Voorzitter: Marieke van Doorninck (Mr de Graafstichting) Deel 1



Dovnload 33.67 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte33.67 Kb.
17 oktober 2001, Oudaen, Utrecht

 

Voorzitter: Marieke van Doorninck (Mr. de Graafstichting)



 

Deel 1

Sietske Altink (De Rode Draad) verzorgt de eerste inleiding. Naar aanleiding van de op 1 oktober gehouden Rode Draad-conferentie vertelt zij een en ander over de knelpunten die daar aan de orde zijn gekomen. Een greep uit de geïnventariseerde punten:

  • de slechte werkomstandigheden (boetes voor te laat komen, hoge afdrachten)

  • onduidelijkheid over de positie van de prostituee (is zij in loondienst of zelfstandig)

  • het zg. schijnondernemerschap

  • problemen bij het aanvragen van uitkeringen

  • problemen bij ziekte (wanneer is het een beroepsziekte; recht op loondoorbetaling of niet?)

  • problemen op verzekeringsgebied (bijvoorbeeld met betrekking tot het afsluiten van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen)

  • is de Arbowet wel of niet van toepassing op prostitutie/ tegenstrijdige eisen die door verschillende toezichtsinstanties worden gesteld

  • onduidelijkheid over het bestaan en de omvang van aftrekposten; problemen bij het bewijzen ervan

  • waar ligt de grens tussen privécontact en belast contact?

  • bordelen vallen niet onder bedrijfsruimte in de zin van de Huurwet?

  • problemen bij het aanvragen van vergunningen (afgifte beperkt aantal, voorkeur voor bestaande bedrijven waardoor geen mogelijkheden voor vrouwen om eigen bedrijfje te beginnen etc)

  • identificatieplicht voor prostituees

  • inschrijving bij Kamer van Koophandel (prive adres openbaar; weigering inschrijving)

  • vrouwenhandel: buitenlandse vrouwen zijn uitgesloten van legale arbeid in de prostitutie.

De volgende inleider is Roelof Haveman (UL).
Hoewel het inmiddels duidelijk is dat prostitutie arbeid is (zelfs de ILO heeft dit onder voorwaarden erkend), blijven er nog voldoende onduidelijkheden bestaan. De belangrijkste vraag is: is het zelfstandige arbeid of arbeid die in loondienst verricht wordt? Welke criteria gelden er? En zóu het zelfstandige arbeid of arbeid in loondienst moeten zijn? De voorkeur lijkt op het moment naar het eerste uit te gaan.
Ook op het gebied vreemdelingen (Wav, Associatieovereenkomsten), met name ten aanzien van de toelating van vreemdelingen als zelfstandige, zitten problemen. Van deze categorie noemt Roelof enkele voorbeelden uit de jurisprudentie:

  • economische politierechter Leeuwarden, oktober 1999: het enkele feit dat de prostituee huur betaalt wil niet zeggen dat ze niet zelfstandig is

  • economische politierechter Almelo, 5 juni 2001: gaat over een aantal vrouwen dat zich als zelfstandige bij de Kamer van Koophandel heeft ingeschreven, hetgeen zou moeten gelden als bewijs van zelfstandig ondernemerschap. De rechter kijkt naar de concrete omstandigheden van het geval (zo is er geen schriftelijke huurovereenkomst, geen Btw-nummer, er zijn geen afspraken met fiscus, uitvoeringsinstanties ed.) en constateert dat alle feiten wijzen op niet-zelfstandigheid.
    Het is belangrijk dat een dergelijke toetsing plaatsvindt, er kan immers ook sprake zijn van een schijnconstructie.

  • Rechtbank Zwolle, september 2001: de rechter stelt dat de vrouwen die een vergunning om als zelfstandige te werken hebben aangevraagd, zolang daarop niet beslist is, geacht worden niet als zelfstandige te werken maar arbeid te verrichten voor een ander. Dat laatste betekent dat de exploitant een tewerkstellingsvergunning nodig heeft; deze wordt echter niet verleend voor prostituees. Verder blijkt uit deze uitspraak dat het mogelijk is dat iemand onder de Vreemdelingenwetgeving als zelfstandige geldt, maar voor de Wav onzelfstandig is.

  • Rechtbank Den Haag zp Amsterdam, 30 oktober 2000: Amsterdam voert het beleid dat exploitanten van ramen geen werkruimte mogen verhuren aan onderdanen van de zgn. associatelanden op straffe van verlies van hun vergunning. De rechter stelt dat het feit dat de betrokken prostituee haar werkzaamheden niet meer kon uitvoeren omdat zij geen werkruimte kon huren betekent dat sprake is van een vergaande afhankelijkheid van de exploitant en zij derhalve niet als zelfstandige aangemerkt kan worden. Roelof ziet deze uitspraak als 'slip of the pen'.

  • De zg. Achterdam-zaak (Rb. Den Haag zp Haarlem, 19 december 1997; 18 februari 2000; 31 augustus 2001): de gemeente stelde in deze zaak o.a. dat de prostituees niet als zelfstandige werkten omdat ze een raam moesten huren en van wat andere diensten van de exploitant gebruik maken. De rechter keek naar de feitelijk situatie (o.a. het feit dat zij vrij zijn om te komen en te gaan) en concludeert dat het huren een zekere afhankelijkheid betekent maar niet bijzonder afwijkt van de situatie van andere zelfstandigen.

Daarna gaat Roelof nog kort in op de zgn. Associatieovereenkomsten (gesloten tussen de EU en een aantal Oostbloklanden die hier op termijn deel van zullen uitmaken). In deze overeenkomsten wordt bepaald dat ingezetenen uit deze landen die als zelfstandige willen werken binnen de Unie recht hebben op een behandeling die niet minder gunstig is dan de behandeling die de eigen onderdanen krijgen. In de zaak van een aantal prostituees uit deze Associatielanden heeft de Nederlandse rechter nu prejudiciële vragen aan het EG-Hof gesteld over de uitleg van deze overeenkomsten. Het Hof heeft nog geen uitspraak gedaan, maar uit de conclusie van de A-G kan afgeleid worden dat Nederland wellicht op de vingers getikt zal worden. Zo stelt Nederland dat het bij prostituees niet om echte zelfstandigheid gaat, maar om een soort semi-zelfstandigheid (een aantal argumenten dat genoemd wordt: zelfstandigen zijn geschoold, hebben een ondernemingsplan, investeren). Daarnaast lijkt Nederland er vanuit te gaan dat alle buitenlandse vrouwen in de Nederlandse prostitutie eigenlijk slachtoffer van vrouwenhandel zijn en dus niet zelfstandig. Daarom, zo stelt Nederland, zijn de overeenkomsten op prostitutie niet van toepassing.

De A-G haalt de argumenten onderuit en concludeert dat prostitutie, onder voorwaarden, gewoon onder de overeenkomsten valt. Het wachten is nu dus op de uitspraak van het Hof (verwacht 20 november, nr. C-268/99). Een en ander was voor het CDA overigens aanleiding om kamervragen te stellen: wat gaat de minister eraan doen om te voorkomen dat Nederland, mocht het Hof in de lijn van de A-G beslissen, prostituees uit Associatielanden als zelfstandigen moet gaan behandelen, m.a.w. te voorkomen dat Nederland zich aan zijn verdragsverplichtingen moet houden?

Afsluitend concludeert Roelof dat in de jurisprudentie over het algemeen toch een vrij positieve ontwikkeling te zien is.

De volgende spreker is Marjan Wijers (CLWI). Zij geeft een overzicht van de jurisprudentie op andere terreinen. De meeste jurisprudentie betreft overigens buitenlandse vrouwen, jurispurdentie op andere terreinen die de (rechts)positie van prostituees betreffen is spaarzaam.



Bijstand:

  • Rechtbank Roermond, 2 november 2000. Gemeente Roermond weigert een vrouw bijstand te verstrekken omdat ze in de prostitutie werkzaam zou zijn (de vrouw zelf zegt dat ze masseuse is). De rechter komt aan de vraag of (op grond van oude jurisprudentie van de CRvB) een prostituee uitgesloten kan worden van aanvullende bijstand niet toe omdat hij vindt dat de gemeente onvoldoende onderzoek heeft verricht en dat het vermoeden dat betrokkene in de prostitutie werkzaam is onvoldoende grondslag heeft. Bovendien is de vrouw niet ingelicht over dit vermoeden. Wat vooral opvalt in deze zaak is, dat de gemeente er op voorhand vanuit gaat dat haar boekhouding niet klopt, uitsluitend vanwege de aard van de (vermeende) bedrijfstak. Om die reden overigens wordt ook het beleid dat in deze gemeente geldt voor bijstandsgerechtigden met kinderen jonger dan 5 jaar niet op haar toegepast. Blijkbaar is het zelf voorzien in onderhoud alleen nastrevenswaardig als het om 'eerbare' beroepen gaat.

Overigens verschilt het gemeentebeleid nogal; sommige gemeentes vinden dat prostituees onder omstandigheden bijstand kunnen krijgen, anderen vinden dat dit nooit kan. Volgens het Handboek Lokaal Prostitutiebeleid (een uitgave van het ministerie van Justitie en Binnenlandse Zaken) dienen prostituees op dezelfde wijze te worden behandeld als andere (werkende) burgers en kunnen zij onder omstandigheden een beroep doen op een aanvullende bijstandsuitkering. Ondertussen heeft ook de CRvB haar oude lijn verlaten (17 oktober 2000): de gemeente mag er niet van uitgaan dat een prostituee met haar werkzaamheden (per definitie) meer verdient dan de bijstandsnorm.

Belastingen:
Vooral aftrekposten en de vraag wat wel of niet als werkuren wordt gerekend (in het kader van de zelfstandigenaftrek) geven problemen: valt het wachten op een client, het bijhouden van sekscatalogi of het schoonmaken van de werkruimte werktijd? Hoe zit het met de aftrek van werkkleding? Zo werd in een 'oude' zaak (voor de opheffing van het bordeelverbod) de aftrekpost 'werkkleding' afgewezen omdat deze niet voldoende aannemelijk zou zijn gemaakt. De rechter was van mening dat deze kleding ook in het dagelijks leven gebruikt kon worden en daarom niet specifiek als werkkleding kon gelden. Het beroep van de betrokken vrouw op de richtlijnen voor fotomodellen wordt afgewezen omdat de werkzaamheden niet vergelijkbaar zijn (Hof Den Haag, belastingkamer, 27 mei 1998).

 

Identificatieplicht:


Tegelijk met de opheffing van het bordeelverbod werd een identificatieplicht voor prostituees ingevoerd als enige beroepsgroep (los van een evt. werknemer/werkgeversverhouding). Op grond van het nieuwe art. 151a Gemeentewet hebben gemeenteambtenaren de bevoegdheid prostituees om identificatie te vragen "voorzover dat redelijkerwijs ter vervulling van hun taak nodig is (art. 5:13 Awb)". Inmiddels zijn er een aantal uitspraken bekend waarin deze bevoegdheid door de rechten afwisselend buitengewoon ruim of duidelijk begrensd wordt opgevat. Vgl. bijv. Rb Den Haag zp Amsterdam 26 april 2001 - controle vond plaatst in het kader van het algemene prostitutiebeleid, volgens de rb. is hiermee doel en wijze van toezicht voldoende duidelijk en was de ambtenaar derhalve bevoegd - en Rb Den Haag zp Assen 10 mei 2001. De rechter volgt hier zorgvuldig de toelichting van de minister tijdens het kamerdebat over de invoering van de identificatieplicyht voor prostituees: het vragen naar identiteitsbewijzen is pas aan de orde als er aanwijzingen zijn dat degenen die in het prostitutiepand werkzaam is onrechtmatig iin Nederland is, minderjarig is of anderszins niet aan de verordening wordt voldaan; bewaring onrechtmatig, toekenning schadevergoeding.

 

Daarnaast is nog wat interessante oude jurisprudentie:


Rechtbank Maastricht, 26 juni 1997, naar aanleiding van een door de gemeente Heerlen ingevoerd algeheel tippelverbod. Een aantal prostituees vechten dit met succes aan. De rechter oordeelt dat een algeheel tippelverbod in strijd is met het recht op vrije arbeidskeuze, daarbij o.a.stellend dat straatprostitutie als een apart beroep gezien moet worden, zoals ook andere straatberoepen een eigen karakter hebben (bv. marktkoopman is een ander beroep dan winkelier)

Soms gaat een rechter ook de mist in zoals de kantonrechter Sittard (25 februari 2000): de vraag die hier centraal stond was, of een bordeel al dan niet als art. 1624-bedrijfsruimte gezien moet worden. De rechter gaat, zoals hij uitdrukkelijk stelt, "ambtshalve bezichtigen" en concludeert dat dat niet het geval is. Het bordeel laat zich volgens hem het beste vergelijken met een manege waar men een uurtje of wat lekker op een paard kan rijden!

Afsluitend concludeert zij dat het bemoedigend is om te zien dat de recterlijke macht in het algemeen de positief creatieve rol vervult die de overheid laat liggen, waarbij veelvuldig met andere beroepen wordt vergeleken. Niet omdat rechters nu zo progressief zijn, maar omdat zij, zoals goede juristen betaamt, de wet-en regelgeving op een consequente en consistente manier uitleggen, en die uitleg boven hun particuliere moraal stellen.

Tenslotte: in (o.a.) Nemesis 2001/6 is een deel van de genoemde uitspraken na te lezen, een deel wordt ook besproken in het artikel Sekswerk. De moraal van seks voor geld van Roelof Haveman en Marjan Wijers in hetzelfde nummer; via het CLWI kunnen de uitspraken bovendien opgevraagd worden.


Deel 2
De panelleden geven een korte reactie.



Janet Visbeen (belasting- en beloningsadviseur) licht de fiscale kanten toe. In fiscaal opzicht is de gezagsverhouding een belangrijk criterium; daarom moet vastgesteld worden op welke gronden men binnen deze beroepsgroep tot het al dan niet aanwezig zijn van een gezagsverhouding kan concluderen. Het gaat hierbij altijd om de omstandigheden van het individuele geval.
Verder vergelijkt zij kort loondienst met zelfstandig ondernemerschap. Een belangrijk voordeel van loondienst is het feit dat werknemersverzekeringen van toepassing zijn, een nadeel is dat er tegenwoordig nauwelijks aftrek van beroepskosten meer mogelijk is. Dit laatste is voor zelfstandigen nog wel mogelijk, maar met zeer strikte regels. Verder moet een zelfstandige uiteraard veel meer regelen (inschrijving Kamer van Koophandel, Btw-afdrachten, verzekeringen voor arbeidsongeschiktheid afsluiten etc).
Overigens is het vanaf 1 januari 2001 mogelijk om vooraf een verklaring bij de Belastingdienst aan te vragen: hiermee wordt in fiscaal opzicht vastgesteld of je zelfstandig of werknemer bent. Voor het regelen van deze verklaring moet wel minimaal 6 tot 8 weken uitgetrokken worden.

Irene Asscher-Vonk (KUN), arbeidsrecht:
Binnen het arbeidsrecht is doorslaggevend wat partijen bedoeld hebben, hetgeen uit de feiten wordt afgeleid (Schoevers-Groenarrest). Zij benadrukt dat het uiteindelijk dus altijd om het concrete geval gaat, niet om een categorie van gevallen.
Een belangrijk element van het werknemerschap, zeker ook voor de prostituee, is overigens het toepasselijk zijn van art. 7:658 BW. Dit artikel regelt de aansprakelijkheid van de werkgever bij bijvoorbeeld bedrijfsongevallen, ziekte ontstaan door het werk ed. Van belang is dat ook achteraf, bijv. bij een beroep op werknemersverzekeringen, een loondienst verhouding nog kan worden vastgesteld.
Tenslotte noemt zij het algemene probleem dat mensen binnen een arbeidsverhouding liever niet met elkaar procederen; in de meeste gevallen heb je daarom weinig aan instrumenten waarmee je een en ander individueel kunt afdwingen. De oplossing die hiervoor in het arbeidsrecht traditioneel wordt gegeven: 'eenheid maakt overmacht', oftewel het vormen van een vakbeweging, het afsluiten van een CAO, collectieve belangenbehartiging. Wellicht zal ook binnen de prostitutie het klassieke wapen van de vakbond, staking, gehanteerd moeten worden. Duidelijk is in ieder geval dat het arbeidsrecht voor deze beroepsgroep niet alles zal kunnen oplossen.

Gertjan van Andel (advocaat vreemdelingenrecht): Met de opheffing van het bordeelverbod is tevens bepaald dat vrouwen (en mannen) uit niet-EU landen en niet-Associatielanden zich niet (legaal) in Nederland kunnen vestigen als (zelfstandig) prostituee; zij krijgen geen verblijfsrecht voor zelfstandige vestiging en de Wav sluit het verlenen van een tewerkstellingsvergunning voor arbeid in de prostitutie uit..
In het geval van prostituees van buiten de EU en de associatielanden die zich als zelfstandige willen vestigen wordt getoetst of met hun komst een wezenlijk Nederlands belang is gediend In de 'Achterdamzaken' is door de rechter aanvankelijk een aantal malen de afwijzing van de aanvraag van een vergunning tot verblijf voor vestiging als zelfstandige prostituee door Justitie op het argument dat er geen sprake was van een wezenlijk Nederlands als onvoldoende gemotiveerd afgewezen; recent echter heeft de rechter uiteindelijk beslist dat er geen sprake is van een wezenlijk economisch belang onder verwijzing naar het politieke debat hierover, in casu de sanctionering door de Kamer van het in deze door de minister van Justitie gevoerde beleid (het is onwenselijk dat buitenlandse vrouwen hier in de prostitutie kunnen werken, hetzij als zelfstandige, hetzij in loondienst)). Hiermee moet aangenomen worden dat met prostitutie geen wezenlijk Nederlands belang gediend wordt.
Voor prostituees uit Associatielanden loopt al een aantal jaren een procedure bij het Europese Hof in Luxemburg (hiervoor ook al aangehaald). Centraal staat de vraag of bij prostitutie sprake is van zelfstandige arbeid; zoals het er nu naar uitziet is er een behoorlijke kans dat dit in het voordeel van de prostituees zal uitvallen. Uiteraard neemt dat niet weg dat voor ieder individeel geval bepaald zal moeten worden of er sprake is van zelfstandigheid of niet.

Deel 3
Opmerkingen en vragen uit de zaal.



Opmerking: naast de schijnconstructie zelfstandigheid is nu ook de schijnconstructie loondienst gesignaleerd.
Vraag: raamexploitanten vragen soms exorbitant hoge huren, onder allerlei bezwarende voorwaarden (bv. een afname van 6 dagen per week). Is daar juridisch iets tegen te ondernemen?
Reactie Irene Asscher-Vonk: vanuit het arbeidsrecht is de vraag weer of hier niet feitelijk sprake is van loondienst. Wanneer echter uitsluitend door de klanten aan de vrouwen wordt betaald kom je met het arbeidsrecht niet verder. Wellicht is de Arbowetgeving van toepassing, maar daar heb je niets aan wat die huurprijzen betreft. Dan zal toch naar de regels van het huurrecht gekeken moeten worden.

Hierna gaat de discussie nog enige tijd over de gezagsverhouding versus zelfstandigheid en over het feit dat dergelijke begrippen in de verschillende wet- en regelgeving (arbeidsrecht, belastingwetgeving, Wet arbeid vreemdelingen; Associatie-accoorden) niet hoeven samen te vallen. Belangrijk is daarbij natuurlijk wel, dat de belastingdienst alleen naar de feitelijk situatie kijkt: er is geld verdiend, onder welke categorie moeten we het laten vallen? De Wav kent een veel ruimer begrip werkgever. Bij de Associatie-accoorden vindt toetsing vooraf plaats: gaat deze prostituee als zelfstandige werken of niet? Het antwoord op deze vraag heeft gevolgen voor haar verblijfsrecht.



Janet Visbeen: tot 1 januari 2001 was er nog de freelancer, dat is nu niet zo'n grote categorie meer (heet nu 'overige werkzaamheden'). Voor prostituees is dit wellicht toch nog een mogelijkheid; het is administratief bezien een stuk makkelijker dan zelfstandige zijn.
Haar conclusie is, dat vanuit fiscaal oogpunt bij prostitutie vaak toch snel tot een dienstbetrekking geconstateerd zal worden (terwijl in het arbeidsrecht op basis van dezelfde feiten wellicht anders geoordeeld zou worden). De gezagsverhouding speelt hierbij een centrale rol. Zij noemt het voorbeeld van de zg. zelfstandige zonder personeel (een ex-werknemer die voor zichzelf begint en vaak vooral opdrachten uitvoert voor de voormalige werkgever). In deze situatie wordt toch nogal eens tot een arbeidsrelatie geconcludeerd omdat de ex-werkgever voor de diensten betaalt (en niet de opdrachtgever). Bij prostituees is de situatie natuurlijk wel anders, maar Janet sluit niet uit dat - afhankelijk van de mate van afhankelijkheid tussen exploitant en prostituee - ook hier vaak van een dienstverband in fiscaal opzicht sprake zal zijn.

Marieke van Doorninck: het probleem lijkt dus vooral te zijn dat prostituees vaak wel alle plichten maar (nog) niet de rechten van werknemers hebben.

Janet Visbeen: een mogelijke oplossing is in ieder geval het aanvragen van een verklaring bij de belastingdienst, op basis van de feitelijke situatie. Dat neemt niet weg dat het vaak heel lastig zal zijn om een beroep te doen op de werknemersverzekeringen.

Vraag: is het werknemerschap voor prostituees wel wenselijk?
Irene Asscher-Vonk: dat hangt natuurlijk helemaal van de wensen van partijen af.

Sietske Altink: exploitanten verzinnen van alles om onder het werkgeverschap uit te komen. De Rode Draad wil graag dat er een duidelijk keuze gemaakt kan worden: óf de loondienstverhouding met alles wat daar bij hoort, óf het zelfstandig ondernemerschap. Nu zitten prostituees er vaak tussenin. Verder blijft het inderdaad een keuze die ieder voor zich moet maken; sommigen willen graag in loondienst, anderen juist niet.

Verder komt het verlies van anonimiteit ter sprake. De conclusie is, dat hier weinig aan te doen valt. Of je nu werknemer of zelfstandige bent, je gegevens zullen bij bepaalde instanties bekend moeten zijn (wat natuurlijk iets anders is dan het aan de grote klok hangen van die gegevens). Blijft dus de vraag hoe gegevens binnen de bestaande wetgeving zo goed mogelijk beschermd kunnen worden.



Opmerking uit de zaal: wellicht is het zinnig om vergelijkingen te trekken met andere beroepsgroepen (denk aan medisch specialisten), om zo tot bepaalde regelingen te komen. Zo specifiek zijn de problemen van prostituees waarschijnlijk niet.

Reacties: bij prostituees speelt natuurlijk wel het probleem van de stigmatisering; bovendien maken de anonimiteitsproblemen procederen lastig. Daarom is het hebben van een belangenvereniging, een vakbond, heel belangrijk. Bovendien zal gewerkt moeten worden aan een verandering van status en imago van de prostituee.
Heel belangrijk is ook meer duidelijkheid over de rechtspositie (denk aan de postbank-casus); de vorming van jurisprudentie speelt hierbij een grote rol. Een proceskostenfonds kan hierbaan ook een bijdrage leveren.
Ook de Rode Draad wil hierin ook een rol vervullen: het bundelen van belangen van prostituees, in loondienst en zelfstandig, in beroepsverenigingen; het beantwoorden van hun vragen, bijvoorbeeld naar aanleiding van contacten met instanties, problemen met werkgevers.

Vraag: hoe zit het met de mogelijkheden om een schadevergoeding in het kader van de Wav aan te vragen, wanneer een prostituee wordt uitgewezen?
Gertjan van Andel: hangt helemaal van de omstandigheden af. Er zal een werkgever moeten zijn, en er zal sprake moeten zijn van achterstallig loon. Het blijkt in de praktijk zelden tot resultaten te leiden, bijvoorbeeld vanwege bewijsproblemen. Bovendien blijkt het in veel gevallen toch om zelfstandige arbeid te gaan (bijvoorbeeld in een samenwerkingsverband) zodat er geen werkgever aangesproken kan worden.
Roelof Haveman licht toe dat de Wav regelt dat een illegaal (dat wil zeggen zonder tewerkstellingsvergunning) tewerkgestelde achterstallig loon kan vorderen (loon dat hij/zij had kunnen verdienen); dit staat los van de civielrechtelijke arbeidsverhouding.
Sietske Altink: wij willen deze situaties heel graag in een proefproces aan de orde stellen; zogenaamde zelfstandigen werken vaak in een situatie waarin toch duidelijk een gezagsverhouding aanwezig is. Bijvoorbeeld met hulp van de FNV wil De Rode Draad hier iets aan doen.

Marjan Wijers sluit de avond af met de constatering dat, gezien de grote opkomst, blijkbaar veel belangstelling voor het onderwerp bestaat. Zij hoopt dat de studiebijeenkomst ertoe zal bijdragen dat er meer geprocedeerd zal worden zodat nieuwe jurisprudentie ontstaat. Verder wijst zij op het bestaan van het proefprocessenfonds Clara Wichmann waar een aanvraag kan worden ingediend wanneer het gaat om een zaak die voor meer vrouwen van belang is. Zij verzoekt iedereen die een bijdrage wil leveren aan de toekomstige ontwikkelingen op dit terrein, dit vooral kenbaar te maken, en bedankt tenslotte alle inleiders en panelleden voor hun bijdrage.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina