Voorwoord bij de Nederlandse uitgave



Dovnload 0.85 Mb.
Pagina1/14
Datum18.08.2016
Grootte0.85 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14
Gelukkig

in de


Sovjet-Unie



Irina Malenko



Voorwoord bij de Nederlandse uitgave
Hello !

Dit is de story van mijn leven,

En het gaat als volgt…

Bobby Farrell in de song “Hoppa Hoppa”

Waarom heb ik dit boek geschreven ?

Omdat ik het nu al twintig jaar kotsbeu ben om naar die eindeloze leugens te luisteren over hoe het leven was in de Sovjet-Unie. Je ontsnapt er nergens aan, in films, boeken, kranten en schoolboeken. Het gaat niet enkel om een eenzijdig beeld van de Sovjet-realiteit. Was het alleen dat maar. Om het met een Russisch spreekwoord te zeggen, hoe dieper we in het woud trekken, hoe meer we we verstrikt raken in het kreupelhout van vervalsingen en verdraaiingen.

Al twintig jaar heb ik mijn geboorteland niet herkend in wat ik moest lezen, zien en horen.

Over ons, onze ouders, grootouders en zelfs overgrootouders.

Ik werd alsmaar kwader. Ze bedriegen onze kinderen en kleinkinderen, opdat ze niet zouden weten wat het écht was om een sovjet-burger te zijn. Zo’n woede moest Tolstoj gevoeld hebben toen hij schreef: “Ik kan niet langer zwijgen”.

Ik zie de wereld met de ogen van een sovjet-mens. En ik ben er fier op. Ik was gelukkig in de Sovjet-Unie, en ik schaam mij niet om het te zeggen. Ik was niet bij de “elite”, en ik was geen “uitzondering”.

Ik schrijf in naam van de “zwijgende meerderheid” van onze mensen, omdat ik hoop dat ze zich zullen herkennen in mijn karakters en hun belevenissen. En dat ze zichzelf zullen zien als de meerderheid die ze zijn. Van mijn Russische lezers kreeg ik hopen brieven, die mij gelukkig maken. Blijkbaar heb ik een gevoelige zenuw geraakt, en helpt mijn boek hen om te begrijpen wat er gebeurd is met ons, en om zichzelf terug te vinden.

Meer dan 20 jaar ballingschap in de zogenaamde “vrije” wereld gaf mij het recht om hem te vergelijken met onze Sovjet-realiteit. En de vergelijking was niet in zijn voordeel.

Van wie onze sovjet-ervaring achteloos wegwuift als “totalitarisme”, verwacht ik veel lawaai, maar geen revolutie.

Het boek verscheen voor het eerst in het Russisch, en daarna in Engelse vertaling, onder de titel “Sovietica”. Je kan die versies vinden ….

Het is een trilogie. Deel 1 gaat over de Sovjet-Unie, delen 2 en 3 over de strijd voor rechtvaardigheid in verschillende delen van de moderne wereld. Elk deel telt ongeveer 700 bladzijden. De Nederlandse uitgave, die u in uw handen houdt, is de ingekorte versie van deel één.

Alle aspecten van onze sovjet-ervaring bestuderen en de positieve creatief toepassen, dat vind ik essentiëel om een “andere wereld” te kunnen opbouwen, hoe verschillend en uiteenlopend de vormen van die wereld ook zullen zijn in de toekomst.

Irina Malenko
Door het vensterluik en de gordijnen sijpelen schuchtere zonnestralen. Ze huppelen op de open plek in het bos voor ons huis over de eerste paardebloemen, spelen haasje-over die gouden eetbordjes. Helgroen is het gras. Na de overstromingen van de lente is de aarde pas droog en ruikt naar appelbloesems. Alles bloeit rondom ons huisje: appels, peren, kersen en seringen.

In het begin van de zomer zijn de morgens het mooist: dan moeten we niet naar school. Je kan traagjes ontwaken en blijven liggen in bed en kijken naar die zonnestraaltjes in de gordijnen - en vooraf genieten van een eindeloze, hete dag, vol verrukkelijke gebeurtenissen.

Maar daar moeten we, jammer genoeg, nog een paar weken op wachten. En in juni zijn de bloesems al verdwenen uit de appelbomen en seringen, de nachtegalen zingen niet meer en de wegen liggen onder het stof …

In mei besluipt mij een vreemd, beklemmend gevoel: overal rondom zoveel schoonheid dat mijn hart ineenkrimpt. Op zo’n dagen geloof je echt in een wonder (heel anders dan met Oudejaarsavond !) en je voelt dat het niet veraf is. Hoe spijtig is het om die merkwaardige dagen te moeten verslijten in angst voor de jaarlijkse toetsen of te moeten blokken voor de examens, maar er is niets aan te doen… “Nog een beetje, een heel klein beetje, de laatste slag nog, de moeilijkste …”

Mei begint met de Eerste Mei. Vlak voor één mei gieten ze overal nieuwe asfalt, ze dempen de putten in de wegen en de weeë geur van kokende teer hangt in het rond. Ze verven de boomstammen langs de straten onderaan in het wit, en dat beeld alleen al geeft een feestelijk gevoel.

Op één mei is het – om ongekende redenen - altijd mooi weer. Regen en koude slaan pas de volgende dag toe. Eén Mei is de scherpe grens tussen de nog niet doorgebroken lente, zoals in april, (als de paadjes opdrogen, zodat je al zomerschoenen kan dragen, en dan opeens weer is er geen doorkomen aan, en moet je de beu gedragen demi-saison laarzen weer uit de kast halen) en de tijd wanneer “de groene klanken zoemen”. Letterlijk op één dag ontluiken de blaadjes op de bomen (en ze ruiken zo lekker !), de paardebloemen op de wegen, en met wat geluk kan je in je hemd naar de mei-optocht, zonder regenjas.

De optocht was een grote gebeurtenis, een feest voor jong en oud. De hele familie trok er naar toe, uitgedost in hun beste pak. Naar de Oktober-parade * ging ik niet altijd, vanwege het weer, en als ik thuisbleef dan deed ik niets liever dan op televisie de stoet bekijken ! Maar ik heb géén enkele eerste mei gemist. Van ’s morgens vroeg speelde er lustige muziek op straat. De straten waren geveegd, de bomen gewit, grootvader en de buren hadden al vroeg aan elk huis rode vlaggen opgehangen. Niemand dwong ons om dat te doen – zo’n gedachte alleen al zou ons belachelijk geschenen hebben. Het verkeer in de stad lag stil, iedereen kwam te voet aangestapt op de tonen van de muziek – naar de verzamelplaats van de colonnes, vrolijk en opgewekt.

Wij – de kinderen – wachtten ongeduldig tot ze onze ballonnen opbliezen, en ze vastmaakten aan takken en tijgen, tussen de verse blaadjes. Ballonnen en frisse citroenlimonade hoorden bij één mei en bij (wat grootvader noemde) “den oktober” , zoals de kerstboom en mandarijntjes bij Oudejaar, zoete kersen en aardbeien bij juni, en watermeloenen bij augustus. En zo was het goed ! Onbegrijpelijk, voor wie in januari die prachtige, maar plastieken, aardbeien vreet uit een Hollandse serre, of in december ingevoerde druiven uit de andere kant van de wereld, en het hele jaar door dagelijks liters cola drinkt, en gratis ballonnen toe krijgt bij een happy meal in de Mcdonalds. Wij, de kinderen uit de sovjet-tijd, hadden altijd iets om naar te verlangen, en om blij mee te zijn als het ogenblik daar was. Het ging niet om bezittingen, de dingen op zich hadden voor ons geen absolute allesomvattende waarde. Als de ene een fiets had, en de andere niet, dan reed iedereen er op, om beurten. Als iemand naar het toneel ging, en de andere had geen biljet, dan kocht men er één en nodigde hem mee uit. Wij wilden onze blijdschap delen, en er niet protserig de anderen mee de ogen uitsteken.

Onze ouders konden ons op elk moment ballonnen en citroenlimonade kopen, maar niemand deed dat, want dat was voor het feest. Misschien kan de pepsicola-generatie dat niet begrijpen. Wij konden, wat zij niet kan, én wachten, én blij zijn !

Maar terug naar één mei. In de straten speelden fanfares. Op weg naar hun colonnes botsten de mensen op ouwe bekenden, sloegen een babbeltje en wensten ze een mooie feestdag. Dan stonden ze te trappelen tot de stoet zich in gang zette. Als wij, kinderen, moe werden, zetten ze ons achteraan op een rolwagen met de enorme portretten van de leden van het Politburo *. Onderweg bekeken we de affiches en lazen de spandoeken. De dorpsmensen brachten hun accordeon mee, dansten er op los en zongen volksliedjes. Uiteraard – zonder enige verplichting… De ambiance van het feest was echt en overal. Het was óns feest, net als “den Oktober”. Later maakte de presidenten Jeltsin er “de dag van de onafhankelijkheid” van (onafhankelijk van Gorbatsjov ?) en Poetin “de dag van het leven voor de tsaar”… Voor ons was het ook niet zomaar “het feest van de lente en de arbeid”. Wij wisten wat de internationale solidariteit van de arbeiders betekende !

Hoe dichter we naderden bij de grote tribune aan het standbeeld van Lenin, hoe luider de muziek klonk en de slogans, en de “hoera ! s” schetterden door de megafoons – omdat we blij waren met het leven, met deze mooie warme dag, met de zomer die er aan kwam. En omdat het zo plezant was, allemaal samen. Als de arbeiders van deze of die fabriek juist voorbijkwamen, schalde de megafoon: “Leve de dappere werkers van deze of die fabriek !” en die dappere werkers brulden in antwoord: “Hoera !” tot de kasseistenen er van daverden.

Na de demonstratie treuzelden de demonstranten naar huis. Het verkeer lag stil en we volgden de tramsporen. Thuis had grootmoeder ’s avonds koeken gebakken, en andere lekkernijen. Grootvader zette de borrelglaasjes klaar voor oom Seriozja. Die kwam twee keer per jaar, op 1 mei en op 7 november, en mijn nicht met haar man en hun zoon, die acht jaar ouder was dan ik, de held en afgod van mijn jeugd. Hij speelde en sprak met mij als met een gelijke, en niet als met een klein kind. Hoe keek ik er naar uit ! Grootvader was een oorlogsveteraan, maar geen communist, en later ook nooit een gewezen communist, en stapte nogal cynisch door het leven, maar hij sprak de toasten uit en riep als eerste: “hoera !”. En dan wij.

En ’s avonds, ’s avonds was er vuurwerk ! Veelkleurige vlammen versierden de hemel. Klein en groot stroomde naar buiten, de straat op. Bij elk salvo galmde ons “hoera !”.

Toen konden wij ons nog niet voorstellen wat bordelen zijn, of drugs, of Playboy, de éénarmige bandiet, spelen op de beurs, privé-bewakingsdiensten in een winkel, huurmoordenaars die afrekenen in het milieu, een werkloze, dakloze kinderen, vakantie op de Malediven, of een buurman die in de vuilbakken naar eten zoekt.

Na de 1e mei kwam vlug de 9e. De dag van grootvader, de dag van de overwinning in de oorlog. Aan mij vertelde hij er nooit over. Enkel op de negende mei, als hij zijn glas geleegd had, riep hij: “Wat een slachting was dat ! God geve dat je nooit zo’n slachting moet meemaken ! De mens is het wreedste dier op aarde.” Als bij wonder had hij de slag bij Leningrad overleefd. Ze hadden hem van het slagveld weggesleept met een vreselijke wonde in zijn been. De scherven zijn er in blijven steken tot aan zijn dood, en grootmoeder zei dat hij ze voelde bewegen bij slecht weer. Ik keek naar zijn been en probeerde mij dat voor te stellen, die grijze, bewegende en kwaadaardige dingen.

Enkele dagen voor de Dag van de Overwinning begonnen ze filmen te vertonen over de oorlog. Ik was vijf jaar oud, toen ik "Hoe stil is hier de dageraad" zag. Ik weet nog goed hoe geschokt ik was toen we de film voor het eerst zagen. Die keer huilde ik niet na de film ; als ik hem nu zie stromen mijn tranen met beken. Om onze meisjes aan het luchtafweergeschut, en om het lot van mijn land … Toen stond ik de volgende morgen op, en richtte op ons erf een gedenkteken op, onder de lijsterbes, ter ere van Rita, Zjenia, Liza, Sonia en Galia. En ik legde een krans neer. Dan ging ik naar grootvader en zei: "Grootvader, koop mij een machinegeweer !"

Grootvader was niet verwonderd. In de speelgoedwinkel wél. Het kleine speelgoedwinkeltje, het leek wel een mandje, stond vlak naast de apotheek, ze verkochten er schrijfgerief en speelgoed. "Machinegeweer ? Voor een meisje ?" Maar ik kreeg het, zonder discussie. En nog die zelfde dag speelde ik oorlog met mijn beste vriendin Maroesja, die ook de film gezien had, en met haar broer Andrjoezjka, in het dichte struikgewas van klisplanten achter de moestuin, die hoger stonden dan ons hoofd. Ook in de heetste zomerdagen was het halfduister in hun schaduw, dit was het bos en wij de partizanen. Wij legden paadjes aan en ondergrondse schuilplaatsen. Mijn nieuw geweer ratelde als een echt. Maroesja was de overmoedige Zjenka, haar geroep overstemde het geweersalvo uit het struikgewas, en ik was de zangerige Liza, maar ik verdronk niet in het moeras, ik werd net op tijd gered.

Sinds die tijd heb ik nooit een romantische, zwakke heldin willen zijn, en gered worden door een grootmoedige held. Ik wilde zelf redden en de held zijn ! In mijn dromen was ik de vermetele kapitein van het sterrenschip, en redde mijn bemanning uit benarde situaties. Die bemanning vulde ik aan met bestaande en verbeeldde helden. Janosik, Zorro en de Zwarte Tulp, en ook de dappere letten, de vochten tegen de zweden in de film "Knechten van de duivel", en Zoja Kosmodemjanskaya *.

Ik zag me als wapenbroeder van Zorro, als zijn gelijke, niet als Hortensia uit de film. Een collega van mijn mama wilde me opvoeden met een oude joodse spreuk: "Als ze geven - neem het aan, als ze slaan - loop weg !". Verontwaardigd legde ik die grijsaard uit dat als ze je slaan, je niet moet weglopen, maar terugslaan ! Zo was ook mijn opa, hoe hopeloos hij er ook voorstond, weglopen deed hij niet ! Van zo'n man dromen de vrouwen tegenwoordig…

Op 9 mei om zes uur was er een minuut stilte - en ook mijn hart stond stil. Om 9 uur 's avonds - vuurwerk… Na het vuurwerk klom ik op het dak, en zat daar lange tijd gehurkt, en keek naar de eindeloze rij tuinen in bloei. Alleen een reusachtige spin hield me daar gezelschap, in haar web aan de schoorsteen van ons huis. Zij was zo enorm groot, dat ik haar "de spinnenwever-holbewoner" noemde, als in het verhalenboek over Alisa *. Vanuit haar web hing ze mij aan te kijken, en van hààr was ik nu eens niet bang. Wellicht omdat ze nooit naar mij toe sloop, en zich alleen maar met haar eigen zaken bezig hield.

Toen de schemering inviel, startten de nachtegalen en de kikkers hun avondconcert. De kikkers waren met meer, en overklasten de nachtegalen schaamteloos. Maar in dat ongewone koor school toch iets onvatbaars en aantrekkelijks.

Op de zolder onder het dak koerden de slaperige duiven van grootvader - zijn liefde en trots. Ik kende ze allemaal, en hun stamboom, en bracht mijn moeder in verlegenheid als ik op school daar de details van vertelde. Mijn lieveling was de "Auerhaan", zo genoemd wegens de ouderdomsknobbels op zijn ogen. Hij was niet alleen de ouderdomsdeken maar ook de slimste van al de duiven. Als een andere duivenmelker hem kon vangen - vliegen kon hij niet goed meer - dan wipte hij naar huis terug over de omheiningen. De andere duivenmelker sprong hem achterna en vloekte, maar tevergeefs. Toen Auerhaan overleed, begroef ik hem bij mijn obelisk voor de meisjes van "Hoe stil is hier de dageraad", met als grafschrift "Auerhaan - 1960-1977".

Diefstal van duiven was de enige vorm van misdaad in onze wijk, en werd dan nog steeds zeldzamer, in mijn eeuw heb ik maar één zo'n poging meegemaakt. Bij mijn nachtelijke omzwermingen stond ik in de schaduw, en zag opeens een magere hand door het zolderraampje steken. Stilletjes ging ik grootvader wekken, maar in plaats van hem bij zijn hand te grijpen en naar binnen te sleuren (op het dak zat hij in de val), schreeuwde grootvader uit alle kracht: "Wat doe jij daar, groene sparren nog aan toe ?!" - en de dief vluchtte weg… "Groene sparren nog aan toe" en "jeksel-boksel" waren de ergste vloeken uit grootvaders woordenboek. Grootmoeder schold nooit op ons, in plaats van "duivel" zei ze "het zwarte woord". Tot aan mijn 15 jaar heb ik nooit schuttingwoorden gehoord, en wist zelfs niet dat ze bestonden, nog minder wat ze betekenden. Op de schoolbank naast mij had ik - in volle onschuld - het woord "pannekoek" opgeraapt. Mama legde me uit dat je zo'n woord best niet uitsprak. Verwondering . "Waarom ?" "Omdat ze met dat woord een ander woord bedoelen, een lelijk woord." Natuurlijk wou ik weten welk. Mama wimpelde me lange tijd af, maar fluisterde me uiteindelijk toch het woordje in mijn oor. Ik had het nog nooit gehoord, en het zei me niets. "Maar wat betekent dat ?" vroeg ik, alweer in volle onschuld. Mama werd rood en probeerde het mij uit te leggen. "Een soort slechte vrouw". En toen vergat ik het. En voelde geen lust om dat woord te gebruiken.

In de meer dan 20 jaar, die ik heb geleefd in de Sovjet-Unie, zijn er - naar ik mij herinner - in onze stad met een half miljoen inwoners maar twee moorden gepleegd. Moord was iets dat niet gebeurde. Enkel in films. Het was iets "marsiaans", zoals werkloosheid, daklozen of ondervoeding. (Dat bestond allemaal, maar op de andere planeet die we bekeken op televisie.) Niemand had vuurwapens, de gedachte alleen al was geschift. In het eerste geval had de geesteszieke mama van Olja, die bij Maroesja in de klas zat, haar dochter vermoord. Ik was er zo ondersteboven van, hoewel ik dat meisje helemaal niet kende, dat ik er een gedicht voor schreef. In het tweede geval was het achter de spoorweglijn (ons huis stond aan de rand van de stad). In de winter was er een getrouwde man neergestoken, die er in het bos een afspraak had met zijn minnares… Een bekende (haar man ?) had haar niet aangeraakt, enkel gezegd "Mond dicht, stom wijf" en was weggevlucht. Thuis kroop ik onder de tafel van schrik, toen de volwassenen de straat opliepen. De gewonde legden ze in de sneeuw onder een straatlantaarn, en onze mannen holden de moordenaar achterna (ja, in die tijd keken de mensen niet de andere kant op !), maar hij vluchtte over het ijs naar de andere oever.

Maar tegenwoordig … er zijn geen woorden voor. Anton, die bij mij in de klas zat, heeft na zijn medische opleiding in het lijkenhuis gewerkt, en hij kon het niet uithouden ("elke nacht brengen ze zo 7 tot 10 lijken binnen - allemaal jonge mensen !"), hij stortte zich in de godsdienst en ging in een kuil onder de grond wonen. Ach !…

Toen ik 6 jaar oud was, kocht mijn mama kaartjes voor het amerikaanse ballet Holiday on Ice in Moskou. 's Nachts keerden we met het boemeltreintje terug. Het was leeg, en de hele weg sliep ik op mama's schoot. Daarna gingen we te voet naar huis, dwars door de stad, om 4 uur 's morgens ! De zomernacht was heerlijk, warm en rustig. Het deed zo goed, en niemand die ergens schrik voor had. Enkele verliefde koppeltjes kwamen voorbij, en enkele arbeiders uit de nachtploeg, en niemand kwam op het kwaadaardige idee iemand te overvallen.

Na onze "bevrijding" kunnen sommigen niet begrijpen hoe je zo'n kans zou laten voorbijgaan: die vrouw of het kind niet beroven of verkrachten, als ze daar toch alleen lopen in de nacht… Een filmcriticus schreef in alle ernst dat "de overgang was gemaakt van de sovjet-mentaliteit naar de morele normen…"

Maar laat ik aan iets prettigs denken, anders kan ik de slaap niet vatten. Ons huis ! Klein, gemaakt van hout, alles in één kamer en de keuken, maar zo gezellig, zo beminnelijk. Fris in de zomer in het voorhuis, terwijl in de provisiekamer de muizen knisperen, en grootmoeder kookt op het fornuis. 's Winters warm bij de oven, een echte russische oven… Waaruit heerlijke aardappels rollen, dampend en met een bijsmaak van as. Op de canapé van grootmoeder is het zo zalig om je te liggen opwarmen…

De enige plek op deze planeet, waar ik me echt thuis voel !

In mijn jeugd fronste ik de wenkbrouwen bij de woorden "liefde voor het Vaderland" en "patriotisme". Zoiets vond ik officiële praat. Domoor ! Toen ik eenmaal weg was, droomde ik jarenlang bijna elke nacht. Een nachtmerrie. Veelal hetzelfde: ik veranderde in een blad papier, om toch maar weer in dat huis binnen te geraken, al was het in een omslag, bij de brief… Ik werd wakker en begon te huilen als niemand het zag …

Ik draai me op mijn andere kant, sluit mijn ogen en probeer mijn huis te zien. Op straat noemden ze mij Zjenia Vandenhoek, omdat ons huis op een hoek stond. Twee vensters geven uit op de straat, en drie op de binnentuin, een schuur, appelaars en perebomen in de boomgaard, twee appelbomen voor het huis, en daarnaast de moestuin…

Ik herinner mij de smaak van de blaadjes zuring uit die tuin, de schommel die geurde naar hars - grootvader had hem gemaakt uit spoorbalken. Aan het knarsend gepiep hoorde grootmoeder dat ik in de tuin zat (de touwen hingen aan roestige metalen haken, die in een ijzeren buis staken). Ze hoorde ook telkens de houten zitplank kraken, die ik 's avonds altijd mee naar huis nam, anders werd ze nat van de regen en de dauw. Ik schommelde bijna hoger dan de dwarsbalk en sprong er dan af, en vloog door de lucht de halve tuin over en landde in een bed aardappelplanten. Ik herinner me nog hoe ik kransen maakte uit paardebloemen. Het witte sap besmeurde mijn kleren en grootmoeder kreeg het er niet uit gewassen - strenge berisping ! En hoe je klis rond de stengel van een brandnetel moet draaien, om je handen niet te branden tijdens een netelveldslag. Netels waren onze bajonet als we ten aanval stormden in een neteloorlog. En hoe mama op een warme zomerdag coloradokevers verzamelde in een badje, en zelfs wanneer die voor het eerst bij ons opdoken. De eik, die ik zelf geplant heb achteraan de tuin, toen ik in het eerste leerjaar zat, met een eikel die ik vond in het park tijdens de klasuitstap.

Achter de tuin lag een greppel, in de lente klotste er dooiwater door. Daarachter de spoordijk, waarover de treinen reden. Als kind schrok ik vreselijk van de stoomfluiten, ik weet niet waarom. Op een winter ging ik wandelen, en hoe hard loeide die locomotief opeens ! Met een schreeuw dook ik blindelings met mijn hoofd in een hoop sneeuw… Mijn ouders kwamen naar buiten gelopen, en zagen enkel mijn laarzen nog uitsteken. Tomotsjka (ze ruste in vrede !) maakte er voor mij zelfs een gedichtje over: "Machinist - blijf stil, Zjenja slapen wil …! ", wat ik verschrikkelijk graag hoorde. Van treinen heb ik heel mijn leven al schrik gehad, ik weet goed hoe groot ze zijn als je er naast staat. Eén wiel is al hoger dan jezelf ! Brrr… Wie naast de spoorweg woont, wordt hun gedonder gewoon. Je slaapt door en hoort ze niet meer. In 1976 was de hevige aardbeving in Roemenië tot bij ons te horen, maar we hadden het zelfs niet opgemerkt, onze huizen beefden geregeld nog veel erger.

Een keer overhaalde mijn vriendin mij om over de sporen te lopen: daarachter hadden zigeuners hun kamp opgeslagen, dat moesten we zien. Ik was 5, zij 4. Ik had geen schrik van treinen, als er een kwam, zouden we hem zien en wegspringen. We hurkten op de rails, en loerden door de bomen naar het kamp. Mama kwam toen juist terug van haar werk de heuvel af, en zag ons al vanuit de verte… Ze zegt dat ze zich zelf niet meer kan herinneren hoe ze tot bij ons gespurt heeft ! Er kwam geen trein, maar toen heeft ze mij voor de enige keer in mijn leven een klap gegeven. Ik was beledigd: ik zou de treinen toch zien afkomen ? Maar sindsdien ben ik nooit meer zonder volwassenen de spoorlijn genaderd.

Achter de spoorlijn lag een stortplaats, en ook een bos. Geen normaal russisch berkenbos, maar pas aangeplant in de tijd van Chroesjov. (Nikita Chroesjov hield er niet van dat de mensen op eigen initiatief voor zichzelf aardappelen plantten aan de oever van de rivier, en dus beplantte men het veld met verschrikkelijke bomen - amerikaanse ahorns, die zich snel vermenigvuldigden als in de jungle). Eertijds wandelden we daar met grootvader, daarna ging ik niet meer mee, maar hij bleef daar brandhout sprokkelen. Achter de aanplantingen stroomde onze rivier gestaag, niet echt breed, met - tot aan mijn geboorte - zuiver water. Zelf heb ik er enkel de meest roekeloze zwemmers weten baden ! In de lente overspoelde ze alles, en wij gingen (uiteraard samen met een volwassene !) naar de spoorlijn om steentjes in het dooiwater te werpen. Toen ik drie jaar oud was, overstroomde ze zo erg, dat het water in ons huis tot aan mijn kniëen stond. Wij gingen allemaal overnachten bij Tamarotsjka, en dat vond ik een geweldig avontuur ! Maar grootvader kon er niet mee lachen …

's Winters gleden we met sleëen en ski's de damhelling af. In de zomer plantten de mensen daar aardappelen, en uiterst zelden kwam iemand ze stelen (enkel als er een misoogst geweest was). Iedereen wist waar zijn lapje grond lag, en niemand die er aan kwam. Bewakers in de winkels heb ik voor het eerst gezien 6 jaar geleden, op de Antillen. Dat soort peil van beschaving hebben wij nu ook bereikt ! Waar ben ik nu toch beland ? … Zo zal ik nooit meer inslapen ! En 's morgens moet ik vroeg opstaan, naar het werk …

Gelukzalig ontwaken. Wachtend op het wonder. Ik zal het nooit meer beleven, sinds de Sovjet-Unie er niet meer is. Vraag ik dan werkelijk zoveel van het leven ? En wie had er last van, dat miljoenen andere mensen ontwaakten met een vredig gevoel van geluk ?…

Ik ben nooit meer ontwaakt met een gevoel van geluk. Sinds Liza ziek is geworden. De laatste maanden waren een nachtmerrie uit een soapserie. Ik begin er nu pas van los te komen. Maar hoe kom je ooit los van zoiets ?

Lente, lente … mei … na 9 mei naderden de jaarlijkse examens, waarbij de moed me telkens in de schoenen zonk, hoewel ik goed leerde. Eind mei wordt het weer kouder, en bloeit de vogelkers. Als ik diep mijn wenkbrauwen frons, ruik ik bijna haar weeë zoete geur. En de droom stopt mij onder, in een aroma van ingebeelde vogelkers…

…Wat nu? Waarom ben ik weer in Rotterdam? Dat vervloekte Rotterdam, waar komt het uit gekropen ?

Daar loopt hij, Sonny, met zijn kwaadaardig mooi gezicht, hij zoekt mij en Liza… ik vlucht een winkel binnen en bid dat hij hier niet binnenkomt ! Maar daar draait hij zich om, en langzaam, zo langzaam als enkel kan in een droom, stapt hij naar de winkeldeur. A-a-a-a !

Ik schrik wakker van mijn eigen kreten, koud zweet breekt me uit.

Al lang weet ik niet meer wie ik ben. Waar ben ik ? Wat doe ik hier ?

Waar is mijn open plek in het bos gebleven, en mijn schuchtere zonnestralen die geuren naar appelbloesems ?

Ik ben iemand uit de sovjet-unie. Niet zomaar een russische, geen "nieuwe hollandse" en zeker geen "wereldburgeres".

De prettige geur van brandend turf dwarrelt vanuit rokende schoorstenen door mijn venster naar binnen. Ik ben dus in Ierland. Oef, geen Rotterdam !

Dit overkomt iemand anders. Straks zal ik wakker worden en weer normaal leven, geen plastieken leven. Brood zal naar brood smaken, en pas na drie dagen verdrogen, zonder wakke schimmel. Rozen zullen naar rozen geuren, en niet naar Hollandse chemie. Chocolade zal naar chocolade smaken, niet naar de stopverf van Kinderchocolade. Jonge meisjes zullen dromen van de eerste liefde en wandelingen in de maneschijn, en niet van de titel "Miss Topless". De mensen zullen niet angstig de andere kant uitkijken als er iemand wordt overvallen of verkracht. Er zullen geen weerloze dakloze kinderen zijn, en geen pedofielen die er kunnen op jagen. Als je met een doodziek kind naar de dokter rent, en elke minuut telt, zal hij je niet eerst vragen: "Wie zal dat betalen ?"

Dat gevoel achtervolgt me al 8 jaar. Nog even volhouden, dan word ik wakker en alles ligt weer op zijn plaats. En al die jaren leef ik op mijn valies.

Maar ik word wakker - en alles is hetzelfde gebleven als gisteravond.

Is dit een grap of om te huilen ? Wij hadden alles, waarvoor mensen gevochten hebben. Maar wij dachten domweg dat het geen vrucht was van het socialisme, maar de algemene vooruitgang, iets vanzelfsprekends, iets dat niemand ons nooit kon afnemen… Zoals de lucht. En hier denken ze dat het onbereikbaar is…

Ik draai me op mijn andere zij, en zie de eindeloze vlakte van de kolchoze * - het boekweit bloeit, geurt naar honing, vrij, nergens prikkeldraad, nergens "Privaat domein ! Gewapende bewaking - doodsgevaar !"… Op die vlakte bouwen ze nu cottages * voor de nieuwe rijken…

Het is nog maar 4 uur… misschien kan ik nog wat slapen…

1
Ierland. Ik spoelde hier aan als studente. In Nederland woedde vreselijke werkloosheid, en lange tijd vreesde ik om, na mijn diploma van Russische taalkunde aan de universiteit van Leiden, te moeten leven van de bijstand. In Ierland - god zij dank - lag het helemaal anders. Dublin zoog de jonge Europeanen op, vooral als ze talen spraken.

Ik kwam in Ierland aan vlak na onze scheiding. De procedure was nog niet afgelopen. Een koude dag in januari. Ik ademde de frisse lucht over het gemoedelijke vliegveldje van Dublin, als een ontsnapte gevangene, uit een kooi van onverschilligheid waar iedereen me voortdurend afsnauwde : "Hou op, dat interesseert me niet !" Het ergste was de volmaakte voorspelbaarheid. Telkens als ik kennis maakte met een nederlander/of nederlandse, wist ik vooraf wat voor gesprek er zou volgen.

- Mag ik iets vragen?

- Ja, dat mag.

- U bent zeker geen Nederlandse? Waar komt u vandaan?

- Rusland.

- Gaat u nog terug?

- Ik zou wel willen, maar er is daar geen werk voor mij.

- Jullie hadden vroeger geen vrijheid, maar nu hebben jullie die vrijheid wel.

- Welke vrijheid hadden wij vroeger niet, meneer/mevrouw?

- Nou, bijvoorbeeld (altijd precies hetzelfde), ik kan hier op straat gaan en hardop zeggen dat onze Koningin een stomme koe is. Jullie mochten dat niet over jullie regering zeggen.

- Nou en? Als u dit echt kan zeggen, waarom doet u het niet? En waarom denkt u dat ik dat over onze regering wou zeggen?


Daar hadden ze geen antwoord op.

Verbijsterend hoe mensen, die nooit in mijn land geweest waren, mij in volle ernst uitlegden, wat voor een verschrikkelijk leven wij daar meegemaakt hadden. De Ieren hebben mij geleerd om zo'n mensen uit te lachen.

Op een autobus in Ierland voelde ik mij altijd meteen thuis. Na een uur lawaai en herrie kenden we elkaars levensloop, anekdotes en drama's. We aten en zongen samen. Het was Rusland nog niet, maar het voelde als thuis. Ik vond werk in Dublin, o zo gemakkelijk, als telefoniste bij een grote hotelketen, en reserveerde kamers voor hun cliënten. Het was mijn eerste werk, en ik was er verschrikkelijk trots op. Ik voelde mijzelf een "young professional" *, in mijn comfortabel kantoor op twee passen van het beroemde Saint Stevens Green Park.

Ik zou volmaakt gelukkig geweest zijn, was het niet van Liza's ziekte.




  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina