgen gelezen hebben. Van die dwaalleraren, die verschijnen zullen – en de verderfelijke ketterijen, waar ze mee komen zullen. Maar, ook: het losbandig gedrag, dat velen van hen over zullen nemen. Nu, en wie z’n ogen niet in z’n broekzak heeft zitten – die ziet, dat we daar nu midden in zitten.

Ik bedoel: er wórdt toch, een hoop onzin verkocht? In de tijd, waarin wij leven? En er zijn toch zeker, vele ‘slechte voorbeelden’ – die we zomaar overnemen? En toch: hoe waar dat ook is, je kunt je er niet van af maken – door alleen maar, naar ‘de ander’ te wijzen. Zoals Adam, eens naar Eva wees. Want Eva kreeg haar straf, maar Adam net zo goed. Omdat je ook zélf verantwoordelijk bent, voor de keuzes die je maakt. En de keren, dat je je laat verleiden.

En ja, dan hebben we dus een levensgroot probleem! Omdat de HERE, we zagen dat al – een rechtvaardig God is. En als Hij daarom die engelen, om de ene keer dat ze gezondigd hebben – in de Tartarus heeft geworpen. Hen niet gespaard, maar in het donker opgesloten heeft. Waarom zou Hij ons dan wél sparen? Want noem daar, dan eens één goede reden voor. En zo kijken we, als we vanmorgen in de spiegel kijken – om zo te zeggen, recht de hel in.

En toch, gemeente – en dat is evangelie. Toch heeft God één reden gevonden, om ons niet net als die engelen in de Tartarus te werpen. Eéntje maar – maar wel eentje, die voldoende is. En dat is het offer van zijn eigen eniggeboren Zoon. Om Hem, wil de HERE – hoewel wij vaak en zwaar gezondigd hebben, ook de afgelopen week weer. Om Hem, wil de HERE ons genadig zijn. Ons sparen, en niet in de afgrond werpen – zoals Hij bij die engelen deed.


2. De straf, die u hebt verdiend.

Gemeente, ik neem u nog één keer mee terug – naar die akelige plek, waar we de preek van vanmorgen begonnen zijn. Die gevangenis, waar het donker is. En waar de HERE God ‘engelen die gezondigd hadden’, opgesloten heeft ‘om hun vonnis af te wachten.’ Oftewel, ze zitten ‘in voorarrest’. Zijn in afwachting van de jongste dag, als God ook hen zal komen oordelen. En: veroordelen. Dat is het beeld, dat de apostel Petrus in de tekst van vanmorgen oproept.

En het is al méér gezegd: dat is een angstaanjágend beeld! En dat blijft het – ook, als we bedenken wat de Bijbel nog méér zegt. Want in zijn eerste brief, gebruikt Petrus ook nog een ander beeld – het bekende beeld van de duivel, die ‘rondzwerft als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi.’ En dat lijkt erop te wijzen, dat die gevallen engel – toch een zekere bewegingsvrijheid heeft. En toch: die verschillende beelden, hoeven elkaar niet te ‘bijten’.

Want ook al zwérft de duivel rond – als die brullende leeuw, op zoek naar prooi. Toch is hij, ‘aan handen en voeten gebonden’. Krijgt hij niet méér ruimte, dan de HERE God hem geeft. Een beetje, zeg maar – zoals dat in gevangenissen op aarde óók gaat. Daar mogen gevangenen op gezette tijden óók hun cel uit, bijvoorbeeld om gelucht te worden. Maar zonder dat dat betekent, dat ze op vrije voeten komen. Ze blijven, ‘aan handen en voeten gebonden’.

Nu, en misschien – dat we het zó ook moeten zien. Als het om die ‘gevallen engelen’ gaat, waar Petrus ons van spreekt in 2 Petrus 2:4. Dat ook die van de HERE wellicht een zekere bewegingsvrijheid krijgen – maar zonder dat dat betekent, dat ze daarmee op vrije voeten komen. Laat staan – dat ze daarmee ‘het oordeel’ kunnen ontlopen, waar Petrus ons toch óók van spreekt. Want daar is echt geen dénken aan, bij een rechtvaardig God als de HERE.

Die gevallen engelen – ze ontlopen hun straf niet, zegt Petrus. En hetzelfde geldt – voor onrechtvaardige mensen. Sla er 2 Petrus 2:9 maar op na, waar de apostel schrijft: ‘de Heer blijkt dus vromen uit de beproeving te kunnen redden en onrechtvaardigen gevangen te kunnen houden tot de dag van het oordeel, om hen dan te straffen.’ Zij ondergaan hetzelfde lot, om zo maar te zeggen – als die gevallen engelen, waar Petrus ons in de tekst van spreekt.

Nu, en opnieuw – doet dat je dan ‘in de spiegel kijken’, als mens. En je de vraag stellen: ben ik ‘een vrome’, die door de Heer uit de beproeving gered wordt? Of toch ‘een onrechtvaardige’, die door Hem gevangen gehouden wordt tot de dag van het oordeel? Bepaald een confronterende vraag, waar je het warm van kunt krijgen. En: die je het zweet kan doen uitbreken. Zeker, als je op zondagmorgen – in de kerk geconfronteerd bent, met Gods wet.

Want die wet, doet je je zonden kennen. En, daarom: als je naar jezelf kijkt, zinkt de moed je meteen in de schoenen. En moet je alle hoop, meteen laten varen. Maar God zij dank, is ons in het eerste punt dan ook geleerd – om van onszelf af, op Jezus Christus te zien. Dankzij wie, de HERE ons ‘sparen’ kan en wil. Maar vergeet dan niet, wat het de Here Jezus Christus ‘gekost’ heeft – om jou te redden van het strenge oordeel van God, dat je verdiend hebt.

Ik bedoel: om dat te kúnnen doen – heeft Hij de straf, die wij verdienen. Van ons over moeten nemen, en: in onze plaats moeten dragen. Aan het kruis, op de heuvel Golgotha. De eeuwige straf, die ook wij verdiend hebben – vanwege onze zonde. En waar we als zwakke schepselen, nooit mee ‘klaar’ gekomen zouden zijn. Heeft Hij, met goddelijke kracht – in drie uur duisternis voor ons gedragen. Daar ging Hij, om zo te zeggen – voor ons ‘de hel door’.

En ja, wie dát weet. Dat gelooft, en: aan Jezus zich toevertrouwt. Die ‘vreest’, om het met de woorden van een bekend Paaslied te zeggen – ‘die vreest voor dood en helle niet’. ‘Want alles, alles is voldaan’ – door onze Heer en Heiland Jezus Christus. Een evangelie, wel zó mooi. En: zó troostrijk. Dat je er als zondig mens – om zo maar te zeggen, maar niet ‘kennis van kunt nemen.’ Om vervolgens gewoon verder te leven, alsof er niks gebeurd zou zijn.

Daarvoor, is er téveel gebeurd – op de heuvel Golgotha. Waar jouw Heiland ‘de hel door moest’, om zo ‘jouw hemel mogelijk te maken.’ En vandaar ook, dat de Heidelbergse Catechismus zegt – in Zondag 24, om precies te zijn. ‘Het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort.’ Als je werkelijk beseft, betekent dat – wat Hij voor jou gedaan heeft. Dan verandert dat ook, je leven.

Want ja, dan krijg je het diepe verlangen – om je Heer en Heiland, ook te gaan dienen. Zó te gaan leven, als Hij dat van je vraagt. En zoals zijn Vader dat van je vraagt, in de Tien Geboden van zijn heilige wet. En dan weet ik wel: dan ben je niet van het ene op het andere moment, ‘een volmaakt mens’. Integendeel, zelfs: je blijft je leven lang ‘druk’, met je zonde en je zondige aard. Maar, tegelijk: er verandert wel wat! Je gaat niet, op de oude voet verder.



Nee, want je hebt de Here Jezus Christus leren kennen. En weet: er is téveel gebeurd, en Hij heeft téveel moeten lijden – om mijn oude leven voort te zetten. Dat moet, hoe langer hoe meer – aan de kant. En in de kracht van zijn Geest, moet er een nieuw leven komen. Stukje bij beetje, met vallen en opstaan – maar er verándert wel wat! En zo wordt je ‘de vrome’, waar Petrus het in vers 9 over heeft. En van wie Hij daar zegt, dat de Here die redden zal.

Nu, en als dát is – wat er in je leven gaande is. Hoef je nooit meer bang te zijn, voor het oordeel. Zélfs niet, als je in de kerk. Of, ook: bij je voorbereiding op het Heilig Avondmaal. Aanloopt tegen de zonden, die je elke dag weer doet. Want zeker, die zijn harde werkelijkheid. Maar dat is Christus ook, die de straf voor je gedragen heeft. En: dat is de Geest ook, die in je leven aan het werk is. Waardoor de weg naar de avondmaalstafel, open ligt. Amen.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina