Voorganger: dr H. Vreekamp Velen zeggen: ‘Wie maakt ons gelukkig?’



Dovnload 24.59 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte24.59 Kb.


 

Epe Grote Kerk Oudejaarsavond 2007

Voorganger: dr H. Vreekamp


Velen zeggen: ‘Wie maakt ons gelukkig?’ –

HEER, laat het licht van uw gelaat over ons schijnen.

Psalm 4: 7


Gemeente,


In dit uur gaat een heel jaar door ons heen.

We kijken terug, van begin tot eind.

Twaalf medemensen die wel de eerste maar niet de laatste dag van het jaar beleefden.

Zij gingen van ons heen:


Januari – Frankrijks meest gerespecteerde priester Abbé Pierre

Februari – de Zweedse schrijfster Marianne Frederikson

Maart – de gereformeerde nestor Herman Ridderbos

April – de ‘sloper van de Sovjet Unie’ Boris Jeltsin

Mei – de huisarts die sexuele voorlichting vorm gaf Felix Dupuis

Juni – De majoor Alida M. Bosshardt

Juli – De Zweedse filmer domineeszoon Ingmar Bergman

Augustus – onze Jos Brink

September – ‘soldaat van Oranje ‘ Erik Hazelhof Roelfzema

Oktober – schrijver, beeldhouwer, schilder Jan Wolkers

November – Oud-staatsecretaris voor cultuur Aad Nuis

December – de prachtige, krachtige vrouw Benazir Bhutto.


We kijken terug.

En scherp belijnd – als in bovenaards licht - staan voor ons de ogenblikken van het jaar 2007.

De ogenblikken die ons leven een tikkeltje, een kwartslag, een halve slag of een hele slag van richting deden veranderen.

Voorgoed.


De ogen-blikken.

De blikken van het oog.

De oogopslag van een medemens.

Die meestal korte maar onvergankelijke op-lichtingen van het leven. Kinderogen.

Een verjaardagsfeest.

Muziek als een harmonie der sferen.

Het zalig uur waarin álles, álles goed is.

De soms grauwe gang der dingen doorstraald van onnatuurlijk licht, ja, hemelse glans.


Ook de blik van de ogen die zich sloten.

Voorgoed.

Nog één keer het licht in de ogen zien van de geliefde.

Alles, álles op aarde zouden we ervoor over hebben.

Voor die ene oogopslag.

Ik houd van je.


Terwijl we terugzien, vasthouden willen het voorgoed vergane, komt de dichter binnen.

De dichter van de Psalm van deze avond.

Onze hoofdgast.

En hij vertolkt de vraag, onze hoofdvraag op de slotavond van het jaar:


‘Wie maakt ons gelukkig?’

Dat is een omschrijving.

‘Wie zal ons het goede laten zien?

Dat staat er.

Het goede.

We kennen het Hebreeuwse woord.

Wie zal ons laten zien wat tov is.

Tov, echt, helemaal, ongebroken, ultiem goed.
Het is de vraag van de schrijver Leon de Winter.

Deze week neemt hij afscheid in het weekblad Elsevier na vele, vele colums die hij schreef na 11 september 2001.

Uitgeput is hij.

Ik wil me een tijdje niet meer met lelijkheid en gevaar en dreiging en ondergangsverwachtingen bezighouden. Bijna 24 uur per dag ben ik de afgelopen jaren bezig geweest met het verdedigen van onze miraculeuze samenleving. Ik heb het hier zo vaak geschreven: we leven in het veiligste, rijkste, gezondste land van de menselijke geschiedenis. En we kunnen dat land alleen in stand houden wanneer de meesten van ons doordrongen zijn van zijn unieke karakter, instellingen en bewoners. Niets is normaal aan de manier waarop we in onze tijd aan het grootse avontuur van het leven mogen deelnemen; al onze voorouders ervoeren bijna uitsluitend brutaliteit, geweld, ziekte, angst, honger, en pas sinds enkele eeuwen kunnen we ons stapje na stapje aan de doem van de duisternis onttrekken. Maar de krachten van de duisternis zijn nog springlevend, en het is aan ons om die te bestrijden’. (Elsevier, 29 december 2007, p. 19).


Uitgeput van de strijd tussen duisternis en licht.

Tussen goed en kwaad.

De ultieme machten waartussen wij mensen ons bewegen.

Zijn ogen hebben even teveel van het kwaad gezien.

Wie zal hem - en ons - het goede laten zien?
En God zag dat het goed was!

De schepping zat goed in elkaar, was van een weergaloze schoonheid, straalde blijdschap uit, was een zegen van de hemel, kostbaar juweel de planeet aarde in het eindeloos heelal.

Strálend van geluk.
En op die planeet de mens – bijna goddelijk.

Het midden tussen de wereld van de telescoop en de miscroscoop, tussen de macrokosmos en de microkosmos.

Bijna goddelijk gemaakt.

En het was goed.

De mens – eet de verboden vrucht.

Dat is onherroepelijk.

Als je een voorwerp gestolen hebt, kun je het teruggeven.

Wat je gegeten hebt, kun je nooit meer teruggeven.


De mens heeft leren kennen - goed en kwaad.

Moet kiezen.

En kiest verkeerd.

Zit neer bij de brokken.

Wil herstellen.

En maakt het enkel erger.


En zegt: het is erg, het is zo erg.

Er kan geen God zijn.

God bestaat niet.

God kan niet bestaan.

Het bestaat niet.
De gevallen mens.

Ik wil niet kijken.

Zo wil ik 2007 niet meer zien.

Zo wil ik mezelf niet meer zien.


Dwaas, die ik ben.

Daar is hij weer.

De dichter van een Psalm.

De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God.

Verdorven zijn ze, die dwazen, gruwelijk hun daden;

er is niemand, die goed doet. (Psalm 14)


Niemand die goed doet.

Enkel puur, onbaatzuchtig, spontaan goed doen.


En Jezus dan?

Vroeg en laat valt onder het dak van de kerk die vraag.

En Jezus?

Iemand spreekt Jezus aan met : goede meester.

Daarop zegt Jezus: Wat noemt gij Mij goed?

Niemand is goed dan Een, namelijk God. (Mat. 19:17)


Nu zijn we bij de bron.

Het goede?

God is goed.

Etymologisch verwant in onze oertaal: God en goed.

Niemand is tov, alleen God is tov.
En de goede God –

Die roept de dichter aan:

Verhef over ons het licht van uw gelaat, o HEER!
Jezus is voor ons het gezicht van God.

Aan de buitenkant niet te zien dat het God is.

Het Woord – het goede Woord van God – is vlees geworden, en heeft onder ons zijn tent opgeslagen.

Het licht van Gods aangezicht wandelt over onze straten.

Zie, de mens.
De uitstraling van God, van het goede.

Vriendelijk, stralend lentelicht.


Het kan ook het licht van de bliksemflits zijn.

Heel Nederland weet dat sinds Jan Siebelink het vuur van Gods licht schilderde in zijn ‘Knielen op een bed violen’:


Er werd weer aan zijn arm geschud en hij herkende Rubens stem: ‘Pap, ik kan je niet verstaan. Wat is er met je gebeurd?’ Hij voelde Rubens hand op zijn voorhoofd.

Vuur uit de hemel, jongen’, articuleerde hij zo duidelijk mogelijk. ‘En daarin was God’. Hij wist niet of zijn woorden verstaan werden. Hans deed zijn ogen open, staarde verwilderd door de donkere takken van de limoen naar de hemel, naar de diep doorhangende tuindraden die het land overspanden. ‘Jongen, het was noodweer. Er zal wel veel glas kapot zijn.’



Wat zei Ruben? Dat de hele dag de zon al scheen? Maar er was geruis van storm en onweer geweest en daarin had de stem geklonken. Er was geen zon meer. ‘Ruben, duisternis was over de aarde gekomen en in die duisternis daalde de vuurzuil neer’ (Jan Siebelink, Knielen op een bed violen, 172).
Je kunt niet God zien en in leven blijven.

Gewoon dezelfde blijven.

Mozes zag God alleen van de achterzijde, in het voorbijgaan.

En toch.

En toch.
Woord van Jezus, vleesgeworden licht van God:

Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.

En:

Zalig de reinen van hart: zij zullen God zien.



Rein van hart, dat is maar één ding meer willen.

Een hart, in duizend fragmenten geslagen aan het eind van een jaarkring: geheeld, enkelvoudig, eenvoudig, één.


Dan zie je God.

Dan valt een glimp van hemels licht over je somber gelaat.

Over het nu heel oud geworden jaar.

Instemmend met de dichter van Psalm 4:


8

In u vindt mijn hart meer vreugde

dan zij in hun koren en wijn.
9

In vrede leg ik mij neer

en meteen slaap ik in,

want u, HEER, laat mij wonen

in een vertrouwd en veilig huis.

Amen.






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina