Vragen en antwoorden over levensmiddelenadditieven Wat zijn levensmiddelenadditieven?



Dovnload 21.32 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte21.32 Kb.


MEMO/11/783

Brussel, 14 november 2011



Vragen en antwoorden over levensmiddelenadditieven

Wat zijn levensmiddelenadditieven?

Additieven zijn stoffen die om verschillende redenen worden gebruikt bij de bereiding van voedsel, zoals conservering, kleuring, zoeten, enz. In de wetgeving van de Europese Unie worden zij omschreven als "elke stof, met of zonder voedingswaarde, die op zichzelf gewoonlijk niet als voedsel wordt geconsumeerd en gewoonlijk niet als kenmerkend voedselingrediënt wordt gebruikt, en die voor technologische doeleinden bij het vervaardigen, verwerken, bereiden, behandelen, verpakken, vervoeren of opslaan van levensmiddelen bewust aan deze levensmiddelen wordt toegevoegd, met als gevolg of redelijkerwijs te verwachten gevolg dat de stof zelf dan wel derivaten ervan, direct of indirect, een bestanddeel van die levensmiddelen worden".



Waarvoor worden additieven gebruikt?

Additieven kunnen voor verschillende doelen worden gebruikt. De EU-wetgeving omschrijft 26 "technologische redenen". Additieven worden onder meer gebruikt als:



  • kleurstof – om levensmiddelen te kleuren of weer kleur te geven;

  • conserveermiddel – om de houdbaarheid van levensmiddelen te verlengen door ze te beschermen tegen micro-organismen;

  • antioxidant – om de houdbaarheid van levensmiddelen te verlengen door ze te beschermen tegen oxidatie (d.w.z. het ranzig worden van vet en kleurveranderingen);

  • meelverbeteraar – toevoeging aan meel of deeg om de bakeigenschappen ervan te verbeteren.

Zijn levensmiddelenadditieven veilig?

De veiligheid van alle levensmiddelenadditieven die thans zijn toegestaan, is onderzocht door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding (SCF) en/of de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA). Alleen additieven waarvan het voorgestelde gebruik veilig wordt geacht, staan op de EU-lijst.

Aangezien de meeste onderzoeken uit de jaren 80 en 90 of zelfs uit de jaren 70 dateren, is het niet meer dan normaal dat alle toegestane additieven door de EFSA opnieuw worden beoordeeld. De nieuwe beoordeling zal in 2020 zijn voltooid. Op grond van het advies van de EFSA kan de Commissie voorstellen de huidige gebruiksvoorwaarden voor de additieven te herzien, en zo nodig een additief schrappen van de lijst.

Deze nieuwe beoordeling heeft er tot dusver toe geleid dat het gebruik van drie kleurstoffen voor levensmiddelen is herzien omdat de EFSA de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) ervan heeft verlaagd en van mening was dat mensen wellicht te veel worden blootgesteld aan deze kleurstoffen. De maximale hoeveelheid van die kleurstoffen die in levensmiddelen mag worden gebruikt, zal daarom begin 2012 worden verlaagd. Het gaat om Chinolinegeel (E 104), Zonnegeel (E 110) en Ponceau 4R (E 124).



Hoe wordt de veiligheid van levensmiddelenadditieven beoordeeld?

De EFSA beoordeelt de veiligheid van levensmiddelenadditieven. De stoffen worden beoordeeld op basis van een dossier dat gewoonlijk wordt ingediend door een aanvrager (doorgaans de producent of een mogelijke gebruiker van het additief). Dat dossier moet de chemische specificaties van het additief, het productieproces, de analysemethoden, de reactie en de lotgevallen in levensmiddelen, de noodzaak, het voorgestelde gebruik en toxicologische gegevens bevatten.

De toxicologische gegevens moeten informatie bevatten over het metabolisme, de subchronische en chronische toxiciteit, de carcinogene werking, genotoxiciteit, voortplantings- en ontwikkelingstoxiciteit, en zo nodig resultaten van andere onderzoeken.

Op basis van die gegevens bepaalt de EFSA tot welk niveau de inname van de stof als veilig kan worden beschouwd – de zogenoemde aanvaardbare dagelijkse inname (ADI). Tegelijkertijd beoordeelt de EFSA op basis van het voorgestelde gebruik in de verschillende levensmiddelen of de kans bestaat dat deze ADI kan worden overschreden.

Als de ADI niet wordt overschreden, wordt het gebruik van het levensmiddelenadditief veilig geacht.

Is het mogelijk dat levensmiddelenadditieven in gevaarlijke hoeveelheden worden geconsumeerd?

Wanneer de EFSA de mogelijke blootstelling aan een levensmiddelenadditief raamt, gaat zij uit van de maximale hoeveelheid die voor de verschillende levensmiddelen werd aangevraagd. Voorts gaat de EFSA ervan uit, dat de maximale hoeveelheid van die levensmiddelen dagelijks wordt gegeten. Enkel als de aldus geraamde blootstelling via de verschillende levensmiddelen onder de ADI blijft, beschouwt de EFSA het voorgestelde gebruik van de stoffen als veilig. Als de ADI wordt overschreden, kan de Commissie beslissen het gebruik van het additief te beperken of er in het geheel geen goedkeuring voor te geven.

De aanwezigheid van levensmiddelenadditieven moet dan ook veilig worden geacht, zelfs voor consumenten die grote hoeveelheden levensmiddelen consumeren waaraan de additieven tot het maximaal toegestane niveau zijn toegevoegd.

Wat zijn de voorwaarden voor goedkeuring van levensmiddelenadditieven?

Een levensmiddelenadditief kan slechts worden goedgekeurd als het voldoet aan de volgende voorwaarden:



  • volgens de beschikbare wetenschappelijke gegevens levert het bij de voorgestelde hoeveelheden geen gevaar voor de gezondheid van de consument op;

  • er is een redelijke technologische behoefte waaraan niet anderszins kan worden voldaan; en

  • het gebruik heeft niet tot gevolg dat de consument wordt misleid en het levert hem voordeel op.

Bij de goedkeuring van levensmiddelenadditieven kan ook rekening worden gehouden met andere relevante factoren, bijvoorbeeld ethische overwegingen, tradities, het milieu.

Wat zijn de voordelen voor de consument?

De EU-wetgeving bepaalt dat levensmiddelenadditieven voordelen voor de consument moeten hebben. Daarom moeten zij een of meer van de volgende doelen dienen:



  • instandhouding van de voedingskwaliteit van het levensmiddel;

  • levering van de benodigde ingrediënten of bestanddelen van levensmiddelen die voor groepen consumenten met speciale dieetbehoeften worden vervaardigd;

  • verhoging van de houdbaarheid of stabiliteit van een levensmiddel of verbetering van de organoleptische eigenschappen, mits de consument daardoor niet wordt misleid;

  • vergemakkelijking van het vervaardigen, verwerken, bereiden, behandelen, verpakken, vervoeren of opslaan van levensmiddelen, met inbegrip van levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma's, mits het levensmiddelenadditief niet wordt gebruikt om ondeugdelijke grondstoffen of onhygiënische methoden te maskeren.

Door levensmiddelenkleurstoffen kan de consument misleid worden – waarom zijn zij toegestaan?

Het gebruik van levensmiddelenkleurstoffen wordt aanvaardbaar geacht voor de volgende doelstellingen:



  • een levensmiddel waarvan de kleur door verwerking, opslag, verpakking en distributie is aangetast, zijn oorspronkelijke voorkomen teruggeven;

  • levensmiddelen er aantrekkelijker doen uitzien;

  • levensmiddelen die anders kleurloos zouden zijn, kleur geven.

Het gebruik van levensmiddelenkleurstoffen moet altijd voldoen aan de algemene voorwaarde dat de consument niet mag worden misleid. Het gebruik van levensmiddelenkleurstoffen mag bijvoorbeeld nooit de indruk geven dat het levensmiddel ingrediënten bevat die daar nooit aan zijn toegevoegd.

Kan elke stof als levensmiddelenadditief worden gebruikt?

Enkel levensmiddelenadditieven die in de EU-wetgeving zijn opgesomd, kunnen aan levensmiddelen worden toegevoegd, en dan nog alleen onder specifieke voorwaarden.

Additieven die slechts minimale toxicologische bezwaren doen rijzen, mogen aan nagenoeg alle verwerkte levensmiddelen worden toegevoegd. Voorbeelden daarvan zijn calciumcarbonaat (E 170), melkzuur (E 270), citroenzuur (E 330), pectinen (E 440), vetzuren (E 570) en zuurstof (E 941).

Van andere additieven wordt het gebruik beperkt, bijvoorbeeld:



  • natamycine (E 235) mag alleen worden gebruikt als conserveermiddel voor de oppervlaktebehandeling van kaas en gedroogde worst;

  • erythorbinezuur (E 315) mag alleen worden gebruikt in sommige vlees- en visproducten;

  • natriumferrocyanide (E 535) mag alleen worden gebruikt als antiklontermiddel in zout en zoutvervangers.

Mogen additieven in alle levensmiddelen worden gebruikt?

Voor sommige levensmiddelen is het gebruik van additieven sterk beperkt. Voor niet-verwerkte producten als melk, verse groenten en fruit, vers vlees en water zijn slechts enkele additieven toegestaan.

Hoe verder een levensmiddel is verwerkt, des te meer additieven zijn toegestaan en in gebruik. Zoetwaren, hartige snacks, gearomatiseerde dranken en desserts behoren tot deze categorie intensief verwerkte levensmiddelen, waarin veel additieven mogen worden gebruikt.

Bestaat er een lijst van toegestane levensmiddelenadditieven?

De additieven die in levensmiddelen mogen worden gebruikt en de voorwaarden voor het gebruik ervan staan in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 inzake levensmiddelenadditieven. Enkel de additieven van die lijst mogen onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt. De lijst van levensmiddelenadditieven is opgesteld op basis van de categorieën levensmiddelen waaraan zij mogen worden toegevoegd.

De databank van de Commissie met betrekking tot levensmiddelenadditieven is beschikbaar op internet: (https://webgate.ec.europa.eu/sanco_foods/?sector=FAD),

Via deze databank kan de consument of marktdeelnemer te weten komen welke additieven zijn toegestaan in een specifiek levensmiddel.



Wat is de procedure voor de goedkeuring van levensmiddelenadditieven?

De goedkeuringsprocedure voor levensmiddelenadditieven is vervat in Verordening (EG) nr. 1331/2008.

Een additief wordt doorgaans goedgekeurd nadat een belanghebbende daarvoor bij de Europese Commissie een aanvraag heeft ingediend. Voor nieuwe additieven verzoekt de Commissie de EFSA om de veiligheid van de stof te onderzoeken. Nadat de EFSA advies heeft gegeven (binnen negen maanden na het verzoek) onderzoekt de Commissie samen met deskundigen inzake levensmiddelenadditieven uit de lidstaten of goedkeuring kan worden verleend. Rekening wordt gehouden met de veiligheidsbeoordeling, de technologische noodzaak, mogelijk misbruik en de voordelen voor de consument.

Indien zij dat passend acht, bereidt de Commissie een voorstel voor met betrekking tot de mogelijke goedkeuring van het additief, dat zij ter stemming voorlegt aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (SCoFCAH). Indien het SCoFCAH het voorstel steunt, wordt het voorgelegd aan de Raad en het Europees Parlement. Deze kunnen het voorstel verwerpen als zij van mening zijn dat de goedkeuring niet voldoet aan de in de EU-wetgeving gestelde voorwaarden.



Hoe wordt de consument geïnformeerd over het gebruik van additieven?

Additieven in levensmiddelen worden geëtiketteerd volgens de regels van Richtlijn 2000/13/EG. Levensmiddelenadditieven zijn ingrediënten van levensmiddelen en moeten worden vermeld in de lijst van ingrediënten. De additieven moeten worden aangeduid met de naam van hun functionele klasse, gevolgd door hun specifieke naam of E-nummer. Bijvoorbeeld: "kleurstof – curcumine" of "kleurstof: E 100".

Dit E-nummer kan worden gebruikt om de etikettering van stoffen met soms ingewikkelde chemische namen te vergemakkelijken.

Kunnen levensmiddelen worden bereid zonder additieven?

Het is zeker mogelijk voedsel te bereiden zonder dat deze additieven bevatten. Additieven worden doorgaans niet toegevoegd aan voedsel dat thuis wordt bereid. Thuis wordt voedsel echter gewoonlijk dadelijk geconsumeerd. Bovendien heeft de bereiding thuis waarschijnlijk minder invloed op het voorkomen dan industriële veerwerking.

Niet alle industrieel bereide levensmiddelen vereisen additieven. Voorbeelden daarvan zijn bepaalde soorten brood, sommige bereide maaltijden, bepaalde ontbijtgranen, enz. Of additieven nodig zijn, hangt af van het productieproces, de gebruikte ingrediënten, het uiteindelijke voorkomen, de vereiste conservering, de noodzaak van bescherming tegen de mogelijke ontwikkeling van schadelijke bacteriën, de aard van de verpakking, enz.

Overigens bevatten veel levensmiddelen natuurlijke stoffen die ook als levensmiddelenadditief zijn goedgekeurd. In appels vindt men bijvoorbeeld riboflavinen (E 101), caroteen (E 160a), anthocyaninen (E 163), azijnzuur (E 260), ascorbinezuur (E 300), citroenzuur (E 330), wijnsteenzuur (E 334), barnsteenzuur (E 363), glutaminezuur (E 620) en L-cysteïne (E 920).



Wat waren de voorwaarden voor de goedkeuring van steviolglycosiden?

Steviolglycosiden zijn zoetstoffen die worden onttrokken aan de bladeren van de Stevia rebaudiana Bertoni, een plant uit Paraguay.

Nadat bij de Europese Commissie een aanvraag was ingediend, werd de EFSA verzocht de veiligheid van de stof te beoordelen. In haar advies van maart 2010 concludeerde de EFSA dat de zoetstoffen geen carcinogene werking hebben en niet genotoxisch zijn, terwijl er ook geen verband is vastgesteld met enige voortplantings-/ontwikkelingstoxiciteit, en stelde zij een aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) van 4 mg/kg lichaamsgewicht/dag vast. Voorzichtige ramingen van de blootstelling aan steviolglycosiden, zowel voor volwassenen als voor kinderen, wijzen erop dat de ADI bij de voorgestelde maximale hoeveelheden waarschijnlijk zou worden overschreden.

Om ervoor te zorgen dat de blootstelling veilig is voor de consument, moest de aanvraag op het punt van het gebruik en het niveau van gebruik worden herzien. Om die redenen vond verder overleg plaats met de EFSA en de aanvragers, teneinde een niveau voor te stellen waarop de producten veilig zijn, maar toch als zoetstof kunnen dienen.



Het gebruik van Stevia is nu op uiteenlopende passend niveaus goedgekeurd voor 31 verschillende categorieën levensmiddelen, waaronder frisdranken, desserts, zoetwaren en tafelzoetstoffen.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina