Voorstel 1 Creatieve steden. Voorstel voor programmaoverschrijdend sua-project 2006



Dovnload 31.75 Kb.
Datum14.10.2016
Grootte31.75 Kb.

Voorstel 1

Creatieve steden. Voorstel voor programmaoverschrijdend SUA-project 2006


Dion Kooijman (Bk, TUD) en Arie Romein (OTB, TUD)

Delft, 25 januari 2006




1 Onderwerp

Creatieve steden in de Randstad. Stedelijkheidsbegrip in netwerkperspectief.



2 Probleemstelling en onderzoeksvragen

Centraal in de theorie van Richard Florida (2002, 2005) staat stedelijke woon- en verblijfskwaliteit (quality of place) als integratiekader voor de ‘creatieve klasse’ en, bijgevolg, als belangrijke vestigingsfactor voor de creatieve industrie. Met het vertrekpunt dat creativiteit een cruciale productiefactor is geworden voor economisch succes van steden, past Florida’s theorie in het economisch gedachtegoed dat relaties legt tussen de aantrekkelijkheid van een stad en de woonvoorkeuren van bepaalde groepen - in dit geval tussen stedelijke verblijfskwaliteit en creatieve klasse - en tussen de aanwezigheid van die klasse en de economische performance en concurrentiepositie van de stad (Marlet & van Woerkens, 2004).

In de uitwerking van zijn theorie, m.n. van het concept quality of place, brengt Florida, ondanks kritische kanttekeningen (o.a. Kloosterman, 2002; Marlet & van Woerkens, 2004), een verfijning aan in de conceptualisering van stedelijkheid. In het traditionele stedelijkheidsbegrip ging het al om een combinatie van economisch renderende ontmoetingen/interacties, vrijheid en tolerantie. Florida benadrukt vooral het belang van de ‘software’ van stedelijkheid in economisch perspectief; diversiteit, levendigheid, ontmoetingsplekken, en de aanwezigheid van veel culturele en andere stedelijke voorzieningen waar creatieve geesten op afkomen.

Florida was niet de eerste die stad en economie op dergelijke wijze verbond (zie Hall, 1977, 2000; Castells & Hall, 1994; Castells, 1996), maar zijn naam is recent wel een belangrijke referentie geworden in een levendig debat in Nederland waaraan zowel academici als beleidsmakers deelnemen (zie ook Van Aalst et al., 2005; Franke & Verhagen, 2005). De focus van het debat is de ambitie van veel steden om creatieve sectoren van hun economie te versterken, of zelfs een creatieve stad te worden. Er is inmiddels de nodige aandacht voor afbakening, groei en ruimtelijke spreiding van de creatieve sector en voor de vraag hoe de creatieve kenniseconomie kan worden gestimuleerd, met ‘stedelijkheid’ - het stedelijk milieu waarin creativiteit gedijt - als gemeenschappelijke noemer (zie bijv. Rutte et al., 2004; Manshanden et al., 2005). De wijze waarop steden die doelstelling in de praktijk van beleidsformulering vorm geven is echter nog nauwelijks onderwerp van onderzoek.

Het hier voorgestelde SUA-onderzoek richt zich op theorie en praktijk in Nederlandse steden. Het gaat nadrukkelijk niet om een evaluatie van resultaten van stedelijk beleid dat is gestimuleerd door ‘Florida’. Feitelijk is het daarvoor ook nog te vroeg. De probleemstelling luidt hoe steden het concept quality of place operationaliseren in beleid dat is gericht op de versterking van hun creatieve economie. Van enkele steden zal eerst worden nagegaan hoe zij het door Florida geinspireerde gedachtegoed interpreteren: in hoeverre hanteren zij verblijfskwaliteit, creatieve klasse en creatieve economie als centrale begrippen, en welke verbanden veronderstellen ze tussen die begrippen? Vervolgens wordt gekeken hoe die verschillende steden deze begrippen vertalen in beleid: welke beleidsmaatregelen (programma’s) worden voorgesteld ter verbetering van de stedelijke verblijfskwaliteit; is die verbetering expliciet gericht op het binden van de creatieve klasse aan de stad; en wat zijn de economische doelstellingen van dat beleid in termen van versterking van de creatieve economie? Tot slot plaatsen we dit beleid in het kader van het concept policentrisch stedelijk netwerk. Veel Nederlandse steden functioneren in policentrische netwerken en liggen daarbinnen op relatief korte (pendel)afstand. Deze context wijkt af van de free standing Amerikaanse stad van Florida (Marlet & van Woerkens, 2004) en vraagt om specifieke vertaling van diens gedachtegoed door beleidsmakers in Nederlandse steden. ‘Creatieven’ die zich in een bepaalde stedelijke regio willen vestigen om daarvan kwaliteiten en/of relatienetwerken te benutten hebben de keuze uit meerdere steden met verschillen in verblijfskwaliteiten. Dit maakt steden in policentrische netwerken tot op zekere hoogte tot concurrenten waar het gaat om het aantrekken van de creatieve klasse. Door hun beleid op elkaar af te stemmen en naar complementaire verblijfskwaliteiten te streven kan een win-win situatie worden gecreërd. In hoeverre is het beleid van de te onderzoeken steden ter versterking van hun verblijfskwaliteiten in onderlinge samenwerking tot stand gekomen, en richt het zich op specifieke kwaliteiten in de verschillende steden?

Florida’s concept quality of place is veelomvattend (Forida, 2002: 232). Wij beperken ons hier tot de kwaliteit van het vrijetijds- of leisure-milieu, i.e. het conglomeraat van cultuur, entertainment / attracties, uitgaan en detailhandel. Leisure wordt algemeen gezien als een steeds belangrijkere pijler van stedelijke verblijfskwaliteit en krijgt een toenemend gewicht in stedelijk beleid gericht op verbetering van die kwaliteit. Dit onderzoek richt zich op het beleid ter versterking van deze pijler van stedelijk verblijfskwaliteit in de vier grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Deze steden functioneren in stedelijke netwerken op meerdere schaalniveaus: de eigen stadsregio (‘netwerkstad’), de Noord- en Zuidvleugel, en de Randstad (of Deltametropool). Daarnaast hebben de Randstadprovincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht beleidsverantwoordelijkheid voor leisure en retail. De rol van deze netwerken in de formulering van het beleid in de vier steden is expliciet onderdeel van het onderzoek.


3 Uitwerking: methode en resultaten

Het veldwerk bestaat in hoofdzaak uit de bestudering van gemeentelijke beleidsnota’s van de vier grote steden, aangevuld met interviews. Tevens zullen enige kwantitatieve gegevens over het huidige leisuremilieu, de creatieve klasse en de creatieve industrie in die steden worden verzameld. De rol van de stedelijke netwerken bij de formulering van het leisurebeleid van de individuele steden zal blijken uit de gemeentelijke beleidsnota’s en interviews. Voor zover nodig (en mogelijk) zal dat beeld worden aangevuld met informatie uit nota’s en interviews op het niveau van die netwerken.

Puntsgewijs bestaat de methode uit de volgende stappen:


  1. Een korte samenvatting van het gedachtegoed van Florida en een beoordeling daarvan in het Nederlandse debat. Hierbij gaat het ons vooral om:

    • de relevantie van een stedelijke afbakening à la Florida (en anderen) voor Nederland,

- mogelijke ‘aanwijzingen’ en ‘richtlijnen’ voor steden, en stedelijke netwerken, om met cultuur, entertainment en retail de creatieve klasse aan te trekken.

  1. Kwalitatieve analyse van relevante gemeentelijk beleidsnota’s (Cultuur, Vrijetijdsbesteding en Economie) plus interviews met contactpersonen. Deze analyse moet leiden tot beantwoording van reeds genoemde vragen:

- De theorie: is ‘Florida’ referentie van actueel beleid; vormen leisurekwaliteit, creatieve klasse en creatieve economie centrale begrippen, en zo ja wat verstaan de steden onder die begrippen en welke verbanden veronderstellen ze daartussen?

- Het programma: welke aspecten van leisurekwaliteit wil men verbeteren (cultuur, fun-shopping etc.) en via welke programma’s? Indicatoren om die programma’s te typeren zijn o.a. schaal, ‘generatie’ (van stand alone voorzieningen tot integratie van verschillende voorzieningen in gebiedsontwikkeling), locatie (centrum-stedelijk, buiten-centrum, stedelijke routes: monocentrisch of policentrisch patroon), blijvend/tijdelijk (‘vastgoed’ – festivals)?



    • De economische doelstellingen: is de doelstelling om de creatieve klasse te binden expliciet verwoord in het beleid, en zo ja, welke economische resultaten worden daarvan verwacht?

    • De rol van stedelijke netwerken: staan de stedelijke programma’s volledig op zichzelf of zijn die op enigerlei wijze het resultaat van samenwerking binnen de diverse stedelijke netwerken?

Het onderzoek draagt bij aan kennis van twee thema’s die behoren tot afzonderlijke SUA-deelprogramma’s:



  1. De ontwikkeling van het stedelijkheidsbegrip, met thema’s als culturele/economische clustering, nabijheid en tolerantie. Allereerst door de vraag te beantwoorden hoe Florida’s gedachtegoed zich verhoudt tot een aantal andere auteurs (zoals Van den Berg & Pol, 1998; Landry, 2002; Mommaas, 2004; Sassen, 2001; Scott, 2000; Zukin, 1996). Maar ook de historische ontwikkeling van het stedelijkheidsbegrip is hier van belang (o.a.: Simmel, 1922; Elias, 1990; Castells, 1979, 1996; Cohen, 2003; Kloosterman, 2001).

  2. Het functioneren van het stedelijk netwerk als bestuurlijk concept. Het onderzoek richt zich op een beleidsthema, stedelijke verblijfskwaliteit en in het bijzonder leisurekwaliteit, dat tot op heden vrijwel ontbreekt op de onderzoeksagenda van het stedelijke netwerk als samenwerkingsverband (vgl. Meijers, Romein en Hoppenbrouwer, 2003; Davoudi, 2003; Albrechts and Lievois, 2004; Knapp et al., 2004; Lambregts en Zonneveld, 2004; Priemus en Zonneveld, 2004).


4 Onderzoekers en projectleider

dr. ir. Dion Kooijman (Bk, TUD), onderzoeker/projectleider

dr. Arie Romein (OTB, TUD), onderzoeker
5 Type en omschrijving wetenschappelijke output

We hebben inmiddels met de redactie van Real Estate Magazine een afspraak kunnen maken voor een artikel dat in 2006 gepubliceerd kan worden. Het artikel zal de wetenschappelijke reviewprocedure van het tijdschrift doorlopen. Voor de faculteit Bouwkunde/TU Delft zit hieraan het bijbehorende aantal outputpunten vast. Daarnaast denken we op termijn aan een internationale wetenschappelijke publicatie (Urban Studies, European Urban and Regional Studies, E&P-A, TESG, City of vergelijkbaar).


6 Relatie SUA-onderzoeksprogramma’s

De participerende onderzoekers hebben hun thuisbasis in twee verschillende deelprojecten:

a) Real estate en projectmanagement (deelproject 5.6)

b) Stedelijke en regionale ontwikkeling (deelproject 5.8)

Voor Kooijman is er nog een relatie als begeleider van het dissertatieonderzoek van M. Rosenbrand (Bk-RE&H, TUD) naar de bijdrage van leisure- & retailprojecten aan de stedelijke economie. Dit onderzoek is in mei 2005 gestart en heeft een looptijd van vier jaar.
7 Meerwaarde/innovatief gehalte

Florida en anderen verwijzen naar een aantal kwaliteiten/concepten die in het onderzoekskader van SUA geformuleerd zijn. Zij leggen duidelijke causale relaties leggen tussen een aantal kwaliteiten: ruimtelijke kwaliteit leidt tot sociale kwaliteit, dat weer leidt tot economische kwaliteit. Milieukwaliteit is minder expliciet aan de orde. Door zich op deze onderlinge causale relaties te richten leidt dit onderzoek tot een breder inzicht in het stedelijkheidsbegrip. In de Nederlandse situatie is de ontwikkeling van stedelijkheid in veel gevallen ingekaderd in concurrentie dan wel beleidsmatige samenwerking tussen steden binnen stedelijke netwerken. De positionering van dit onderzoek naar de ontwikkeling van stedelijkheid in het kader van het stedelijk netwerk definieert het grensoverschrijdend karakter van dit SUA-voorstel.



Literatuur

Aalst, I. van, O. Atzema, R. Boschma, F. Heinz en F. van Oort (2005) Creatieve klasse en regionaal-economische groei. Utrecht: RU Utrecht.

Albrechts, L. and Lievois, G. (2004) The Flemish Diamond. Network in the Making? European Planning Studies, 12, 3, 351-370

Agora: themanummer over creatieve steden (jan 2004).

Berg, L. van den en P. Pol (1998) The European High-speed train and Urban Development, Experiences in Fourteen European urban regions. Ashgate: Aldershot.

Castells, M. (1979) The Urban Question. The MIT Press.

Castells, M. (1996) The rise of the network society. Oxford: Blackwell Publishers (deel 1 serie: The Information Age: Economy, Society and Culture).

Castells, M. en P. Hall (1994) Technopoles of the world: the makings of 21st century industrial complexes. London: Routledge.

Cohen, L. (2003) A Consumers’ Republic: The Politics of Mass Consumption in Post-war America. New York: Vintage.

Davoudi, S. (2003) Polycentricity in European Spatial Planning: From an Analytical Tool to a Normative Agenda. European Planning Studies, 11, 8, 979-999.

Elias, N. (1990) Het civilisatieproces. Sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen. Utrecht: Aula (oorspronkelijk 1939/1969; inclusief Engels voorwoord bij de uitgave uit 1969).

Ernste, H., en F. Boekema (red.) (2005) De cultuur van de lokale economie, de economie van de lokale cultuur. Assen: Van Gorcum.

Florida, R. (2002) The Rise of the Creative Class. And How It's Transforming Work, Leisure, Community and Everyday Life. New York: Basic Books.

Florida, R. (2005) The Flight of the Creative Class: The New Global Competition for Talent. Collins.

Franke, S. en E. Verhagen (eds.) (2005) Creativiteit en de stad, hoe de creatieve economie de stad verandert. Rotterdam: NAi Uitgevers.

Glaeser, E. L., J. Kolko en A. Saiz (2000) Consumer City. Cambridge, MA: National Bureau of Economic Research (working Paper 7790).

Hall, P. (1977) World Cities. London: Weidenfeld & Nicolson (3rd edition).

Hall, P. (2000) Creative Cities and Economic Development, Urban Studies, 37, 4, 639-649.

Knapp, W., Kunzmann, K.R., Schmitt, P. (2004), A Cooperative Spatial Future for RheinRuhr. European Planning Studies, 12, 3, 323-349.

Kloosterman, R. (2001) Ruimte voor reflectie. Amsterdam: UvA (oratie).

Kloosterman, R. (2002) De stad, de cultuur en het geld. Een eerste cijfermatige exercitie rond “cultural industries” in Nederland, Stedebouw & Ruimtelijke Ordening, nr. 2, pp. 26-29.

Kloosterman, R. en A. Stegmeijer (2004) Delirious Rotterdam, architectuur in Rotterdam als economisch cluster, Agora, nr. 1.

Kloosterman, R. (2005) De creatieve hype. In: Franke, Simon en Evert Verhagen (eds.) (2005) Creativiteit en de stad, hoe de creatieve economie de stad verandert. Rotterdam: NAi Uitgevers, pp. 56-65.

Lambregts , B. en Zonneveld, W. (2004), From Randstad to Deltametropolis: Changing Attitudes Towards the Scattered Metropolis. European Planning Studies, 12, 3, 299-321

Landry, C. (2000) The creative city. A toolkit for urban innovators. London: Earthscan/Comedia.

Lowe, M. (2005) The Regional Shopping Centre in the Inner City: A Study of Retail-led Urban Regeneration, Urban Studies, Vol. 42, No. 3, 449–470, March.

Manshanden, W. et al. (2005) Creatieve industrie in Rotterdam. Delft: TNO.

Marlet, G. en C. van Woerkens (2004) Het economisch belang van de creatieve klasse, ESB, 11-6-2004: 281-283.



MMNieuws: themanummer over creatieve steden (oktober 2005)

Mommaas, H. (2004) Cultural clusters and the post-industrial city: towards the remapping of urban cultural policy, Urban Studies, vol. 41, nr. 3, maart, pp. 507-532.

Rutten, P. et al. (2004) Creatieve Industrie in Amsterdam. Delft: TNO Ruimte en Infrastructuur.

Sassen, S. (2001) The Global City. Princeton: Princeton University Press (first edition: 1991).

Scott, A. (2000) The cultural economy of cities. Londen: Sage.

Simmel, G. (1922) Soziologie. Untersuchungen uber die Formen der Vergesellschaftung München.



Zukin, S. (1996) Culture of cities. Oxford: Blackwell.






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina