Voorwoord + nota’s



Dovnload 76.76 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte76.76 Kb.


Overzicht Klassieke Literaire Theorieën

Voorwoord + nota’s p. 4


  • reflectie v/d Ouden: < eerste, intrinsiek gezag,  interpretatie v. literatuur

  • literatuur ~ maatschappij

  • alles wat reflectie op lit. bevat

  • eerst chronologisch, dan capita selecta

Preliminaria p. 6


vom Myhtos zum Logos, ook literatuur en reflectie

2 concepten: “Muze” en “ars”


1. De klassieke opvatting van téjnh

  1. Een reconstructie van de theorie < Aristoteles


1. (a) Ouden geen term voor “kunst”, wel téjnh (b) “schone kunsten” en “ambachten”: ook nut !

2. veel activiteiten, aanzien, vooruitgang vb. Sofistiek

3. téjnai voor beeldende kunsten


  1. 6de E. Chersiphron + Metagenes, Theodorus + Rhoecus: tempels

  2. mid. 5de E. Agatharchus: ckhnografía

  3. 450/425 Polyclitus: ‘Canon’: cummetría < kócmos

4. Ordelijke productie

  • natuurlijkerwijze: fúcei

  • toevallig: tújhç

  • door planmatige actie van een redelijk wezen: téjnhç

+ ervaring wordt geïmiteerd, regels nodig (schema p. 9) geen aret´h  kakía (vitium < onwetendheid)

5. kunst imiteert de natuur

voorstelling resultaat nodig + inzicht in de weg: onmiddellijk oplosbaar

schema p. 10

6. classificatie  concreetheid

1)téjnai poihtikaí

2) téjnai praktikaí



  1. téjnai qeyrhtikaí

schema p. 11

7. classificatie  maatschappelijk prestige: gewin / alg. belang / geestel. doel



  1. artes vulgares et sordidae

  2. artes ludicrae

  3. artes pueriles

  4. artes liberales ! elite
  1. De esthetische ervaring van téjnh: Plutarchus


  • aangenaam: imitatie van pijn/woede, onaangenaam als echt ?

  • Plutarchus: platonist  Epicuristen, kennis < zintuigen

  • Epicuristen: imitator beter af, wij bewust  maar: realiteitswaarde ondermijnd

  • Plut.: wij van nature redelijk en houden van kunst, imitatie is handig

  • genoegen op niveau van geest: het zwijn van Parmenon

  • Aristoteles: mensen plezier < afbeeldingen, leren ook gewone mensen

2. De Muzen p. 14


  1. Muze is typisch Helleense godheid: IE +  rijk van Zeus

  2. moeder = Mnemosyne, waarheid ligt in het verleden

muzikaal-poëtische kunst is goddelijk, zingen en spreken

bergen, water, door Muze gegrepen= + verstand dichter  gevolg van Muze, deze weet alles Muze is gezang Muze danst ook, niet extatisch


Deel 1: Chronologisch overzicht

Hoofdstuk I: van Homerus tot Plato p. 17

§ 1. Homerus


  1. reeds epische productie + reflectie (impliciet)

  2. Hom. dichter: kind van de Muzen, zij weten alles

+ dichter  gilde

“inspiratie” ?

  1. niet bezetenheid

  2. zekere zelfstandigheid

  3. vakmanschap

  4. inspiratie  vakmanschap ? nee, complementair

  1. dichter: gezag < Muzen: waarachtigheid

  2. gezag < functie in maatschappij

  1. didactische functie: /

  2. roem van goden en helden

  3. genoegen

  4. eigenaardig: triest verhaal

§ 2. Hesiodus (7de E.)


  1. Boeotië: andere, harde wereld

Hesiodus als individu

  1. persoonlijke relatie met Muzen

leven fysieke zelfhandhaving  Muzische gave en kunst (Hes.!)

authentieke religieuze ervaring

inspiratie ?

Hesiodus

wij

mythisch, objectief-concrete ervaring

moderne, subjectief-abstracte taal

herder: stem van de Muzen !

proces in ziel: las Homerus

toehoorder  spreker

intuïtief inzicht

kan zich niet onttrekken aan goddelijke aanspraak

inzicht: dwingend

Muzen = kennisvermogen van dichter

Hesiodus ontmaskert ridderlijke verhalen Homerus: waarachtigheid !!

didactische opdracht


  1. didactische functie

+ hedonistische, muzisch-geestelijke/beschavende, goddelijke geneeskunde

§ 3. Het lyrisch tijdvak (7-6de E.)

  1. Archilochus (7-6de E.)


  • subjectieve poëzie

  • dichter: expertise, e)pict´hmh

  1. woordelijke allusies op de epiek

  2. maar:

  • bewustzijn vakmanschap complementair met Muzen

  • dienaar + persoonlijke participatie

  • geen context, er stond iets voor.

PROBLEEM Moûca  téjnh = acuut

  • over voorzanger  1ste acteur, fier

  • + dionysisch element: de wijn

COMPLEX: Moûca , téjnh , oî)nos
  1. Simonides van Ceos (556-468 v.C.)


schilderkunst = zwijgende poëzie, poëzie = sprekende schilderkunst respect voor beeldende kunsten  allebei representerend, verschil = taal en dynamisch – statisch

  • als eerste tegen betaling

  • a)páth = artistieke bet., illusie: intelligentie nodig

 in staat tot afstand
  1. Solon (640-560 v.C.)


didactische functie, klaagt vertellen van onwaarheid aan
  1. Pindarus (518-438 v.C.)


+ gnomische uitspraken, ook over eigen kunst

inspi van Muzen, profeet, geeft vorm en interpreteert autonome dichter is cofós < goden en fuá ~ aristocratisch

= permanente toestand


  1. Poíhcis = bewust en kritisch

  1. staat acribie niet in de weg

  2. stoort zich aan onwaarheden < Homerus

bewustzijn van “poëtische methode”: wet, regel vindt dramatische lyriek uit: kairós, evalueren, concentratie

§ 4. De kritiek der presocratici


eerst waren dichters leraars van het volk: kritiek < Ionische natuurfilosofen

  • morele kritiek van Xenophanes op arbitraire/menselijke goden

  • metafysische kritiek van Heraclitus: er moet 2-poligheid zijn

  • Theagenes en Anaxagoras: Hom. allegorisch verklaren

§ 5. De sofisten


sociale en politieke veranderingen: democratie: iedereen !

Sofisten: professionele opvoeders, ! spreken, retoriek


1. Gorgias (480-380 v.C.)


° Attisch kunstproza, zinnelijkheid van de taal

  1. poëtische illusie verdedigen, dubbelzinnig  autonomie kunstwerk

  2. Encomium van Helena: epideixis, lof van het woord:

Thesis: het woord is een machtig heerser

  1. het beïnvloedt het gemoedsleven

  2. het beïnvloedt ook de overtuiging

waarschijnlijkheid

toepassing op Helena, vbn.

besluit : woord // geneeskunde

  1. Democritus (460-380/370 v.C.)


geïnspireerde  niet- geïnspireerde poëzie e)nqouciacmós  schoonheid bijzondere ontvankelijkheid voor de eí)dyla

  • technisch aspect



§ 6. Aristophanes (450-380 v.C.)


sociale relevantie literatuur (! Oude Komedie) ook kritiek op tragedie: esthetisch + moreel

  • getuige van cultuur in crisis vb. Euripides

4 komedies, vooral Kikkers: comparatieve kritiek Euripides  Aeschylus artistieke vaardigheid, gehalte aan wijze vermaning

Hoofdstuk II: Plato (428 – 348 v.C.) p. 38


tijd van verval, traditie en literatuur , individualisme eeuw van bezinning

belang van de dichtkunst voor intellectueel-cultureel leven moreel impact : mee verval door sensatie qeatrokratía



  • Oplossingen:

  1. allegorische verklaringen voldoen niet

  2. etymologische verklaring maakt Plato belachelijk

  • besluit: poëzie bevat geen waarheid, die  filosofie



§ 1. Inspiratie

  1. Apologie


afwijzing van de kundigheid van de dichter: passieve gegrepenheid
  1. Ion


rhapsode moet interpreteren voor publiek maar is geen expert

 geen téjnh maar een qeía dúnamis


  1. Phaedrus


  • 4 vormen waanzin, o.a. dichterlijke vervoering

= manía  cyfrocúnh,  traditie

  • toch respect: poëzie is nog opvoedster

Besluit: dichters zeggen soms goeie dingen, maar niet < kennis uitzinnigen, niet-rationeel

§ 2. Mimesis

1) Staat, III: ethisch-psychologische redenen


stoort zich aan slechte invloed van inhoud op moraal

al die voorstellingen < onwetendheid, gevaarlijke effecten

verhaal kan op 3 manieren

-enkelvoudig

-gemengd genre

-mimesis: “impersonation” = gevaarlijkst *  voor integriteit acteur + toeschouwer

* onverschillige imitatie  karakter  vormen

 tragedie en komedie verbannen


2) Staat, X: metafysisch-ontologisch concept


  • Idee = vormen, onze wereld is een afbeelding ervan

  • als je schildert is dat al van 3de orde, zwak

  • dichtkunst: gedegradeerd

3) Morele bezwaren:


poëzie schaadt de ziel: meeslepen, controle (dus geen katharsis)

§ 3. Esthetica


  • alleen het schone ts zintuiglijke  ideeën, niet de kunst = mimesis

  • Symposium: uiteindelijk eros: schouwing van de schoonheid als Idee



§ 4. Invloed op Aristoteles

  1. Aristoteles neemt niet over:


  1. inspiratieleer

  2. aandacht voor schoonheid
  1. Aristoteles neemt over:


  1. dichtkunst imiteert, mimesis in andere betekenis

  2. 3-deling van poëzie

  3. drama = voortzetting epos, poëzie zowel  als 

Aristoteles verwerpt veroordeling van de (dicht)kunst aanvaardt de gronden ervoor niet: andere ontologie

Hoofdstuk III: Aristoteles

§ 1. Algemene karakterisering van de Poetica

1. akroamatische geschriften, niet voor publicatie


  • precies deze wel overgeleverd

  • niet verzorgd, telegramstijl, structuur onduidelijk
  1. fragmentarisch overgeleverd


  • tweede boek: /, einde verloren

  • ¾ nu over de tragedie

3. oorspronkelijk werk


  1. voor hem: niemand over de dichtkunst

wel vertrouwd met opvattingen voorgangers, zelfs  Plato

  1. filosoof: Aristoteles meer wetenschapper



§ 2. Overzicht van de inhoud van de Poetica p. 74

§ 3. Lectuur & bespreking van inleiding van de Poetica  losse bladen (25 p.)


I. 47a8 De dichtkunst is een producerende factor

1. over de aspecten van de ars vb. maken van plots: mûqos



  1. over de elementen van het dichtwerk

47a13 opsomming van kunsten, processen van mímhcis

onderscheid: -media

-onderwerpen

-wijzen/manieren

47a18 1) onderscheid mim´hceis < materie


  • kleuren en vormen = tastbaar

  • “afbeelden” niet in  zin

  • sommigen door e)mpeiría / cun´hqeia, beter: door téjnh

  • allen: < ritme - taal - harmonie (toonsoort, melodie)

vbn. van apart gebruik

herdersfluit: h + r, danskunst: r.

47a28 kunst die alleen in taal uitbeeldt: naamloos (“literatuur”?)

proza + 2 vbn.

metrum -1

-combinatie -elegische disticha

-andere...

gewone mensen benoemen dichter < metrum = gevaarlijk

wat met combinatie? essentie is mímhcis!!

47b23 nu in combinatie:



schema

afzonderlijk vermengd


r(-h) h(-t)  t(-h) alle tegelijk alle afwisselend

dans instr. (dith., nomoi) (komedie, tragedie)

muziek proza (metr.)

(mim.,S.) poëzie echte poëzie

één vermengd

(epiek) (elegie, Centaur)


sub-poëtisch literatuur poëzie zonder muziek

II.47b28 2) onderscheid mim´hceis < objecten

handelende mensen ! ethische deugden  praxis  theoria

48a5 // schilders

III.48a19 3) onderscheid mim´hceis < manieren

1. afwisselend vertellen / rol personage aannemen

2. dichter vertelt alleen

3. louter handelende personages

48a24 conclusie

nu goegemeente verbluffen

het doende zijn: drân

IV.48b2 Deel 2: antropologisch-genetische beschouwingen

ontstaan van de poëzie


48b5 1) mens mimetische aanleg van nature: actief en passief

48b20 2) ook harmonie en ritme van nature eigen


werking van de differentiae


48b24 karakters van dichters zelf

ernst  hymnen en lofzangen  dram.vorm tragedie

heroïsche vv. HOMERUS

triviale  schimpdichten  humor komedie

jamben

49a7 tragedie thans volkomen?



tragedie  dithyramben

komedie  phallische liederen

biologische en teleologische visie

veranderingen:

49a15 (1). aantal acteurs: Thespis 1  Aischylos 2  Sophocles 3

49a19 (2). omvang 

49a21 (3). versmaat: tetrameter  jambische trimeter

49a28 (4). aantal bedrijven 
V. De komedie

49a32 mensen die wat minder zijn  lachlust maar onverzoenlijk conflict

49a37 geschiedenis niet goed gedocumenteerd want niet au sérieux

wel ° Sicilië + afstand van aanvallen,  alg. onderwerpen en plots


Het epos


49b9 = tragedie: uitbeelding van belangrijke mensen in metrum

 slechts 1 versmaat

 lengte: epos onbeperkt

tragedie streeft naar 1 etmaal (=observatie) = speel - tijd



VI. corpus: over de tragedie

49b21 definitie

49b24 1) ernstige en volledige handeling, omvang

2) verfraaide taal, iedere soort apart in de delen

3) door mensen die bezig zijn met handelen, vertelling

4) káqarcis die door medelijden + angst de vreselijke gevallen van lijden (=ond.) ontdoet van het element van weerzinwekkendheid.


§ 4. Katharsis p. 47

§ 1. Katharsis in Aristoteles’ Poetica: een enigma

Aristoteles en Plato

  • Aristoteles: + 355 over de dichtkunst < lectuur en opzoekingswerk

  • Plato: invloed poëzie vastgesteld

: morele onverantwoordelijkheid: kritiekloos, theatrokratia

  • Aristoteles: zakelijker houding, observatie
Poetica en de katharsis-zin

  • =esoterisch, duistere stijl, deel bewaard

  • dichtkunst is een mimetische kunst

  • definitie van tragedie (p. 48): ze voltrekt door deernis en huiver de katharsis van dergelijke emoties.

  • = volkomen geïsoleerd  problemen, geen consensus



§ 2. Enigmatische hulpmiddelen bij de interpretatie van de Poetica

A. “Katharsis” in de Griekse cultuur

1. Medische katharsis

  • = purgatio: schadelijke stoffen uit lichaam, evt. door farmaka

  • herstel van harmonie: 4 lichaamsvochten (hoeveelheid, temperatuur)

  • kathartische cultuur: intense hitte dooft een minder intense hitte

  • homeopathisch

2. Muzikale katharsis

  • Pythagoreeërs: kosmos // menselijke ziel

muziek der sferen // muziek  katharsis van de ziel: allopathisch

  • Damon (5e E.) muziek = uitbeelding zielstoestanden + doet ontstaan

  • Plato: /

  • Aristoteles: pathetisch-exalterende muziek ook katharsis

3. Religieuze katharsis

= lustratio: miasma uitwissen, verzoening


 probleem niet opgelost !
B. Katharsis in de Politica ( tekst)

ideale organisatie samenleving  rol muziek ?

  • Politica VIII, 6:

fluitspel exalterend eerder katharsis dan instructie

niet zeker dat over theater, evt. religieus



  • Politica VIII, 7

deze zin toepassen op Poetica

deernis + huiver

uitdrukkelijk over de exalterend-kathartische muziek

= theater + homeopathisch



wel probleem:

  • A  B niet evident

  • terminologie niet vast

  • deernis-huiver komt vaak voor

  • medische terminologie

  • Poetica: tragedie ook zonder die muziek  haar doel
C. Besluit

  • geen consensus

  • beperktheden van hermeneutische methode

  • blijft boeiend



§ 3. Interpretaties van katharsis

1. De moreel-didactische verklaring

sedert Renaissance tot 1880, 3 groepen:
a) de moraliserende interpretatie

  • uitdrijven van gevaarlijke passies

  • katharsis door angst

  • poëtische gerechtigheid

  • ‘une véritable médicine’

  • meer < Plato, Stoa, Christendom

b) verwerven van emotionele kracht



  • ‘une sorte d’apprentissage du malheur’

  • reductie van eigen emotionele ontvankelijkheid, homeopathisch

  • < Stoa

c) purification des passions



  • brengt emoties in ziel tot juiste proportie

  • homeopathisch



 2. De psycho-therapeutische verklaring

J. Bernays, 1857, 1880 tot nu

  • < Politica-tekst

  • tragedie = therapeutische sessie, uitlaatklep

  • homeopathisch

  • gevoel van opluchting // geneeskunde met purgering



3. De esthetische verklaring

sedert 1967: poëtologische verklaring vb. Else

  • pathemata = kritieke gebeurtenissen + lijden BINNEN de tragedie

  • Politica, geneeskunde

  • religie !

  • vooral goede intrige is !, katharsis is een bouwsteen

  • tragische held: fout < onwetendheid

  • vooral herkenningsscène: onschuldig


§ 4. Besluit

 effect: angst en deernis: complementair, spanning

klassieke esthetica: via katharsis:  emoties   lustbeleving

Hoofdstuk IV: Het hellenisme p. 57




Inleiding:


nieuwe poetica + retorische theorie, filologie

verspreiding schrift= breuk  experten



1. De ontwikkeling van de retorische theorie



Isocrates (5-4de E.) retorenschool Athene.

  • sofisten: overtuigen met kunstgrepen + encyclopedische kennis

  • Isocrates: grootse thema’s, brede vorming, burgerplicht

  • retoriek ~beschaving


Aristoteles Rhetorica (4de E.)

  • retoriek als téjnh  filosofisch geheel: speculatief moment

  • onderscheid 3 genera, ...

  • stijl  emotionele waarde: caf´hneia klaarheid en prépon gepastheid

  • gewone voc. + metaforen

  • e(llhnízein

  • ook ritmiek voor proza

  • periodische stijl, ieder genus eigen stijl



2. Dichten en poetica


  • Alexandrië in 3de E. v.C.: Mouseion

  • patronaat (monarch), kleinere groep van consumenten, rivaliteit

  • functie literatuur = entertainment

  • vermenging van genres en hun kenmerken

  • nieuwe literaire esthetiek, polemieken

  • dichter= doctus  realisme, bronvermelding, geloofwaardigheid



0 3. De geboorte van de filologie p. 59




§ 1. Theophrastus (372-287)


1. leerling van Aristoteles, wijkt niet af

2. leer van de 4 a)retaì t^hs léxeys

3. leer van de 3 genera dicendi ?? wel algemeen in Romeinse periode

4. elaboratie vb. over ritme

5. pas op voor overbewerking: vujróths

6. suggestiviteit van de ware literatuur; lees-act !

7. definitie van tragedie, populariserend

§ 2. Demetrius p. 62

1. Auteur en datering


Perì e(rmhneías < Demetrius van Phaleron (4-3de eeuw) ll. van Theophrastus

maar:

1. Demetrius van Phaleron wordt zelf geciteerd

2. aan basis Asianisme

3. Stijl ?

4. Stoïsche invloeden: 2e E., Aristoteles en Theophrastus: 3de eeuw

5. onderwerp niet exclusief voor Ari en Theo, wel Romeinse periode



2. Inhoud en aard van het geschrift


  • inhoud zie p. 63

  • kwaliteiten en vitia, steeds: inhoud, dictie, woord-compositie

  • nergens definitie van “stijl”

  • ! objectieve component, normatief

  • toch ook < karakter van de auteur

  • stijl naargelang bepaalde situatie

  • niet altijd duidelijk

  • globaal: waardevolle analyses, scherpe observaties



3. Excerpten i.v.m. de verheven stijl


over de paeon, botsing van letters, materie, vocabularium, killigheid,...

§ 3. Filosofische scholen p. 66

1. De Stoa


  • verband poëzie en de  van de passies: paradox

  • verdediging van de poëzie

  • * fyn´h = auditive perceptie, poíhma

invloed op emoties, genoegen + vrees als morele verbetering

soorten genoegen, ! valsheid

* léxis = compositie van woorden, eu)fynía / rationaliteit

* lógos = betekenisvolle klank: poíhcis



  • poëzie imiteert het leven

  • ambiguïteit

  • allegorische verklaring

  • correcte gedachte



2. Het Epicurisme: Philodemus van Gadara (2-1ste E.v.C.)


alg. weinig belangstelling, uitz. Philodemus

Poetica: citeert vroegere theoretici + bekampt

1) dubbel onderscheid: téjnh (poíhcis en poíhma) - poiht´hs

2) poëzie niet didactisch/moraliserend, vooral genoegen!

3) poëzie is geen imitatie van het leven, ond. is plácma en mûqos

4) een gedicht is één en ondeelbaar, + eigene van een dichter

5) niet slechts enkele kwaliteiten als essentieel

6) standaarden (ckópoi) nodig




  • Samenvatting en vooruitblik: de principes van de Griekse literaire theorie: lezen p. 69

1. Vorm


2. Vaardigheid

3. Autoriteit

4. Inspiratie

5. Contemplatie



Hoofdstuk V: Pseudo-Longinus p. 71

1. Auteur en datering


Perì ú(vous : oorsprong?

  • Dionysius / Longinus ?

  • datering: citeert geen Griekse auteur van na 1ste helft 1ste eeuw n.C.

polemiek tegen Caecilius van Calacte (augusteïsche periode)

over verval van de redekunst

2de helft 1ste eeuw n.C.

2. Inhoud en aard van het geschrift

a) Overzicht van de inhoud: zie p. 73 + lacunes!




b) Ú(vos


  • speciaal effect, indruk plots in een woord of zin, als bliksemstraal

  • geen precieze definitie, vooral praktisch: de werking ervan, lezen p. 75



c) Karakteristieken van het werk


  • polemiseert tegen Caecilius

  • fouten tijdgenoten < streven naar verhevenheid

  • poneert de nood aan inspiratie

  • vooral over de esthetische ervaring van de lezer  Plato, Aristoteles

0 3. Naleven



Hoofdstuk VI: Dionysius van Halicarnassus p. 77




1. Leven en werk


  • 30-8 v.C. in Rome

  • Antiquitates Romanae: 20 boeken

  • literair-kritische tractaten

comparatistische methode v. stijlkritiek vb. Herodotus - Thucydides

  • De compositione verborum

meesterwerk, eerder theoretisch

  • Perì t^yn a)rjaíyn r(htóryn u(pomnhmaticmoí

Attische redekunst, praktisch: wie als model?

1. de grondleggers, 2. de hoogtepunten



  • De Thucydide, De dinarcho, 2 Brieven



2. Algemene karakteristiek


  • retorisch-praktische belangstelling

  • mímhcis - aemulatio

  • beperkingen gebruik van schemata, rigide

  • voordeel: intens, scherpe analyse, zelden persoonlijk

  • nauwkeurige anatomie van schoonheid van het proza



Hoofdstuk VII: Horatius p. 80


  • Augusteïsche periode (31 v.C.-14 n.C.) < Grieks hellenisme

  • theorie: poëzie < patronaat, literaire salons, recitatio

  • “modellen?”  classicisme !

  • Horatius (65 v.-8n.): invloed op Westerse poetica

“Ars Poetica”

1. Inhoud, bronnen en structuur van de Ars

  • Het probleem en oplossingstrategieën


overzicht inhoud p. 81

// slordig samenraapsel  is dit wel een ars? het is een poëtische brief.

paradox: zonder methode  praktijk ordelijk, artistiek, organische eenheid

+ specifieke problemen



strategieën:

a) transpositie van verzen, emendatie

b) ontkenning van het probleem

c) analyse van gedicht  plan, principe


  • Oplossingen:


Wecklein: deel 1 // Aristoteles’ 6 delen tragedie

Birt: 2-ledige structuur: ars (retorische schema) - artifex

Norden: in retorische traditie van Inleidingen

Jensen: Horatius’ bron = Neoptolemus van Parium (3de E v.C.)

via Philodemus: reconstructie 



  • indeling: poema - poesis - poeta

  • leer over de functie van de poëzie

  • aandacht voor grotere dichtgenres

toepassing = problematisch vb. termen andere betekenis

al bij al: Peripatetisch-Alexandrijnse revisie van Aristoteles’ werken (zie p. 84)

Horatius zet Griekse traditie verder en geeft door aan het Westen

2. Elementen van Horatius’ doctrine

1.


  • zwijgt over mímhcis

  • belangrijker: imitatio van klassiek Griekse meesters

  • over poëtische inspiratie: niet oorspronkelijk

  • ingenium-ars: middenweg, eist wel gepolijste perfectie


2. functie van de dichtkunst < Neoptolemos

  • prodesse + delectare

  • utilitair, ethische instructie



3. organische eenheid van dichtwerk !


  • decorum = prépon

  • niet louter literaire categorie maar ook ethisch ideaal



Hoofdstuk VIII: Quintilianus

Algemeen:


Romeinse reflectie = Griekse + retoriek

= genre maar ook woordkunst

retoriek wordt organum waarmee men alle soorten proza gaat beoordelen

Leven en werk:


° 35 n.C. in S Callaguris

68 naar Rome: jurist en leraar welsprekendheid = 1ste dr staat betaald

90 emeritaat

93 “Institutio Oratoria” = monument, gezag in westen

loyaal tot Flavische dynastie

esthetiek: conform aan Ciceronianisme, classicist


Inhoud en plan van de Institutio Oratoria (p. 87)


zelfde plan als werken hell. periode: poiesis - poema - poeta

3-7: onderwerp, 8-11: vorm, 12: redenaar



  • toch niet traditionele Ars rhetorica:

ruim perspectief: ook pedagogie

  • < academische ervaring: degeneratie door slecht onderwijs !

  • elocutio: origineel

wel + Grieks classicisme maar “natuur, rede en ervaring !!”

  • wil algemene principes geven = open geest

  • zeer grote belezenheid

  • grote invloed op Renaissance-theorieën



Boek X, 1, 46-131: een literatuuroverzicht

a) Overzicht (p. 88)

b) Kenmerken


-fragmentarische overlevering van de literatuur en verschillen in smaak

-geen lit.geschiedenis, afh. van Alexandrijnse filologie, oratorische vorming, onvolledigheid



-een canon: imitatio - aemulatio (ook Romeinen - Grieken)

Deel 2: Capita selecta

Hoofdstuk I: Antieke reflecties over komedie en het komische

Hoofdstuk II: Retoriek en creatieve verbeelding

Hoofdstuk III: Poëzie en geschiedschrijving





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina